ECLI:NL:PHR:2026:289

ECLI:NL:PHR:2026:289

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 22-03-2026
Zaaknummer 23/04981
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Deelneming terroristische organisatie (art. 140a Sr) en voorbereiding terroristische misdrijven (art. 96.2 Sr). M1: AG gaat in op zaaksoverstijgende vraag hoe het (in lidmaatschaps- en gedragsvereiste uiteenvallende) criterium voor deelneming aan een terroristische organisatie dient te worden toegepast in zaken waarin ‘IS-vrouwen’ naar het strijdgebied in Syrië zijn uitgereisd om daar te leven zonder zelf rechtstreeks deel te nemen aan de strijd. Daadstrafrechtsbeginsel vereist dat aan gedragsvereiste slechts is voldaan als tussen verweten handelen en verwezenlijking criminele oogmerk een niet te ver verwijderd verband bestaat. Ook bij vaststelling dat gezamenlijk huishouden met IS-strijder is gevoerd moet aan dat criterium worden voldaan. M2: klacht dat bewezenverklaarde gedragingen niet de in art. 96 lid 2 Sr omschreven voorbereidingsvormen opleveren, faalt. M3: klacht m.b.t. overschrijding inzendtermijn slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend voor wat betreft opgelegde straf. Soortgelijke rechtsvraag als 24/04604 en 25/00879.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04981

Zitting 24 maart 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

Het gerechtshof Den Haag, heeft de verdachte bij arrest van 20 december 2023 (parketnummer 22-001647-22), wegens:

- 1. “medeplegen van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, meermalen gepleegd”

en

- 2. “medeplegen van met het oogmerk om opzettelijk brand stichten en/of ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en/of moord en/of doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf verschaffen en/of een voorwerp voorhanden hebben waarvan zij weet dat het bestemd is tot het plegen van het misdrijf”

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest.

Er bestaat samenhang met de zaken 24/04604 en 25/00879 in die zin dat daarin deels dezelfde rechtsvraag speelt als in het eerste middel in deze zaak. In beide zaken zal ik vandaag ook concluderen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2. De zaak in het kort

Naar de vaststellingen van het hof heeft zich in de onderhavige zaak het volgende voorgedaan. Op 29 september 2013 is de verdachte samen met [betrokkene 1] , die zij een maand daarvoor via Facebook had leren kennen en net als de verdachte “met het geloof [bezig was]”, via Turkije naar Syrië uitgereisd. Voor haar vertrek was de verdachte de jihadistische ideologie gaan aanhangen, deze actief gaan uitdragen (via onder andere Twitter) en een voorstander van de gewapende strijd in Syrië geworden. Eenmaal in Syrië aangekomen heeft [betrokkene 1] zich bij de terroristische organisatie Jabhat al-Nusra (JaN) aangesloten en later, op 26 mei 2014, bij Islamitische Staat (IS).

De verdachte en [betrokkene 1] zijn in november 2013 naar islamitisch recht getrouwd. Vanaf dat moment voerden zij een gezamenlijk huishouden en hebben zij op verschillende plekken gewoond, al dan niet in door IS toegewezen huizen. Op [geboortedatum] 2016 werd [naam zoon] , hun oudste zoon, geboren. [betrokkene 1] was in dienst van de (religieuze) politie bij IS. Hij ontving daarvoor salaris en bezat een vuurwapen, dat op verscheidene plaatsen in huis lag. Op 29 augustus 2017 hebben de verdachte en [betrokkene 1] zich overgegeven aan de Koerdische troepen van de Syrische Democratische Strijdkrachten, door wie zij gevangen werden genomen.

De onderhavige zaak staat niet op zichzelf. Na – en in aanloop naar – de val van het kalifaat zijn verschillende (vrouwelijke) ‘uitreizigers’ vanuit het strijdgebied in Syrië en Irak naar Nederland teruggekeerd, waarna zij door het openbaar ministerie zijn vervolgd voor (onder andere) deelname aan een terroristische organisatie en/of voorbereiding van een terroristisch misdrijf. Een deel van deze ‘IS-vrouwen’ werd – in sommige gevallen na eerst door de rechtbank te zijn veroordeeld – (gedeeltelijk) vrijgesproken; een deel (opnieuw) veroordeeld.

De vraag hoe in zaken als de onderhavige met het huidige juridisch kader dient te worden omgegaan, wordt thans voor het eerst aan de Hoge Raad voorgelegd. Ik zal daar daarom iets dieper op ingaan, waarbij ik mij concentreer op het eerste middel over het deelnemen aan een terroristische organisatie. Daartoe worden eerst de relevante delen van de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de overwegingen van het hof weergegeven. Daarna zal ik ingaan op het wettelijke criterium voor deelneming aan een criminele/terroristische organisatie en de twee aspecten die daarin te onderscheiden zijn: enerzijds het behoren tot de organisatie en anderzijds, kort gezegd, het leveren van een bijdrage aan de verwezenlijking van het doel van deze organisatie. Om de verschillende mogelijkheden voor toepassing van dit criterium in het geval van een uitreizigster op een rij te zetten, maak ik een uitgebreidere analyse van de lagere rechtspraak hierover. Ik eindig dan met de bespreking van het eerste middel. Daarna zullen het tweede en derde middel aan de orde komen over respectievelijk de bewezenverklaarde voorbereiding van een terroristisch misdrijf en de inzendtermijn van de stukken in cassatie.

3. Het eerste middel

Het middel heeft betrekking op feit 1 en klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte aan de in de bewezenverklaring genoemde terroristische organisaties heeft ‘deelgenomen’ als bedoeld in art. 140a Sr.

Bewezenverklaring en bewijsvoering

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat zij:

“in de periode van 29 september 2013 tot 29 augustus 2017 in Syrië tezamen en in vereniging met een ander heeft deelgenomen aan terroristische organisaties, te weten Islamitische Staat (IS), dan wel, Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (JaN), welke organisaties tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)”

Deze bewezenverklaring berust onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

“16. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 september 2021 van de politie Team Generieke Opsporing 11 (DLR) met nr. LERCA15083-101. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 597 e.v.) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

In het kader van onderzoek 260maha werd ik, verbalisant 1008, gevraagd om onderzoek te doen naar de informatie uit de mobiele telefoon Samsung SM-J500H Galaxy J5 met Android ID [...] en IMEI-nummer [0001] , welke werd verstrekt vanuit onderzoek 26Bocelli. Ik werd gevraagd om de telefoon te onderzoeken op informatie met betrekking tot verdachte [verdachte] .

(…)

Chats:

Tussen de chats in de telefoon zag ik een WhatsAppgesprek tussen 'Schoonmoeder' en de gebruiker van de in dit proces-verbaal onderzochte telefoon 'I'.

Op 14 januari 2017 schrijft 'I' dat er dagelijks drones boven hun hoofden vliegen en dat er onschuldige kinderen vrouwen en mannen gedood worden. Daarnaast schrijft zij over 'Dawla islamya'.

(…)

17. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 mei 2022 van de politie Team Generieke Opsporing 11 (DLR) met nr. LERCA15083-149. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 795 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

(…) de telefoon 7E17, een Samsung J5, in gebruik bij [verdachte] , (…)

Geloofsovertuiging

(…)

Op 25 januari 2017 stuurt ‘I’ een aantal berichten met de 7E17 Samsung Galaxy J5, naar [betrokkene 2] . Mij is ambtshalve bekend dat [verdachte] een broer heeft die [betrokkene 2] heet. In deze berichten spreekt [verdachte] [betrokkene 2] aan op zijn verantwoordelijkheid richting de Ummah (de moslim gemeenschap)

(…)

Op 6 februari 2017 stuurt ‘I‘ met de 7E17, Samsung Galaxy J5, een aantal berichten in een groepschat met familie. In deze berichten lees ik de rechtvaardiging van geweld volgens de Sharia. Tevens lees ik dat ze haar eigen familie als afvallige (Murjia) bestempeld.

18. Een proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: de Islamitische Staat d.d. 6 augustus 2018 van de politie Landelijke Eenheid, dienst Landelijke Recherche met nr. 180806-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Ontstaansgeschiedenis

De opstand in Syrië begon in het voorjaar van 2011. Begin 2013 is sprake van oorlog in het land. In de strijd tegen Assad heeft zich een groep gemengd die voorheen gelieerd was aan Al-Qa’ida, te weten de Islamitische Staat in Irak (ISI). ISI wijzigde in april 2013 haar naam in de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL).

Op 29 juni 2014 roept ISIL het islamitisch kalifaat uit in het door haar veroverde gebied in Irak en Syrië en wordt haar naam gewijzigd in de Islamitische Staat (IS).

IS hanteert tijdens militaire operaties en het uitoefenen van de macht in de door haar veroverde gebieden in Irak en Syrië (onder meer) de volgende werkwijzen: (zelfmoord)aanslagen, executies, ontvoeringen, gijzelingen en genocide. De organisatie doodt tegenstanders door middel van onthoofding, kruisiging en een schot door het hoofd.

(…)

21. Een proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Jabhat al-Nusra/ Jabhat Fatah al-Sham / Hay'at Tahrir al-Sham d.d. 6 augustus 2018 van de politie Landelijke Eenheid, dienst Landelijke Recherche met nr. 180806-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

(…)

Jabhat al-Nusra hanteert (onder meer) de volgende werkwijzen: (zelfmoord) aanslagen (zelfmoordaanslagen worden door de organisatie martelaarsoperaties genoemd), executies en beschietingen van burgers, ontvoeringen, martelingen en het onthouden van humanitaire hulp.

(…)”

Het hof heeft ten aanzien van het bewijs verder nog het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

“Feit 1

Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd - kort gezegd - dat zij, alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een of meer terroristische organisatie(s), te weten Jabhat al-Nusra en/of IS.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

De raadsvrouw heeft hiertoe - kort gezegd - aangevoerd dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat dat de verdachte heeft deelgenomen aan de onder 1 tenlastegelegde terroristische organisaties door voor hen een ondersteunende functie te vervullen. Het gedrag van de verdachte tussen 2014 en 2017 levert dan ook geen deelneming aan een terroristische organisatie op, maar hoogstens burgerschap. Voorts verzoekt de verdediging de verdachte vrij te spreken van deelneming tussen 2017 en 2021 omdat de verdachte in die tijd in detentiekampen verbleef.

Juridisch kader

Deelneming aan - kort gezegd - een terroristische organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140a Sr. Alvorens te beoordelen of daarvan in dit geval sprake is, zal hierna kort worden ingegaan op enkele relevante juridische kaders.

(…)

Deelneming

Van deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.

Een dergelijk aandeel kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.

Jabhat al-Nusra en IS

Het is een feit van algemene bekendheid dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad. In de loop van 2012 wordt duidelijk dat jihadistische strijdgroepen, met zowel lokale als buitenlandse strijders in hun gelederen, in toenemende mate betrokken zijn geraakt bij de opstand in Syrië. Het gerechtshof Den Haag heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat Jabhat al-Nusra en IS het oogmerk hadden om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van Jabhat al-Nusra en IS met zich meebrengt het plegen van terroristische misdrijven.

Strijdgroepen als Jabhat al-Nusra en IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.

Beoordeling

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de wettige bewijsmiddelen stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte is zich in 2013 gaan verdiepen in de Islam, onder meer via internet. Tevens sprak zij met anderen in haar omgeving in [plaats] . De verdachte leerde de begrippen Jihadisme, Kalifaat en Islamitische staat kennen en nam kennis van de strijd in Syrië en van het feit dat in die periode regelmatig personen uit Nederland naar Syrië uitreisden. De verdachte is de jihadistische ideologie gaan aanhangen en - zo blijkt uit de in die periode verstuurde berichten via Twitter - actief gaan uitdragen. De verdachte is, gelet op haar uitlatingen tegenover de wijkagent, een voorstander geworden van de gewapende strijd in Syrië en zag het als een plicht voor iedere moslim om te strijden voor een kalifaat, een Islamitische staat. Eind augustus 2013 leerde de verdachte via Facebook [betrokkene 1] kennen, die ook bezig was met het geloof. Zij kenden beiden mensen die naar Syrië waren vertrokken en besloten dat ook te doen. De verdachte is, zoals vermeld, op 29 september 2013 samen met [betrokkene 1] via Turkije uitgereisd naar Syrië. In Turkije gingen zij van Antalya naar Antakya waar zij door een smokkelaar werden opgehaald die hen in Syrië naar [plaats] bracht, een dorp in de provincie Aleppo. Eenmaal daar aangekomen, heeft [betrokkene 1] zich aangesloten bij Jabhat al-Nusra.

In november 2013 zijn de verdachte en [betrokkene 1] naar islamitisch recht getrouwd. Vanaf dat moment voerden zij daar gezamenlijk een huishouden. Diezelfde maand heeft de verdachte via een chatbericht aan haar in Nederland achtergebleven nicht en vriendinnen onder meer bericht dat hijrah (het verlaten van familie en land ten behoeve van de jihad) verplicht is, dat zij dat heeft gedaan, dat zij nu in Syrië is en gelukkig getrouwd met een broeder, dat zij en haar man nu leven onder de sharia, dat er jihad qital (gewapende strijd) is, dat de broeders strijden op het slagveld en dat de jihad er zal zijn tot het einde der tijden. In dit bericht zegt de verdachte dat zij haar vriendinnen hetzelfde gunt als zichzelf, te weten het paradijs, en maant zij hen dat ze niet alleen moeten lezen maar ook moeten praktiseren en gehoorzamen. In december 2013 zijn de verdachte en [betrokkene 1] verhuisd naar [plaats] , een stad in de provincie Idlib, waar zij tot april 2014 hebben verbleven. Vanwege een conflict tussen [betrokkene 1] en Jabhat al-Nusra verhuisden de verdachte en [betrokkene 1] in april 2014 naar [plaats] , waar IS de feitelijke macht had. Zij kregen daar van IS een huis toegewezen. Op 26 mei 2014 is [betrokkene 1] lid geworden van IS. Uit een registratieformulier van IS volgt dat hij zich toen als strijder heeft aangemeld en dat hij eerder had meegedaan aan de jihad bij Jabhat al-Nusra. [betrokkene 1] was in dienst bij de Shorta (de politie) van IS en ontving een salaris van 100 dollar per maand. De verdachte en [betrokkene 1] hadden een vuurwapen in huis, dat op verscheidene plaatsen (niet in een kluis) in huis lag en eigendom was van [betrokkene 1] , die het gebruikte voor zijn werk voor IS.

Volgens opgave van de verdachte verhuisde het gezin in 2016 naar [plaats] vanwege de onrust en vele bombardementen in [plaats] . Vervolgens zijn ze naar [plaats] gegaan en in juni 2016 werd [betrokkene 1] door IS overgeplaatst naar [plaats] , gelegen in de provincie Raqqa .

Op [geboortedatum] 2016 werd [naam zoon] , de oudste zoon van de verdachte en [betrokkene 1] , geboren. Ook in [plaats] zat [betrokkene 1] bij de Shorta.

Op 16 juli 2016 ontving de verdachte een WhatsApp bericht van [betrokkene 3] met de inhoud: "Zuster, je bent geweer bij ons vergeten." In de winter van 2016 ging [betrokkene 1] in dienst bij de Hisba, de religieuze politie van IS.

Op 30 november 2016 heeft de verdachte via een spraakbericht aan haar zus onder meer bericht dat ze ervoor heeft gekozen de Jihad bij te staan, dat ze niet ongelukkig is omdat ze weet waarom ze is gekomen, dat het verplicht is, dat ze al zo vaak tegen haar zus heeft gezegd om hiernaartoe (het hof begrijpt: naar Syrië) te komen, dat de verdachte en haar man bereid waren om geld en een smokkelweg te regelen, maar dat haar zus haar telkens heeft genegeerd en dat het in het nadeel van haar zus is als ze daar (het hof begrijpt: in Nederland) blijft. Diezelfde dag heeft de verdachte via een spraakbericht aan haar tante onder meer bericht dat 'je voelt we helpen de ummah (de moslimgemeenschap)' en dat zij hoopt dat haar familie zal komen.

Op 14 januari 2017 heeft de verdachte in een groepsapp aan haar familie onder meer bericht dat zij en haar man onderdeel zijn van Dawla Islamia (het hof begrijpt: IS) en dat ze zich nog nooit zo gelukkig heeft gevoeld.

In maart 2017 vestigde het gezin zich in [plaats] . In [plaats] zette [betrokkene 1] zijn werkzaamheden bij de Hisba voort. Medio 2017 verslechterde de situatie in [plaats] voor IS. De stad werd omsingeld door de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) en op 25 april 2017 ging de SDF [plaats] binnen. Op 10 mei 2017 meldde de SDF de volledige herovering van [plaats] en de [plaats] dam op IS. De verdachte en [betrokkene 1] hebben op 29 augustus 2017 [plaats] verlaten en zich overgegeven aan Koerdische troepen van de SDF, waarop zij door deze zijn gevangengenomen.

Tussenconclusie ten aanzien van [betrokkene 1]

heeft in Syrië in de tenlastegelegde periode deelgenomen aan de terroristische organisaties Jabhat al-Nusra en daarna IS. Hij was bij deze organisaties aangesloten en heeft gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van deze organisaties. Bij IS was [betrokkene 1] werkzaam bij de politie, en later bij de religieuze politie. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is het hof van oordeel dat [betrokkene 1] ook gedragingen heeft verricht ten behoeve van de jihad voor Jabhat al-Nusra; dit leidt het hof af uit het hiervoor genoemde registratieformulier van IS, waaruit volgt dat hij al eerder had meegedaan aan de jihad, en wel bij Jabhat al-Nusra.

Deelneming door de verdachte

Het hof is van oordeel dat ook de verdachte heeft deelgenomen aan deze organisaties, en zal hierna uiteenzetten waarom.

Uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte, terwijl zij kennis had van de jihadistische ideologie en voorstander was van de gewapende jihadstrijd, met die overtuiging samen met [betrokkene 1] is afgereisd naar Syrië en zich aldaar samen met hem onder het gezag - en de daaraan verbonden regels van de sharia - heeft gesteld van de terroristische organisaties Jabhat al-Nusra en (vervolgens) IS. De verdachte en [betrokkene 1] zijn daar gehuwd en hebben daar een gezamenlijk huishouden gevoerd, terwijl [betrokkene 1] actief heeft deelgenomen aan beide organisaties en met zijn verdiensten daaruit de kostwinner was. De verdachte heeft door haar handelen, ingegeven door haar bewuste keuze om - in haar eigen woorden - ‘de jihad bij te staan', de invloedssfeer van deze organisaties telkens getalsmatig versterkt. Daarnaast heeft de verdachte samen met [betrokkene 1] een vuurwapen voorhanden gehad. Dat ook de verdachte over dat wapen kon beschikken valt af te leiden uit het feit dat zij op enig moment erop werd gewezen dat zij het wapen bij iemand had laten liggen. Ten slotte blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte de jihadistische ideologie van deze organisaties actief heeft uitgedragen en dat zij meermalen anderen heeft aangespoord ook naar Syrië te gaan. De verdachte heeft aldus gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van deze organisaties. Dit terwijl uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte van het terroristische oogmerk van deze organisaties in zijn algemeenheid op de hoogte was. Illustratief hiervoor zijn haar hiervoor weergegeven uitlatingen over de gewapende strijd tegenover de wijkagent, het chatbericht aan nicht en vriendinnen hierover en ook heeft zij ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij tijdens haar verblijf in Syrië op de hoogte was van de onthoofdingen die plaatsvonden. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aan deze terroristische organisaties heeft deelgenomen als bedoeld in artikel 140a Sr.”

Het juridisch kader

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:

- Art. 140 Sr:

“1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

(…)

5. Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.”

- Art. 140a Sr:

“1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

(…)

4. Het vijfde lid van artikel 140 is van overeenkomstige toepassing.”

- Art. 83 Sr:

“Onder terroristisch misdrijf wordt verstaan:

1º. elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 108, tweede lid, 115, tweede lid, 117, tweede lid, 121, 122, 157, onderdeel 3°, 161quater, onderdeel 2°, 164, tweede lid, 166, onderdeel 3°, 168, onderdeel 2°, 170, onderdeel 3°, 174, tweede lid, en 289, alsmede in artikel 80, tweede lid, Kernenergiewet, indien het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;

(…)”

- Art. 83a Sr:

“Onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.”

Het deelnemingscriterium van de Hoge Raad: een voorverkenning

Art. 140a Sr is ingevoerd bij de Wet terroristische misdrijven (wet van 24 juni 2004, Stb. 2004, 290), die uitvoering geeft aan een kaderbesluit dat naar aanleiding van de aanslagen van 11 september 2001 tot stand is gekomen. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze invoering vermeldt dat de bestanddelen van art. 140a Sr voor het grootste gedeelte zijn ontleend aan art. 140 Sr en dat deze op dezelfde wijze dienen te worden uitgelegd. Dat betekent dat aan ‘deelneming’ in de zin van art. 140a Sr dezelfde betekenis toekomt als ‘deelneming’ als bedoeld in art. 140 Sr.

De wetgever is bij een wetswijziging in 1939 voor het eerst inhoudelijk ingegaan op de betekenis van ‘deelneming’ in de zin van art. 140 Sr. Dat gebeurde naar aanleiding van een voorstel om het toen geldende art. 3 Wet Vereeniging en Vergadering (welk artikel bepaalde in welke gevallen een vereniging geacht moest worden strijdig te zijn met de openbare orde) uit te breiden naar verenigingen waaraan vreemdelingen ‘door lidmaatschap of op andere wijze deelnemen’. Uit de parlementaire stukken blijkt dat de wetgever destijds een aanzienlijk ruime uitleg van de term ‘deelneming’ voor ogen stond, namelijk “iederen vorm van steun aan de vereenigingswerkzaamheden als zoodanig”. Naast lidmaatschap moest daaronder worden verstaan: “donateurschap, hetzij door regelmatige betalingen, hetzij door een gift in eens; het maken van propaganda voor de vereeniging, bijv. door het ophangen van reclameplaten; het optreden als spreker; het bijwonen van vergaderingen, enz.” Ook “immaterielen steun, die (…) in heel wat gevallen veel doeltreffender kan zijn dan de materiele en de financieele steun”, moest binnen het bereik van genoemd artikel vallen.

De minister heeft zich nadien terughoudender opgesteld. De memorie van antwoord bij een wetsvoorstel tot wijziging van enige bepalingen over verboden rechtspersonen in 1984 houdt in dat verband in dat de term ‘deelneming’ als bedoeld in art. 140 Sr “een zekere actieve bijdrage in de oprichting of het in stand houden [veronderstelt], bijvoorbeeld als lid, van de organisatie.” In afwijking van hetgeen de parlementaire stukken over die term eerder inhielden, staat daarin vervolgens vermeld dat “het enkel optreden als gastspreker op of bijwonen van een vergadering van de organisatie daar nog niet onder [valt].”

In de rechtspraak wordt de reikwijdte van het deelnemingsbegrip vervolgens nog verder ingeperkt. In de zaak die leidde tot HR 6 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9454 (NJ 1990/49) had het hof Arnhem, nadat het dit criterium reeds in 1984 had geïntroduceerd, overwogen dat onder de term ‘deelneming’ als bedoeld in art. 140 Sr moet worden verstaan “het vervullen van een zodanige rol in een geheel van (voorgenomen) handelingen – welke tegenover derden achter het masker van een rechtspersoon (zullen) plaatsvinden – dat die rechtspersoon (mede) daardoor functioneert of kan functioneren.” De Hoge Raad oordeelde dat het hof met die overweging geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ook louter lidmaatschap is daarmee niet (langer) voldoende om als deelnemer in de zin van art. 140 Sr te worden aangemerkt. Voor deelneming is enige ondersteunende activiteit nodig. Er moest, in de woorden van De Vries-Leemans, “op enigerlei wijze steun worden verleend aan de werkzaamheden van de organisatie”.

Ook dit ‘functioneringscriterium’ is volgens laatstgenoemde echter nog vrij ruim. Een relatie tussen de deelnemingsgedraging en de verwezenlijking van het oogmerk van het criminele samenwerkingsverband is daarmee immers niet vereist. Dat, zo constateert zij mijns inziens terecht, kan problemen opleveren in gevallen waarin het samenwerkingsverband, naast criminele, ook legale activiteiten ontplooit. Het plegen van misdrijven (met een terroristisch oogmerk) hoeft immers niet het hoofddoel van de organisatie te zijn; ook indien de organisatie dit als naaste doel nastreeft is van het in art. 140(a) Sr bedoelde oogmerk sprake. Daarnaast kan het ontbreken van een band tussen de deelnemingsgedraging en de verwezenlijking van het oogmerk op gespannen voet staan met daadstrafrechtbeginsel. Daar kom ik nog op terug.

Aan deze rechtspraaklijn komt met de Mariënburchtzaken in 1990 (dan ook) een einde. Het ging in die zaken om een – vanuit een kraakpand opererend – crimineel samenwerkingsverband dat zich tevens op legale doeleinden richtte, zoals de bewoning en exploitatie van dat pand. De Hoge Raad laat zich in één van die zaken expliciet uit over het deelnemingsbegrip. Hij overweegt als volgt: “Van deelneming aan een rechtspersoon als bedoeld in art. 140 Sr is slechts dan sprake, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in evenvermeld artikel bedoelde oogmerk”. Dat criterium herhaalt de Hoge Raad vervolgens tot in zijn meer recente rechtspraak over dit onderwerp. Dit criterium heeft voor de uitleg van het in art. 140(a) Sr voorkomende deelnemingsbegrip dan ook als de huidige maatstaf te gelden.

Van de hiervoor onder 3.7 en 3.8 weergegeven opvatting van de wetgever is vanaf dat moment weinig meer te herkennen. Met dit – ten opzichte van 1939 aanzienlijk ingeperkte – criterium van de Hoge Raad is “een ruime uitleg” gegeven, schrijft de minister in een brief van 5 november 2002 over de strafrechtelijke bestrijding van terroristische organisaties, gedurende de parlementaire behandeling van de Wet terroristische misdrijven. Uit de(ze) rechtspraak leidt hij af dat ten aanzien van art. 140 Sr “geen hoge eisen” gelden, zo schrijft hij verder. “Hierdoor is ook het plannen, het verzamelen van informatie of het voeren van overleg ten behoeve van een terroristische organisatie reeds strafbaar”, aldus de minister.

Onder het begrip ‘deelneming’ vallen een groot aantal zeer verschillende ondersteuningsgedragingen, zo vervolgt hij. Daarmee zal volgens de minister “de facto elke bijdrage aan een terroristische organisatie strafbaar zijn gesteld”. Gelet echter op het grote belang dat aan art. 140a Sr moet worden gehecht met het oog op een adequate terrorismebestrijding, acht hij het wenselijk dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor bijdragen aan terroristische organisaties op het niveau van de wet scherper wordt gemarkeerd. Deze explicitering kon volgens de minister worden bereikt door het deelnemingsbegrip van art. 140 Sr nader te verduidelijken door te bepalen dat daaronder mede wordt verstaan het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun.

De daartoe strekkende nota van wijziging heeft vervolgens geleid tot de invoering van het onder 3.5 weergeven vijfde (toen: vierde) en vierde (toen: derde) lid van art. 140 respectievelijk 140a Sr, waarin naast het verlenen van geldelijke of stoffelijke steun ook het werven van gelden of personen ten behoeve van de betreffende organisatie als deelnemingsvormen zijn geëxpliciteerd. In die nota wordt benadrukt dat de in die artikelleden opgenomen ‘begripsomschrijving’ geenszins een beperking, doch slechts een verduidelijking inhoudt.

In zijn arrest van 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413 overweegt de Hoge Raad dat deze “verduidelijking” betrekking heeft op het tweede in de rechtspraak genoemde ‘gedragsvereiste’ voor deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140(a) Sr (het vereiste van een aandeel hebben in of het ondersteunen van bepaalde gedragingen). Ook als sprake is van de in het huidige art. 140 lid 5 (voorheen: lid 4) Sr omschreven gedragingen (het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun dan wel het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie), geldt dus dat daarnaast nog moet worden voldaan aan het in die rechtspraak genoemde eerste ‘lidmaatschapsvereiste’ (het behoren tot het samenwerkingsverband).

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt verder nog dat voor deelneming voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van – in geval van art. 140a Sr: terroristische – misdrijven. De betrokkene hoeft dus geen wetenschap te hebben van noch betrokkenheid te hebben bij één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Evenmin is vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. De deelneming moet voor de betrokkene zelf worden beoordeeld. Het is dus niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijkere rol vervulden dan de betrokkene.

Conclusie voorverkenning deelnemingscriterium

Voor ‘deelneming’ als bedoeld in art. 140(a) Sr is vereist dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Anders dan de wetgever in 1939 voor ogen had, is louter lidmaatschap dus niet voldoende: er moet daarnáást nog sprake zijn van een (actieve) deelnemingsgedraging gerelateerd aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. Met het enkele bijwonen van een vergadering is van een dergelijke deelnemingsgedraging in ieder geval nog geen sprake. Dat is wel het geval indien geldelijke of andere stoffelijke steun aan de organisatie wordt geboden of als ten behoeve van de organisatie gelden of personen worden geworven. Ook het plannen, het verzamelen van informatie of het voeren van overleg ten behoeve van de organisatie kunnen, in de woorden van de minister “reeds”, als een deelnemingsgedraging worden aangemerkt.

Het middel in het licht van het deelnemingscriterium van de Hoge Raad

In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de vaststellingen van het hof weliswaar volgt dat de echtgenoot van de verdachte tot JaN en IS behoorde, maar niet dat de verdachte zelf tot deze organisaties behoorde. Dat de verdachte interesse toonde in de gewapende strijd in Syrië en dat zij wellicht gelukkig was met haar leven aldaar zou daarvoor onvoldoende zijn. Het enkel wonen in het kalifaat is immers niet verboden, aldus de steller van het middel. Verder zouden de vaststellingen van het hof dat de verdachte via haar man een wapen voorhanden heeft gehad en dat zij via hem profiteerde van geldelijke toelagen van IS ‘s hofs oordeel dat de verdachte een aandeel heeft gehad in dan wel heeft ondersteund gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de in de bewezenverklaring genoemde terroristische organisaties, niet kunnen dragen.

De steller van het middel gaat hiermee voor twee ankers liggen: aan beide in de rechtspraak genoemde vereisten voor ‘deelneming’ in de zin van art. 140(a) Sr, het vereiste van het behoren tot het samenwerkingsverband (het lidmaatschapsvereiste) en het vereiste van een aandeel hebben in of het ondersteunen van bepaalde gedragingen (het gedragsvereiste) is volgens haar niet voldaan. Daarbij categoriseert zij de vaststellingen van het hof als het ware. De houding van de verdachte ten opzichte van de gewapende strijd en haar verblijf in het kalifaat acht zij kennelijk relevant voor de invulling van het eerste vereiste; het voorhanden hebben van een wapen en het ontvangen van IS-gelden voor het tweede.

In de overwegingen van het hof is een dergelijke categorisering niet duidelijk terug te zien. Na een opsomming van de door het hof kennelijk meest relevant geachte vaststellingen, waaronder de vaststellingen die door de steller van het middel kennelijk onder het lidmaatschapsvereiste worden geschaard, overweegt het hof dat de verdachte “aldus” gedragingen heeft verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van de betreffende organisaties, oftewel het gedragsvereiste. Deze vaststellingen “in samenhang gezien” maken dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte aan de in de bewezenverklaring genoemde terroristische organisaties heeft deelgenomen als bedoeld in art. 140a Sr.

Deze werkwijze van het hof is illustratief voor de uitspraken van de rechtbanken en hoven die eveneens met de onder 2.4 geformuleerde vraag zijn geconfronteerd. In de feitenrechtspraak is vaker waarneembaar dat steeds terugkerende elementen, waaronder het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met een IS-strijder, als het ware bij elkaar worden opgeteld om vervolgens de overkoepelende vraag te beantwoorden of de som van deze elementen de kwalificatie van deelneming kan rechtvaardigen. Een onderscheid tussen het lidmaatschapsvereiste en het gedragsvereiste wordt daarbij veelal niet gemaakt. De opvatting lijkt dan dat hoe meer van deze elementen zich voordoen, hoe sneller deelneming aan de organisatie wordt aangenomen. Welke betekenis de elementen op individueel niveau toekomt en hoe deze in het criterium van de Hoge Raad dienen te worden geplaatst wordt niet uiteengezet. Ik zie aanleiding om, alvorens de middelen te bespreken, nader in te gaan op die (elementen in de) lagere rechtspraak in het licht van het door de Hoge Raad geformuleerde deelnemingscriterium. Dit geeft een overzicht van mogelijk relevante feitelijke omstandigheden en van de verschillende manieren waarop tegen het wettelijke criterium voor deelneming aan kan worden gekeken.

De lagere rechtspraak: rechtbank Rotterdam en hof Den Haag

Eén van de eerste zaken waarin rechters in Nederland geconfronteerd werden met de vraag hoe het onder 3.11 weergegeven deelnemingscriterium dient te worden toegepast in gevallen waarin vrouwen in ISgebied in Syrië of Irak hebben verbleven, is de zaak die leidde tot het vonnis van rechtbank Rotterdam van 13 november 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8858 (Laura H.). In die zaak was de verdachte samen met haar echtgenoot en kinderen naar Syrië uitgereisd, waar zij in ‘ISIS guest houses’ had verbleven en waar zij (later) een gezamenlijke huishouding met haar bij IS aangesloten man had gevoerd. Zijn wapen bewaarde haar echtgenoot, net als in de onderhavige zaak, in huis. De rechtbank had verder vastgesteld dat de verdachte vóór haar uitreis wist van het voornemen van haar man zich aan te sluiten bij IS, dat zij wist van zijn deelname aan IS ter plaatse en dat zij wist van de door IS gepleegde gruwelijke terroristische misdrijven in Syrië en Irak. Voor een veroordeling voor deelname aan IS was dat volgens de rechtbank echter niet voldoende. Zij overwoog:

“niet is komen vast te staan wat de feitelijke rol van de verdachte is geweest, in de zin van het zijn van strijder noch in de zin van een der alternatieve functies als omschreven in het zich in het dossier bevindende rapport Bestemming Syrië (Weggemans, Peters en Bakker, 3 januari 2016), dan wel als omschreven in het hiervoor genoemde rapport door Gaub. Reeds daarom kan al niet worden gekomen tot het lidmaatschap van de tenlastegelegde terroristische organisatie, zodat alle overige stellingen op dit punt onbesproken kunnen blijven.

Het enkele verblijven en vestigen in het strijdgebied van IS en zorgen voor het gezin aldaar kan als zodanig niet gelden als betrokkenheid bij IS in de zin van deelname aan een terroristische organisatie, nu ook overigens uit geen enkel gegeven blijkt dat dit een zodanige ondersteuning aan IS zou opleveren dat dit als deelneming aan die organisatie of een andere terroristische organisatie kan worden opgevat.

De activiteiten en het gedrag van de verdachte kunnen naar het oordeel van de rechtbank wel als burgerschap van IS worden opgevat.”

Met een vrijwel gelijkluidende overweging spreekt de rechtbank de verdachte vrij in een vonnis van 19 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2546. Dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) deelneming aan de terroristische organisatie IS, zo overweegt de rechtbank, kan naar haar oordeel niet bewezen worden, nu het onduidelijk is gebleven wat de (feitelijke) rol van de verdachte in Syrië is geweest. “Het dossier”, zo vervolgt zij, “biedt geen enkel aanknopingspunt dat de verdachte strijder van IS is geweest dan wel dat zij een andere (ondersteunende) functie bij IS heeft vervuld”. Het enkel verblijven en vestigen in strijdgebied van IS en het zorgen voor het gezin aldaar kan als zodanig niet gelden als betrokkenheid bij IS in de zin van (medeplegen van) deelneming aan een terroristische organisatie. “Burgerschap onder de macht van een terroristische organisatie brengt niet automatisch lidmaatschap van die organisatie mee”, aldus de rechtbank. Dat de verdachte in die zaak ook twee berichten op Facebook had geplaatst – één waarin wordt gezegd dat de leefomstandigheden in IS-gebied niet bijzonder slecht zijn en één waarin vrouwen worden aangemoedigd om naar IS te komen en te trouwen met een strijder – bracht de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Voor deelname aan IS lijkt de rechtbank dus te vereisen dat vast komt te staan dat de verdachte daadwerkelijk een functie bij IS heeft vervuld. Een dergelijke ‘functie’ kan strijder zijn, maar ook alternatieve functies volstaan. In het onder 3.22 genoemde vonnis inzake Laura H. wordt voor deze ‘alternatieve functies’ verwezen naar een in opdracht van rechtbank Rotterdam uitgevoerd onderzoeksrapport, ‘Bestemming Syrië’ getiteld, dat in 2016 werd uitgebracht. Als alternatieve functies noemt het rapport: een baan in de media (‘mediajihad’) of communicatie, een functie als ingenieur, technicus, hacker, arts of verpleegkundige, een baan bij de religieuze politie of een shariarechtbank, of, indien ongeschikt geacht om te strijden, een baan als kok, grafgraver of chauffeur. Over de rol van vrouwen binnen IS houdt dat rapport in dat zij over het algemeen het gezin dienen. In sommige gevallen vervullen zij volgens het rapport echter ook een rol (via sociale media) bij het stimuleren van de keuze van andere vrouwen in het land van herkomst om ook naar Syrië af te reizen. Verder, zo houdt het rapport in, zijn sommige vrouwen lerares, verpleegster, kok of zijn zij aangesloten bij een speciale tak van de politie die erop toeziet dat vrouwen zich aan de geldende (kleding- en gedrags)voorschriften houden.

In de zaak die leidde tot het vonnis van 18 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:3820 komt de rechtbank wel tot een veroordeling. De rechtbank kwam tot de volgende vaststellingen:

“Vanuit haar orthodoxe geloofsovertuiging heeft de verdachte zich met [naam medeverdachte 1] in een islamitische staat willen vestigen. In dit kader heeft zij zich voorafgaand aan haar vertrek uit Nederland via het nieuws en sociale media verdiept in IS, zodat de verdachte op de hoogte is geweest van de misdaden gepleegd door IS. De verdachte is vervolgens [naam medeverdachte 1] achterna gereisd naar IS-gebied, terwijl zij wist dat hij lid was van IS en had deelgenomen aan een trainingskamp en aan de gewapende strijd. De verdachte heeft zich dus willens en wetens in het kalifaat van IS gevestigd en zich daardoor verenigd met het gedachtengoed van deze terroristische organisatie. Eenmaal in het kalifaat heeft zij met [naam medeverdachte 1] een gezin gevormd en samen een maandelijkse financiële toelage van IS ontvangen. Ook werd er voor huisvesting gezorgd. De verdachte heeft een geldbedrag van tenminste EUR 2.000,= dat zij naar eigen zeggen zelf naar het kalifaat heeft gebracht ter plaatse uitgegeven. Met enige regelmaat heeft [naam medeverdachte 1] de door IS aan hem persoonlijk toebedeelde wapens, waaronder een Glock en een Kalashnikov, met medeweten van de verdachte in hun gezamenlijke woning bewaard. Na het overlijden van [naam medeverdachte 1] heeft de verdachte een eenmalige uitkering van IS voor weduwen van gewezen IS-strijders in ontvangst genomen.”

Al deze feiten en omstandigheden maakten volgens de rechtbank dat van louter burgerschap van IS geen sprake is geweest en dat de verdachte als lid van en “(daarmee)” deelnemer aan de terroristische organisatie IS kan worden beschouwd.

Het vonnis van 8 oktober 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:8415 houdt eenzelfde oordeel in. In die zaak was de verdachte na haar aankomst in Syrië naar een vrouwenhuis van IS gegaan, waar zij enige tijd had verbleven en waar zij de eed van trouw aan de leider van IS had afgelegd. Door middel van bemiddeling van de (vrouw van de) leider van het vrouwenhuis was zij vervolgens getrouwd met een man waarvan ze wist dat hij bij IS hoorde. De verdachte en haar echtgenoot kregen van IS een maandelijkse financiële toelage en er werd voor huisvesting gezorgd. Zij hebben vervolgens afwisselend in door IS gecontroleerde gebieden in Syrië en Irak verbleven, alwaar de verdachte twitteraccounts had onderhouden waarmee zij zelf jihadistisch getinte tweets had geplaatst en deze ook door anderen had laten plaatsen. Ook had de verdachte, blijkens een door haar geplaatste foto op sociale media, een vuurwapen van haar echtgenoot voorhanden gehad.

Ook in haar vonnis van 13 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:3082 komt de rechtbank tot een veroordeling voor deelname aan de terroristische organisatie IS. Van louter burgerschap zou geen sprake zijn:

“De rechtbank is (…) van oordeel dat de verdachte is uitgereisd om zich samen met haar gezin in het strijdgebied in Syrië en later Irak te vestigen.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat [naam01] zich heeft aangesloten bij IS en gedurende de periode dat zij in Irak verbleven, loon heeft ontvangen van IS. (…) Nu hij lid was van een bataljon van IS en loon ontving staat vast dat [naam01] (…) strijder was bij IS. De verdachte heeft zich met hem jarenlang opgehouden in en gereisd naar en binnen door IS gecontroleerde gebieden.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, op grond van voornoemde feitelijke omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, kan worden beschouwd als lid van en (daarmee) deelnemer aan de terroristische organisatie IS. Van louter burgerschap, zoals de verdediging heeft betoogd, is geen sprake. De verdachte heeft samen met een strijder van een terroristische organisatie een huishouden gevoerd. Onder een huishouden vormen kan onder meer gerekend worden het samen kinderen hebben, voor de kinderen zorgen, boodschappen doen, maaltijden bereiden en schoonmaken.”

Ik heb mij afgevraagd welke vastgestelde feiten en omstandigheden in deze onder 3.25, 3.26 en 3.27 weergegeven veroordelingen in de ogen van de rechtbank maken dat de kwalificatie van de gedragingen van de verdachte van ‘IS-burgerschap’ in strafbare deelneming overgaat. Van het bekleden van een functie binnen IS, zoals hiervoor onder 3.24 omschreven, is in die zaken in elk geval geen sprake.

In het vonnis van 3 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6933 lijkt de rechtbank die vraag te beantwoorden. Dat vonnis houdt in dat “uit (vaste en constante) jurisprudentie van deze rechtbank volgt dat het enkele voeren van een gemeenschappelijke huishouding met een deelnemer aan IS, na daartoe te zijn uitgereisd naar en gevestigd in IS gebied, niet als betrokkenheid bij IS in de zin van deelname aan een terroristische organisatie kan gelden. Voor die vaststelling dienen, naast genoemde gemeenschappelijke huishouding (ook) andere aanwijzingen te bestaan. Daarbij valt te denken aan het afleggen van de eed van trouw aan de leiding van IS, dan wel (persoonlijk) wapenbezit, de (persoonlijke) ontvangst van financiële ondersteuning zijdens en/of het verrichten van wervingsactiviteiten ten behoeve van IS (als terroristische organisatie).” Aan die “aanwijzingen” voegt de rechtbank in haar uitspraak van 23 november 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:11219 toe: “het voorkomen in de administratie van IS, het verblijven in een madafa [ik begrijp: IS-vrouwenhuis, MvW] en daarmee beschikbaar zijn voor een huwelijk met een IS-lid, het opzettelijk aangaan van een huwelijk met een IS strijder of iemand die anderszins aan IS deelneemt die zich in Syrië bevindt en daarheen afreizen om met hem een gezamenlijke huishouding te vormen.”

De vraag is of deze opsomming het verschil in uitkomst daadwerkelijk verklaart. In de zaak van Laura H. bewaarde haar voor IS-strijdende echtgenoot zijn wapens bijvoorbeeld ook in huis en bovendien is het moeilijk voorstelbaar dat de verdachte en haar echtgenoot in de onder 3.23 weergegeven vrijspraak voor hun werkzaamheden bij IS geen loon ontvingen. Men kan zich verder afvragen of deze omstandigheden het onderscheid tussen wel en geen strafbare deelneming kunnen rechtvaardigen. Cupido merkt in dat kader op dat veel van deze omstandigheden inherent zijn aan de rol van verdachten als vrouw van een IS-strijder: “dat is de reden dat zij financiële vergoeding van IS ontvingen en dat er wapens in huis voorhanden waren.” Voor wat betreft het afleggen van de eed van trouw is het naar ik meen bovendien nog maar de vraag in hoeverre dit méér zegt dan dat de betrokkene tot de terroristische organisatie zou kunnen behoren, terwijl daarnaast, zoals hiervoor reeds is gebleken, nog een deelnemingsgedraging is vereist.

De onder 3.27 weergegeven veroordeling uit 2023, waarin de rechtbank in haar motivering bovendien benadrukt dat het doen van het huishouden als voornaamste rol van de vrouw door de organisatie van groot belang wordt geacht, blijft in tweede aanleg (dan ook) niet in stand. In het hoger beroep overweegt het hof in de eerste plaats dat de omstandigheid dat een terroristische organisatie zelf bepaalde handelingen in het algemeen als van groot belang voor de organisatie beschouwt, in dit geval de visie van IS op de rol van de vrouw, niet zonder meer bepalend is voor de vraag of sprake is van het voor een bewezenverklaring vereiste aandeel van de verdachte in gedragingen dan wel het ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het hof oordeelt verder dat:

“[i]n het onderhavige geval (…) uit het onderzoek ter terechtzitting [kan] worden opgemaakt dat de verdachte met haar man en hun drie kinderen naar Syrië en Irak is afgereisd, dat zij daar in IS-gebied heeft verbleven en dat zij een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd met haar man en kinderen. Andere handelingen van de verdachte die relevant kunnen zijn voor de beoordeling dat sprake is geweest van deelneming in de zin van artikel 140a Sr, zijn het hof niet gebleken. (…)

De verdachte heeft weliswaar verklaard dat haar echtgenoot beschikte over een Kalasjnikov, maar ook dat dit wapen niet bij haar thuis kwam en dat hij het in een ongebruikt tuinhuis had gelegd waarvan de deur op slot zat, zodat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daarover kon beschikken.

Dat de verdachte heeft geprofiteerd van het door haar echtgenoot in de periode van februari 2016 tot en met november 2016 van IS ontvangen loon, kan naar het oordeel van het hof evenmin worden aangemerkt als een deelnemingshandeling van de verdachte (vgl. HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:771).”

Over het kunnen beschikken over een wapen lijken de rechtbank en het hof het aldus wel eens: die omstandigheid kan maken dat van louter verblijf en het voeren van een gezamenlijke huishouding niet langer sprake is. Over het ontvangen van loon van IS, evenals de omstandigheid dat de verdachte (samen met haar man en/of kinderen) in een huis heeft verbleven dat (mogelijk) door IS ter beschikking is gesteld, niet. Dergelijke “voordelen”, zo oordeelt het hof ook in zijn uitspraak van 18 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1379, betreffen immers geen deelnemingsgedragingen van de verdachte.

Het hof komt wel tot een veroordeling In een zaak waarin de verdachte niet alleen in IS-gebied had verbleven en daar een gezamenlijke huishouding met haar bij IS aangesloten echtgenoot had gevoerd, maar ook de beschikking had over een bomgordel en haar echtgenoot had verzorgd in de periode dat hij gewond was geraakt, waarna hij zijn werkzaamheden voor IS weer had vervolgd. Het hof overwoog daartoe als volgt:

“(…) ten aanzien van de verdachte [kan] méér vastgesteld worden dan enkel in IS-gebied verblijven en een gemeenschappelijke huishouding voeren met iemand van IS. (…)

Met de verzorging van haar (gewonde) man heeft zij hem in staat gesteld weer voor IS aan het werk te gaan. De bomgordel die de verdachte met haar echtgenoot thuis voorhanden heeft gehad kan voorts in rechtstreeks verband worden gebracht met de verwezenlijking van het terroristisch oogmerk van IS. Immers, deze stond de verdachte ter beschikking en kan bij gebruik veel letsel en schade veroorzaken en angst teweeg brengen. Dat de verdachte heeft verklaard dat ze de bomgordel niet heeft gedragen, doet hier niet aan af.

De hiervoor besproken feiten en omstandigheden tezamen, in onderlinge samenhang bezien, leveren op het vereiste aandeel van de verdachte en haar echtgenoot in gedragingen dan wel het ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van IS.”

Opvallend aan deze uitspraak is dat het hof bij de beoordeling van de verweten gedragingen een verband legt tussen die gedragingen en de verwezenlijking van het (criminele) oogmerk van IS. Bij het enkele verblijf in IS-gebied en het aldaar voeren van een gemeenschappelijke huishouding met “iemand van IS” acht het hof dat verband kennelijk te ver verwijderd. Bij het helpen herstellen van een gewond geraakte IS-strijder, waardoor hij in staat wordt gesteld zijn werkzaamheden voor IS te hervatten, is die afstand kleiner. Klein genoeg (“rechtstreeks verband”) voor het hof kennelijk, om het handelen van de verdachte in dat geval wel als deelnemingsgedraging aan te merken. Voor het voorhanden hebben van een bomgordel zou eenzelfde redenering kunnen opgaan: dat voorhanden hebben ligt dicht op het daadwerkelijke gebruik daarvan en dus dicht(er) op de verwezenlijking van het (criminele) oogmerk van IS.

In het vonnis van 9 november 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10609 lijkt ook de rechtbank Rotterdam een verband te leggen tussen de verweten gedragingen en de verwezenlijking van het oogmerk van IS. Zij doet dat echter anders dan het hof en lijkt daarmee bovendien inzicht te geven in de oorzaak voor het onder 3.21 bemerkte fenomeen dat door gerechten in de motivering veelal geen onderscheid wordt gemaakt tussen het lidmaatschaps- en het gedragsvereiste, dus het behoren tot de organisatie enerzijds en een aandeel hebben in of ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie anderzijds. In het betreffende vonnis overweegt de rechtbank dat dit onderscheid met name relevant is bij deelname aan organisaties die behalve een oogmerk om misdrijven te plegen, ook een oogmerk hebben op het verrichten van legale activiteiten. Bij terroristische organisaties zal dat volgens de rechtbank niet snel het geval zijn. Daar komt bij, zo overweegt de rechtbank, dat:

“het terroristische oogmerk van IS, behalve op het vrees aanjagen van de burgerbevolking, vooral op het omverwerpen van de gevestigde politieke orde van (in elk geval) de landen in het strijdgebied is gericht. Zoals blijkt uit het proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: de Islamitische Staat, is IS een jihadi-salafistische organisatie die oproept tot het op gewelddadige wijze omverwerpen van de bestaande (seculiere) regimes. Het voeren van jihad (oorlog) tegen de ongelovigen en de afvalligen (met name de regimes in de islamitische landen die niet uitsluitend de islamitische wetgeving uitvoeren) wordt beschouwd als een plicht die rust op iedere moslim (p. 6). De oprichting van het kalifaat op 29 juni 2014, waarbij IS claimt een Islamitische Staat te zijn in de door haar bezette gebieden in Syrië en Irak, en de oproep aan Islamieten over de hele wereld om naar het kalifaat te komen, is derhalve gericht op verwezenlijking van dat terroristische oogmerk. Dat betekent dat iedereen die naar het kalifaat trekt, dat wil zeggen: naar het strijdgebied in Syrië en Irak, en zich bij IS voegt, een bijdrage levert aan de vervulling van het terroristische oogmerk de gevestigde politieke orde omver te werpen en te vervangen door een eigen staat. En een staat heeft nu eenmaal onderdanen nodig. In zoverre valt, anders dan de raadsvrouw heeft gesteld, het zich voegen bij IS in het kalifaat samen met het verrichten van een handeling die strekt tot verwezenlijking van het terroristische oogmerk en daarmee met deelname aan IS in de zin van artikel 140a Sr.”

Zich “voegen bij IS”, zo vervolgt de rechtbank, kan door lid te worden, bijvoorbeeld door het afleggen van de eed van trouw. De wil om lid te worden is echter geen vereiste; bewijs van deelneming kan worden afgeleid uit het in feitelijke zin deelnemen. Het zich naar strijdgebied begeven en zich voegen bij een strijder van IS en met hem een huwelijk aangaan valt daar onder, aldus de rechtbank. Daarbij wijst de rechtbank “er (nogmaals) expliciet op dat onder IS de eerste taak van de vrouw de zorg voor man, kinderen en huishouden [is]. De vrouw behoort haar echtgenoot, of het nu gaat om een mujahid die zich op het slagveld bevindt of een mujahid die niet in staat is te emigreren naar de Islamitische Staat, maar in zijn land jihad heeft gevoerd en als gevolg daarvan een gevangenisstraf uitzit, te ondersteunen.”

De redenering van de rechtbank begrijp ik als volgt. IS heeft het terroristisch oogmerk om (i) de gevestigde politieke orde omver te werpen en (ii) deze te vervangen door een eigen staat. Dat tweeledige doel omschrijft de rechtbank als het terroristische oogmerk van IS. Vervolgens gaat de rechtbank in op het onder (ii) weergegeven onderdeel van dat doel (het creëren van een eigen staat) en brengt tot uitdrukking dat dit uitsluitend bereikt kan worden als gehoor wordt gegeven aan de oproep van IS om naar het kalifaat te komen en onderdaan te worden van de staat die IS beoogt te creëren (ofwel: “zich bij IS te voegen”). Die oproep is in de ogen van de rechtbank dan ook gericht op de verwezenlijking van het eerder omschreven terroristische oogmerk van IS, hetgeen volgens de rechtbank zou maken dat eenieder die gehoor geeft aan die oproep een bijdrage levert aan de verwezenlijking van dat oogmerk. Om die reden “[valt] het zich voegen bij IS in het kalifaat samen met het verrichten van een handeling die strekt tot verwezenlijking van het terroristische oogmerk en daarmee met deelname aan IS in de zin van art. 140a Sr”, aldus de rechtbank.

Hoewel het invoelbaar is dat de rechtbank bij de beoordeling van de verweten gedragingen acht slaat op de waarde die IS zelf aan die gedragingen hecht, gaat haar redenering mijns inziens om twee redenen mank. In de eerste plaats merkt de rechtbank het oogmerk om een eigen staat te creëren kennelijk op zichzelf aan als een terroristisch oogmerk, terwijl een dergelijk oogmerk niet is opgenomen in de limitatieve opsomming van art. 83a Sr. Dat artikel bepaalt als gezegd dat onder een terroristisch oogmerk (uitsluitend) wordt verstaan: het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

In de tweede plaats neemt de rechtbank het terroristische oogmerk van de organisatie in plaats van het terroristische oogmerk van de door die organisatie beoogde misdrijven tot uitgangspunt. Art. 140a Sr vereist echter niet dat wordt deelgenomen aan een organisatie die een terroristisch oogmerk heeft in de zin van art. 83a Sr; de betreffende bepaling stelt strafbaar het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (specifieke, in art. 83 Sr opgesomde) misdrijven. Bij het leveren van een bijdrage aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie als bedoeld in art. 140a Sr, gaat het dus om het leveren van een bijdrage aan de verwezenlijking van het oogmerk om (specifieke, in art. 83 Sr opgesomde) misdrijven te plegen. Het creëren van een eigen staat is niet een dergelijk misdrijf. Het leveren van een bijdrage daaraan door onderdaan van die staat te worden, althans zich te schikken naar de rol binnen die staat zoals IS die voor ogen heeft, kan mijns inziens dan ook niet zonder meer als bijdrage in vorenbedoelde zin worden aangemerkt.

Het is mogelijk deze achtergrond waartegen de onder 3.31 weergegeven motivering van de vrijspraak door het hof begrepen moet worden. In die zaak overwoog het hof als gezegd dat de omstandigheid dat een terroristische organisatie zelf bepaalde handelingen in het algemeen als van groot belang voor de organisatie beschouwt, niet zonder meer bepalend is voor de vraag of sprake is van het voor een bewezenverklaring vereiste aandeel van de verdachte in gedragingen dan wel het ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. “Temeer”, zo vervolgt het hof in die zaak, “nu een eventuele bijdrage aan de organisatie nog geen aandeel in de hiervoor bedoelde zin behoeft op te leveren.” Het is niet zo “dat eenieder die het collectief getalsmatig versterkt reeds daardoor moet worden aangemerkt als deelnemer aan die organisatie, als bedoeld in art. 140a Sr”, aldus het hof.

De idee dat de rechtbank Rotterdam en het hof Den Haag anders antwoorden op de vraag hoe het deelnemingscriterium moet worden toegepast in gevallen waarin uitgereisde vrouwen in ISgebied hebben verbleven, lijkt de rechtbank in haar vonnis van 18 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:442 te willen nuanceren. In dat vonnis herhaalt de rechtbank haar hiervoor onder 3.35 weergegeven standpunt dat naar het strijdgebied gaan en zich daar voegen bij een strijder van IS en met hem een huwelijk aangaan in feitelijke zin bewijs is van het deelnemen aan IS. Vervolgens overweegt zij dat zij voor die “lijn van de rechtbank” bevestiging vindt in de uitspraak van het hof die in deze conclusie ter beoordeling voorligt, “waarin het hof tot het oordeel komt dat het voeren van een gezamenlijke huishouding met een IS-strijder onder in dat arrest genoemde omstandigheden kan worden aangemerkt als deelneming aan een terroristische organisatie in de zin van artikel 140a Sr”. De rechtbank vervolgt:

“Omstandigheden die in dat arrest zijn genoemd zijn het steunen van de jihadistische ideologie en voorstander zijn van de gewapende jihadstrijd, en met die overtuiging zijn afgereisd naar het strijdgebied, daar huwen met een IS-lid, terwijl hij actief heeft deelgenomen aan IS en met zijn verdiensten daaruit de kostwinner was, het getalsmatig versterken van de invloedssfeer van IS, het actief uitdragen van de jihadistische ideologie en anderen aansporen om ook naar Syrië te gaan, en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het hof oordeelt dat de verdachte hierdoor gedragingen heeft verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van de terroristische organisatie terwijl zij van het terroristische oogmerk van deze organisatie in zijn algemeenheid op de hoogte was.

De rechtbank volgt deze overwegingen.”

Dit vonnis begrijp ik zo dat ‘naar het strijdgebied gaan en zich voegen bij een strijder van IS en met hem een huwelijk aangaan’ breder geïnterpreteerd dient te worden dan het louter voeren van een gezamenlijke huishouding. Om van deelneming als bedoeld in art. 140a Sr te kunnen spreken, zo meent de rechtbank in navolging van het hof, dient die laatste omstandigheid als het ware te worden ‘opgeplust’ met andere elementen. Elementen die daarbij van belang kunnen zijn, betreffen: i) het als voorstander van de gewapende strijd afreizen naar het strijdgebied om daarmee de jihadistische ideologie te steunen, ii) het aldaar huwen met een IS-lid die actief aan die organisatie deelneemt en met zijn loon daaruit de kostwinner van het gezin is, iii) het “getalsmatig versterken van de invloedsfeer van IS”, iv) het actief uitdragen van de jihadistische ideologie en anderen aansporen om ook naar Syrië te gaan en v) het voorhanden hebben van een vuurwapen. Over de vraag hoe deze elementen dienen te worden gerelateerd aan de twee onderscheiden vereisten van het deelnemingscriterium van de Hoge Raad laat de rechtbank zich net als het hof niet uit.

Conclusie feitenrechtspraak

Waar de rechtbank Rotterdam voor ‘deelneming’ aan IS als bedoeld in art. 140a Sr aanvankelijk leek te eisen dat de verdachte een functie (als strijder of anderszins) binnen die organisatie bekleedt en enkele ‘burgerschap’ van IS niet voldoende is voor deelneming, lijkt zij in latere vonnissen meer betekenis te geven aan het belang dat door IS zelf aan de verweten gedragingen wordt gehecht en daarmee aan het zijn van onderdaan van IS. Die redenering kan echter niet zonder meer standhouden. Voornoemd belang moet immers worden bezien in het licht van het doel van IS om een eigen Islamitische staat te creëren, terwijl het bij art. 140a Sr gaat om de vraag hoe de verweten gedragingen moeten worden gewaardeerd in relatie tot het doel van IS om terroristische misdrijven te plegen. Alhoewel het creëren en in stand houden van een eigen Islamitische staat en het plegen van terroristische misdrijven in het geval van IS sterk met elkaar verbonden zijn, kunnen deze doelen voor de toepassing van art. 140a Sr niet met elkaar op één lijn worden gesteld. Daar waar het plegen van terroristische misdrijven zich immers kenmerkt door het strafwaardige karakter daarvan, komen bij het creëren en in stand houden van een eigen staat ook gedragingen kijken die juist alledaags van aard zijn. Tegen die achtergrond is het navolgbaar dat het zorgen voor man, kind(eren) en het huishouden in de ogen van het hof Den Haag (bij welk oordeel de rechtbank Rotterdam zich in een vonnis van 18 januari 2024 zegt aan te sluiten) op zichzelf nog geen deelneming oplevert. Voor die kwalificatie zijn méér elementen nodig die de relatie tussen de verweten gedragingen en het plegen van (terroristische) misdrijven minder ver verwijderd maken. Het kunnen beschikken over (een) wapen(s) van de betreffende ISstrijder kan een dergelijk element zijn.

Over de vraag hoe deze elementen zich verhouden tot het in twee vereisten uiteenvallende deelnemingscriterium van de Hoge Raad laat het hof – anders dan de rechtbank die meent dat deze twee vereisten in gevallen als het onderhavige samenvallen – zich niet uit. Die vraag zal (zijdelings) worden beantwoord in het navolgende, waar ik nader inga op de betekenis van deze vereisten.

De twee elementen van het deelnemingsbegrip

Als gezegd valt het deelnemingscriterium van de Hoge Raad in twee vereisten uiteen: van deelneming als bedoeld in art. 140(a) Sr is slechts sprake als de betrokkene i) tot het samenwerkingsverband behoort en ii) een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.

i) ‘behoren tot’ een samenwerkingsverband

Een deelnemer als bedoeld in art. 140(a) Sr moet in de eerste plaats lid zijn van de betreffende organisatie, hij moet daarvan deel uitmaken. Het komt mij voor dat dit lidmaatschapsvereiste feitelijk dient te worden ingevuld, niet in de laatste plaats omdat criminele organisaties niet met hun ledenlijst te koop zullen lopen. Zo ook De Vries-Leemans, die schrijft dat men “feitelijk” tot het samenwerkingsverband dient te behoren. Volgens haar moet vast komen te staan dat sprake is van een binding tussen individu en collectief, zonder dat dit zich in formeel lidmaatschap behoeft te uiten.

Dit ‘lidmaatschapsvereiste’ is van essentieel belang, omdat de grond voor strafbaarstelling van art. 140(a) Sr is gelegen in de gedachte dat van georganiseerde samenwerkingsverbanden die misdrijven beogen te plegen een bijzondere gevaarzetting uitgaat. De Vries-Leemans schrijft daarover het volgende (met weglating van voetnoten):

“binnen een vereniging van personen [ontwikkelen zich] bepaalde 'gruppendynamischen Prozesse'. Het risico dat door het samenwerkingsverband ook daadwerkelijk misdrijven gepleegd worden wordt groter geacht dan bij puur individuele activiteiten. Dit vergrote risico zou ontstaan door de nauwe banden welke worden gevormd tussen degenen die tot het samenwerkingsverband behoren. Door de onderlinge verstrengeling van belangen zullen de leden van het samenwerkingsverband over en weer invloed op elkaar uitoefenen, zodat men ook eerder geneigd zal zijn gemaakte afspraken na te komen. De eigen, individuele wil wordt ondergeschikt aan de wil van het collectief. Men kan zich als het ware 'verschuilen' achter het samenwerkingsverband waartoe men behoort.”

Iemand die geen deel uitmaakt van het samenwerkingsverband heeft niet een dergelijke versterkende rol in de groepsdynamiek en draagt in die zin dus ook niet bij aan de bijzondere gevaarzetting die van een georganiseerd samenwerkingsverband uitgaat. Diegene is dan geen deelnemer in de zin van art. 140(a) Sr, maar kan als buitenstaander (wel) vervolgd worden via de algemene deelnemingsbepalingen van art. 47 en art. 48 Sr. Volgens De Vries-Leemans gaat het in die gevallen om een meer vluchtige vorm van samenwerking, terwijl een ‘deelnemer’ in haar ogen gedurende geruime tijd betrokken zal moeten zijn bij de activiteiten van de organisatie. Hoewel ik mij tegenover een dergelijk tijdsduurvereiste terughoudender opstel, sluit ik mij aan bij de wijze waarop zij haar betoog vervolgt: “men moet in die organisatie participeren (…) Men dient zich door het verrichten van activiteiten een plaats binnen het samenwerkingsverband te verwerven”.

Voor het hier aan de orde zijnde lidmaatschapsvereiste is, anders dan bij het hierna te bespreken gedragsvereiste, een relatie met het plegen van (terroristische) misdrijven niet vereist. Het gaat bij dit vereiste om (het behoren tot) ‘de organisatie’ in brede zin, dus ook voor zover haar oogmerk verder reikt dan het plegen van terroristische misdrijven. Participeren in de organisatie, zich een plaats verwerven binnen het samenwerkingsverband, kan daarom ook door middel van activiteiten die voor de organisatie met het oog op een ander, breder doel van groot belang worden geacht.

Om die reden kan de omstandigheid dat IS bepaalde gedragingen van belang acht met het oog op het creëren van een eigen Islamitische staat – welke omstandigheid als gezegd niet zonder meer van (doorslaggevend) belang kan zijn voor de vraag of sprake is van een deelnemingsgedraging – naar ik meen (wel) relevant zijn voor de vraag of de betrokkene ‘behoort tot’ IS. Beargumenteerd zou mijns inziens kunnen worden dat degene die zich actief en vrijwillig onder het gezag en de leefregels van IS stelt en zich daarbij schikt naar de rol zoals IS die in de door haar beoogde staat voor ogen heeft, van die staat deel uitmaakt en (daarmee) tot IS behoort. Het kan daarbij gaan om het als vrouw bewust verrichten van precies die taken die in de ogen van IS horen bij de rol van vrouwen binnen het kalifaat, bijvoorbeeld zorgen voor echtgenoot, kind en huishouden, maar ook om de gedraging die daaraan noodzakelijkerwijs voorafgaat, namelijk het daartoe verlaten van het land van herkomst. Ik wijs op een citaat dat M. Cupido in dat verband noemt:

“[t]ravelling to its territory (hijra in Daesh terminology) is stressed repeatedly by the group’s [i.e. IS’s] leader as an obligatory act, and its magazine Dabiq has stated that “there is no life without jihad, and there is no jihad without hijra”.”

Tegen die achtergrond zou het vrijwillig verrichten van een gedraging waarmee gehoor wordt gegeven aan een oproep van (de leider van) IS naar ik meen een indicatie kunnen zijn voor lidmaatschap van IS. Dat geldt temeer wanneer die gedraging gepaard gaat met de in de lagere rechtspraak eveneens relevant geachte omstandigheid van het afleggen van de eed van trouw aan de leider van IS. Daarnaast kan de omstandigheid dat van IS loon wordt ontvangen (direct of via de echtgenoot) mijns inziens op lidmaatschap wijzen, nu daarvan een zekere erkenning (als deelgenoot) door IS uitgaat.

Conclusie ‘behoren tot’ het samenwerkingsverband

Het vereiste dat een deelnemer moet ‘behoren tot’ een organisatie als bedoeld in art. 140(a) Sr dient feitelijk te worden ingevuld. Omstandigheden die erop kunnen wijzen dat van dergelijk lidmaatschap sprake is, kunnen zijn: het afleggen van de eed van trouw aan de leider van IS, het verlaten van het land van herkomst om onder de regels en het gezag van IS te leven, het (aldaar) uitvoeren van (andere) specifieke (geslachtsafhankelijke) door IS opgedragen taken en het (direct of indirect) ontvangen van loon door IS.

ii) ‘een aandeel hebben in dan wel ondersteunen’

De deelnemer moet, naast het behoren tot de organisatie, een of meer gedragingen hebben verricht die van zodanige aard zijn dat hij daarmee a) een aandeel heeft gehad in, dan wel b) heeft ondersteund gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie (in dit geval: het plegen van terroristische misdrijven).

Dit vereiste is van essentieel belang. Niet in de laatste plaats omdat het ‘behoren tot’ een organisatie, zeker als wordt aangenomen dat ook formeel lidmaatschap daaronder valt, een betrekkelijk passieve vorm kan aannemen. Met het vereiste dat daarnaast sprake moet zijn van een deelnemingsgedraging in vorenbedoelde zin wordt rechtgedaan aan een eerste aspect van het daadstrafrechtbeginsel, namelijk dat (hoewel dit met enige nuance dient te worden bezien) een waarneembare gedraging moet kunnen worden aangewezen; een gedachte (en dus ook: ‘iets vinden’) of het ‘enkele zijn’ is voor strafrechtelijke aansprakelijkheid onvoldoende.

Het belang van het vereiste is daarnaast gelegen in het volgende. Als gezegd is voor een veroordeling voor art. 140(a) Sr niet vereist dat het plegen van (terroristische) misdrijven het hoofddoel van de organisatie is. Ook als dit als naaste doel wordt nagestreefd kan gezegd worden dat die organisatie het plegen van (terroristische) misdrijven als oogmerk heeft. Dat betekent dat een organisatie in de zin van art. 140(a) Sr ook op legale doeleinden gericht kan zijn. Dat een persoon tot een dergelijke organisatie ‘behoort’ brengt zijn handelen dan ook niet zonder meer in relatie met het plegen van (terroristische) misdrijven. Door náást dit lidmaatschap te vereisen dat hij ‘een aandeel heeft gehad in, dan wel heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie’ wordt die relatie tot stand gebracht: alleen die leden die in die zin bijdragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie om (terroristische) misdrijven te plegen kunnen als deelnemer van die organisatie worden aangemerkt.

Tussen de gedragingen van de deelnemer en de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie om terroristische misdrijven te plegen moet dus enige relatie bestaan. Voor zover het hof Den Haag op de hiervoor onder 3.34 omschreven wijze inderdaad van die opvatting uitgaat, vertrekt het naar ik meen dan ook vanuit een juist uitgangspunt. De vraag die resteert is hoever verwijderd die relatie mag zijn. Met andere woorden: waar ligt de ondergrens? Of beter: hoe wordt die bepaald?

Die vragen raken naar ik meen aan het tweede aspect van het daadstrafrechtbeginsel, namelijk dat strafbaarheid alleen kan worden gevestigd voor (waarneembare) gedragingen die direct of indirect strafwaardig zijn te achten. Gedragingen die op zichzelf niet strafwaardig zijn, zullen “in elk geval van zodanige betekenis moeten zijn dat verwezenlijking van een wel strafwaardige gedraging of strafrechtelijk relevante situatie daadwerkelijk realistischer wordt,” schrijven Van Kempen en Fedorova. Het handelen (of nalaten) van iemand en het ontstaan van een strafrechtelijk relevante werkelijkheid moeten “wezenlijk” met elkaar in verband staan. Anders, zo vervolgen zij, “zal immers juist wel al gauw het enkele zijn of alleen een gedachte tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kunnen leiden”. Voor de nadere invulling van dat verband sluiten zij zich, net als ik, aan bij hetgeen door Buruma is opgemerkt: de handeling zal in zoverre een verandering teweeg moeten hebben gebracht dat het – in dit geval: door de organisatie – beoogde misdrijf daardoor dichterbij is gebracht. Daarbij past ook het standpunt van Keijzer, die in zijn noot bij HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178 (NJ 2012, 658) schrijft dat de term “ondersteunt” in het criterium van de Hoge Raad veronderstelt dat de betrokkene het plegen van de door de organisatie beoogde misdrijven bevordert, in die zin dat het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven wordt vergroot.

In lijn met het voorgaande schrijft De Vries-Leemans dat sprake dient te zijn van een “rechtstreeks” verband tussen de verweten gedraging en de oogmerkverwezenlijking. Dat heeft volgens haar tot gevolg dat gedragingen die wel van belang zijn voor het functioneren van de organisatie, maar die geen betrekking hebben op de verwezenlijking van het naaste doel van de organisatie en (dus) niet gericht zijn op de realisering daarvan, (toch) geen strafbare deelneming opleveren. Als voorbeeld noemt zij het exploiteren van het kraakpand ten behoeve van de organisatie in de hierboven besproken Mariënburchtzaak: die gedraging was wel van belang voor het functioneren van het samenwerkingsverband, maar strekte niet tot de verwezenlijking van het criminele oogmerk noch stond deze daarmee rechtstreeks in verband. Ook gedragingen die vrij dicht gelegen zijn tegen de beoogde misdrijven en met het plegen daarvan (dus) (slechts) zijdelings te maken hebben, leveren volgens haar geen deelnemingsgedragingen op als van een rechtstreeks verband geen sprake is. Gedacht kan daarbij worden aan het – ten behoeve van een organisatie die tot oogmerk heeft (openlijke) geweldpleging – drukken en uitdelen van pamfletten aan buurtbewoners met het dringende advies hun auto’s elders te parkeren met het oog op komende gewelddadigheden, of het te woord staan van de pers om tekst en uitleg te geven over een bepaalde (criminele) actie van de organisatie.

De Vries-Leemans stipt verder een verschil aan tussen de eerste categorie, (a) ‘een aandeel hebben in’ en de tweede, (b) ‘het ondersteunen van’ gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. Die tweede categorie laat volgens haar ruimte open om ook zeer ver van de uiteindelijk beoogde misdrijven gelegen gedragingen onder het bereik van art. 140(a) Sr te brengen. Als voorbeeld noemt zij het door A regelen van een vliegreis voor zijn baas B, opdat deze naar een ‘belastingparadijs’ kan reizen teneinde aldaar een ‘fraude-BV’ op te richten. Hoewel het nagestreefde misdrijf – het plegen van fraude met de bewuste BV – en daarmee de verwezenlijking van het misdadige oogmerk nog zeer ver verwijderd is van die door A verrichte gedragingen, is strikt genomen wel sprake van een “ondersteunende” gedraging. Dat betekent dat het criterium van de Hoge Raad bij een dergelijke, letterlijke interpretatie zo ruim is dat ook in zo’n geval van deelneming gesproken zou kunnen worden. Zij sluit zich aan bij Groenhuijsen die heeft opgemerkt dat op die wijze de poort openstaat om ieder functioneren binnen de organisatie aan te merken als het strafbaar deelnemen aan die organisatie. Met haar meen ik dat dit te ver gaat. Daarover het volgende.

Hoewel deze opmerking van Groenhuijsen doet denken aan de hiervoor onder 3.13 genoemde passage uit de wetsgeschiedenis dat “de facto elke bijdrage aan een terroristische organisatie strafbaar [zal] zijn gesteld”, meen ik dat uit de context van die passage en uit de overige passages in de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat ook de wetgever niet een dergelijk vergaande interpretatie van het deelnemingscriterium voor ogen stond. Als voorbeelden van gedragingen die volgens de minister “reeds” strafbaar zijn en waaruit volgens hem blijkt dat ten aanzien van art. 140 Sr “geen hoge eisen” gelden, noemt hij: het plannen, het verzamelen van informatie of het voeren van overleg ten behoeve van een terroristische organisatie. Als deze gedragingen plaatsvinden in het kader van de criminele doeleinden van de organisatie, en zo lees ik voornoemde passage ook, zijn dit gedragingen waarvan gezegd kan worden dat de relatie met het plegen van (terroristische) misdrijven nog goed te herkennen is. Voor het regelen van een vliegticket voor baas B uit het hierboven genoemde voorbeeld geldt dat in aanzienlijk mindere mate.

Ik breng hier voorts in herinnering dat aan de in de wetsgeschiedenis genoemde wens om elke bijdrage aan een terroristische organisatie onder het bereik van de strafwet te brengen invulling is gegeven door in de wet tot uitdrukking te brengen dat onder deelneming mede wordt verstaan: het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de betreffende organisatie (zie randnr. 3.14). Met deze explicitering werd de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor bijdragen aan terroristische organisatie “scherper gemarkeerd”, aldus de minister. Hoewel werd benadrukt dat deze explicitering geenszins een beperking van het deelnemingsbegrip inhoudt, geeft dit wel inzicht in de aard van de gedragingen die de wetgever bij deelneming voor ogen heeft. Ook van deze gedragingen, die volgens de minister dienen als “een verduidelijking” van het deelnemingsbegrip, kan – in vergelijking met de gedraging in voornoemd fraudevoorbeeld – mijns inziens immers eerder gezegd worden dat het plegen van de door de organisatie beoogde misdrijven daardoor daadwerkelijk realistischer wordt dan wel daadwerkelijk dichterbij wordt gebracht. Anders verwoord: de relatie met het plegen van misdrijven is bij die gedragingen bepaald niet zo ver verwijderd als bij de gedraging in het fraudevoorbeeld.

Ook de Hoge Raad legt de eis van de ondersteuning van gedragingen niet zo uit dat elke vorm van steun daaronder valt. In dat verband wijs ik op een viertal arresten van 3 juli 2012 waarin verdachten van de Hofstadgroep waren veroordeeld voor deelname aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven en terroristische misdrijven (o.a. opruiing, bedreiging met terroristische misdrijven en haat zaaien). In ECLI:NL:HR:2012:BW5161 was vastgesteld dat de verdachte i) meermalen bijeenkomsten had bijgewoond waarbij over de gewelddadige verspreiding van de islam werd gesproken en waarbij beeldmateriaal werd vertoond waarop onthoofdingen en liquidaties te zien waren, ii) geschriften, beeldmateriaal en vlaggen had verzameld die met de gewelddadige jihad in verband gebracht konden worden en iii) deelgenomen had aan elektronisch berichtenverkeer waarin die gewelddadige jihad werd gepropageerd. De Hoge Raad oordeelde dat uit deze gedragingen “niet zonder meer [kan] worden afgeleid dat hij daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisaties bestaande oogmerk en derhalve aan die organisaties heeft “deelgenomen” in de hiervoor bedoelde betekenis”. Datzelfde oordeel leest men in ECLI:NL:HR:2012:BW5132. De verdachte in die zaak had de hiervoor genoemde bijeenkomsten niet alleen regelmatig bijgewoond, hij had zich gedurende die bijeenkomsten ook ingespannen om het door hem aangehangen gedachtegoed over de islam en de verspreiding daarvan op anderen over te brengen. Daarnaast had hij geld gevraagd ter ondersteuning van gezinsleden van gedetineerde geestverwanten. Ook daarmee was dus niet zonder meer sprake van een deelnemingsgedraging.

In ECLI:NL:HR:2012:BW5178 achtte de Hoge Raad dat wel het geval. Naast het regelmatig bijwonen van voornoemde bijeenkomsten had de verdachte in die zaak wel eens zelf beeldmateriaal van hierboven genoemde aard voor die bijeenkomsten meegebracht. Daarnaast had hij meegewerkt aan de verspreiding van een geschrift waarin tot de gewapende jihad werd opgeroepen. In ECLI:NL:HR:2012:BW5136 bleef de veroordeling door het hof eveneens in stand. In die zaak had de verdachte, naast het regelmatig bijwonen van voornoemde bijeenkomsten en het verzamelen van jihad gerelateerde documenten, pogingen ondernomen om anderen voor de jihad te werven en had hij in chatgesprekken anderen opgeroepen om een training in Afghanistan en Pakistan te volgen zoals hij zelf had gedaan.

Uit deze arresten leid ik af dat louter ‘meepraten’ in de ogen van de Hoge Raad nog geen deelnemingsgedraging oplevert. Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid en in ieder geval voor ‘deelneming’ als bedoeld in art. 140(a) Sr is meer nodig: uit de gedragingen van de deelnemer moet mijns inziens kunnen worden afgeleid dat hij daadwerkelijk heeft bijgedragen aan de realisatie van het binnen de organisatie bestaande oogmerk om bepaalde misdrijven te plegen (zonder dat een van deze feiten daadwerkelijk hoeft te zijn gepleegd). De verweten gedragingen dienen in concreet verband te kunnen worden gebracht met het plegen van die specifieke misdrijven. Dat is bij het oproepen en aanmoedigen van anderen om aan (een training voor) de gewapende jihad deel te nemen het geval; bij ‘meepraten’ niet zonder meer. Zoals Buruma schrijft: “Je moet iets gedaan hebben dat als het ware vooruit wees naar het delict. Strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat niet reeds met het aanwezig zijn in fout gezelschap, zelfs als men dezelfde opvattingen erop nahoudt als de leden van de foute groep.”

Diezelfde maatstaf heeft te gelden voor in de feitenrechtspraak steeds terugkerende elementen, zoals het actief uitdragen van de jihadistische ideologie, het verlaten van het thuisland om zich in strijdgebied te vestigen en zich aldaar aan de regels en het gezag van IS te onderwerpen, het aansporen van anderen om (ook) naar strijdgebied Syrië uit te reizen, het verzorgen van een voor IS strijdende echtgenoot, kind(eren) en huishouden en het voorhanden hebben van (een) (vuur)wapen(s). Deze gedragingen kunnen – op zichzelf dan wel in onderling verband en in samenhang bezien – slechts als deelnemingsgedraging(en) worden aangemerkt als deze in concreet, wezenlijk en (voldoende) rechtstreeks verband kunnen worden gebracht met het plegen van de door de organisatie beoogde misdrijven; als daarmee de verwezenlijking van die specifieke misdrijven daadwerkelijk realistischer kan worden dan wel dichterbij kan worden gebracht. Uit de motivering van de rechter dient genoegzaam te blijken dat aan dat criterium is voldaan.

Bij de beantwoording van de vraag of tussen de verweten gedragingen en de oogmerkverwezenlijking niet een te ver verwijderd verband bestaat, dient bovendien in het achterhoofd te worden gehouden dat art. 140(a) Sr als een zelfstandig delict in het Wetboek van Strafrecht is opgenomen. Aangenomen mag worden dat, zoals in de wetsgeschiedenis ook (expliciet) is erkend, (dientengevolge) voorbereiding van (art. 46 Sr) en poging tot (art. 45 Sr) dat delict strafbaar zijn. Over deze voorfasestrafbaarstellingen merk ik op dat het bij het zelfstandige delict van art. 140(a) Sr al kan gaan om gedragingen in de voorfase (niet vereist is immers dat de organisatie haar oogmerk om misdrijven te plegen reeds heeft verwezenlijkt) en dat bij de voorbereiding daarvan en poging daartoe dus gedragingen aan de orde zijn die dáár nog aan voorafgaan. De strafwaardigheid van die gedragingen is, in de woorden van De Vries-Leemans, “ver te zoeken”. Men dient zich bij de beoordeling van het verweten handelen aldus te realiseren dat een accordering van een ver verwijderde relatie tussen dit handelen en de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie vergaande gevolgen kan hebben voor de strafbaarheid van degene die het (zelfstandige) delict van art. 140(a) Sr voorbereidt of daartoe een poging doet.

Datzelfde geldt in beginsel ook voor deelneming aan art. 140(a) Sr in de zin van art. 47 en 48 Sr. Bedacht moet echter worden dat de figuren van medeplegen en medeplichtigheid nauwelijks zelfstandige betekenis hebben naast het huidige criterium voor deelneming aan een criminele organisatie. Van medeplegen is immers slechts dan sprake als de verdachte aan het delict een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Bij medeplichtigheid gaat het om het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf. Dit betekent dat een medepleger al snel zelfstandig ‘een aandeel heeft in een gedraging die strekt tot of rechtstreeks verband houdt met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. Een medeplichtige zal al snel zelfstandig een dergelijke gedraging ‘ondersteunen’. Zij vervullen op dat punt dus de delictsomschrijving van deelneming aan een criminele organisatie zonder dat op deelneming in de zin van art. 47 en 48 Sr hoeft te worden teruggevallen. In de praktijk zullen deze laatste deelnemingsvormen daarom vooral betekenis hebben als een verdachte niet zelf voldoet aan het lidmaatschapsvereiste, maar de medepleger of hoofddader wel.

Conclusie ‘een aandeel hebben in dan wel ondersteunen’

Het vereiste dat een deelnemer in de zin van art. 140a Sr een aandeel moet hebben gehad in, dan wel moet hebben ondersteund gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie dient zo te worden uitgelegd dat tussen het handelen van de deelnemer en het plegen van de door de organisatie beoogde terroristische misdrijven een bepaalde relatie moet bestaan. Het daadstrafrechtbeginsel vereist dat die relatie niet te ver verwijderd mag zijn; tussen het handelen van de deelnemer en de oogmerkverwezenlijking moet een concreet, wezenlijk en (voldoende) rechtstreeks verband bestaan. Zijn handelen moet van zodanige betekenis zijn dat de verwezenlijking van de beoogde misdrijven daarmee daadwerkelijk realistischer kan worden dan wel dichterbij kan worden gebracht. Dat betekent dat door de rechter toereikend gemotiveerd dient te worden dat de verweten gedragingen (voorbeelden daarvan zijn: het actief uitdragen van de jihadistische ideologie, het aansporen van anderen om (ook) naar strijdgebied Syrië uit te reizen en het voorhanden hebben van (een) (vuur)wapen(s)), op zichzelf dan wel in onderling verband en in samenhang bezien, aan dat criterium voldoen.

Vergelijking met Duitsland: de rol van de ‘Willensrichtung’

De uit Syrië terugkerende uitreizigsters zijn geen exclusief Nederlands verschijnsel. Ook in andere Europese landen komen zij voor en zijn deze personen ook vervolgd, onder andere voor het lidmaatschap van een terroristische organisatie. Zoals hiervoor al genoemd, is de strafbaarstelling daarvan mede gebaseerd op Europese regelgeving. Zeker ook in Duitsland komt vervolging geregeld voor, terwijl de Duitse definitie van een criminele organisatie overeenkomsten vertoont met de Nederlandse. Vergelijking van de Nederlandse en de Duitse rechtspraak richt de aandacht met name op een nog niet besproken aspect van de deelnemingsgedraging, namelijk het doel waarmee de verdachte deze gedraging verricht. Omdat een blik op de Duitse rechtspraak echter eveneens nuttig kan zijn voor de invulling van het lidmaatschapsvereiste, zal ik hieronder ook dat onderdeel niet onbesproken laten.

Deelname aan een criminele organisatie (kriminelle Vereinigung) is strafbaar gesteld in § 129 Strafgesetzbuch (StGB). §§ 129a en 129b StGB bevatten aanvullende bepalingen over onder andere terroristische organisaties (in het buitenland). Van een criminele organisatie is sprake als het doel of de activiteit (Zweck oder Tätigkeit) van de vereniging is gericht op het begaan van in de wet genoemde strafbare feiten. Dit zijn onder andere bepaalde misdrijven die worden begaan met een terroristisch doel (§ 129a lid 2 StGB). Het begaan van strafbare feiten hoeft niet het hoofddoel of het einddoel van de organisatie te zijn.

Net als in het Nederlandse recht is voor deelneming (mitgliedschaftliche Beteiligung) aan de organisatie zowel lidmaatschap (Mitgliedschaft) als een deelnemingsgedraging (Beteiligungshandlung) vereist. Wat het lidmaatschap betreft, dient de verdachte een positie binnen de organisatie in te nemen die hem identificeert als lid van de organisatie en hem onderscheidt van niet-leden. Daarvoor is het niet voldoende om actief te zijn voor de organisatie, maar is in beginsel ook een acceptatie door de organisatie vereist. Bij de verdachte dient de wil te bestaan om langere tijd mee te werken aan de activiteiten van de organisatie of aan het nastreven van de doelen van de organisatie.

Een deelnemingshandeling kan bestaan uit een rechtstreekse bijdrage aan het realiseren van de doelen van de organisatie, maar kan er ook op zijn gericht de basis voor de activiteiten van de vereniging te scheppen of in stand te houden. Voldoende is het daarom als de verdachte de opbouw, samenhang of activiteiten van de organisatie bevordert. Daarvan kan ook sprake zijn bij “vereinigungstypisches Verhalten von entsprechendem Gewicht”. Van een deelnemingshandeling is geen sprake bij alleen formeel of passief lidmaatschap dat voor de werking van de organisatie betekenisloos is.

Hier valt op dat een deelnemingshandeling onder het Duitse recht dus niet in alle gevallen een band hoeft te hebben met de verwezenlijking van het (criminele) oogmerk van de organisatie, maar dat ook handelingen die enkel de organisatie zelf ondersteunen als deelnemingshandeling kunnen worden aangemerkt. Dit vertoont overeenkomsten met de oorspronkelijk opvatting van de Nederlandse wetgever en met de rechtspraak van de Hoge Raad voorafgaand aan de Mariënburchtzaken (hiervoor beschreven onder 3.7 – 3.9). Ruim is ook de opvatting dat het voldoende is om gedrag te vertonen dat kenmerkend is voor de organisatie. Daarbij geldt wel dat dit gedrag van voldoende gewicht moet zijn en dat de handeling betekenis moet hebben voor de werking van de vereniging.

Hoe dit in de praktijk uitwerkt, kan worden geïllustreerd aan de hand van vier beschikkingen van de Bundesgerichtshof (hierna: BGH) over de voorlopige hechtenis van teruggekeerde uitreizigsters. In twee gevallen werd de voorlopige hechtenis gehandhaafd en in twee andere gevallen opgeheven.

Van lidmaatschap van IS is volgens de BGH sprake als de verdachte uitreisde naar Syrië om zich bij IS te voegen, zij zich identificeerde met de ideologie, handelwijze en doelstellingen van IS en zij de bedoeling had (met haar familie) onderdeel te worden van de religieus-fundamentalistische gemeenschap van IS, gebaseerd op de regels van de sharia. De BGH acht voorts van belang dat een verdachte wil bijdragen aan het bestaan en de uitbreiding van IS en zich ondergeschikt maakt aan die organisatie. De acceptatie van het lidmaatschap van de verdachte door IS kan blijken uit het feit dat IS loon betaalde aan de verdachte en aan haar echtgenoot en dat IS hen verzorgde. Voor het aannemen van lidmaatschap is daarentegen niet voldoende dat de verdachte als islamist een motief had voor de uitreis en dat zij bij aankomst in Syrië geen afstand hield tot IS. Dit zou anders kunnen zijn bij het daarnaast volgen van religieonderwijs, trouwen met een door IS aangedragen echtgenoot, wonen in een door IS bezette woning of het ontvangen van gelden van IS.

In de beide zaken waarin de voorlopige hechtenis werd gehandhaafd, stelde de BGH ook deelnemingsgedragingen vast. In de ene zaak was dit het feit dat verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de toetreding van haar echtgenoot tot IS en op diens verblijf daar. In de andere zaak was dit het overhalen en adviseren van meisjes en vrouwen om naar Syrië te reizen en daar een IS-strijder te trouwen. In beide gevallen zag de BGH echter nog meer:

“Dieses auf die Stärkung der Vereinigung ausgerichtete Verhalten hat Bedeutung auch für die Einordnung der Haushaltführung und Kindererziehung. Der sich in den weiteren Handlungen und Einflussnahmen manifestierende Wille zur Förderung des IS rechtfertigt es, die Betätigungen im Haushalt und beim Aufziehen der Kinder, die für sich gesehen noch keine Beteiligungsakte darstellen müssen (…), als auf Dauer angelegtes vereinigungstypisches Verhalten zu bewerten. Denn sie stellen sich in Anbetracht der Einbindung der Beschuldigten in den IS und ihres Ziels, im Rahmen der ihr zugedachten Rolle die Kampfbereitschaft des Ehemanns zu gewährleisten, nicht lediglich als bloße alltägliche Verrichtungen ohne Organisationsbezug - als Erfüllung "häuslicher Pflichten" - dar (…). Dies gilt umso mehr, als sie ihre beiden Söhne in das IS-Herrschaftsgebiet mitnahm, um sie im Sinne der Ideologie der Vereinigung geistig und charakterlich zu formen. Das Verhalten der Beschuldigten erschöpfte sich somit nicht in einem Leben im "Kalifat".”

In de andere twee beschikkingen is dit nog meer als een norm geformuleerd. Vooropgesteld wordt daarin dat het dagelijkse leven in het gebied van IS en het baren en opvoeden van kinderen op zichzelf geen deelnemingshandelingen zijn:

“wenngleich auch solche an sich neutralen Handlungen, wenn sie bewusst auf die Förderung der Ziele des IS angelegt sind, einen Vereinigungsbezug aufweisen können. Dafür, dass die Beschuldigte ihre alltäglichen Verrichtungen mit der entsprechenden Willensrichtung besorgte, fehlt es vorliegend jedoch gleichermaßen an ausreichenden Anknüpfungstatsachen.”

Kort gezegd komt dit erop neer dat hetzelfde gedrag wel of niet als een deelnemingshandeling wordt aangemerkt, afhankelijk van de bedoeling, de Willensrichtung, van de verdachte. Wanneer dit gedrag door de verdachte bewust gerelateerd wordt aan de criminele organisatie en bij haar de wil bestaat om de organisatie te steunen, kan neutraal gedrag alsnog verworden tot ‘auf Dauer angelegtes vereinigungstypisches Verhalten”.

Op zichzelf zie ik het morele probleem als een vrouw naar Syrië reist om daar lid te worden van IS en zich binnen de gemeenschap van IS met volledig en met kennis van de door IS begane gruwelijkheden, wijdt aan de rol die haar door die organisatie is toebedeeld. Ik sluit ook niet uit dat deze morele verwerpelijkheid in de feitenrechtspraak een rol heeft gespeeld bij de invulling van de strafbaarstelling van art. 140a Sr.

Ik acht het echter weinig aantrekkelijk om dit gedrag enkel op deze grond onder het (Nederlandse) strafrecht te brengen. Deze tournure in Duitse rechtspraak wordt mogelijk gemaakt door de ruime opvatting over wat een deelnemingshandeling is, waaronder niet alleen rechtstreekse steun aan het verwezenlijken van het criminele doel valt, maar ook de steun aan de organisatie zelf. Ik acht het echter problematisch om het subjectieve element doorslaggevend te laten zijn bij de vaststelling van een in beginsel objectief bestanddeel. De wil van de verdachte verandert op zich niets aan de mate waarin het gedrag wel of niet steun geeft aan de verwezenlijking van het doel van de organisatie (of aan de organisatie zelf).

Ook in de Duitse literatuur is er kritiek op de stelling dat normaal gedrag uit het dagelijkse leven een deelnemingshandeling kan opleveren. Men meent dat de grenzen van het daadstrafrecht worden overschreden en men bij “reinem Gesinnungsstrafrecht” uitkomt. Ook wordt gewezen op het ontbreken van een dogmatische onderbouwing voor het verschil in waardering van algemene, dagelijkse verrichtingen en wijst men op de gevaren als de overheid zonder meer dergelijke handelingen zou kunnen criminaliseren.

Deze kritiek kan ik goed volgen en ik kom daarmee terug op hetgeen ik hiervoor al schreef. Om het verrichten van de gewone, noodzakelijke handelingen van het leven, die op zichzelf niet strafwaardig zijn, onder het strafrecht te brengen zal een voldoende zwaarwegende rechtvaardiging moeten bestaan. Deze rechtvaardiging kan naar mijn idee enkel gelegen zijn in een concreet, wezenlijk en (voldoende) rechtstreeks verband met het plegen van de door de organisatie beoogde misdrijven.

Conclusie de rol van de ‘Willensrichtung’

Een gedraging die anderszins niet als deelnemingshandeling kan worden aangemerkt, kan niet alsnog zodanige handeling worden enkel door de wil van de verdachte om bij te dragen aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie.

De bespreking van het middel

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte samen met [betrokkene 1] naar Syrië is afgereisd, aldaar met [betrokkene 1] is gehuwd en zich samen met hem onder het gezag (en de daaraan verbonden regels van de Sharia) van de terroristische organisaties IS en JaN heeft gesteld. [betrokkene 1] heeft actief aan deze organisaties deelgenomen en was daarmee de kostwinner, terwijl de verdachte de gezamenlijke huishouding op zich nam en voor hun aldaar geboren kind zorgde. [betrokkene 1] ontving daarbij extra salaris omdat de verdachte zijn vrouw was (bewijsmiddel 1). Met dit handelen heeft de verdachte naar het oordeel van het hof de invloedssfeer van voornoemde organisaties getalsmatig versterkt. Het daarin besloten liggende oordeel van het hof dat de verdachte tot die organisaties behoorde, acht ik – in het licht van hetgeen onder 3.46 tot en met 3.52 – is vooropgesteld, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat uit de vaststellingen van het hof voorts blijkt dat de verdachte (op 14 januari 2017 in een groepsapp) aan haar familie heeft bericht dat zij en haar man onderdeel zijn van IS (bewijsmiddel 16). Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

Het hof heeft verder vastgesteld:

- dat de verdachte samen met [betrokkene 1] een vuurwapen voorhanden heeft gehad en dat zij,

- terwijl zij de jihadistische ideologie van JaN en IS actief heeft uitgedragen, welke organisaties hun vijanden ‘uitschakelen’ door middel van onder meer het (door, ik begrijp: ‘mannelijke’ strijders) plegen van (zelfmoord)aanslagen, executies, genocide, onthoofdingen, kruisiging en een schot door het hoofd (bewijsmiddel 18 en 21),

- meermalen anderen, waaronder de broer van de verdachte (bewijsmiddel 17), heeft aangespoord “ook naar Syrië te gaan”.

Het hof heeft op basis van onder meer deze vaststellingen geoordeeld dat de verdachte daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, dan wel heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van genoemde organisaties om terroristische misdrijven te plegen. Dat oordeel acht ik, in het licht van hetgeen ik onder 3.53 tot en met 3.68 uiteen heb gezet, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft bewezenverklaard dat JaN en IS tot oogmerk hebben, kort gezegd, het plegen van opzettelijke brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing, doodslag, moord, de samenspanning daartoe en het voorhanden hebben van wapens, alle te begaan met een terroristisch oogmerk (zie randnr. 3.2). Uit de bewijsvoering blijkt mijns inziens genoegzaam dat tussen het onder 3.84 genoemde handelen van de verdachte en de verwezenlijking van dit oogmerk een concreet, wezenlijk en (voldoende) rechtstreeks verband bestaat; dat dit handelen, zeker in onderling verband en in samenhang bezien, van zodanige betekenis is dat het plegen van (een deel van) die specifieke misdrijven daarmee daadwerkelijk realistischer kan worden dan wel dichterbij kan worden gebracht.

Het middel faalt.

4. Het tweede middel

Het tweede middel heeft betrekking op feit 2 en klaagt dat hetgeen het hof heeft vastgesteld “noch afzonderlijk beschouwd, noch in onderling verband en samenhang beschouwd, (…) het oordeel [kunnen] rechtvaardigen dat er sprake is van bewijs van het medeplegen van een feit als bedoeld in art. 96 lid 2 Sr.” Het klaagt daarbij in het bijzonder, althans zo meen ik uit de toelichting op te kunnen maken, dat de bewezenverklaarde gedragingen niet de in art. 96 lid 2 Sr omschreven voorbereidingsvormen opleveren.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat zij:

“in de periode van 1 januari 2013 tot 29 augustus 2017 in Nederland en/of België en/of Syrië, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de te plegen misdrijven:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht)

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en/of

- een voorwerp voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat dit bestemd was tot het plegen van het misdrijf

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (verder JaN) eigen gemaakt en

B. zich laten informeren over het afreizen naar en/of verblijven in het strijdgebied in Syrië en

C. met [betrokkene 1] de reis naar Syrië gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied

D. samen met [betrokkene 1] in het strijdgebied in Syrië verbleven en is zij, verdachte (op Islamitische wijze) een huwelijk aangegaan met [betrokkene 1] en heeft zij een gezamenlijk huishouden gevoerd met [betrokkene 1] die deelnam aan een terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en

F. zich (middels internet/social mediakana(al (en) /mediaplatform(s)) geuit en/of met (een) ander(en) perso(o)n(en) gechat/gecommuniceerd en/of berichten en/of afbeeldingen geplaatst en/of gedeeld/ met betrekking tot en/of inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en/of (pro) IS-gerelateerde content en;

G. in Syrië een vuurwapen gedragen en/of voorhanden gehad

in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;

welke gedragingen en/of voorwerp en/of informatie al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het in vereniging en/of alleen begaan van die misdrijven.”

Deze bewezenverklaring berust, naast de onder 3.3 weergegeven bewijsmiddelen, onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2023 verklaard -zakelijk weergegeven-:

(…)

U vraagt mij hoe wij het voor elkaar hebben gekregen om naar Syrië te gaan. We zijn eerst naar een vakantieplek geweest. Vanuit daar ging [betrokkene 1] uitzoeken hoe wij Syrië konden binnengaan. Vanuit Adana zijn we naar Antakya gegaan en toen heeft de smokkelaar ons daar opgehaald en naar een plek in Aleppo gebracht. Daar zaten ook vriendinnen van mij. Ik wist dat ik ze daar zou treffen.

(…)

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 juli 2021 van de politie Team Generieke Opsporing 11 (LDR) met nr. LERCA15083-107. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 109 e.v.):

als de op 7 juli 2021 afgelegde verklaring van de verdachte:

We zijn naar een vakantieplek in Turkije gegaan, naar Antalya. Van daar zijn we verder gegaan. We zijn een week in Antalya gebleven, mijn man kende mensen en ik kende mensen. Mijn man was bezig hoe je in Syrië komt. Ik wist dat we naar Antakya moesten, mijn man had mij dat verteld. Als we daar waren zou mijn man weer moeten contacteren. In Antakya kreeg mijn man een telefoon, er gaat een smokkelaar komen. Toen moesten we onze spullen pakken en zijn we naar de grens gebracht. (…)

11. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 september 2021 van de politie Team Generieke Opsporing 11 (DLR) met nr. LERCA15083-105. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 617 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

In het kader van onderzoek 260maha werd ik, verbalisant, gevraagd om onderzoek te doen naar de informatie uit de iPhone in gebruik bij [betrokkene 4] , een contact van verdachte [verdachte] .

Resultaten met zoekterm ' [verdachte] '

Wanneer ik, verbalisant, in de telefoon zoek met de zoekterm ' [verdachte] ' wordt een groepsgesprek op WhatsApp gevonden tussen de personen met de namen: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , iemand waarvan alleen het telefoonnummer staat weergegeven [telefoonnummer] . Van dit nummer is eerder vastgesteld dat het in gebruik is bij verdachte [verdachte] .

Ik zag dat ' [naam 5] ' op 28 november 2013 onderstaande tekst deelt, waarin een bericht van [verdachte] staat. Aan het einde van dat bericht staat " [naam zoon] ". [naam zoon] is de naam die de verdachte [verdachte] later aan haar in 2016 geboren zoon zal geven.

(Noot verbalisant: Ambtshalve weet ik dat ' [naam zoon] ' moeder van [naam zoon] betekent)

[verdachte] schrijft in het bericht dat zij inmiddels getrouwd is en dat zij samen met haar man in een eigen appartement woont. Er wordt ook geschreven over het slagveld en "het leger van bashar" dat veel groter en sterker is. Verder schrijft zij onder meer "Er gaat een grote fitna komen die pas net is begonnen hier in syrie" en "We leven onder de sharia”(zie het volledige bericht van [verdachte] hieronder).

Het hof heeft ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

Feit 2

Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat zij, alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als brandstichting, doodslag en/of moord met een terroristisch oogmerk.

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van dit feit. Volgens de raadsvrouw ontbreekt voor het grootste deel van de onder A tot en met H tenlastegelegde gedragingen het bewijs. Voor zover de verdachte deze gedragingen wel heeft verricht, strekten deze volgens de raadsvrouw niet tot het opzettelijk met een (terroristisch) oogmerk voorbereiden of bevorderen van brandstichting, doodslag en moord.

Voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven

De in artikel 96, tweede lid, Sr beschreven voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen.

Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen kunnen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid.

Beoordeling

Met de rechtbank en aansluitend op de overwegingen met betrekking tot feit 1 overweegt het hof als volgt.

Gelet op de hiervoor reeds weergegeven feitelijke vaststellingen in samenhang met de overige door het hof gehanteerde bewijsmiddelen acht het hof de onder A, B, C, D, F en G opgesomde gedragingen wettig en overtuigend bewezen, zoals aangegeven in de bewezenverklaring.

Naar het oordeel van het hof volgt bovendien uit de bewijsmiddelen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [betrokkene 1] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, zodat ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen kan worden.

Door aldus te handelen heeft de verdachte samen met [betrokkene 1] zichzelf of anderen gelegenheid, middelen en inlichten verschaft tot het plegen van de in de tenlastelegging onder 2 genoemde terroristische misdrijven en - door het voorhanden hebben van een vuurwapen - een voorwerp voorhanden gehad waarvan zij wist dat deze bestemd was tof het plegen van een dergelijk misdrijf.

Uit de combinatie van de onder A, B, C, D, F en G bewezenverklaarde gedragingen in onderlinge samenhang beschouwd, kan tenslotte het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van deze misdrijven worden afgeleid.

Het hof komt dan ook tot het oordeel dat de verdachte zich in de periode van 1 januari 2013 tot 29 augustus 2017 tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] schuldig heeft gemaakt aan de bevordering en voorbereiding van terroristische misdrijven. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.”

De volgende strafbepalingen zijn van belang:

- Art. 157 Sr:

“Hij die opzettelijk brand sticht, een ontploffing teweegbrengt of een overstroming veroorzaakt, wordt gestraft:

1°.met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2°.met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

3°.met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.”

- Art. 176b Sr:

“1. De samenspanning tot de in de artikelen 157, 161, onderdelen 2° en 3°, 161bis, onderdelen 3° en 4°, 161quater, 161sexies, onderdelen 2° en 3°, 162, 164, 166, 168, 170, 172, 173a en 174 omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.”

- Art. 288a Sr:

“Doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

- Art. 289 Sr

“Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

- Art. 289a Sr

“1. De samenspanning tot het in artikel 289 omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, alsmede het in artikel 288a omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.”

- Art. 96 Sr:

“1. De samenspanning tot een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, met het oogmerk om een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen:

1°. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

2°. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

3°. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

4°. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

5°. enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.”

Het hof heeft twee aan art. 96 lid 2 Sr ontleende voorbereidingsvormen bewezenverklaard, te weten: i) het zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf verschaffen (art. 96 lid 2 onder 2º Sr) en ii) het voorhanden hebben van een voorwerp waarvan hij weet dat dit bestemd is tot het plegen van het misdrijf (art. 96 lid 2 onder 3º Sr). De onder i) genoemde voorbereidingsvorm bestaat op zichzelf reeds uit een tweeledige opsomming (drie soorten voorbereidingsmiddelen: ‘gelegenheid, middelen of inlichtingen’ en twee verschillende objecten: ‘zich of anderen’). Hoe deze voorbereidingsvormen zich precies verhouden tot de in de bewezenverklaring onder A, B, C, D, F en G genoemde gedragingen maakt het hof niet expliciet.

Dat neemt niet weg dat uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de verdachte:

a) in bewuste en nauwe samenwerking met [betrokkene 1] naar strijdgebied in Syrië is afgereisd “om de jihad bij te staan” en zich daartoe door [betrokkene 1] (bewijsmiddel 1 en 3) heeft laten informeren;

b) onder meer via sociale media, de jihadistische ideologie van JaN en IS actief heeft uitgedragen en (daarbij) anderen – waaronder haar broer, die in de visie van JaN en IS als ‘broeder’ dient te strijden op het slagveld (bewijsmiddel 11, 18 en 21) – heeft aangespoord ook naar Syrië te gaan;

c) in bewuste en nauwe samenwerking met [betrokkene 1] een wapen voorhanden heeft gehad, welk wapen [betrokkene 1] gebruikte voor zijn werkzaamheden voor IS.

Deze vaststellingen kunnen het oordeel dat de verdachte met de onder a) genoemde gedragingen (in ieder geval) zichzelf gelegenheid respectievelijk inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven en dat zij tot het plegen van die misdrijven met de onder b) genoemde gedragingen ook anderen inlichtingen heeft verschaft, mijns inziens dragen. Datzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat de verdachte met de onder c) genoemde gedraging een wapen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat dit bestemd was tot het plegen van de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven. Dat [betrokkene 1] voor de (religieuze) IS-politie werkte, maakt dat niet anders. [betrokkene 1] behoorde daarmee immers – nog los van de vraag in hoeverre het bekleden van een dergelijke functie de inzet als strijder uitsluit – tot de gewapende macht van IS, terwijl het hof heeft vastgesteld dat IS tijdens het uitoefenen van de macht in de door haar veroverde gebieden in Syrië aanslagen, executies en genocide pleegt en dat zij haar tegenstanders doodt door middel van onthoofding, kruisiging en een schot door het hoofd (bewijsmiddel 18).

Ten slotte berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest voor zover het ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat de door de verdachte en haar echtgenoot voorbereide misdrijven ook in alle gevallen (afzonderlijk of gezamenlijk) door hen zelf zouden worden begaan.

Het middel faalt.

5. Het derde middel

Het middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

Het is cassatieberoep is ingesteld op 2 januari 2024. De stukken van het geding zijn op 25 februari 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening. Aldus komt deze zaak in aanmerking voor strafvermindering.

6. Afronding

Het eerste en het tweede middel falen. Het derde middel slaagt.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 2 januari 2024. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden, hetgeen eveneens tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?