ECLI:NL:PHR:2026:27

ECLI:NL:PHR:2026:27, Parket bij de Hoge Raad, 13-01-2026, 24/00583

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 16-01-2026
Zaaknummer 24/00583
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Gedeeltelijke toewijzing vordering b.p en oplegging svm voor dat toegewezen bedrag. Oordeel hof dat b.p. heeft aangetoond dat tot een bedrag van 17.624,83 euro materiële schade is geleden en deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde is niet zonder meer begrijpelijk, nu de vordering niet nader met stukken is onderbouwd, de verdediging de vordering op die grond op een drietal posten heeft betwist en het toegewezen bedrag zonder nadere motivering niet uit de opgevoerde posten kan worden afgeleid. Dit heeft ook gevolgen voor de m.b.t. dezelfde schadepost (t.b.v. een andere BV) opgelegde svm. Deze conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van de bestreden uitspraak, nl wat betreft de beslissing op de vordering van de b.p. en de oplegging van de svm, in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het hof, en verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 24/00495.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/00583

Zitting 13 januari 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 8 februari 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-003018-22) wegens 1. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor het toegewezen deel een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, waarbij de duur van de gijzeling op ten hoogste 120 dagen is bepaald.

Er bestaat samenhang met de zaak 24/00495. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

De verdachte is veroordeeld wegens een in vereniging met anderen gepleegde diefstal uit een bedrijfspand. Bij die diefstal zijn onder andere pinpassen (al dan niet met bijbehorende pincodes), een contant geldbedrag en een Ledgar Nano toebehorend aan [A] en/of [B] buitgemaakt. In cassatie wordt opgekomen tegen de beslissing tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [B] (BV) en de ten behoeve van [A] voor hetzelfde bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

De conclusie houdt in dat het middel slaagt.

3. Het middel

Het middel komt op tegen de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [B] (BV) tot een bedrag van € 17.624,83 en de voor hetzelfde bedrag aan [A] opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat:

“hij op of omstreeks 26 januari 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een bedrijfspand ( [C] B.V.), (gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] ) goederen, te weten:

-(twaalf) pinpassen,

-(vier) laptop’s,

-een kluis, met daarin pincodes en/of een contant geldbedrag (van 17.500,-) en/of een Ledgar Nano en/of (drie) Trecor Wallets en/of waardevolle in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader (s) toebehoorde, te weten aan [A] en/of [B] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.”

Daarvan is door het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 26 januari 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen in/uit een bedrijfspand ( [C] B.V.) (gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] ) goederen, te weten:

- twaalf pinpassen,

- vier laptops,

- een kluis, met daarin pincodes en een contant geldbedrag en een Ledgar Nano en (drie) Trecor Wallets en waardevolle papieren die toebehoorden aan [A] en/of [B] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.”

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 31 januari 2018 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2018029951-1, met bijlage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina’s 1 tot en met 19):

als de op 31 januari 2018 afgelegde verklaring van [aangever] :

Ik ben namens [A] , gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] , gerechtigd tot het doen van aangifte van diefstal uit het bedrijfspand van [C] BV. Ik ben medewerker bij dit bedrijf en tevens gevolmachtigd om aangifte te doen.

Op 28 januari 2018 omstreeks 16.30 uur was ik aanwezig in het bedrijfspand. Ik liep naar mijn werkplek en ik zag dat mijn werkkast overhoop was gehaald en was ontzet. In deze kast bevond zich een kluis die was verlijmd. Ik zag dat de kluis was weggenomen. Ik bekeek de beveiligingsbeelden van de entree. Ik zag op deze beelden dat er een man het pand binnen kwam. Ik zag dat deze man het kozijn ontwrichtte. Ik zag dat er even later nog twee mannen naar binnen liepen.

Op deze beelden zag ik dat deze drie mannen regelmatig naar binnen en buiten liepen. Ik zag dat de drie mannen het bedrijfspand verlieten om 21.33 uur. Ik zag dat de man die het laatste het pand verliet de kluis onder zijn linkerarm droeg en een koevoet in zijn hand had.

Ik zag dat er betaalpassen waren weggenomen. Deze betaalpassen lagen op mijn bureau. In de weggenomen kluis waren de pincodes van deze betaalpassen opgeborgen. Bij de pincodes stonden de nummers van de betaalpassen vermeld. In de kluis was contant geld opgeborgen.

In de kluis lag verder een Ledgar Nano en drie Trecor Wallets. Dit zijn hardware wallets voor crypto munten. Verder lagen er waardevolle papieren in de kluis. Ik zag verder dat er vier laptops waren weggenomen.

2. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 8 februari 2018 van de Politie Eenheid Rotterdam met proces-verbaalnummer 2018029951. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina's 20 tot en met 22) :

als de op 1 februari 2018 afgelegde verklaring van [aangever] :

De inbraak was op vrijdagavond 26 januari 2018. De mannen kwamen om 21.19 uur binnen. Er werden in totaal 12 bankpassen weggenomen. Van die twaalf bankpassen werden in de kluis acht pincodes bewaard.”

De zich bij de gedingstukken bevindende vordering van de benadeelde partij [B] BV houdt, voor zover van belang, het volgende in:

[…]

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt als mededeling van de voorzitter in dat de vordering van de benadeelde partij [B] in hoger beroep aan de orde is tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 95.124,83. Het proces-verbaal houdt ook in dat de raadsvrouw van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig haar overgelegde in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in:

“21. Niet duidelijk is of [B] is verzekerd. De gevorderde schade die betrekking heeft op café [D] en de schade door het weggenomen contante geld alsmede de bitcoins zijn niet voldoende onderbouw en dus niet vast te stellen. Om dit te kunnen vast stellen is nader onderzoek noodzakelijk. Een dergelijk onderzoek zou een onevenredige belasting van dit strafgeding opleveren. Verzoek om de benadeelde partij niet te ontvangen in dit gedeelte van de vordering.”

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

“Vordering tot schadevergoeding [B]

In het onderhavige strafproces heeft [B] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1. bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 95.124,83.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep, gehandhaafde bedrag € 95.124,83.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 32,624,83 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 17.624,83 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk

worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Proceskosten

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [B]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.624,83 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [A] .

[…]

BESLISSING

Het hof:

[…]

Vordering van de benadeelde partij [B]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [B] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.624,83 (zeventienduizend zeshonderdvierentwintig euro en drieëntachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader (s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.624,83 (zeventienduizend zeshonderdvierentwintig euro en drieëntachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 120 (honderdtien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 27 januari 2018.”

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof in zijn beslissing op de vordering van de benadeelde partij niet nader heeft gespecificeerd op welk door de benadeelde partij gevorderd deel van de totale schadevergoeding het toegewezen bedrag betrekking heeft. Daarbij wordt opgemerkt dat het toegewezen bedrag niet overeenstemt met het gevorderde bedrag aan weggenomen contant geld, nu dat bedrag blijkens de vordering € 17.500,- bedraagt. Voor zover er wel vanuit moet worden gegaan dat het toegewezen deel van de vordering ziet op het contante geld en/of de bitcoins, waarvan de benadeelde partij heeft gesteld dat die zich in de ontvreemde kluis bevonden, geldt volgens de steller van het middel dat de verdediging dat onderdeel van de vordering heeft betwist (zie onder 3.6). Het zonder meer toewijzen van de vordering, terwijl iedere onderbouwing van de gestelde schade in de vorm van de aanwezigheid van contant geld en/of bitcoins in de kluis ontbreekt, levert volgens de steller van het middel – onder verwijzing naar HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:221, NJ 2017/140 m.nt. Lindenbergh – strijd op met art. 150 Rv. Daarbij komt dat de aanwezigheid van contant geld/bitcoins in een bedrijf als dat van de benadeelde partij, mede gelet op art. 68 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, altijd in de administratie zal moeten zijn opgenomen, bijvoorbeeld in de vorm van een ‘kas’ waarin de inkomende en uitgaande contante gelden en/of bitcoins worden verantwoord. Het door de benadeelde partij overleggen van een dergelijke administratie is volgens de steller van het middel, mede gelet op art. 150 Rv, dan ook geen overtrokken eis. De beslissing tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 17.624,83, dan wel het impliciete oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering voor zover het de contante gelden en/of bitcoins betreft geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zou daarom onbegrijpelijk zijn, althans niet in voldoende mate met redenen zijn omkleed. Volgens de steller van het middel deelt de beslissing tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel voor genoemd bedrag (ten behoeve van [A] ) hetzelfde lot.

In het overzichtsarrest HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga over de vordering van de benadeelde partij heeft de Hoge Raad onder het kopje “Beoordeling en beslissing rechter” onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

“2.8.1. Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

[…]

Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.”

De vordering van de benadeelde partij [B] BV is in eerste aanleg toegewezen tot een bedrag van € 17.500,- en voor dit bedrag is ten behoeve van [B] BV een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Volgens de rechtbank ziet het bedrag van € 17.500,- op het in de kluis aanwezige contante geldbedrag en komt dat bedrag overeen met de aangifte (opgenomen als bewijsmiddel 1) en is het daarmee voldoende onderbouwd. Van het deel van de vordering dat ziet op de waarde van de bitcoins op de Ledgar Nano wallet kon volgens de rechtbank niet worden vastgesteld dat deze schade door [B] BV is geleden, terwijl ook de hoogte van de gevorderde schade niet is onderbouwd. Over de fraude met de bankpassen overwoog de rechtbank dat met betrekking tot dit deel van de vordering onvoldoende is komen vast te staan dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd en het bewezenverklaarde feit, omdat het stelen van de bankpassen door de verdachte op zichzelf niet tot de gestelde schade leidt.

Het hof heeft vastgesteld dat de vordering van de benadeelde partij namens de verdachte is betwist. Uit het onder 3.6 weergegeven gedeelte van de pleitnota blijkt dat de betwisting erin bestaat dat de gevorderde schade die betrekking heeft op café [D] (ik begrijp de post “Fraude met bankpas [rekeningnummer 3] ”, PHvK), het weggenomen contante geld (€ 17.500,-) alsmede de bitcoins (€ 40.000,-) niet voldoende is onderbouwd en dus niet is vast te stellen. Een ten behoeve van die vaststellingen noodzakelijk onderzoek levert volgens de verdediging een onevenredige belasting van het strafgeding op. Verzocht is de benadeelde partij in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Alleen de post “Fraude met bankpas [rekeningnummer 2] ” (€ 35.124,83) is niet betwist. Verder merk ik op dat mij niet duidelijk is waarop het in de vordering van de advocaat-generaal bij het hof genoemde bedrag van € 32,624,83 precies is gebaseerd.

Het hof heeft geoordeeld dat de benadeelde partij [B] BV heeft aangetoond dat tot een bedrag van € 17.624,83 materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Volgens het hof levert de behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor het overige (€ 77.500,-) een onevenredige belasting van het strafgeding op en dient de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het hof heeft de verdachte tevens veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan de uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt en deze kosten vooralsnog op nihil begroot en ook is de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de uitspraak nog moet maken. Onder het kopje “Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [B] ” heeft het hof geoordeeld dat, gelet op de vaststelling dat de verdachte tot een bedrag van € 17.624,83 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, aan de verdachte de hoofdelijke verplichting wordt opgelegd om dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [A] .

In aanmerking genomen dat de onder 3.4 weergegeven vordering van de benadeelde partij niet nader met stukken is onderbouwd, de verdediging de vordering voor zover deze betrekking heeft op de posten “Fraude met bankpas [rekeningnummer 3] ”, “Kontant geld” en “Waarde bitcoins op Ledger” op die grond heeft betwist en het door het hof toegewezen bedrag zonder nadere motivering niet uit de opgevoerde posten kan worden afgeleid, is het oordeel van het hof dat de benadeelde partij [B] BV heeft aangetoond dat tot een bedrag van € 17.624,83 materiële schade is geleden en deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde, niet zonder meer begrijpelijk. Ten overvloede merk ik nog op dat de bewezenverklaring in het bestreden arrest – anders dan in het vonnis van de rechtbank – niet inhoudt dat een contant geldbedrag van € 17.500,- is weggenomen.

De gegrondheid van het middel heeft ook gevolgen voor de met betrekking tot dezelfde schadepost opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Daarbij verdient opmerking dat de maatregel blijkens het dictum van het bestreden arrest ten behoeve van – de eveneens in de bewezenverklaring genoemde – [A] is opgelegd.

Het middel slaagt.

4. Afronding

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad mogelijk uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 20 februari 2024. Indien dat het geval zou zijn zal de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase worden overschreden. De Hoge Raad zal dan volgens de gebruikelijke maatstaven kunnen beoordelen of dat moet leiden tot strafvermindering.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [B] BV en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?