ECLI:NL:PHR:2026:266

ECLI:NL:PHR:2026:266

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer 24/00538
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Betekeningperikelen. Diefstal (art. 310 Sr). M1: falende klacht dat hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, omdat aan de akten van uitreiking gebreken kleven, te weten dat het soort identiteitsbewijs en identiteitsbewijsnummer niet zijn ingevuld en dat de aanvinkvakken met daarachter de zin “Ik heb de brief uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld” niet zijn aangevinkt. M2: falende klacht dat hof niet heeft gerespondeerd op “UOS” inzake betekening. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/00538

Zitting 12 mei 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij arrest van 15 februari 2024 (parketnr. 21-001298-23) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.M.A. Baetsen, advocaat in Venlo, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

De verdachte is op 17 februari 2023 in eerste aanleg wegens diefstal veroordeeld. Op 15 maart 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat het hoger beroep was ingesteld na het verstrijken van de wettelijke termijn van 14 dagen. Het eerste middel houdt in dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk in het hoger beroep heeft verklaard, omdat er kort gezegd gebreken kleven aan de akten van uitreiking. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat er een “gebrek in de betekening heeft plaatsgevonden gelet op artikel 36h, dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar moet worden geacht waardoor requirant ontvankelijk is in zijn hoger beroep gelet op artikel 408 lid 2 Sv”, terwijl het hof niet in het bijzonder de redenen zou hebben opgegeven die tot die afwijking hebben geleid.

Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen.

3. Het eerste middel

Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk in het hoger beroep heeft verklaard.

Bij de op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich (door mij chronologisch geordend):

(i) een dagvaarding van de verdachte in eerste aanleg (parketnr. 05-020358-23), aangemaakt op 20 januari 2023, inhoudende dat de verdachte wordt opgeroepen om op 17 februari 2023 ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Gelderland te verschijnen;

(ii) een akte van uitreiking (in persoon) van de dagvaarding voor de terechtzitting van de politierechter van 17 februari 2023, ingevuld op 20 januari 2023 om 21:00, waaruit blijkt dat het aanvinkvak met daarachter de zin “Ik heb de brief uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld” niet is aangevinkt en het soort identiteitsbewijs en identiteitsbewijsnummer niet zijn ingevuld. Ingevuld zijn wel de voorletters en de naam van de bezorger, het adres en de plaats van de handeling, de handtekening van de bezorger, de eerste voorletter en de naam van de ontvanger, en de handtekening van de ontvanger;

(iii) een oproeping vordering tenuitvoerlegging (parketnummer 05-260338-19 (tul)), aangemaakt op 20 januari 2023, inhoudende dat de verdachte wordt opgeroepen om op 17 februari 2023 ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Gelderland te verschijnen;

(iv) een akte van uitreiking (in persoon) van de oproeping vordering tenuitvoerlegging voor de terechtzitting van de politierechter van 17 februari 2023, ingevuld op 20 januari 2023 om 21:00, waaruit blijkt dat het aanvinkvak met daarachter de zin “Ik heb de brief uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld” niet is aangevinkt en het soort identiteitsbewijs en identiteitsbewijsnummer niet zijn ingevuld. Ingevuld zijn wel de voorletters en de naam van de bezorger, het adres en de plaats van de handeling, de handtekening van de bezorger, de eerste voorletter en de naam van de ontvanger, en de handtekening van de ontvanger;

(v) een aantekening mondeling vonnis van de rechtbank Gelderland van 17 februari 2023, inhoudende dat de verdachte in de zaak met parketnummer 05-020358-23 wegens diefstal gepleegd op 20 januari 2023 is veroordeeld tot 3 weken gevangenisstraf. Voorts heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak met parketnummer 05-260338-19 (tul) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 11 januari 2023;

(vi) een mededeling van 22 februari 2023 van de uitspraak van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 17 februari 2023 waarin de informatie onder (v) is vermeld;

(vii) een akte van uitreiking (in persoon) van de mededeling uitspraak van 22 februari 2023, ingevuld op 30 maart 2023, waaruit blijkt dat de geadresseerde niet aanwezig is en dat de mededeling is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie;

(viii) een mededeling uitspraak van 13 maart 2023 van de uitspraak van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 17 februari 2023 waarin de informatie onder (v) is vermeld;

(ix) een akte van uitreiking (gedetineerde in persoon) van de mededeling uitspraak van 22 februari 2023, ingevuld op 13 maart 2023, waaruit blijkt dat de mededeling uitspraak aan de verdachte is uitgereikt op die datum; en

(x) een akte instellen hoger beroep van 15 maart 2023 waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis genoemd onder (v).

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2024 houdt onder meer het volgende in:

“De voorzitter deelt mede dat het hof de op voorhand gemailde pleitnota van mr. Baetsen heeft ontvangen en dat eerst de ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep zal worden besproken.

[…]

Op de vragen van de voorzitter verklaart de verdachte:

Ik kan het deels herinneren dat ik op 20 januari op het politiebureau was. De uitnodiging voor de politierechterzitting herinner ik mij niet. Ik was toen onder invloed van drugs en psychotisch.

De raadsvrouw voert het woord:

Het bleek in een andere zaak te zijn dat verdachte zijn moeder een akte had betekend, daarover was hij in de war. Cliënt kan zich niet herinneren dat hij voor deze stukken heeft getekend en op de aktes van uitreiking en van de oproeping tenuitvoerlegging is niet aangekruist dat het naar waarheid is ingevuld of dat zijn identiteitsbewijs is gecontroleerd. Bij de oproeping tul valt de ‘r’ in ‘ [verdachte] ’ en ‘brigadier’ op. Dat is hetzelfde handschrift. Het lijkt niet op de handtekening onder het verhoor en het is niet controleerbaar, omdat niet is aangevinkt dat het naar waarheid is ingevuld. Cliënt was dus niet op de hoogte van de zitting”.

Het bestreden arrest van 15 februari 2024 houdt inzake de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep in:

“Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”

De aantekening van het mondeling arrest van 15 februari 2024 bevat over de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De akte van uitreiking is ondertekend en uit het dossier blijkt dat verdachte op 20 januari 2023, de dag van uitreiking, op het politiebureau is geweest. Om 21:00 is de akte ondertekend en verdachte is om 21:03 uur heengezonden. Het hof heeft mede daarom geen reden om te twijfelen aan de akte van uitreiking voor de politierechterzitting.

Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep”.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat op de akte van uitreiking van de dagvaarding in eerste aanleg (onder ‎3.2 ii) en op de akte van de uitreiking van de oproeping vordering tenuitvoerlegging (onder ‎3.2 iv) (a) het soort identiteitsbewijs en het identiteitsbewijsnummer niet zijn ingevuld en (b) de aanvinkvakken met daarachter de zin “Ik heb de brief uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld” niet zijn aangevinkt. Hierdoor zou niet kunnen worden gecontroleerd “of de aktes zijn uitgereikt en deze naar waarheid zijn ingevuld”. Op 13 maart 2023 is de mededeling van de uitspraak van de politierechter van 17 februari 2023 aan de verdachte uitgereikt (onder ‎3.2 viii en ix) en heeft zich een omstandigheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak de verdachte bekend is. Op 15 maart 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld (zie onder ‎3.2 x). Dit zou volgens de steller van het middel meebrengen dat het hoger beroep tijdig is ingesteld en dat de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep.

Bij de beoordeling van het middel zijn art. 36h lid 3 en art. 36n lid 1 Sv van belang. Die bepalingen luiden voor zover hier relevant:

- Art. 36h lid 3 Sv:

“De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, iedere voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon […] vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht”.

- Art. 36n lid 1 Sv:

“De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren”

De memorie van toelichting bij art. 36h Sv houdt onder meer het volgende in:

“Dit artikel betreft het huidige artikel 589 Sv, over de akte die wordt opgemaakt van de betekening door uitreiking van een gerechtelijk schrijven. In de voorgestelde nieuwe bepaling blijven de gegevens die op grond van het eerste lid in de akte worden vermeld, ongewijzigd.

Aan het derde lid wordt gewijzigd dat voortaan de identiteit van de persoon waaraan de gerechtelijke mededeling wordt uitgereikt, zo mogelijk wordt vastgesteld aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. De soort en het nummer van dit identiteitsbewijs worden genoteerd op de akte van uitreiking. Deze akte wordt ondertekend door degene die de uitreiking verzorgt. Dit kan ook een elektronische ondertekening zijn (zie het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering). Overwogen is ook degene die het gerechtelijk schrijven krijgt uitgereikt te verzoeken de akte te ondertekenen. Hiervan is afgezien omdat voor de akte de verklaring van degene die de uitreiking verzorgt bepalend is. Onwenselijk is dat discussie ontstaat over de akte van uitreiking op het moment dat hierop het tekenen voor ontvangst ontbreekt. Ten opzichte van de tekst van het huidige derde lid zijn verder de toevoegingen «ter plaatse» en «terstond» geschrapt. Reden hiervoor is dat door het gebruik van een handcomputer het formeel opmaken en ondertekenen van de akte van uitreiking van de ter plaatse en op het moment van de uitreiking ingevulde gegevens op een later moment en op een andere plaats kan plaatshebben.”

Uit de tekst van art. 36h lid 3 Sv en uit de memorie van toelichting, in beide gevallen in het bijzonder door de gebezigde woorden “zo mogelijk”, blijkt dat identificatie aan de hand van een identiteitsbewijs niet verplicht is gesteld. Daaruit volgt dat het noteren van het soort en het nummer van het identiteitsbewijs van de ontvanger op de akte van uitreiking eveneens niet verplicht is. Het ontbreken daarvan heeft naar mijn oordeel niet tot gevolg dat de betekening niet in overeenstemming met de wettelijke regeling heeft plaatsgevonden en voornoemd ontbreken heeft dan ook geen gevolgen voor de geldigheid van de betekening.

De omstandigheid dat het aanvinkvak op de akte met daarachter de zin “Ik heb de brief uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld” niet is aangevinkt, heeft naar mijn oordeel niet per definitie gevolgen voor de geldigheid van de betekening. Art. 36h lid 3 Sv vereist kort gezegd dat degene die met uitreiking van de akte is belast de akte naar waarheid opmaakt en ondertekent. Dat degene die met uitreiking is belast en in geval van uitreiking het dan toepasselijke aanvinkvak op beide akten niet aanvinkt, betekent nog niet dat – a contrario – de akten niet naar waarheid zijn ingevuld en dat niet is voldaan aan het vereiste van art. 36h lid 3 Sv. Zo kan degene die met uitreiking van de akte is belast het aanvinken immers gewoonweg zijn vergeten. Uit art. 36h lid 3 Sv volgt dat (in een dergelijk geval) ondertekening door degene die met uitreiking is belast, veronderstelt dat deze de akte naar waarheid heeft ingevuld. Dat de akte ook is uitgereikt in het geval het aanvinkvak “Ik heb de brief uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld” noch het vak “Ik heb de brief niet uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld” is aangevinkt, kan onder meer toch worden vastgesteld wanneer de ontvanger voor ontvangst heeft getekend met het plaatsen van diens handtekening op de akte. Dat een handtekening van de ontvanger op zichzelf niet is vereist op grond van art. 36h Sv, zoals volgt uit de geciteerde wetsgeschiedenis onder ‎3.8, doet daaraan naar mijn oordeel niet af.

Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, omdat hoger beroep is ingesteld na het verstrijken van de wettelijke termijn van 14 dagen. Het hof heeft daartoe overwogen dat het “geen reden [heeft] om te twijfelen aan de akte van uitreiking voor de politierechterzitting”, mede omdat de akte van uitreiking is ondertekend, uit het dossier blijkt dat de verdachte op de dag van de uitreiking op het politiebureau is geweest, de akte om 21:00 is ondertekend en de verdachte om 21:03 is heengezonden. Gelet op hetgeen onder ‎3.9 en ‎3.10 is vermeld, getuigt het oordeel van het hof omtrent de akte van uitreiking en in het verlengde daarvan de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep, niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn die oordelen evenmin onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat de akte onder ‎3.2 ii – en overigens ook die onder 3.2 iv – door degene die met uitreiking is belast is ondertekend. Ten overvloede merk ik hierbij nog op dat door of namens de verdachte geen omstandigheden zijn aangevoerd waaruit eventueel zou kunnen worden afgeleid dat de akte niet naar waarheid is opgemaakt.

Het middel faalt.

4. Het tweede middel

Het middel klaagt dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat er een “gebrek in de betekening heeft plaatsgevonden gelet op artikel 36h, dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar moet worden geacht waardoor requirant ontvankelijk is in zijn hoger beroep gelet op artikel 408 lid 2 Sv”, terwijl het hof daarop in strijd met art. 359 lid 2 Sv “in het geheel niet” heeft gereageerd.

Allereerst merk ik op dat hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting is aangevoerd (zie onder 3.3) een uitdrukkelijk voorgedragen verweer als bedoeld in art. 358 lid 3 Sv betreft en niet, zoals door de steller van het middel is aangevoerd, een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2 tweede volzin Sv. Wat daar ook van zij, het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat hoger beroep is ingesteld na het verstrijken van de wettelijke termijn van 14 dagen en het hof heeft daartoe overwogen dat het “geen reden [heeft] om te twijfelen aan de akte van uitreiking voor de politierechterzitting”, mede omdat de akte van uitreiking is ondertekend, uit het dossier blijkt dat de verdachte op de dag van de uitreiking op het politiebureau is geweest, de akte om 21:00 is ondertekend en de verdachte om 21:03 is heengezonden. Daarmee is het hof toereikend gemotiveerd ingegaan op het uitdrukkelijk voorgedragen verweer. Gelet op hetgeen onder ‎3.9 t/m ‎3.11 is vermeld, is die motivering niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

5. Afronding

De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 16 februari 2024. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 3 weken kan de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. Ook voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand