PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01712
Zitting 24 maart 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 17 april 2024 (parketnummer 22-000550-20) vrijgesproken van het onder 1. tenlastegelegde financieren van terrorisme, het onder 2. en 3. tenlastegelegde deels bewezenverklaard, dit gekwalificeerd als “de meerdaadse samenloop van medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, meermalen gepleegd” en voor zowel het onder 2. als het onder 3. bewezenverklaarde veroordeeld tot twee maanden hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
Het cassatieberoep is ingesteld door [naam 1], advocaat-generaal bij het ressortsparket. Namens het openbaar ministerie heeft [naam 2] , eveneens advocaat-generaal bij het ressortsparket, drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. De zaak in het kort
De dochter van de verdachte woonde met haar echtgenoot [betrokkene 1] in Syrië. Volgens het openbaar ministerie zouden zij zich daar bij een terroristische organisatie hebben aangesloten. Zowel deze organisatie als [betrokkene 1] (ook wel ‘ [betrokkene 1] ’ genoemd) staat vermeld op een sanctielijst. De verdachte heeft samen met zijn echtgenote en dochter een aantal keren via tussenpersonen geld laten toekomen aan zijn dochter en [betrokkene 1] . Volgens het openbaar ministerie hebben zij zich daarmee schuldig gemaakt aan financieren van terrorisme (feit 1) en het al dan niet opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977 als het gaat om de terroristische organisatie (feit 2) en [betrokkene 1] (feit 3).
Het hof heeft, kort gezegd, geoordeeld dat bij de verdachte geen opzet op deze feiten bestond. Dit resulteert in een vrijspraak voor feit 1 en in een vrijspraak voor de misdrijfvariant van de feiten 2 en 3 Tegen deze oordelen keren zich de cassatiemiddelen. Samengevat houdt het eerste middel in dat het hof voor feit 1 niet heeft beoordeeld of bij de verdachte voorwaardelijk opzet bestond. Het tweede en derde middel voeren aan dat het hof bij zijn oordeel over de feiten 2 en 3 heeft miskend dat slechts ‘kleurloos’ opzet is vereist.
3. Het eerste middel
Zoals gezegd, is dit middel gericht tegen de vrijspraak van het onder 1. tenlastegelegde. Voordat ik het middel bespreek, haal ik eerst de relevante stukken aan.
De tenlastelegging en de overwegingen van het hof
Onder 1. is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
“hij (telkens) op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juli 2014 tot en met 12 april 2017 te Delft en/of Rotterdam en/of Den Haag en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of Libanon en/of Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zich en/of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of aan (een) ander(en) heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art. 157 en/of 176a jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot het in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo. 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art. 288a en/of 289 jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) alstoen aldaar één of meer (contant) geldbedrag(en), te weten:
A. 260 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 3890685998, en/of281 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 2263858342, en/of 281 euro, althans enige geldbedrag onder (controle) nummer 7457365269, en/of
B. 231 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 1935032803, en/of 300 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 1733572003, en/of
C. 586 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 2029643471 en /of
D.355 euro, althans enig gelbedrag onder (controle) nummer 8614173218 en/of
E.300 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 7434719413, en/of471,02 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 5934908650, en/of
F. 861,- euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 2381973355 en/of
G. 200 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 9403535254 en/of
H.376 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 8041304591 en/of
(via een money transfer) naarA. [betrokkene 5] en/of B. [betrokkene 6] en/of C. [betrokkene 7] en/of, D. [betrokkene 8] en/of E. [betrokkene 9] en/ofF. [betrokkene 10] en/ofG. [betrokkene 11] en/ofH. [betrokkene 12]althans één of meer tussenpersonen in Turkije en/of Libanon en/of Syrië, verzonden en/of doen toekomen en/of naar Turkije en/of Libanon en/of Syrië verzonden, terwijl dit/deze (geld)bedrag(en) bestemd was/waren om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(s) van die gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak,- in welke strijd terroristische misdrijven worden/werden gepleegd,
te weten ten behoeve van [betrokkene 2] , zijnde de dochter van verdachte en/of
[betrokkene 1] (alias [betrokkene 1] ), zijnde de schoonzoon van de verdachte, een strijder van de gewapende Jihadstrijd, te weten van (een) terroristische organisatie(s) Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of ISIS (Da’esh) en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq dan wel een strijdgroep die hieraan is gelieerd althans een gewapende Jihadistische strijdgroep, welke strijder en/of strijdgroep (en) /organisatie(s) tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven,
en/of aldus diende(n) om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan de gewapende strijd in Syrië en/of in Irak, in elk geval om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven”.
Het hof heeft de gegeven vrijspraak als volgt gemotiveerd:
“Onder feit 1 wordt aan de verdachte - kort gezegd - verweten dat hij zich samen met anderen meermalen opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan terrorismefinanciering, zoals strafbaar gesteld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.).
Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten vast.
In de periode van 9 juli 2014 tot en met 12 april 2017 heeft de verdachte, samen met zijn echtgenote [betrokkene 3] en zijn dochter [betrokkene 4] vanuit Nederland geldbedragen (in totaal € 4.550,-) overgemaakt aan tussenpersonen in Turkije en Libanon, die vervolgens geldbedragen aan de naar Syrië uitgereisde dochter van de verdachte, [betrokkene 2] , en haar man [betrokkene 1] hebben doen toekomen.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in Syrisch strijdgebied woonden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet wist wat er in de tenlastegelegde periode in Syrië gebeurde. Hij wist niet wat zijn dochter in Syrië deed. Evenmin wist hij dat zijn schoonzoon, met wie hij nooit veel contact had gehad, een IS jihadstrijder was. De verdachte meed de media en werkte de hele dag hard. De verdachte heeft verder verklaard dat voornamelijk zijn echtgenote het contact met [betrokkene 2] onderhield en dat hij alleen wist dat zijn dochter naar Nederland wilde terugkeren. Hij heeft de geldbedragen enkel naar zijn dochter gestuurd voor haar levensonderhoud en om haar te helpen om weg te komen uit Syrië.
De advocaat-generaal heeft betoogd - samengevat - dat kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat hij geld overmaakte aan een terroristische organisatie en dat hij dat dus opzettelijk deed. Het was in die tijd algemeen bekend dat in Syrië werd gevochten en dat IS terroristische misdrijven pleegde. Verder was algemeen bekend dat [betrokkene 1] een IS jihadstrijder was. De verdachte wist dat het geld (ook) bij [betrokkene 1] terecht kwam. Dit blijkt uit WhatsApp gesprekken tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . De verdachte handelde dus met vol opzet (noodzakelijkheidsbewustzijn) of minstens met voorwaardelijk opzet.
Opzet? Het hof is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het door artikel 421 Sr vereiste opzet. Minimaal moet kunnen worden bewezen dat de verdachte bewust heeft aanvaard dat er een aanmerkelijke kans was dat het geld (gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk) diende om steun te verlenen aan terroristische misdrijven als omschreven in 421 Sr. Het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting bevat dergelijk bewijs. Aan de advocaat-generaal kan worden toegegeven dat aannemelijk is dat de verdachte wel iets moet hebben geweten over de situatie in Syrië van destijds, maar er is geen bewijsmiddel op grond waarvan overtuigend kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn dochter en/of haar echtgenoot [betrokkene 1] zich bij een terroristische organisatie had(den) aangesloten en dat overgemaakte geldbedragen dienden ten behoeve van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 421 Sr. Een dergelijke wetenschap valt evenmin af te leiden uit verdachtes eigen verklaring of uit de verklaringen van andere betrokkenen zoals zijn echtgenote en zijn dochter [betrokkene 4] . Bij dit oordeel betrekt het hof verder dat uit niets blijkt dat de verdachte om andere redenen geld heeft overgemaakt dan ter bestrijding van kosten van levensonderhoud van zijn dochter of om zijn dochter in staat te stellen om terug te kunnen keren.
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.”
Het middel
Het middel valt uiteen in twee delen. De eerste deelklacht houdt in dat het hof weliswaar heeft vooropgesteld dat voorwaardelijk opzet voldoende is voor een bewezenverklaring, maar dat het vervolgens heeft verzuimd daadwerkelijk te onderzoeken of de verdachte in het onderhavige geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen diende om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van daden van terrorisme. De tweede deelklacht keert zich specifiek tegen de overweging van het hof dat dat uit niets blijkt dat “de verdachte om andere redenen geld heeft overgemaakt dan ter bestrijding van kosten van levensonderhoud van zijn dochter of om zijn dochter in staat te stellen om terug te kunnen keren”. Het hof heeft volgens de steller van het middel ten onrechte geoordeeld dat deze omstandigheid in de weg staat aan het bewijs van voorwaardelijk opzet.
Het juridisch kader
De achtergrond van de wet en de wetsgeschiedenis
De tenlastelegging is toegesneden op art. 421 lid 1 aanhef en onder a Sr, luidende:
“Als schuldig aan het financieren van terrorisme wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie:a. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf;”
Deze wetsbepaling is ingevoerd op 1 september 2013 en diende ter uitvoering van het op 9 december 1999 in New York tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (hierna: VN Verdrag). Art. 2 lid 1 van dit verdrag luidt:
1. Een persoon pleegt een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag indien deze persoon met enig middel, rechtstreeks of onrechtstreeks, wederrechtelijk en opzettelijk fondsen verstrekt of vergaart met de bedoeling die te gebruiken of met de wetenschap dat die, geheel of gedeeltelijk, gebruikt zullen worden ter uitvoering van:
a. een gedraging/handeling die een strafbaar feit vormt binnen het toepassingsgebied van en als omschreven in een van de verdragen vermeld in de bijlage; of
b. enige andere gedraging/handeling bedoeld om de dood van of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken bij een burger, of een ander persoon die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict, wanneer het doel van die gedraging/handeling, door haar aard of context, is een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling;
Art. 4 aanhef en onder a VN Verdrag verplicht elke staat die partij is bij het verdrag de maatregelen te nemen die nodig zijn om de in art. 2 omschreven feiten strafbaar te stellen in zijn nationale wetgeving. De Nederlandse regering heeft zich lange tijd op het standpunt gesteld dat aan deze plicht was voldaan door de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in art. 46 Sr zoals dit artikel was aangepast bij wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 675. Dit stuitte echter op kritiek van de Financial Action Task Force (FATF), een intergouvernementele organisatie ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. In een evaluatierapport uit 2011 drong de FATF aan op een afzonderlijke strafbaarstelling van de financiering van terrorisme. Dit heeft de Nederlandse wetgever aangezet tot de invoering van art. 421 Sr.
Aan de memorie van toelichting bij het voorstel van wet dat leidde tot de invoering van deze strafbepaling kan het volgende worden ontleend:
“3.3 Het opzet van de dader op het financieren van terrorismeDe financieringshandelingen hebben tot doel het verlenen van geldelijke steun aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, of een van de andere genoemde misdrijven. Het opzet van de dader zal op verwezenlijking van dit doel moeten zijn gericht. Het opzet van de dader zal kunnen worden vastgesteld op subjectieve wijze – waar is de wil van de dader naar eigen verklaring op gericht? – en op objectieve wijze: waar is het handelen van de dader naar zijn uiterlijke verschijningsvorm op gericht? In dit kader kan ook worden gewezen op de typologieën van terrorismefinanciering ontwikkeld door de FATF, die behulpzaam kunnen zijn bij het duiden van het handelen van de dader.
Het vereiste van opzet bij de dader komt tot uitdrukking in de delictsomschrijving door opneming van de term «opzettelijk». Artikel 2 van het VN Verdrag verplicht tot – ten minste – strafbaarstelling van verstrekking van financiële middelen als dit geschiedt «met de bedoeling of met de wetenschap dat» deze worden gebruikt om terroristische daden te plegen. Het in artikel 2 van het VN Verdrag opgenomen «met de bedoeling dat» komt overeen met de uitleg die in het Nederlandse strafrecht doorgaans wordt gegeven aan handelen «met het oogmerk om». Het oogmerk veronderstelt een sterke wil bij de dader van het beoogde resultaat van zijn handelen. Het vaststellen van voorwaardelijk opzet is daarvoor onvoldoende. In de Nederlandse strafrechtsleer wordt de tweede opzetmodaliteit die artikel 2 van het VN Verdrag vermeldt, «met de wetenschap dat», beschouwd als een meer algemene uitdrukking van het opzet van de dader. Hiervoor is in beginsel het vaststellen van voorwaardelijk opzet – bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat het handelen het vermelde resultaat heeft – voldoende (J. de Hullu, Materieel strafrecht, vierde druk, 2009, blz. 245–249). Uit het voorgaande volgt dat aan de opzetmodaliteiten genoemd in artikel 2 VN Verdrag onvoldoende uitvoering kan worden gegeven door enkele opneming van «met het oogmerk om» als opzetvereiste in de strafbaarstelling. Daarom is ervoor gekozen om het opzetvereiste tot uitdrukking te brengen met de term «opzettelijk». Hieruit volgt ook dat telkens voorwaardelijk opzet bij de dader voldoende is voor strafbaarheid: dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn handelen dient om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van daden van terrorisme (vgl. ook Hoge Raad 7 juli 2009, NJ 2009, 401 over voorwaardelijk opzet bij voorbereidingshandelingen). Extra opneming van de zinsnede «wetende dat» naast «opzettelijk», zoals de NOvA in zijn advies voorstelde, is in het licht van het gegeven dat het opzet van de dader betrekking zal moeten hebben op alle bestanddelen van de delictsomschrijving die volgen na de term «opzettelijk», overbodig.
De dader behoeft niet het oog te hebben op het financieren van een specifiek misdrijf, bijvoorbeeld een aanslag op een bepaald doelwit. Bewezen moet worden dat het opzet van de dader is gericht op het financieren van een misdrijf als genoemd in het artikel, zonder dat daarbij van belang is om welk misdrijf het exact gaat. In die zin bestaat – zoals het OM in zijn advies opmerkte – enige parallel met de strafbaarstelling van witwassen, waar het in het verleden gepleegde misdrijf waarvan gelden afkomstig zijn, niet exact behoeft komen vast te staan. Maar er is ook een aanmerkelijk verschil: in geval van het voorgestelde artikel 421 Sr zal wel zekerheid moeten bestaan dat het handelen en het opzet op het financieren bij de dader, een misdrijf betreft dat valt binnen de verzameling van in de strafbepaling genoemde misdrijven. Het is daarbij niet van belang hoe het gefinancierde terroristische feit na voltooiing uiteindelijk strafrechtelijk wordt gekwalificeerd: wordt het feit slechts aangemerkt als eenvoudige zaaksvernieling (artikel 350 Sr), dan doet dit niet af aan de strafbaarheid van de financiering als deze zag op een gekwalificeerde vorm van vernieling – bijvoorbeeld vernieling met een terroristisch oogmerk (artikel 354a Sr) of de vernieling van een luchtvaartuig (artikel 168 Sr) genoemd in onderdeel b van het eerste lid van het voorgestelde artikel 421 Sr. Van strafbaarheid is verder ook sprake wanneer het misdrijf waarop de financiering zag niet wordt gepleegd, of wanneer daarbij de verleende geldelijke steun niet is gebruikt (vgl. artikel 2, derde lid, VN Verdrag). Ten slotte merk ik op dat op basis van het hiervoor uiteengezette opzetverband, de strafbaarstelling van het verlenen van geldelijke steun ook meer in het algemeen het financieel steunen van een persoon of van organisaties die zich bezighouden met het plegen van daden van terrorisme kan betreffen, indien daarmee door de verdachte bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van dergelijke daden.
(…)
De misdrijven waarop de financiering ziet (…)
Ten slotte wordt gewezen op de verplichting tot strafbaarstelling, geformuleerd in punt 2 van de Interpretive Note bij Aanbeveling 5, om ook de financiering van terroristen en terroristische organisaties strafbaar te stellen. Aan deze verplichting wordt op de volgende wijzen voldaan. De geldelijke ondersteuning van een persoon die volgens de FATF-terminologie dient te worden aangeduid als «terrorist» (zijnde een persoon die terroristische daden pleegt, dan wel aan het plegen daarvan als medeplichtige, of als leider van of deelnemer aan een organisatie acteert die tot oogmerk heeft het plegen terroristische misdrijven) is via de band van voorwaardelijk opzet strafbaar: de dader aanvaardt bewust de aanmerkelijke kans dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische daden. (…)”
De nota naar aanleiding van het verslag vermeldt nog het volgende:
“De aan het woord zijnde leden vroegen voorts of het voorgestelde artikel 421 Sr een beperking of een uitbreiding ten opzichte van de huidige strafbaarstelling inhield. Voorop staat dat de voorgestelde strafbaarstelling aan de vereisten van het VN Verdrag en de FATF-regelgeving voldoet. Dit houdt in dat er op toe is gezien dat, anders dan bij strafbaarstelling via de band van strafbare voorbereiding van ernstige misdrijven, alle terroristische gedragingen waarvan het VN Verdrag en FATF-regelgeving de financiering willen strafbaar stellen onder het bereik van de voorgestelde strafbaarstelling zijn gebracht. Verder verheft de autonome strafbaarstelling boven elke twijfel dat de poging tot het plegen van het misdrijf financieren van terrorisme in alle omstandigheden strafbaar is. Hetzelfde geldt voor het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bekend is: op basis van de voorgestelde strafbaarstelling is het verschaffen van geldelijke steun aan een dergelijk persoon strafbaar via de band van (voorwaardelijk) opzet. Samengevat moet de voorgestelde bepaling vooral worden gezien als bestendiging van de eisen tot strafbaarstelling die voortvloeien uit het VN Verdrag en de aanbevelingen van de FATF, waarvan de gevolgen voor de praktijk voornamelijk liggen in de sfeer van betere herkenbaarheid en eenvoudigere toepassing.
(…)
Het opzet van de dader op het financieren van terrorisme De leden van de VVD-fractie vestigden de aandacht op het feit dat bij hantering van zwaardere opzetvarianten dan het in het wetsvoorstel gekozen vereiste van voorwaardelijk opzet financiers van terroristische misdrijven mogelijk vrijuit zouden gaan. Graag stel ik voorop dat uit de internationale verplichtingen voortvloeit dat ook in gevallen moet kunnen worden opgetreden waarin naar Nederlands recht sprake is van «voorwaardelijk opzet». Dat is zoals deze leden opmerkten niet zonder reden: een effectieve bestrijding van de financiering van terrorisme vereist dat de mogelijkheden tot strafrechtelijke vervolging niet beperkt blijven tot situaties waarin de dader het oogmerk heeft op de financiering van een concrete aanslag, maar ook wanneer hij in ieder geval doelbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat – bijvoorbeeld door geldelijke steun te verlenen aan personen van wie hij weet dat ze plannen maken om aanslagen te plegen –, moet kunnen worden opgetreden ook onafhankelijk van de vraag of die plannen uiteindelijk worden uitgevoerd.
(…)
Graag verduidelijk ik dat het opzet van de dader gericht moet zijn op financiering van een strafbaar feit dat valt onder de misdrijven genoemd in artikel 421 Sr. Of het na de verstrekte geldelijke steun uiteindelijk komt tot het plegen van een daad van terrorisme en of de gepleegde daad kwalificeert als een terroristisch misdrijf of ander misdrijf genoemd in het voorgestelde artikel 421 Sr is voor de strafbaarheid niet van belang: het laakbare handelen schuilt immers in het opzettelijk financieel mogelijk maken van daden van terrorisme, een buitengewoon ernstig feit.
(…)
De aan het woord zijn leden legden voorts enkele casusposities voor. Zij wilden weten hoe voorkomen wordt dat een burger die een persoon de weg wijst naar een luchthaven of bijvoorbeeld zijn treinkaartje daarheen betaalt, alwaar die persoon een terroristisch feit pleegt, strafbaar is. Dezelfde vraag stelden zij over de situatie waarin een persoon geld doneert in een collectebus zonder te weten dat de opbrengsten bestemd zijn voor de financiering van terrorisme. In de door deze leden beschreven gevallen is geen sprake van het vereiste (voorwaardelijk) opzet bij de betrokkene, het door hem bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat de geldelijke steun wordt gebruikt voor terroristische daden. De strafbaarstelling van terrorismefinanciering vindt dientengevolge geen toepassing. Dat zou anders kunnen zijn, ik maak gebruik van een van de voorbeelden die deze leden gaven, wanneer het algemeen bekend is dat de organisatie waarvoor wordt gecollecteerd betrokken is bij terroristische aanslagen.
(…)
De leden van de SGP-fractie stelden de vraag of het voorgestelde wetsartikel ook het geven van geld aan of via een organisatie strafbaar stelt. Hierop kan ik bevestigend antwoorden. Het voorgestelde artikel 421 Sr voorziet in strafbaarstelling van het opzettelijk middelen ter geldelijke steun verschaffen aan een ander, ongeacht de vraag of dit rechtstreeks bepaalde terroristische daden betreft, of geschiedt door financiering van een organisatie of persoon die vervolgens dergelijke daden wil plegen. Daartoe behoeft geen afzonderlijk bestanddeel dat betrekking heeft op organisaties in de wet te worden opgenomen.”
De verdere internationale achtergrond van de wet
In deze toelichtende stukken wordt door de regering onderscheid gemaakt tussen enerzijds het financieren van het plegen van (de voorbereiding van) een terroristisch misdrijf en anderzijds het financieren van een individuele terrorist of een terroristische organisatie. De strafbaarheid van het eerste is duidelijk neergelegd in het tekst van art. 421 lid 1 Sr. Dat daarnaast in de toelichting wordt gesproken over de financiering van een terrorist of terroristische organisatie komt niet uit de lucht vallen.
De FATF heeft parallel aan het VN Verdrag een aanbeveling gedaan over de strafbaarstelling van terrorismefinanciering. Sinds 2012 luidt de betreffende ‘Aanbeveling 5’:
“Countries should criminalise terrorist financing on the basis of the Terrorist Financing Convention, and should criminalise not only the financing of terrorist acts but also the financing of terrorist organisations and individual terrorists even in the absence of a link to a specific terrorist act or acts. Countries should ensure that such offences are designated as money laundering predicate offences.”
De regering laat in de memorie van toelichting blijken aansluiting te hebben gezocht bij deze aanbeveling. Daarbij is ook gekeken naar een door de FTAF vastgestelde Interpretive Note. In een bijlage bij de memorie van toelichting is een transponeringstabel opgenomen van de Interpretive Note naar het wetsvoorstel. Die tabel houdt onder andere het volgende in:
“I.2 Het misdrijf financieren van terrorisme dient zich uit te strekken over elke persoon die opzettelijk fondsen verzamelt of verschaft, onmiddellijk of middellijk, met de wederrechtelijke bedoeling dat deze worden gebruikt of in de wetenschap dat ze worden gebruikt, geheel of gedeeltelijk, om terroristische daden te verrichten, door een terroristische organisatie of door een individuele terrorist.
Artikel 421 Sr; uitleg in paragrafen 3.3 en 3.4 van de memorie van toelichting.”
De wetgever heeft dus beoogd ook het financieren van individuele terroristen en terroristische organisaties strafbaar te stellen, zonder dit echter met zoveel woorden in de wettekst op te nemen. Volgens de toelichting is die strafbaarheid desalniettemin begrepen in deze strafbaarstelling omdat, kort gezegd, met het financieren van de terrorist of diens organisatie het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte zich uitstrekt tot het financieren van het plegen van een terroristisch misdrijf.
Eerdere rechtspraak hof Den Haag
Het voorgaande is ook expliciet overwogen door het hof Den Haag in de eerste uitspraak van dit hof over art. 421 Sr die ik heb kunnen vinden. Na het door mij beschreven kader uiteen te hebben gezet schrijft het hof (met weglating van voetnoten):
“7. Op grond van punt 2 van de Interpretative note bij Aanbeveling 5 van de FATF is de wetgever voorts ook gehouden de financiering van (individuele) terroristen en terroristische organisaties strafbaar te stellen. (…)
8. De wetgever heeft daar uitvoering aan gegeven via de band van het voorwaardelijk opzet. (…)
9. In de hiervoor reeds genoemde Nota naar aanleiding van het Verslag stelt de Minister van Veiligheid en Justitie nadrukkelijk dat het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bekend is, strafbaar is. De verstrekker van de geldelijke steun moet wel wetenschap hebben van de betrokkenheid bij terroristische activiteiten van de ontvanger van de geldelijke steun. De Minister van Veiligheid en Justitie zegt hierover het volgende:
Verder verheft de autonome strafbaarstelling boven elke twijfel dat de poging tot het plegen van het misdrijf financieren van terrorisme in alle omstandigheden strafbaar is. Hetzelfde geldt voor het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bekend is: [onderstreping van het hof] op basis van de voorgestelde strafbaarstelling is het verschaffen van geldelijke steun aan een dergelijk persoon strafbaar via de band van (voorwaardelijk) opzet.
10. Samengevat houdt het voorgaande in dat op grond van het bepaalde in artikel 421 Sr met het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bij de verdachte bekend is, de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat deze gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische misdrijven.”
In deze en andere arresten waarin de financiering van een individuele terrorist of van een terroristische organisatie was tenlastegelegd, is het hof vervolgens nagegaan of de “betrokkenheid [van de ontvanger van de steun] bij terrorisme bij de verdachte bekend was” dan wel of hij “wist dat [de betrokkenen] jihadstrijders waren”. In een derde zaak stelde het hof vast dat de verdachte ervan “op de hoogte was” dat de betrokkene zich had aangesloten bij een terroristische organisatie.
In twee latere arresten heeft het hof het toetsingskader als volgt samengevat (met weglating van voetnoten):
“Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel blijkt dat met het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bij de verdachte bekend is, de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat deze gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische misdrijven.
Dat betekent dat, voor zover nu van belang, eerst bewezen moet worden verklaard dat de verdachte wist dat degene aan wie hij het geld direct of indirect verstrekte, betrokken was bij terroristische misdrijven, waarna de overige door art. 421 Sr gestelde vereisten aan bod komen.”
Vervolgens kwam het hof in beide zaken tot een vrijspraak omdat niet bewezen kon worden dat de verdachte dit “wist”.
De aard en inhoud van het vereiste opzet
Uit de tekst van art. 421 Sr en uit de geciteerde toelichting op de wet volgt dus zonder meer dat het opzetbegrip in deze wetsbepaling ook voorwaardelijk opzet omvat. De invulling van dit voorwaardelijk opzet verdient echter nadere aandacht in het geval de tenlastelegging de financiering van een individuele terrorist of van een terroristische organisatie inhoudt.
Vooropgesteld moet worden dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is als de verdachte zich willens en weten heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
In de hiervoor aangehaalde delen van de parlementaire geschiedenis wordt een aantal keren uiteengezet waar het opzet van de verdachte op dient te zijn gericht. In het algemeen zal het opzet van de dader aldus betrekking moeten hebben op alle bestanddelen van de delictsomschrijving die volgen na de term ‘opzettelijk’. Ook wordt gesteld dat voor een bewezenverklaring van een feit als bedoeld in art. 421 Sr het opzet dient te zijn gericht op de verwezenlijking van het doel om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf. Daarbij vermeldt de memorie van toelichting bovendien dat het opzet zowel op subjectieve wijze kan worden vastgesteld als op objectieve wijze, wat wil zeggen dat moet worden bezien waar het handelen van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm op is gericht.
Zoals ook uiteengezet in de memorie van toelichting hoeft het opzet niet te zijn gericht op een specifiek misdrijf, zolang maar duidelijk is dat het een terroristisch misdrijf betreft in de zin van de wet. Evenmin is het voor strafbaarheid noodzakelijk dat dit terroristische misdrijf ook daadwerkelijk wordt gepleegd of, als wel een misdrijf is gepleegd, dit naderhand als terroristisch kan worden gekwalificeerd. Verder kunnen de door de verdachte verschafte middelen volgens de tekst van de wet ook gedeeltelijk en middellijk dienen om geldelijke steun te verlenen.
In een geval als in de onderhavige zaak aan de orde is, zijn de bestanddelen waarop het opzet moet zijn gericht (i) het verschaffen van middelen aan een ander en (ii) dat deze middelen dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf.
Specifieker stelt de minister dat voorwaardelijk opzet van de verdachte bestaat als deze bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de geldelijke steun wordt gebruikt voor terroristische daden. Zoals uiteengezet, omvat de strafbaarstelling volgens de minister daarmee ook de verdachte die algemene financiële steun verleent aan personen of organisaties die zich “bezighouden met het plegen van daden van terrorisme”, aldus de memorie van toelichting. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt dit geformuleerd als “betrokkenheid bij terrorisme”, “personen van wie [de verdachte] weet dat ze plannen maken om aanslagen te plegen” of “betrokken is bij terroristische aanslagen”.
De aanmerkelijke kans
Vertaald naar de hiervoor onderscheiden bestanddelen dient dus een aanmerkelijk kans te bestaan dat (i) de middelen bij zo’n persoon of organisatie terechtkomen en {ii) dat deze middelen vervolgens tot steun dienen van een terroristisch misdrijf. In de ruime opvatting van de minister over de strafbaarstelling van art. 421 Sr komt de nadruk bij de financiering van een terroristisch misdrijf te liggen bij een tussenstap: niet de financiering van een misdrijf staat voorop, maar de financiering van een persoon of organisatie die dan vervolgens bij terroristische misdrijven betrokken is.
Deze tussenstap omvat in deze context twee elementen. Ten eerste de aard van de betrokkenheid van de persoon of organisatie bij het plegen van terroristische misdrijven en ten tweede de wijze waarop de verschafte middelen het plegen van terroristische misdrijven ondersteunen. Kijkend naar de hiervoor geciteerde stukken voorzag de minister dat deze betrokkenheid zowel kan bestaan uit daadwerkelijk terroristische misdrijven plegen als daarvoor plannen maken. Hij lijkt daarbij het oog te hebben gehad op de overdracht van middelen door de verdachte rechtstreeks aan een person of organisatie die zelf (in de toekomst) een terroristisch misdrijf pleegt. Naar de wettekst is dat echter niet noodzakelijk. Strafbaar is immers ook degene die middelen verschaft die “middellijk” dienen tot geldelijke steun aan het plegen van terroristische misdrijven. Dit laatste beïnvloedt ook de wijze waarop de verschafte middelen steun kunnen verlenen. Het is immers niet ondenkbaar dat een persoon of organisatie de ontvangen middelen niet rechtstreeks inzet voor het plegen van terroristische misdrijven, maar met die geldelijke steun andere middelen vrijspeelt waardoor deze misdrijven kunnen worden gepleegd of dat de ontvanger door de verkregen middelen de gelegenheid heeft om plannen voor de misdrijven te maken of dat de ontvanger kan blijven wonen in het gebied waar de misdrijven worden gepleegd, zoals het oorlogsgebied in Syrië. In al die gevallen kunnen de verschafte middelen eventueel middellijk dienen tot geldelijke steun aan het plegen van een terroristisch misdrijf.
Uit het algemene kader voor voorwaardelijk opzet volgt wel dat de kans dat de geldelijke steun voor het plegen van terroristische misdrijven wordt gebruikt aanmerkelijk moet zijn. Toegepast op het hier beschreven kader zal de kans dat de middelen (i) bij een terrorist of terroristische organisatie terechtkomen en de kans dat deze middelen (ii) vervolgens geldelijke steunen verlenen aan het plegen van terroristische misdrijven gezamenlijk genomen aanmerkelijk moet zijn. Omdat de steun ook middellijk kan zijn, zal uit de vaststelling dat een persoon of organisatie ‘zich bezighoudt’ met het plegen van terroristische misdrijven of daarvoor plannen maakt, al snel volgen dat een relatief grote kans bestaat dat de verschafte middelen zullen dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van terroristische misdrijven.
De bewustheid en aanvaarding van de aanmerkelijke kans
Uit het algemene kader voor voorwaardelijk opzet volgt ook dat de verdachte zich willens en wetens moet hebben blootgesteld aan deze kans. Daarbij wordt in het algemeen aangenomen dat de verdachte geen precieze wetenschap van deze kans dient te hebben, maar dat hij zich er globaal van bewust dient te zijn dat zijn gedraging een reële mogelijkheid van verwezenlijking van het gevolg meebrengt. Verder geldt daarbij dat naarmate een aanmerkelijke kans meer gebaseerd is op algemene ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid, eerder zal kunnen worden aangenomen dat de verdachte zich bewust is van die aanmerkelijke kans.
Gelet op het hiervoor gemaakte onderscheid zal de bewustheid van de kans zowel moeten zien op (i) het feit dat de middelen worden verschaft aan een terrorist of terroristische organisatie en (ii) de dienstbaarheid van de geldelijke steun aan het plegen van terroristische misdrijven.
In de aangehaalde parlementaire stukken heeft de minister zich ook uitgelaten over de wetenschap van de verdachte over, zo lijkt het, met name het eerste element. De memorie van toelichting spreekt in dit verband meer algemeen over de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans. In de nota naar aanleiding van het verslag heeft de minister zich echter geconcentreerd op de wetenschap van de terroristische activiteiten die de steun ontvangende persoon of organisatie verricht. Gesteld wordt dan dat het moet gaan om personen van wie de “betrokkenheid bij terrorisme bekend is”, over “personen van wie [de verdachte] weet dat ze plannen maken om aanslagen te plegen” en over een organisatie waarvan “het algemeen bekend is” dat die betrokken is bij terroristische aanslagen (cursiveringen steeds toegevoegd). Met dit laatste wordt een verband gelegd met een feit van algemene bekendheid.
Ik heb mij afgevraagd of de minister hiermee een graad van wetenschap, een mate van zekerheid over de intenties van de persoon of organisatie, voor ogen heeft gehad die verdergaat dan de beschreven globale bewustheid dat de gedraging een reële mogelijkheid meebrengt dat steun wordt verleend aan het plegen van een terroristisch misdrijf. Die vraag moet naar mijn idee echter ontkennend worden beantwoord.
In de toelichting op de wet ontbreekt een nadere invulling van de aard van de vereiste wetenschap, ook als ik kijk naar de context van de hiervoor genoemde citaten. Het stellen van hogere eisen aan de wetenschap van de verdachte zou verder moeilijk te verenigen zijn met het algemene uitgangspunt dat voorwaardelijk opzet voor bewezenverklaring voldoende is en dat de wetgever, zo blijkt uit het gehele beschreven kader, een ruim toepassingsbereik van art. 421 Sr heeft beoogd. Een opvatting over de invulling van het voorwaardelijk opzet, in die zin dat een grote mate van zekerheid wordt vereist over de terroristische activiteiten van degenen die de steun ontvangen, leidt immers tot een lacune in de strafbaarstelling, namelijk in die gevallen waarin de middelen ontvangende persoon of organisatie niet open is over zijn terroristische activiteiten en de verstrekker van de steun zijn ogen sluit voor de duidelijke aanwijzingen voor die activiteiten.
Tot slot zou ik in dit verband nog willen wijzen op de bewijsconstructie voor voorwaardelijk opzet die ook wel bekend is onder de naam ‘waakzaamheidsopzet’. Daaronder wordt verstaan een vorm van opzet waarvan het bewijs is gebaseerd op een onderzoeksplicht. Deze plicht vloeit voort uit de risico’s die volgens feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels verbonden zijn aan een bepaalde situatie of bepaald gedrag. Het geijkte voorbeeld is een persoon die vanuit een land dat bekendstaat als exportland van verdovende middelen via het vliegveld, van een onbekende een koffer meeneemt het vliegtuig in. Door de inhoud van de koffer niet te onderzoeken stelt deze persoon zich willens en wetens bloot aan de aanmerkelijke kans dat de koffer verdovende middelen bevat.
Op deze bewijsconstructie bestaat kritiek omdat het risico bestaat dat niet wordt gekeken naar de schuld van de individuele dader in het concrete geval, maar naar algemeenheden en statistische categorieën. Ook wordt wel betoogd dat met de bewijsconstructie een nieuw verwijt ontstaat, in het gegeven voorbeeld het onzorgvuldig omgaan met bagage, dat verder verwijderd is van de delictsomschrijving waarop de tenlastelegging is geënt. Een terughoudende, op de omstandigheden van het concrete geval toegespitste gebruik van deze bewijsconstructie is daarom op zijn plaats.
De bespreking van het middel
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn dochter [betrokkene 2] en haar echtgenoot [betrokkene 1] in Syrisch strijdgebied woonden. Ook heeft het hof het aannemelijk geacht dat de verdachte wel iets moet hebben geweten over de situatie in Syrië op dat moment. Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte via tussenpersonen in totaal € 4.550,- heeft laten toekomen aan zijn dochter en haar echtgenoot. Ook heeft het hof overwogen dat uit niets blijkt dat de verdachte om andere redenen geld heeft overgemaakt dan ter bestrijding van kosten van levensonderhoud van zijn dochter of om zijn dochter in staat te stellen om terug te kunnen keren naar Nederland.
Vervolgens heeft het hof vooropgesteld dat minimaal moet kunnen worden bewezen dat de verdachte bewust heeft aanvaard dat er een aanmerkelijke kans was dat het geld (gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk) diende om steun te verlenen aan terroristische misdrijven. Vervolgens acht het hof het tenlastegelegde niet bewezen omdat het geen bewijsmiddel ziet op grond waarvan overtuigend kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn dochter en/of haar echtgenoot [betrokkene 1] zich bij een terroristische organisatie had(den) aangesloten en dat overgemaakte geldbedragen dienden ten behoeve van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 421 Sr.
De tweede deelklacht houdt in dat de overweging dat uit niets blijkt dat de verdachte om andere redenen geld heeft overgemaakt dan ter bestrijding van kosten van levensonderhoud, niet maakt dat voorwaardelijk opzet op het verlenen van geldelijke steun aan het plegen van terroristische misdrijven niet kan worden bewezen. Deze klacht slaagt voor zover het hof hiermee daadwerkelijk zijn oordeel heeft willen onderbouwen dat de verdachte geen voorwaardelijk opzet had. Dat de verdachte dit heeft beoogd, sluit immers niet uit dat de verdachte zich willens en weten heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een ander gevolg zal intreden.
Dat het hof dit zo tot uitdrukking heeft willen brengen, is echter niet duidelijk. Het hof betrekt de hier genoemde omstandigheid “[b]ij dit oordeel”. Dit kan ook terugslaan op de eerste regel van de voorgaande alinea, te weten “dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het door artikel 421 Sr vereiste opzet”. Dit opzet kan ook vol opzet zijn en dit volle opzet wordt wel degelijk weersproken door de bedoeling van de verdachte die het hof heeft vastgesteld. Hoe dan ook kan de door de deelklacht bestreden passage uit de overwegingen van het hof niet ten grondslag liggen aan het oordeel dat de verdachte geen voorwaardelijk opzet had dat het geld (geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk) diende om steun te verlenen aan terroristische misdrijven.
De eerste deelklacht houdt in dat het hof weliswaar het juiste toetsingskader heeft vooropgesteld, namelijk dat voorwaardelijk opzet voldoende is voor een bewezenverklaring, maar dat het dit kader niet juist heeft toegepast. De overwegingen van het hof kunnen volgens de steller van het middel niet anders worden gelezen, dan dat het hof van oordeel is dat voor het bewijs van het opzet in deze tenlastelegging (uitsluitend) is vereist dat de verdachte wist dat zijn dochter en/of haar echtgenoot [betrokkene 1] zich bij een terroristische organisatie had(den) aangesloten en dat overgemaakte geldbedragen dienden ten behoeve van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 421 Sr. Aldus zou het hof er geen blijk van hebben gegeven te hebben onderzocht of de verdachte in het onderhavige geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen diende om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van daden van terrorisme. Voor zover het hof wel het juiste toetsingskader voor ogen had, zou uit de gegeven motivering niet zonder meer begrijpelijk volgen waarom het hof voorwaardelijk opzet niet bewezen acht.
Gelet op het door mij beschreven juridische kader klopt de vooropstelling van het hof dat moet kunnen worden bewezen dat de verdachte bewust heeft aanvaard dat er een aanmerkelijke kans was dat het geld (geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk) diende om steun te verlenen aan terroristische misdrijven als omschreven in 421 Sr. Gelezen tegen de achtergrond van de besproken toelichting op de wet en de hiervoor beschreven eerdere rechtspraak van het hof, heeft het hof slechts als onderdeel van deze toets of sprake is van het voorwaardelijk opzet, onderzocht of de verdachte wist dat zijn dochter en haar echtgenoot zich hadden aangesloten bij een terroristische organisatie. In een geval als dit, waarin niet de rechtstreekse financiering van een terroristisch misdrijf ten laste is gelegd, maar de financiering van een terrorist of een terroristische organisatie, is dit een belangrijk element van het voorwaardelijk opzet dat duidt op bewustheid van de aanmerkelijke kans dat het geld dat de verdachte hun verschafte diende als steun aan het plegen van terroristische misdrijven.
Met de steller van het middel twijfel ik echter of het hof dit kader juist heeft toegepast. In het bovenstaande heb ik betoogd dat voor voorwaardelijk opzet de kans dat de door de verdachte verschafte middelen (i) bij een terrorist of terroristische organisatie terechtkomen en de kans dat deze middelen (ii) vervolgens geldelijke steunen verlenen aan het plegen van terroristische misdrijven gezamenlijk genomen aanmerkelijk moet zijn (zie 3.25). Verder heb ik uiteengezet dat bij voorwaardelijk opzet in het algemeen niet meer wordt verlangd dan een globale bewustheid bij de verdachte dat diens gedraging een reële mogelijkheid van verwezenlijking van het gevolg meebrengt (zie 3.26) en dat ik geen reden zie om voor art. 421 Sr een hogere mate van wetenschap te verlangen dan deze (zie 3.29 en 3.30).
Toegepast op het onderhavige geval betekent dit dat de verdachte voor bewezenverklaring van het opzet geen grote mate van zekerheid hoefde te hebben over het lidmaatschap van zijn dochter en haar echtgenoot van een terroristische organisatie, maar dat hij zich slechts globaal bewust diende te zijn van de reële mogelijkheid dat zij betrokken waren bij terrorisme of dat zij lid waren van een organisatie met een dergelijke betrokkenheid en dat daardoor het door hen ontvangen geld, op zijn minst gedeeltelijk en middellijk, tot steun zou dienen van het plegen van terroristische misdrijven.
Bij zijn overwegingen over de vrijspraak van het eerste tenlastegelegde feit, heeft het hof zich niet uitgelaten over de vraag of de dochter van de verdachte en haar echtgenoot lid zijn van een terroristische organisatie. Dit heeft het bij zijn redenering echter kennelijk wel tot uitgangspunt genomen, hetgeen wordt bevestigd door de bewezenverklaring van het tweede feit. Daarin wordt immers bewezenverklaard dat het verschaffen van de middelen aan de dochter en haar echtgenoot indirect heeft geleid tot overtreding van de Sanctiewet met betrekking tot een aantal met name genoemde terroristische organisaties.
Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn dochter en haar echtgenoot in het “strijdgebied” in Syrië woonden. Daarnaast heeft het hof geen geloof gehecht aan de verklaring van de verdachte dat hij niets wist over de situatie aldaar. Het hof is echter niet kenbaar nagegaan in hoeverre reeds deze omstandigheden bij de verdachte de bewustheid in het leven hebben geroepen van de aanmerkelijke kans dat de dochter en haar echtgenoot betrokken waren bij terrorisme, of dat zij lid waren van een organisatie met een dergelijke betrokkenheid, en dat daardoor de geldelijke steun zal worden gebruikt voor terroristische daden. Door deze, deels uit feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels bestaande, omstandigheden geheel terzijde te laten en in plaats daarvan expliciet een “bewijsmiddel” te eisen “op grond waarvan overtuigend kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn dochter en/of haar echtgenoot [betrokkene 1] zich bij een terroristische organisatie had(den) aangesloten”, heeft het hof bij zijn oordeel dat opzet ontbrak hetzij blijk gegeven van een te beperkte rechtsopvatting over voorwaardelijk opzet, hetzij zijn oordeel over dat opzet ontoereikend gemotiveerd.
Daarbij maak ik nog twee opmerkingen. Voor zover de overwegingen van het hof zo moeten worden gelezen dat het een afzonderlijk bewijsmiddel eist dat de verdachte ook wist “dat overgemaakte geldbedragen dienden ten behoeve van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 421 Sr”, miskent het dat met de bewustheid dat de ontvanger van de gelden lid is van een terroristische organisatie, al snel ook de bewustheid is gegeven dat de verschafte middelen (middellijk) dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van terroristische misdrijven (zie 3.25).
Als tweede merk ik op dat het hof had kunnen nagaan of in de omstandigheden van het concrete geval sprake is van een situatie waarin op de verdachte een onderzoeksplicht rustte, in dit geval een onderzoek naar de reden dat zijn dochter en haar echtgenoot in Syrië zijn gaan wonen wat zij daar deden. Uit de verklaringen van de verdachte volgt dat hij een dergelijk onderzoek in ieder geval niet heeft uitgevoerd. Hij heeft ter zitting immers verklaard weinig eigen contact te hebben gehad met zijn dochter en met haar echtgenoot en de media bewust te hebben gemeden.
Al met al ben ik van oordeel dat het middel slaagt.
4. Het tweede en derde middel
Het tweede en derde middel richten zich tegen de vrijspraak van het onderdeel “opzet” in respectievelijk het tweede en het derde tenlastegelegde feit. De middelen lenen zich voor gezamenlijk bespreking. Ik zal eerst de relevante stukken aanhalen, waarbij ik in de bewezenverklaring tussen vierkante haken heb aangeduid waar in de tenlastelegging het opzet stond vermeld.
De tenlastelegging, bewezenverklaring en de overwegingen van het hof
Onder 2. en 3. is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“2.hij op tijdstippen op de periode van 9 juli 2014 tot en met 12 april 2017 in Nederland en/of Turkije en/of Libanon en/of Syrië, tezamen en in vereniging met anderen in strijd met het krachtens artikel 2 en of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de Sanctieregeling Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 en art. 2 Sanctieregeling ISIS en Al Qaida 2016 juncto artikel 2 en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie), heeft gehandeld doordat hij en/of zijn medeverdachte(n)ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of ISIS (Da’esh) en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida, zijnde (een) (rechts)perso(o)n(en), groep(en) of entiteit(en)
als bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 (EU) (en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014) behorende lijst(en) en/of als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties),
indirect tegoeden en/of economische middelen ter beschikking te stellen (waardoor voornoemde groep(en) of entiteit(en) tegoeden, goederen of diensten kunnen verwerven), doordat hij en/of zijn medeverdachte(n) voor en/of aan en/of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of ISIS (Da’esh) en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq, indirect geldbedragen,
[al dan niet opzettelijk,] (via money transfers) ter beschikking hebben gesteld[aan Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of ISIS (Da’esh) en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq];
3.hij op tijdstippen in de periode van 5 oktober 2015 tot en met 12 april 2017 in Nederland en/of Turkije en/of Libanon en/of Syrië, tezamen en in vereniging met anderen,
in strijd met het krachtens artikel 2 lid 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 lid 4 van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II juncto Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad heeft gehandeld doordat hij en/of zijn medeverdachte(n) middellijk geldbedragen
[al dan niet opzettelijk,] (via money transfers) ter beschikking hebben gesteld aan of ten behoeve van [betrokkene 1] terwijl die [betrokkene 1] bij besluit van 30 maart 2015 door de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Financiën is aangewezen als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is.”
De bewijsoverweging die betrekking hebben op deze feiten luidt als volgt (met weglating voetnoten):
“Feiten 2 en 3
Onder feit 2 wordt de verdachte - verkort weergegeven - verweten dat hij, in strijd met de in de tenlastelegging genoemde (nationale en Europeesrechtelijke) bepalingen, economische middelen (geldbedragen) ter beschikking heeft gesteld aan terroristische organisatie IS.
Onder feit 3 wordt de verdachte - verkort weergegeven - verweten dat hij, in strijd met de in de tenlastelegging weergegeven wet- en regelgeving, middelen (geldbedragen) ter beschikking heeft gesteld aan [betrokkene 1] .
Overtreding van de in feit 2 en 3 genoemde voorschriften is op grond van artikel 1 onder 1 in verbinding met artikel 2 lid 1 van de Wet op de economische delicten een misdrijf voor zover dit opzettelijk is begaan. Voor zover het opzet niet kan worden bewezen dan kan op grond van artikel 6 eerste lid onder 4 sprake zijn van overtreding van deze bepalingen in de overtredingsvariant.
Om te kunnen bewijzen dat de voorschriften opzettelijk zijn overtreden is niet vereist dat wordt bewezen dat er opzet bestond op overtreding van de in de tenlastelegging opgenomen normen. Het opzet is kleurloos. Wel dient te worden bewezen dat de verdachte opzet had dat de geldbedragen direct of indirect bij (een) terroristische organisatie(s) (feit 2) of bij [betrokkene 1] (feit 3), jegens wie toen de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing was, zou terechtkomen.Dit betekent dat minimaal moet worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het financieren van terrorisme, doordat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het door hem overgemaakte geld geheel of ten dele, direct of indirect, terecht zou komen bij een terroristische organisatie (feit 2) of bij [betrokkene 1] (feit 3).
Bij de beoordeling van feit 1 heeft het hof overwogen dat niet kan worden bewezen dat de verdachte (minst genomen voorwaardelijk) opzet had dat de geldbedragen geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Onder verwijzing naar hetgeen hierover is overwogen in feit 1 onder het kopje 'opzet?' is ook voor het opzettelijk overtreden van de onder 2 en 3 tenlastegelegde overtredingen van de Sanctiewet 1977, onvoldoende bewijs nu niet op zijn minst kan worden bewezen dat de verdachte bewust een aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door de verdachte overgemaakte 'geldbedragen geheel of ten dele, direct of indirect, terecht zou komen bij een terroristische organisatie (een daaraan gelieerde tussenpersoon) (feit 2) of bij [betrokkene 1] , jegens wie toen de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing was (feit 3).
Wetenschap bij de verdachte dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in Syrisch strijdgebied woonden is onvoldoende om (voorwaardelijk) opzet bewezen te verklaren. Dat de verdachte via een artikel in een Nederlands tijdschrift en/of door publicatie op rechtspraak.nl van het jegens [betrokkene 1] gewezen (verstek) vonnis in zijn strafzaak ervan op de hoogte is geraakt dat hij een IS- jihadstrijder was, hetgeen de verdachte heeft betwist, berust op speculatie.
Wel kan worden bewezen dat de verdachte zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de onder feiten 2 en 3 tenlastegelegde overtredingsvariant.”
De middelen
In beide middelen wordt als eerste deelklacht aangevoerd dat het hof hiermee is uitgegaan van de onjuiste rechtsopvatting dat het opzet ook moet zijn gericht op de onrechtmatigheid van het ter beschikking stellen van deze gelden, oftewel dat volgens het hof geen kleurloos, maar boos opzet is vereist. De overige deelklachten liggen in het verengde hiervan en klagen over onjuiste rechtsopvattingen van het hof dan wel de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof.
Het juridisch kader
Het relevante wettelijke kader is als volgt:
- Art. 2 Sanctiewet:
“1. Ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme, kunnen bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde onderwerpen regels worden vastgesteld.
2. Indien de te stellen regels uitsluitend strekken ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties kan Onze Minister deze vaststellen.”
- Art. 3 lid 1 en 2 Sanctiewet:
“1. De in artikel 2 bedoelde regels kunnen betreffen het goederen-, diensten- en financieel verkeer, de scheepvaart, de luchtvaart, het wegverkeer, de post en de telecommunicatie en al hetgeen overigens is vereist ter voldoening aan de verdragen, besluiten, aanbevelingen dan wel internationale afspraken, bedoeld in artikel 2.
2. Onder het in het eerste lid genoemde verkeer wordt begrepen iedere handeling, die kennelijk rechtstreeks is gericht op het bewerkstelligen van zulk verkeer.”
- Art. 2 lid 1 Sanctieregeling Al Qa’ida 2011 (oud; geldig tot en met 23 december 2016):
“1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, 3, 4, 5, eerste en tweede lid, van Verordening (EG) nr. 881/2002 met dien verstande dat het verbod te handelen in strijd met vorenbedoeld artikel 2 niet van toepassing is in gevallen waarin artikel 2 bis of artikel 2 ter van Verordening (EU) nr. 881/2002 van toepassing is.”
- Art. 3 Sanctieregeling Al Qa’ida 2011 (oud; geldig tot en met 23 december 2016):
Overtreding van de in artikel 2a van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen ten aanzien van de in artikel 2a bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten is verboden.”
- Art. 2 lid 1 Sanctieregeling ISIS en Al Qaida 2016 (geldig vanaf 24 december 2016):
“Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste lid, tweede lid en lid 2 bis, 3, 4 en 5, eerste en tweede lid, van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qa’ida-netwerk (Pb EG L 139) met dien verstande dat het verbod te handelen in strijd met vorenbedoeld artikel 2, eerste lid, tweede lid en lid 2 bis, niet van toepassing is in gevallen waarin artikel 2, vijfde lid, 2 bis of 2 ter van Verordening (EG) nr. 881/2002 van toepassing is.”
- Art. 2 lid 2 Verordening (EG) 881/2002:
“Aan of ten behoeve van de in bijlage I genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten, lichamen of groepen mogen geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking worden gesteld.”
- Art. 4 lid 1 Verordening (EG) 881/2002:
“Het is verboden bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben direct of indirect de bepalingen van artikel 2 te omzeilen of de in artikel 3 bedoelde transacties te bevorderen.”
- Art. 2 Sanctieregeling terrorisme 2007-II:
“1. Indien personen of organisaties naar het oordeel van de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën behoren tot de kring van personen of organisaties, bedoeld in Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 28 september 2001, kan de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën ten aanzien van deze personen of organisaties een aanwijzingsbesluit vaststellen.
2. Alle middelen die toebehoren aan de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, worden bevroren.
3. Het is verboden financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid.
4. Het is verboden aan de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, rechtstreeks dan wel middellijk middelen ter beschikking te stellen.
5. Van een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.”
- Resolutie 1373 van de VN Veiligheidsraad van 28 september 2001 luidt onder andere:
“1. Decides that all States shall(…)(d) Prohibit their nationals or any persons and entities within their territories from making any funds, financial assets or economic resources or financial or other related services available, directly or indirectly, for the benefit of persons who commit or attempt to commit or facilitate or participate in the commission of terrorist acts, of entities owned or controlled, directly or indirectly, by such persons and of persons and entities acting on behalf of or at the direction of such persons;”
- Art. 1 aanhef en onder 1º WED:
“Economische delicten zijn overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens:(…)de Sanctiewet 1977, de artikelen 2, 7 en 9, voor zover betrekking hebbend op de onderwerpen, bedoeld in artikel 3;”
- Art. 2 lid 1 WED:
“De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2°, en artikel 1a, onder 1° en 2°, zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.”
- Art. 6 lid 1WED:
“Hij die een economisch delict begaat, wordt gestraft:
1°. in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;(…)4°. in geval van overtreding, voor zover het betreft een economisch delict bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met hechtenis van ten hoogste een jaar, taakstraf of geldboete van de vierde categorie;”
Al Qaida is al bij de inwerkingtreding van Verordening (EG) 881/2002 als entiteit aangewezen als bedoeld in die verordening. Verder behelzen een aantal latere verordeningen de opname in bijlage I van die Verordening (EG) 881/2002 van de andere in de tenlastelegging genoemde entiteiten:
- Verordening (EG) 1102/2009: Islamic State of Iraq;
- Uitvoeringsverordening (EU) 632/2013: Jabhat al Nusrah, Al-Nusrah Front, Al-Nusrah Front for the People of the Levant en Islamic State in Iraq and the Levant.
Bij het namens de minister van Buitenlandse Zaken genomen besluit van 23 maart 2015 is de Sanctieregeling 2007-II van toepassing verklaard op [betrokkene 1] .
Samengevat komt dit wettelijke kader erop neer dat de Sanctiewet 1977 de bevoegdheid schept om via algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen (de sanctieregelingen) beperkingen op te leggen aan onder andere het financiële verkeer. De Sanctieregeling Al Qa’ida 2011 en de Sanctieregeling ISIS en Al Qaida 2016 houden in feite de implementatie in van Verordening (EG) 881/2002, waarin zowel de toepasselijke verboden als de entiteiten en personen waarvoor deze gelden, zijn opgenomen. Die lijst van entiteiten en personen wordt beheerd door de Europese Commissie. De Sanctieregeling terrorisme 2007-II bevat een eigen verbod op het ter beschikking stellen van middelen aan bepaalde personen. Welke personen dat zijn, wordt bepaald door de minister van Buitenlandse Zaken, die daarbij aansluiting zoekt bij de kring van personen bedoeld in resolutie 1373 van de VN Veiligheidsraad.
De strafbaarstelling van de overtreding van deze verboden is opgenomen in de WED. Daarbij maken art. 2 en 6 WED een onderscheid tussen overtredingen van de Sanctiewet die opzettelijk en die niet opzettelijk zijn begaan. De opzettelijk begane delicten zijn misdrijven en worden zwaarder gestraft dan de niet opzettelijke, die worden aangemerkt als overtredingen.
Voor dat opzet geldt dat dit kleurloos is, dat wil zeggen dat het niet ook hoeft te zijn gericht op de strafbaarheid of op het ongeoorloofde karakter van het handelen of nalaten door de verdachte. Bij een wettelijke bepaling zoals art. 1 onder 1º jº art. 2 lid 1 WED, waarin strafbaar is gesteld het opzettelijk overtreden van een verbod dat elders is geformuleerd, dient opzet te bestaan op in beginsel alle bestanddelen van dat verbod. Er kunnen redenen zijn bestanddelen die niet behoren tot de zogenoemde ‘kernbestanddelen’ daarvan uit te zonderen en bovendien kan ook van belang zijn waar het opzet volgens de tenlastelegging op ziet.
Wat de strafbaarstellingen in de onderhavige zaak betreft, zouden deze dan dus kunnen worden gelezen als “opzettelijk aan of ten behoeve van de in bijlage I genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten, lichamen of groepen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking stellen” (feit 2) en “opzettelijk aan de personen en organisaties ten aanzien waarvan de minister van Buitenlandse Zaken een aanwijzingsbesluit heeft vastgesteld volgens art. 2 lid 1 Sanctieregeling terrorisme 2007-II, rechtstreeks dan wel middellijk middelen ter beschikking te stellen” (feit 3). De vraag is of het opzet ook dient te zijn gericht op het feit dat een persoon of organisatie is opgenomen op een lijst of is aangewezen door de minister. Mijn formulering van de strafbaarstelling suggereert van wel, maar ook zou kunnen worden betoogd dat de opname of aanwijzing een verfijning is van de verbodsbepaling, waarop het kleurloos opzet nou juist geen betrekking heeft.
De reikwijdte van het opzet bij de overtreding van de Sanctiewet is aan de orde geweest in HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:2. In de casus die ten grondslag lag aan dit arrest had de verdachte met een money transfer en via een tussenpersoon geld ter beschikking gesteld aan een betrokkene, waarvan later is vastgesteld dat deze lid was van IS op het moment dat het geld werd overgemaakt. Het hof achtte bewezen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de Sanctiewet indirect geld ter beschikking had gesteld aan een of meer met name genoemde organisaties. Het hof stelde daarbij vast dat het geld van de verdachte “bij de ten laste gelegde organisaties ook op indirecte wijze terecht gekomen is”. Verder stelde het hof vast “dat de verdachte willens en wetens het geldbedrag van € 245,- heeft overgemaakt naar de tussenpersoon (…). Dat de verdachte geen wetenschap had dat het geld op indirecte wijze bij (een) terroristische organisatie(s) terecht is gekomen, doet er in het kader van het kleurloos opzet niet toe.”
De verdachte stelde cassatie in en de ingediende cassatiemiddelen bevatten een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen dit oordeel van het hof. De Hoge Raad overwoog:
“2.3.3
Overtreding van het voorschrift van artikel 2 van de Sanctiewet 1977 zoals hier aan de orde, is op grond van artikel 1 onder 1 in verbinding met artikel 2 lid 1 van de Wet op de economische delicten een misdrijf voor zover dit delict opzettelijk is begaan.
2.4.1
Voor zover het cassatiemiddel berust op de opvatting dat het opzet van de verdachte (ook) moet zijn gericht op het niet naleven van de in de bewezenverklaring bedoelde wettelijke regelingen, faalt het omdat die opvatting geen steun vindt in het recht (vgl. HR 18 maart 1952, ECLI:NL:HR:1952:1 en HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783).
2.4.2
Het oordeel van het hof dat bij een tenlastelegging als deze niet is vereist dat het opzet van de verdachte erop is gericht dat het geld op indirecte wijze bij (een) terroristische organisatie(s) zou terechtkomen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de bewijsvoering van het hof kan ook niet zonder meer volgen dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. De bewezenverklaring is daarom in zoverre ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.”
De Hoge Raad maakt daarmee duidelijk dat het opzet van de verdachte ook bij schending van de Sanctiewet 1977 niet hoeft te zijn gericht op de overtreding van de wet. Om de betekenis van deze overweging te doorgronden, haal ik hier een deel van de bewezenverklaring aan waar de Hoge Raad naar verwijst, te weten dat de verdachte:
“opzettelijk
in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de Sanctieregeling Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en/of artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie) heeft gehandeld”.
Leg je deze bewezenverklaring en de aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad naast elkaar, dan kunnen daaruit twee conclusies worden getrokken. Ten eerste dat de formulering van de tenlastelegging niet (zonder meer) maakt dat van de hoofdregel van kleurloos opzet wordt afgeweken. Volgens de bewezenverklaring is het opzet immers ook op het handelen in strijd met de wettelijke regelingen gericht. AG Paridaens heeft in haar conclusie voorafgaand aan dit arrest nog betoogd dat hier sprake is van een kennelijke misslag. De Hoge Raad slaat deze stap echter over en acht de algemene leer van het kleurloos opzet zonder meer doorslaggevend.
De tweede conclusie is dat het opzet ook niet hoeft te zijn gericht op de opname van de boogde ontvanger van de steun op de sanctielijst (of op een aanwijzing van deze persoon door de minister). De Hoge Raad verwerpt immers de klacht dat het opzet mede moet zijn gericht “op het niet naleven van de in de bewezenverklaring bedoelde wettelijke regelingen”. Daaronder vallen ook de (uitvoerings)verordeningen die de betreffende organisaties op de bijlage hebben geplaatst.
Hoe is dan de overweging te begrijpen dat wel is vereist dat “het opzet van de verdachte erop is gericht dat het geld op indirecte wijze bij (een) terroristische organisatie(s) zou terechtkomen”? Haselager en De Jong menen dat hieruit volgt dat het opzet dient te zijn gericht op de terroristische aard van de organisatie zodat, zo begrijp ik, toch in zekere zin de ongeoorloofdheid van het handelen in het opzet wordt betrokken. Het opzet blijft daarbij in zoverre kleurloos dat de verdachte nog steeds niet hoeft te weten dat die gedraging strafbaar is gesteld.
Ik lees het arrest een nuance anders. Naar mijn idee gaat het er in deze overweging niet zozeer om dat er opzet moet zijn op de terroristische aard van de organisatie, maar om het opzettelijk terechtkomen van het geld bij een van de organisaties die in de tenlastelegging zijn genoemd. De bijzondere aard van de organisatie volgt immers rechtstreeks uit de (uitvoerings)verordeningen waar volgens de Hoge Raad het opzet juist niet op hoeft te zijn gericht. In de geciteerde bepalingen die gezamenlijk het verbod vormen, lees ik ook geen bestanddeel inhoudende dat het moet gaan om een “terroristische” organisatie. Dat de Hoge Raad toch spreekt over “(een) terroristische organisatie(s)” heeft volgens mij twee redenen. Ten eerste dat de Hoge Raad hier de overweging van het hof herhaalt. Ten tweede dat het relevante opzet hier ook voorwaardelijk opzet kan zijn. Dat brengt mee dat het opzet van de verdachte in een geval als dit er niet specifiek op hoeft te zijn gericht dat het geld (uiteindelijk) terechtkomt bij een van de met name genoemde organisaties, maar dat voldoende is als hij zich willens en weten heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat zal gebeuren. Daarvan zal sprake kunnen zijn als de verdachte zich ervan bewust was dat het geld bij ‘een’ terroristische organisatie zou belanden.
Bespreking van de middelen
De eerste deelklacht van het tweede en derde middel keert zich telkens tegen de overweging van het hof dat moet worden bewezen dat “de verdachte voorwaardelijk opzet had op het financieren van terrorisme”. De steller van het middel leidt hieruit af dat volgens het hof het opzet van de verdachte ook gericht moet zijn op het niet naleven van de toepasselijke sanctieregelingen. Dit zou in strijd zijn met het uitgangspunt van kleurloos opzet.
Uit het hiervoor weergegeven juridisch kader volgt dat het recht voor een bewezenverklaring van overtreding van art. 2 Sanctiewet 1977 niet de (aanvullende) eis stelt dat de het opzet van de verdachte moet zijn gericht op het financieren van terrorisme. Het opzet dient te zien op indirect dan wel direct ter beschikking stellen van tegoeden of economische middelen (feit 2) dan wel van middelen (feit 3) aan de betreffende personen en/of entiteiten.
Ik heb mij afgevraagd of het hof hier inderdaad heeft bedoeld deze (aanvullende) opzeteis te stellen. Het hof legt immers, na de overweging dat het opzet moet zijn gericht op het financieren van terrorisme, uit dat dit opzet moet bestaan “doordat [de verdachte] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het door hem overgemaakte geld geheel of ten dele, direct of indirect, terecht zou komen bij een terroristische organisatie (feit 2) of bij [betrokkene 1] (feit 3).” Deze uitleg is meer in overeenstemming met het door de wet vereiste opzet. Om twee redenen kom ik echter tot de conclusie dat het hof wel dit (aanvullende) opzet eist. Ten eerste verwijst het hof in zijn overwegingen naar hetgeen het bij de beoordeling van het eerste feit heeft overwogen over het opzet “dat de geldbedragen geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf”. Ten tweede is zonder het stellen van deze aanvullende eis niet begrijpelijk dat het hof heeft vrijgesproken van het opzet om indirect middelen ter beschikking te stellen aan [betrokkene 1] . Het hof had immers bij feit 1 al vastgesteld dat de verdachte samen met anderen “vanuit Nederland geldbedragen (in totaal € 4.550,-) [heeft] overgemaakt aan tussenpersonen in Turkije en Libanon, die vervolgens geldbedragen aan de naar Syrië uitgereisde dochter van de verdachte, [betrokkene 2] , en haar man [betrokkene 1] hebben doen toekomen.” Volgens de als bewijsmiddel 1 in de bijlage bij het arrest opgenomen verklaring van de verdachte heeft de verdachte ter zitting van de rechtbank hier verder over verklaard: “Het geld was bedoeld voor mijn dochter [betrokkene 2] in Syrië. Wij weten dat zij getrouwd is met [betrokkene 1] ”.
Het hof heeft daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting zodat het tweede en derde middel al slagen bij de eerste deelklacht en de overige deelklachten buiten bespreking kunnen blijven.
5. Afronding
Alle middelen slagen.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en tot terugwijzing naar het hof Den Haag opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG