ECLI:NL:PHR:2026:290

ECLI:NL:PHR:2026:290

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 22-03-2026
Zaaknummer 24/04604
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. OM-cassatie. Deelneming terroristische organisatie (art. 140a Sr). M1: AG gaat in op zaaksoverstijgende vraag hoe het (in lidmaatschaps- en gedragsvereiste uiteenvallende) criterium voor deelneming aan een terroristische organisatie dient te worden toegepast in zaken waarin ‘IS-vrouwen’ naar het strijdgebied in Syrië zijn uitgereisd om daar te leven zonder zelf rechtstreeks deel te nemen aan de strijd. Daadstrafrechtsbeginsel vereist dat aan gedragsvereiste slechts is voldaan als tussen verweten handelen en verwezenlijking criminele oogmerk een niet te ver verwijderd verband bestaat. Oordeel hof dat louter voeren van gezamenlijke huishouding met IS-strijder niet aan dat criterium voldoet, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat IS die ‘bijdrage’ als wezenlijk waardeert, maakt dat niet anders. M2: falende uos-klacht over rol van de vrouw bij IS en getalsmatige versterking invloedssfeer IS. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 23/04981 en 25/00879.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04604

Zitting 24 maart 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 5 december 2024 (parketnummer 22-003211-23) integraal vrijgesproken van – kort gezegd – 1. (het medeplegen van) deelname aan een terroristische organisatie en 2. (het medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van een terroristisch misdrijf.

Er bestaat samenhang met de zaken 23/04981 en 25/00879. In beide zaken zal ik vandaag ook concluderen.

Namens het openbaar ministerie heeft [naam 1], advocaat-generaal bij het ressortsparket, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. De zaak in het kort

Naar de vaststellingen van het hof heeft zich in de onderhavige zaak het volgende voorgedaan. Op 14 april 2014 is de verdachte via Skype naar Islamitisch recht getrouwd met [betrokkene 1] , die begin 2014 reeds naar Syrië was afgereisd. Vier dagen later, op 18 april 2014, is de verdachte eveneens naar Syrië gereisd. Tot [betrokkene 1] eind februari 2017 overleed, voerden de verdachte en [betrokkene 1] aldaar een gezamenlijk huishouden en hebben zij gewoond in verschillende onder heerschappij van Islamitische Staat (hierna: IS) staande steden in Syrië en later Irak. Uit het huwelijk van de verdachte en [betrokkene 1] zijn twee zoons voortgekomen, die in oktober 2015 respectievelijk oktober 2017 zijn geboren. Vanaf maart/april 2019 heeft de verdachte met haar kinderen verbleven in detentiekamp [...] in Syrië.

[betrokkene 1] was strijder bij IS. De verdachte heeft verklaard dat zij dat op enig moment tijdens haar verblijf in Syrië ook wist. Zij is naar eigen zeggen (echter) naar Syrië afgereisd omdat zij graag mensen wilde helpen. Zij wist op dat moment dat er oorlog gaande was in het gebied waar zij heen ging.

Uit de inleiding van de schriftuur volgt dat het openbaar ministerie met de voorgestelde middelen in de kern beoogt de volgende zaaksoverstijgende vraag aan de orde te stellen: in hoeverre levert het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met een IS-strijder ‘deelneming’ aan een terroristische organisatie als bedoeld in art. 140a Sr op? Het voor de beantwoording van die vraag relevante juridische kader heb ik uiteengezet in mijn conclusie in de samenhangende zaak met kenmerk 23/04981, waarnaar ik hieronder zal verwijzen.

3. De tenlastelegging en de tot vrijspraak strekkende motivering van het hof

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

“1.

zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 april 2014 tot en met 2 november 2022 in één of meer plaats(en) in Nederland en/of Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en/of heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)

2.

zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 2 november 2022 in één of meer plaats(en) in Nederland en/of Syrië en/of Irak,

meermalen, althans eenmaal, (telkens)

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

met het oogmerk om (een) misdrij(f) (ven) omschreven in artikel 83 en/of 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

1. een ander heeft getracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

2. gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich en/of anderen heeft getracht te verschaffen, en/of

3. een of meer voorwerpen, voorhanden heeft gehad waarvan zij, verdachte, wist dat deze bestemd waren tot het plegen van het misdrijf,

door,

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische organisaties zoals Islamitische Staat (IS), dan

B. wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) eigen te maken en/of

B. zich te laten informeren over het afreizen naar en/of verblijven in het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

C. de reis naar Syrië en/of Irak te maken teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een, door een terroristische organisatie zoals IS(IS/IL) gecontroleerd gebied en/of gedurende enige tijd te verblijven in het (strijd)gebied in Syrië en/of Irak en/of

D. zich te voegen bij een of meer mededader(s) en/of IS(IS/IL) strijder(s) althans (een) perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan en/of (op Islamitische wijze) een huwelijk aan te gaan met deze IS(IS/IL) strijder(s) en/of een gezamenlijk huishouding te voeren met een of meer person(en) die (eveneens) deelnam(en) aan IS(IS/IL), althans (telkens) (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en/of

E. met één of meer mededader(s) in Syrië en/of Irak deel te nemen en/of bij te dragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie IS(IS/IL), althans (een) organisatie (s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan en/of

F. in Syrië en/of Irak (een of meer) (automatisch(e)) vuurwapen(s) te gebruiken en/of te dragen en/of voorhanden te hebben,

in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk.”

Het hof heeft de verdachte integraal vrijgesproken en daartoe het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

“Vrijspraak feiten 1 en 2

1. Relevante feiten

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte is omstreeks 18 april 2014, via Turkije, afgereisd naar Syrië samen met een toenmalige vriendin van de verdachte [betrokkene 2] . Enkele dagen daarvoor, op 14 april 2014, is de verdachte via Skype naar Islamitisch recht getrouwd met de broer van [betrokkene 2] : [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] of verdachtes echtgenoot).

[betrokkene 1] was begin 2014 reeds afgereisd naar Syrië. Eind februari 2017 is [betrokkene 1] overleden. Tot die tijd woonde de verdachte in Syrië samen met [betrokkene 1] . De verdachte heeft in de periode april 2014 tot maart 2019 hoofdzakelijk in Syrië en ook in Irak verbleven. Na in april 2014 de Turkse grens te zijn overgestoken heeft de verdachte enkele weken verbleven in de stad Atme (Syrië). Nadien heeft de verdachte (onder meer) verbleven in de steden Jarablus (Syrië), Tel Abyad (Syrië), Al-Shaafah (Syrië), Deir ez-Zor (Syrië) en in Mosul (Irak). Ten tijde van haar verblijf in Atme was ISIS daar ook aanwezig. Ten tijde van haar verblijf in Jarablus, Tel Abyad en Mosul stonden deze steden onder heerschappij van ISIS/IS.

Uit het huwelijk van de verdachte met [betrokkene 1] , zijn twee zoons voortgekomen, geboren in oktober 2015 en in oktober 2017.

Vanaf maart/april 2019 heeft de verdachte met haar kinderen verbleven in detentiekamp [...] in Syrië.

Op grond van onder meer de hierna te noemen dossierstukken, stelt het hof vast dat de echtgenoot van de verdachte, [betrokkene 1] , strijder was bij IS. Blijkens politiemutaties had de vader van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , regelmatig contact met hem. In juli 2014 heeft [betrokkene 3] aan de politie laten weten dat [betrokkene 1] zich bij ISIS had aangesloten. In augustus 2016 heeft [betrokkene 3] aan de politie gemeld dat hij heeft geweigerd om [betrokkene 1] financieel te ondersteunen omdat [betrokkene 1] aan zijn vader had verteld dat hij daar, in Syrië, vecht. De vader wilde zich niet schuldig maken aan het financieren van IS. Uit documenten afkomstig van IS(IS), volgt voorts dat [betrokkene 1] geregistreerd stond onder nummer [...] met als ‘kunya‘ (bijnaam) een variatie op ‘ [betrokkene 1] ’. Bij zijn naam is op documenten afkomstig van IS(IS) administraties onder meer vermeld "Suïcide Fighters’ Battalion” en “Explosieven klaarmaken". De verdachte heeft verklaard dat zij op enig moment in Syrië wist dat [betrokkene 1] lid was van IS (IS) en dat zij wist dat hij werkzaam was voor IS (IS).

De verdachte heeft verder verklaard dat zij wist dat er oorlog gaande was in het gebied waarheen zij ging en dat zij is afgereisd naar Syrië omdat zij graag mensen wilde helpen.

2. Feit 1: deelname terroristische organisatie

Juridisch kader artikel 140a Wetboek van Strafrecht

Deelneming aan - kort gezegd - een terroristische organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Alvorens te beoordelen of daarvan in dit geval sprake is, zal hierna kort worden ingegaan op enkele relevante juridische kaders.

Terroristische organisatie

Volgens artikel 140a, eerste lid, Sr moet het gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie - een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling - moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk. Onder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking - zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie - en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Het gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr dus niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.

Deelneming

Van deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. De deelnemingsgedraging behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te worden. Wel zal feitelijk moeten worden vastgesteld waaruit de deelneming precies heeft bestaan. Een aandeel als hiervoor bedoeld kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.

Overwegingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat zij - kort gezegd - in de periode van 1 april 2014 tot en met 2 november 2022, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten IS/ISIS/ISIL.

Het gerechtshof Den Haag heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat IS/ISIS/ISIL (hierna ook aangeduid als IS) het oogmerk had om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van IS met zich meebrengt het plegen van terroristische misdrijven. Strijdgroepen als IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door angst, dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.

Standpunt Openbaar Ministerie

In zijn requisitoir heeft de advocaat-generaal uiteengezet dat de verdachte in april 2014 naar Syrië is uitgereisd om zich te voegen bij haar echtgenoot, die zich in ISIS-gebied bevond. Hij was toen aangesloten bij ISIS en later - na oprichting per 29 juni 2014 - bij IS. De verdachte voerde met haar echtgenoot een gemeenschappelijke huishouding. Zij verzorgde hun kind, kookte en maakte schoon. IS beschouwde de werkzaamheden van de vrouw in het huishouden als een wezenlijke bijdrage aan de doeleinden van deze organisatie. Deze ondersteuning geldt dan ook als deelnemingshandeling en de verdachte is daarmee aan te merken als lid van IS.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte is afgereisd naar Syrië om hulp te verlenen. Dit tegen de achtergrond dat haar ouders - met de verdachte als baby - Afghanistan voor de oorlog waren ontvlucht. Pas enige tijd na haar aankomst in Syrië ontdekte de verdachte dat haar echtgenoot lid was van IS. De verdachte heeft toen weliswaar een gemeenschappelijke huishouding met haar echtgenoot gevoerd, maar zij heeft geen activiteiten verricht die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de terroristische organisatie. Na het overlijden van haar echtgenoot in maart 2017 eindigde de gemeenschappelijke huishouding. Zij is nadien in IS-gebied verbleven, maar heeft geen geld of goederen van IS ontvangen en als dit laatste anders zou zijn dan levert dit geen deelname op aan IS.

Oordeel hof

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte:

i) naar Syrië is afgereisd in de wetenschap dat daar een burgeroorlog gaande was en zich bij haar echtgenoot heeft gevoegd;

ii) met haar echtgenoot in Syrië en in Irak in IS-gebied heeft gewoond en met hem een gemeenschappelijke huishouding voerde terwijl zij op enig moment wist dat hij zich bij IS had aangesloten en dat hij daadwerkelijk voor deze terroristische organisatie werkte;

iii) in door IS bezet gebied heeft verbleven nadat haar echtgenoot was overleden.

Verder gaat het hof er veronderstellenderwijs van uit dat de verdachte na het overlijden van haar echtgenoot in IS-gebied betalingen en goederen (meel en melk) van IS heeft ontvangen.

Naar het oordeel van het hof wist de verdachte dat er in Syrië een burgeroorlog gaande was, maar er is geen bewijs voorhanden dat de verdachte vanuit een jihadistische ideologie of na extremistisch gedachtengoed omarmd te hebben is afgereisd naar Syrië. De verdieping die de verdachte in aanloop naar haar uitreis in haar geloof heeft gevonden ondersteunt die veronderstelling onvoldoende. Deze vaststelling laat ook voldoende ruimte voor de mogelijkheid dat de verdachte is vertrokken naar Syrië om hulp aan burgers te verlenen en om bij haar echtgenoot te zijn van wie zij toen nog niet wist dat hij zich bij (destijds) ISIS had aangesloten. Niet is gebleken dat de verdachte wervende jihadistische uitingen heeft verspreid.

De verdachte heeft met haar verblijf in IS-gebied geen directe bijdrage aan de verwezenlijking van het oogmerk van IS geleverd. Met alleen haar aanwezigheid werd IS niet gesteund. Het hof kan dan ook niet vaststellen dat de verdachte gedurende haar verblijf in Syrië en Irak de invloedssfeer van IS getalsmatig heeft versterkt.

De vraag is vervolgens of de verdachte heeft ‘deelgenomen’ aan IS door in IS-gebied een gemeenschappelijke huishouding te voeren met haar echtgenoot die lid was van IS. De verdachte heeft thuis schoon gemaakt, gekookt en voor hun kind gezorgd. Haar echtgenoot heeft inkopen gedaan toen de verdachte ziek was, maar het hof gaat er met de advocaat-generaal en de raadsman vanuit dat de huishouding in overwegende mate door de verdachte werd gedaan.

Van de bijdrage van de verdachte aan de gemeenschappelijke huishouding zal haar echtgenoot in de eerste plaats als haar huisgenoot hebben geprofiteerd. Indirect kan haar bijdrage ook dienstig zijn geweest aan zijn inzet voor IS. De uitgespaarde tijd kon hij immers elders inzetten. De vraag is of tussen de door de verdachte gegenereerde extra tijd en de werkzaamheden van de echtgenoot van de verdachte voor IS voldoende direct verband kan worden vastgesteld.

Voor een bewezenverklaring dat de verdachte - kort gezegd - een aandeel heeft gehad in gedragingen dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van IS volstaat deze bijdrage van de verdachte aan de gemeenschappelijke huishouding niet. Het verband tussen (de bijdrage van de verdachte in) de gemeenschappelijke huishouding en verwezenlijking van het oogmerk van IS acht het hof in de onderhavige zaak te ver verwijderd. Het dossier biedt geen steun voor het vaststellen van dit verband en evenmin kan daaruit worden afgeleid dat voor de verdachte voorzienbaar was dat haar dagelijkse bezigheden in huis zouden kunnen leiden tot extra inzet van haar echtgenoot voor IS. Dat de verdachte betalingen en goederen van IS heeft ontvangen na het overlijden van haar echtgenoot maakt dit niet anders.

Uit de daarop betrekking hebbende documenten volgt dat deze giften en betalingen verband hielden met zijn overlijden, en (dus) geen betrekking hadden op enige handeling van de verdachte in de periode dat er nog sprake was van een gezamenlijke huishouding. Anders dan de advocaat-generaal heeft aangevoerd, kan uit dergelijke verstrekkingen onder deze omstandigheden dan ook niet worden afgeleid dat de verdachte door IS werd beschouwd als lid van de organisatie.

Ook de hiervoor besproken feiten en omstandigheden tezamen, in onderlinge samenhang bezien, kunnen niet opleveren het vereiste aandeel van de verdachte in gedragingen dan wel het ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van IS. Het voorgaande betekent dat niet is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr en dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.”

4. Het eerste middel

Het middel komt er in de kern op neer dat het hof met zijn overweging dat hij “het verband tussen (de bijdrage van de verdachte in) de gemeenschappelijke huishouding en verwezenlijking van het oogmerk van IS (…) in de onderhavige zaak te ver verwijderd [acht]” een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het voor ‘deelneming’ in de zin van art. 140a Sr geldende vereiste dat de betrokkene ‘een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in evenvermeld artikel bedoelde oogmerk’ (hierna ook wel: het gedragsvereiste). Daartoe wordt verwezen naar passages uit de wetsgeschiedenis, onder meer inhoudende dat “de facto elke bijdrage aan een organisatie met een terroristisch oogmerk strafbaar [zal] zijn”, waaruit volgens de steller van het middel “in elk geval niet [blijkt] dat het verband, zoals het hof dat vereist, dient te worden vastgesteld”. Volgens hem moet het gedragsvereiste zo worden uitgelegd dat uitsluitend een rechtstreeks verband is vereist tussen de gedraging die ondersteund wordt en de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie; voor de ondersteuningsgedraging zelf behoeft niet te worden vastgesteld dat dit strekt tot of rechtstreeks verband houdt met de verwezenlijking van het bedoelde oogmerk.

Het middel stelt de vraag aan de orde a) in hoeverre een relatie is vereist tussen de deelnemingshandeling en de verwezenlijking van het in art. 140a Sr genoemde oogmerk en, meer specifiek, b) of met het voeren van een gezamenlijke huishouding met een IS-strijder aan die mogelijk vereiste relatie wordt voldaan.

Het juridisch kader

In de samenhangende zaak met kenmerk 23/04981 ben ik uitgebreid ingegaan op de onder a) vermelde vraag. In het juridisch kader dat ik daartoe uiteen heb gezet wordt eveneens de onder b) vermelde vraag beantwoord. Voor het juridisch kader in de onderhavige zaak verwijs ik dan ook naar de randnummers 3.6 – 3.17 en 3.22 – 3.82 van mijn conclusie in voornoemde zaak (23/04981). Deze overwegingen komen, (zeer) kort samengevat en voor zover hier met name relevant, op het volgende neer (met verwijzing naar de relevante randnummers in die conclusie).

Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140a Sr is slechts dan sprake, indien de betrokkene tot die organisatie behoort (het lidmaatschapsvereiste) en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in voornoemd artikel bedoelde oogmerk (het gedragsvereiste) (randnr. 3.11). Het daadstrafrechtbeginsel dat in het Nederlandse wettelijke stelsel als uitgangspunt geldt, vereist dat het gedragsvereiste zo moet worden geïnterpreteerd dat tussen de verweten gedragingen en de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie om terroristische misdrijven te plegen een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Die opvatting vindt bevestiging in de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de zogeheten Hofstadgroep (randnrs. 3.62 – 3.64) en in de wetsgeschiedenis (randnrs. 3.60 en 3.61). Dat in die wetsgeschiedenis een passage voorkomt die inhoudt dat “de facto elke bijdrage aan een terroristische organisatie strafbaar [zal] zijn gesteld” staat daar niet aan in de weg. De aanleiding voor die opmerking van de minister was immers dat “reeds” het plannen, het verzamelen van informatie of het voeren van overleg ten behoeve van de organisatie als deelnemingsgedragingen kunnen worden aangemerkt. Dat ook dergelijke gedragingen onder het bereik van art. 140(a) Sr vallen zou volgens de minister maken dat ten aanzien van die bepaling “geen hoge eisen” gelden, terwijl dit nu juist gedragingen betreffen waarvan naar ik meen gezegd kan worden dat het verband met de oogmerkverwezenlijking nog goed te herkennen (en dus niet te ver verwijderd) is (randnrs. 3.12, 3.13 en 3.60).

Van een ‘niet te ver verwijderd’ verband is sprake als dit een concreet, wezenlijk en (voldoende) rechtstreeks verband betreft; als door het handelen van de verdachte – op zichzelf of in onderling verband en in samenhang bezien – het plegen van de door de organisatie beoogde terroristische misdrijven daadwerkelijk realistischer kan worden dan wel dichterbij kan worden gebracht (randnrs. 3.57, 3.58, 3.64 en 3.65). De intentie waarmee de verdachte de handelingen verricht kan dit vereiste niet vervangen (randnrs. 3.69 – 3.82).

Dat IS het voor de organisatie van groot belang acht dat de vrouw van een (IS-)strijder de gemeenschappelijke huishouding op zich neemt, is niet zonder meer doorslaggevend voor de vraag of met het vervullen van die rol aan het gedragsvereiste wordt voldaan (randnrs. 3.37 – 3.39). Het gedragsvereiste vereist als gezegd immers een bepaald verband met het plegen van terroristische misdrijven, terwijl het door vrouwen vervullen van een dergelijke meer traditionele rol binnen de samenleving met name in verband kan worden gebracht met het doel van IS om een eigen staat te creëren waarin geleefd wordt naar de regels van de sharia. Het op zich nemen van de gemeenschappelijke huishouding kan (op zichzelf) (wel) relevant zijn voor de vraag of is voldaan aan het lidmaatschapsvereiste, waarvoor geen sprake hoeft te zijn van het hiervoor bedoelde verband (randnrs. 3.49 en 3.50).

De bespreking van het middel

Het hof heeft overwogen dat het de vraag is of tussen enerzijds de door de verdachte met haar bijdrage aan de gemeenschappelijke huishouding gegenereerde extra tijd voor haar echtgenoot en anderzijds de werkzaamheden van haar echtgenoot voor IS voldoende direct verband kan worden vastgesteld. Het hof heeft die vraag vervolgens ontkennend beantwoord door te oordelen dat het verband tussen (de bijdrage van de verdachte in) de gemeenschappelijke huishouding en de verwezenlijking van het oogmerk van IS te ver verwijderd acht. In het licht van het hetgeen ik hierboven onder 4.4 en 4.5 uiteen heb gezet, getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel acht ik, mede gelet op het onder 4.6 overwogene, evenmin onbegrijpelijk.

Over het eveneens door de steller van het middel bestreden oordeel van hof dat uit het dossier “evenmin kan (…) worden afgeleid dat het voor de verdachte voorzienbaar was dat haar dagelijkse bezigheden in huis zouden kunnen leiden tot extra inzet van haar echtgenoot voor IS” merk ik nog het volgende op. Voor zover het hof daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat niet alleen sprake moet zijn van het onder 4.5 genoemde verband tussen het verweten handelen en de verwezenlijking van het oogmerk om terroristische misdrijven te plegen, maar dat daarnaast nog vast moet komen te staan dat dit voor de verdachte ook voorzienbaar was, stelt het een eis die het recht niet kent. Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden, omdat het hiervoor weergegeven oordeel van het hof de door hem uitgesproken vrijspraak zelfstandig kan dragen.

Het middel faalt.

Terzijde merk ik op dat ik uit de overwegingen van het hof niet kan opmaken of het ook een oordeel heeft geveld over het lidmaatschapsvereiste en dus of het hof heeft geoordeeld over de vraag of de verdachte behoorde tot de terroristische organisatie. Het hof lijkt het lidmaatschap van de verdachte in het midden te laten en de vrijspraak geheel te baseren op het ontbreken van een deelnemingshandeling. Aan de andere kant doet het hof een beroep op feitelijke omstandigheden die ook kunnen worden gerelateerd aan lidmaatschap, terwijl het ook overweegt dat “niet [kan] worden afgeleid dat de verdachte door IS werd beschouwd als lid van de organisatie”. Over het algemeen komt het de inzichtelijkheid van de motivering ten goede als daarin wel een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen het lidmaatschaps- en het gedragsvereiste.

5. Het tweede middel

Het middel klaagt dat het hof art. 359 lid 2 Sv heeft geschonden doordat het ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van een door de advocaat-generaal ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de rol van de vrouw bij IS en de getalsmatige versterking van (de invloedsfeer van) IS.

Blijkens het zich bij de stukken bevindende requisitoir is tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 21 november 2024 namens het openbaar ministerie onder meer het volgende naar voren gebracht:

“2.4 De rol van de vrouw bij Islamitische Staat

Uit onderzoek van verschillende deskundigen en internationale organisaties volgt evident dat de vrouw in het strijdgebied een belangrijke positie innam voor IS, en noodzakelijk was voor het (voort-)bestaan van IS, ook al is het de man die in beginsel strijder was of een andere (maatschappelijke) functie binnen IS had.

Primair bestond haar bijdrage in de zorg voor haar man, het kind en het huishouden. Het idee daarachter is dat zij haar man die streed moest ondersteunen, zodat hij zich volledig kon geven in de strijd. Ook is het idee daarachter de terroristische organisatie IS te versterken en het voortbestaan ervan te verzekeren: zij voedde haar kind op in de geest van de jihad en het voortbrengen van nageslacht was ten behoeve van de opbouw en strijd van IS. Verschillende deskundigen en rapportages van bijvoorbeeld Europol tonen hoezeer IS deze rol van de vrouw benadrukte en propageerde in de officiële IS-publicaties. Van deze publicaties mogen we uitgaan om vast te stellen welke rol IS zelf toeschrijft aan de vrouwen in zijn kalifaat.

Vrouwen maakten ook propaganda op social media voor IS door het leven in het strijdgebied te verheerlijken en de "hijra" van "zusters" aan te moedigen. Ook officiële IS-publicaties moedigden de hijra van vrouwen en gezinnen aan. Het idee daarachter is meer zielen te winnen voor IS. Dat is dus niets anders dan het werven van nieuwe leden en daarmee IS getalsmatig trachten te versterken.

Zoals gezegd waren in beginsel de mannen de strijders. Maar er waren zeker ook vrouwelijke strijders, bij verschillende bataljons zoals de Al Khansaa-brigade en de Khatiba Nusaybah. Vrouwen konden ook functies vervullen bij de hisbah, de politie van IS. Vanaf 2018, toen IS significante verliezen leed in de strijd, begon de organisatie ook vrouwen op te roepen om zich militair te mobiliseren.

Kortom: IS ziet zelf elk van die door de vrouwen geleverde bijdrage in/buiten het strijdgebied als wezenlijk. Het OM stelt daarom uitdrukkelijk dat elke bijdrage ter verwezenlijking van het oogmerk van IS - waaronder het zorgen voor haar man, het kind en huishouden - gelet op de context die daaraan moet worden gegeven, een deelnemingshandeling is ten behoeve van de terroristische organisatie IS. En dat elke dergelijke bijdrage dienstig was aan het vormgeven en het in stand houden van een (door terroristisch geweld gevormd en met dat oogmerk bestaand) kalifaat.

De rechtbank Rotterdam, die alle zaken behandelt betreffende terugkerende personen uit Syrië/Irak, heeft dit uitdrukkelijk onderbouwd standpunt structureel gevolgd. Uw Hof heeft in een uitspraak van december 2023 overwogen dat "de verdachte [...] is afgereisd naar Syrië en zich aldaar samen met hem onder het gezag - en de daaraan verbonden regels van de sharia - heeft gesteld van de terroristische organisaties Jabhat al-Nusra en (vervolgens) IS. De verdachte en [medeverdachte] zijn daar gehuwd en hebben daar een gezamenlijk huishouden gevoerd, terwijl [medeverdachte] actief heeft deelgenomen aan beide organisaties en met zijn verdiensten daaruit de kostwinner was. De verdachte heeft door haar handelen, ingegeven door haar bewuste keuze om - in haar eigen woorden - 'de jihad bij te staan', de invloedssfeer van deze organisaties telkens getalsmatig versterkt [onderstreping AG (bij het hof, MvW)]."

IS heeft over diverse landsgrenzen heen een eigen gebied gevestigd door dood en verderf te zaaien, door bomaanslagen te plegen, mensen op straat te executeren, mensen tot slaaf te maken, en mensen uit hun huizen te verdrijven. Daarmee pleegde IS niet alleen misdrijven waardoor vrees werd aangejaagd, IS heeft daarmee ook de fundamentele structuren van zowel Irak als Syrië ernstig ontwricht en vernietigd. Zo oordeelde ook de rechtbank Rotterdam: "De oprichting van het kalifaat op 29 juni 2014, waarbij IS claimt een Islamitische Staat te zijn in de door haar bezette gebieden in Syrië en Irak, en de oproep aan Islamieten over de hele wereld om naar het kalifaat te komen, is derhalve gericht op verwezenlijking van dat terroristische oogmerk. Dat betekent dat iedereen die naar het kalifaat trekt, dat wil zeggen: naar het strijdgebied in Syrië en Irak, en zich bij IS voegt, een bijdrage levert aan de vervulling van het terroristische oogmerk de gevestigde politieke orde omver te werpen en te vervangen door een eigen staat. En een staat heeft nu eenmaal onderdanen nodig."

Het OM stelt uitdrukkelijk dat de Nederlandse deelnemer die zich aansloot bij IS enkel en alleen al door deze getalsmatige versterking bijdroeg aan de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van IS en dus deelnam aan IS. De getalsmatige groei van IS was immers meteen zichtbaar naar de onderdrukte bevolking toe. Het OM zal deze kaders nu toepassen op deze zaak.

(…)

Conclusie deelneming

Het OM komt op basis van het voorgaande tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde deelname aan een terroristische organisatie. Vanaf het moment dat verdachte bij [betrokkene 1] in IS gebied aankomt, tot de val van Baghuz in maart 2019, heeft verdachte deelgenomen aan de terroristische organisatie IS. Het OM acht deelname in de periode van april 2014 tot maart 2019 bewezen.

Verdachte heeft zich gevoegd bij haar echtgenoot die strijder was voor IS. Zij voerde een gezamenlijke huishouding met hem, waaronder het koken en zorgen voor de kinderen, waarvoor hij loon ontving van IS. Ze is daarmee aan te merken als lid van de organisatie van IS en die ondersteuning is aan te merken als een deelnemingshandeling. Zoals hierboven beschreven, beschouwde ook IS zelf de rol van de vrouw in het huishouden immers als een wezenlijke bijdrage aan de doeleinden van de organisatie. Door haar handelen heeft de verdachte bovendien de invloedssfeer van IS getalsmatig versterkt.”

Het hierboven weergegeven standpunt van de advocaat-generaal komt erop neer dat het voeren van een gezamenlijke huishouding met een IS-strijder als deelnemingshandeling moet worden aangemerkt, met name omdat deze vorm van ondersteuning door IS zelf als wezenlijk wordt beschouwd. Het idee daarachter zou immers zijn dat de voor IS strijdende echtgenoot zich daarmee volledig kon geven in de strijd. Het hof heeft op dit standpunt gereageerd door te overwegen dat IS alleen met de aanwezigheid van de verdachte niet werd gesteund en dat de bijdrage van de verdachte aan de gemeenschappelijke huishouding (weliswaar) dienstig kan zijn geweest aan de inzet van haar echtgenoot voor IS, maar dat het “de vraag is of tussen de door de verdachte gegenereerde extra tijd en de werkzaamheden van de echtgenoot van de verdachte voor IS voldoende direct verband kan worden vastgesteld”. Het hof heeft daarmee tot uitdrukking gebracht dat de vraag of een bepaalde gedraging als een deelnemingshandeling als bedoeld in art. 140a Sr kan worden aangemerkt niet (zonder meer) afhangt van de wijze waarop die gedraging door de organisatie zelf wordt gewaardeerd, maar dat hiervoor een ander criterium geldt. Gelet hierop is van een schending van art. 359 lid 2 Sv geen sprake. Daarbij merk ik op dat het hof niet gehouden was om op ieder detail van de argumentatie in te gaan.

Het middel faalt.

6. Afronding

Beide middelen falen.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?