ECLI:NL:PHR:2026:291

ECLI:NL:PHR:2026:291

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 22-03-2026
Zaaknummer 25/00879
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. OM-cassatie. Medeplegen deelneming terroristische organisatie (art. 140a Sr). M1: klacht dat hof niet heeft beoordeeld of sprake is van medeplegen, faalt. M2: AG gaat in op zaaksoverstijgende vraag hoe het (in lidmaatschaps- en gedragsvereiste uiteenvallende) criterium voor deelneming aan een terroristische organisatie dient te worden toegepast in zaken waarin ‘IS-vrouwen’ naar het strijdgebied in Syrië zijn uitgereisd om daar te leven zonder zelf rechtstreeks deel te nemen aan de strijd. Daadstrafrechtsbeginsel vereist dat aan gedragsvereiste slechts is voldaan als tussen verweten handelen en verwezenlijking criminele oogmerk een niet te ver verwijderd verband bestaat. Oordeel hof dat louter voeren van gezamenlijke huishouding met IS-strijder niet aan dat criterium voldoet, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat IS die ‘bijdrage’ als wezenlijk waardeert, maakt dat niet anders. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 23/04981 en 24/04604.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/00879

Zitting 24 maart 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

Het gerechtshof Den Haag, heeft de verdachte bij arrest van 5 maart 2025 (parketnummer 22-002424-23) integraal vrijgesproken van – kort gezegd – 1. het medeplegen van deelname aan een terroristische organisatie en 2. het medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van een terroristisch misdrijf.

Er bestaat samenhang met de zaken 23/04981 en 24/04604. In beide zaken zal ik vandaag ook concluderen.

Namens het openbaar ministerie heeft [naam 1], advocaat-generaal bij het ressortsparket, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. De zaak in het kort

Naar de vaststellingen van het hof heeft zich in de onderhavige zaak het volgende voorgedaan. In september 2014 is de verdachte samen met haar echtgenoot via Turkije naar Syrië afgereisd. Haar echtgenoot wilde naar de Islamitische Staat aldaar verhuizen om zijn geloof te praktiseren en de verdachte is hem in dat voornemen gevolgd.

De verdachte en haar echtgenoot hebben in Syrië gewoond in de provincie Deir Es-zor, welk gebied destijds in handen was van de terroristische organisatie Islamitische Staat (hierna: IS). Zij hebben daar tot 1 december 2017 gewoond, twee kinderen gekregen en geleefd van het geld dat zij uit Turkije hadden meegenomen. De verdachte verrichtte hoofdzakelijk huishoudelijke taken. Haar echtgenoot hielp in het huishouden en was daarnaast werkzaam als verkeerscontroleur op straat. Over die functie heeft de verdachte verklaard dat dit voor IS kan zijn geweest.

Op enig moment zijn de verdachte en haar echtgenoot gevlucht en onderweg naar Turkije opgepakt en vervolgens gedetineerd. De verdachte heeft daarna met haar kinderen vastgezeten in detentiekamp [...] en is op 2 november 2022 aangehouden door de Nederlandse autoriteiten. Van haar echtgenoot is niets meer vernomen.

Uit de inleiding van de schriftuur volgt dat het openbaar ministerie met de voorgestelde middelen in de kern beoogt de volgende zaaksoverstijgende vraag aan de orde te stellen: in hoeverre levert het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met een IS-strijder ‘deelneming’ aan een terroristische organisatie als bedoeld in art. 140a Sr op? Het voor de beantwoording van die vraag relevante juridische kader heb ik uiteengezet in mijn conclusie in de samenhangende zaak met kenmerk 23/04981, waarnaar ik hieronder zal verwijzen.

3. De tenlastelegging en de tot vrijspraak strekkende motivering van het hof

Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat:

“zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 juni 2014 tot en met 2 november 2022 in één of meer plaats(en) in Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en/of heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)”

Het hof heeft de verdachte van dit feit vrijgesproken en daartoe het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

“Feit 1: deelname terroristische organisatie

(…)

Deelneming

Van deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.

De deelnemingsgedraging behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te worden. Wel zal feitelijk moeten worden vastgesteld waaruit de deelneming precies heeft bestaan. De deelneming moet voor de betrokkene steeds op zichzelf worden beoordeeld.

Een aandeel als hiervoor bedoeld kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand-en-spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Of daarvan in een concreet geval sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van dat geval.

Ten aanzien van het voor de bewezenverklaring vereiste opzet op het terroristische oogmerk van de organisatie geldt dat voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.

IS/ISIS/ISIL

Het gerechtshof Den Haag heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat IS/ISIS/ISIL (hierna in zijn algemeenheid ook wel aangeduid als IS) het oogmerk had om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van IS met zich meebrengt het plegen van terroristische misdrijven. Strijdgroepen als IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door angst, dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.

Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig het schriftelijk requisitoir, op het standpunt gesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander heeft deelgenomen aan een organisatie met een terroristisch oogmerk in de periode van 1 september 2014 tot 13 maart 2018.

Daartoe is - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft zich vanuit een jihadistische/extremistische ideologie in het kalifaat gevestigd en heeft zich aldaar onder het gezag van het IS-bewind en de daaraan verbonden regels van de sharia gesteld. Zij heeft zich ingelaten met een terroristische organisatie en heeft het collectief getalsmatig versterkt. Zij heeft een gemeenschappelijke huishouding gevoerd met een lid van een terroristische organisatie en heeft gebruik gemaakt van een woning die door IS ter beschikking is gesteld. Ten slotte heeft zij loon of toelagen ontvangen van IS.

Het Openbaar Ministerie concludeert tevens dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking heeft gehandeld met haar man [betrokkene 1] , die lid was van IS, en dat de verdachte het benodigde opzet had, zij was zich bewust van het terroristische oogmerk van IS.

Het Openbaar Ministerie stelt uitdrukkelijk dat elke bijdrage ter verwezenlijking van het oogmerk van IS - waaronder het zorgen voor man, kind en huishouden - gelet op de context die daaraan moet worden gegeven, een deelnemingshandeling is ten behoeve van de terroristische organisatie IS.

IS waardeerde volgens deskundigen immers elke door vrouwen geleverde bijdrage, binnen en buiten het strijdgebied, als wezenlijk. Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband verzocht het rapport van dr. Jolen over de positie van de vrouw bij IS, alsook de verklaringen van deskundigen [naam 2] en [naam 3] , die het standpunt van dr. Jolen onderschrijven, bij dit oordeel te betrekken.

Ook de wetgever heeft beoogd elke bijdrage aan een terroristische organisatie strafbaar te stellen, aldus het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft in dit kader verzocht bij de beoordeling van het voorgaande het volgende uit de Memorie van Toelichting van 2023 omtrent de verhoging van het strafmaximum voor artikel 140a Sr te betrekken:

"Voor de verwezenlijking van hun doelen zijn terroristische organisaties afhankelijk van deelnemers. Deelnemers aan terroristische organisaties leveren een onmisbare - en onmiskenbare - bijdrage aan de misdadige doelen van die organisatie. Dat doen zij bijvoorbeeld door het plegen of ondersteunen van aanslagen en andere ernstige misdrijven in naam van deze organisaties. Maar ook alleen al door zich in te laten met een terroristische organisatie versterken deelnemers het collectief getalsmatig, waarmee zij tevens de aantrekkingskracht van die organisatie op anderen doen toenemen. (…) Door zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie versterken de deelnemers deze organisatie ook getalsmatig. Daarmee wint die organisatie aan kracht en wordt deze (nog) bedreigender."

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte niet tot IS behoorde en dat evenmin gebleken is dat de verdachte een aandeel heeft gehad in, dan wel ondersteuning zou hebben geboden aan gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de IS. Het voeren van een gemeenschappelijk huishouding an sich is onvoldoende om de verdachte als deelnemer van IS aan te kunnen merken.

Oordeel van het hof

Feiten

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte is in september 2014 tezamen met haar echtgenoot vanuit Turkije naar Syrië vertrokken en heeft daar gewoond in een dorp in de provincie Deir Es-Zor. Dat gebied was toen in handen van de terroristische organisatie Islamitische Staat (hierna: IS). Zij hebben daar tot ongeveer 1 december 2017 gewoond, in welke periode zij twee kinderen kregen, en leefden van het geld dat zij uit Turkije hadden meegenomen. Toen de bombardementen dichterbij kwamen zijn zij gevlucht. Zij zijn onderweg naar Turkije opgepakt en vervolgens gedetineerd. De verdachte heeft met haar kinderen daarna vastgezeten in onder meer kamp [...] en is op 2 november 2022 aangehouden op Vliegbasis Eindhoven. Van haar echtgenoot is niet meer vernomen.

Voor haar vertrek naar Syrië wist de verdachte dat daar een burgeroorlog gaande was. Verdachtes echtgenoot wilde naar de Islamitische Staat in Syrië verhuizen om zijn geloof te praktiseren. De verdachte is hem in zijn voornemen gevolgd.

Gedurende het verblijf van de verdachte in Deir al Zor heeft zij hoofdzakelijk huishoudelijke taken verricht. Zij hoeft verder niet gewerkt in Syrië. Haar man hielp in het huishouden en was daarnaast werkzaam als verkeerscontroleur op straat. Volgens de verdachte kan het zijn dat dat voor IS was.

Niet kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte en haar echtgenoot verbleven in een huis dat door IS ter beschikking was gesteld. Alleen de broer van de verdachte heeft als getuige in 2018 bij de politie verklaard dat het huis waarin verdachte en haar echtgenoot verbleven en de auto waarin zij reden, waren achtergelaten door mensen die waren gevlucht. Over die verklaring heeft deze getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij toen verdovende middelen gebruikte en onder invloed kan zijn geweest. Hij weet niet of wat hij bij de politie heeft verklaard klopt. Hij heeft de verdachte nooit gesproken toen zij in Syrië woonde en haar echtgenoot één keer, maar toen hebben zij het over niets gehad. Zij hebben elkaar geen berichten gestuurd. Hij verklaarde verder bij de raadsheer-commissaris dat hij niets wist over het dagelijks leven van de verdachte noch over waar zij heeft gewoond in Syrië.

Evenmin wist deze getuige hoe buitenlanders in IS gebied aan huizen of vervoermiddelen kwamen. Het hof acht de bij de politie afgelegde verklaringen van deze getuige onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te bezigen. Het hof kan daardoor niet vaststellen dat de verdachte in Syrië in het huis woonde of in de auto reed van iemand die was gevlucht.

Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte zich in het kalifaat heeft gevestigd vanuit een jihadistische/extremistische ideologie. Tot slot kan niet worden vastgesteld dat de verdachte loon of een toelage van IS heeft ontvangen, zoals de advocaat-generaal heeft aangevoerd.

Behoren tot de organisatie

Als eerste vereiste voor het deelnemen als bedoeld in artikel 140a lid 1 Sr geldt, zoals hiervoor aangegeven, dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband van de organisatie. Indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat daarvan sprake is geweest, dan volgt reeds daaruit dat de verdachte de organisatie getalsmatig heeft versterkt. Daarmee is echter op zichzelf nog niet gegeven dat zij aan de organisatie heeft deelgenomen in de zin van artikel 140a lid 1 Sr. Daarvoor geldt immers nog een ander vereiste. Het hof overweegt daarover het volgende.

Deelnemingsgedraging

Als tweede vereiste geldt dat de verdachte een aandeel heeft in gedragingen, dan wel deze ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande in art. 140a lid 1 Sr bedoelde oogmerk. Elke bijdrage of ondersteuning aan een organisatie kan strafbare deelneming aan die organisatie opleveren. Welke deelnemingsgedragingen aan dit criterium voldoen is in zijn algemeenheid niet te zeggen.

Niet iedere bijdrage van een persoon, behorende tot het samenwerkingsverband van de organisatie, leidt aldus tot deelneming in de zin van die bepaling. Er dient een aantoonbare relatie te bestaan tussen de deelnemingsgedraging en het oogmerk van de organisatie. Verder wordt de deelneming voor de verdachte op zichzelf beoordeeld. Of bijvoorbeeld haar echtgenoot een belangrijker rol vervulde dan de verdachte is niet van belang.

In de literatuur over artikel 140 Sr. benadrukt De Vries-Leemans dat het ‘ondersteunen van’ méér impliceert dan alleen de zogenaamde ‘moral support’, het ermee instemmen dat strafbare feiten worden gepleegd. De deelnemer dient activiteiten te ontplooien, gericht op de verwezenlijking van het misdadig oogmerk. De deelnemingsgedragingen kunnen zich zeer ver in het voorveld van de te plegen misdrijven afspelen. Hoe verder evenwel een gedraging verwijderd is van de uiteindelijke verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, hoe meer zich de vraag opdringt of die gedraging voor de organisatie van zo wezenlijke betekenis is dat nog van strafbare deelneming aan die organisatie kan worden gesproken. Buruma stelt zich op het standpunt dat sprake moet zijn van het plegen van enigszins concrete feiten. Hij schrijft: "Je moet iets gedaan hebben dat als het ware vooruit wees naar het delict. Strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat niet reeds met het aanwezig zijn in fout gezelschap, zelfs als men dezelfde opvattingen erop nahoudt als de leden van de foute groep.” In de conclusie vóór HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:448 stelde de advocaat-generaal: "de deelnemers aan een organisatie die in de criminele tak ervan geen enkele rol spelen [blijven] buiten schot." Volgens Lintz blijft het schoonmaken en koffiezetten in een bedrijfspand van een autobedrijf dat tot oogmerk heeft zijn klanten op te lichten buiten het bereik van art. 140 Sr.

Ook uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat - hoewel ook minder actieve gedragingen onder deelneming kunnen worden gebracht - niet ieder mogelijk verband tussen de activiteiten van een deelnemer aan de organisatie en het oogmerk volstaat om te kunnen spreken van het hebben van een aandeel in dan wel ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtsreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

In HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161 (Hofstadgroep) stond vast dat de verdachte:

- meermalen bijeenkomsten heeft bijgewoond waarbij over de gewelddadige verspreiding van de islam werd gesproken en waarbij beeldmateriaal is vertoond waarop onthoofdingen en liquidaties te zien zijn;

- geschriften heeft verzameld en documenten van internet heeft gedownload met betrekking tot de gewelddadige jihad;

- aan elektronisch berichtenverkeer heeft deelgenomen waarin die gewelddadige jihad wordt gepropageerd; en ook

- beeldmateriaal en vlaggen heeft verzameld die met de gewelddadige jihad in verband te brengen zijn.

De Hoge Raad oordeelde dat uit deze gedragingen van de verdachte niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in gedragingen, of deze heeft ondersteund, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisaties bestaande oogmerk en derhalve aan die organisaties heeft "deelgenomen" in de hiervoor bedoelde betekenis. Dat aan het bewijs van het delictsbestanddeel "deelneming" hogere eisen worden gesteld volgt ook uit HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:400, waarin niet meer was vastgesteld dan dat de verdachte als (voormalig) leidinggevende of baliemedewerker betrokken is geweest bij een coffeeshop en dat hij in familierelatie staat tot medeverdachten van de handel in hennep en hasjiesj.

Over het begrip "ondersteunen van" schreef N. Keijzer in zijn noot bij HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658 (Hofstadgroep): "evenals van strafbare medeplichtigheid slechts sprake kan zijn indien het desbetreffende misdrijf is bevorderd, veronderstelt mijns inziens de term "ondersteunt", dat de betrokkene het plegen van misdrijven als door de organisatie beoogd bevordert, in die zin dat het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven wordt vergroot." Volgens De Hullu strekken de zware strafbedreigingen van art. 140 en 140a Sr zich dan niet tevens uit tot onschadelijke activiteiten.

Voor zover het standpunt van het Openbaar Ministerie aldus moet worden begrepen, dat de aangehaalde passage in de Memorie van Toelichting van 2023 omtrent de verhoging van het strafmaximum voor artikel 140a Sr dwingt tot een andere uitleg van het begrip deelneming dan hiervoor is weergegeven, waarbij reeds het behoren tot het samenwerkingsverband - waarmee deze getalsmatig wordt versterkt - voldoende is, zonder dat daarnaast sprake hoeft te zijn van een deelnemingsgedraging in vorenbedoelde zin, volgt het hof het OM daarin niet.

Verder overweegt het hof dat de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van deelneming in de zin van artikel 140a Sr, is voorbehouden aan de rechter en dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval, zoals deze uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Dat een terroristische organisatie zelf bepaalde handelingen in het algemeen als van groot belang voor de organisatie beschouwt - zoals uit het rapport van dr. Jolen naar voren komt - is daarvoor niet zonder meer bepalend.

De onderhavige zaak

In de onderhavige zaak heeft - zoals hiervoor reeds is vastgesteld - de in IS gebied woonachtige verdachte zorggedragen voor de huishouding, die zij deelde met haar man die daar - mogelijk voor IS - verkeerscontroleur was. Mede gelet op de omstandigheden die onvoldoende waren voor een bewezenverklaring in het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 2012, is het hof van oordeel dat de gedraging van de verdachte - het verrichten van huishoudelijk werk - niet kwalificeert als gedraging die bijdraagt aan de verwezenlijking van het oogmerk van IS. Dit huishoudelijk werk is verder verwijderd van de verwezenlijking van het terroristisch oogmerk van IS dan het deelnemen aan berichtenverkeer van de Hofstadgroep, waarin de gewelddadige Jihad werd gepropageerd, van het oogmerk van die organisatie.

Anders dan het Openbaar Ministerie aanvoert miskent het hof daarmee niet dat ook min of meer onschuldige hand- en spandiensten een strafbare deelneming kunnen opleveren. Evenmin miskent het hof de stelling dat IS elke door vrouwen geleverde bijdrage, binnen en buiten het strijdgebied, waardeerde als wezenlijk - ook het verrichten van huishoudelijk werk. Het verrichten van huishoudelijk werk door de verdachte voldoet echter niet aan het criterium "het hebben van een aandeel in of bieden van ondersteuning aan gedragingen die strekken tot of rechtsreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk" omdat deze gedraging te ver verwijderd is van de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van IS.

Het voorgaande betekent dat niet is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht en dat zij van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.”

4. Het eerste middel

Het middel klaagt dat het hof niet heeft beslist op de grondslag van de tenlastelegging. Met zijn oordeel dat “niet is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in art. 140a van het Wetboek van Strafrecht en dat zij van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken” zou het hof immers uitsluitend hebben beoordeeld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan de terroristische organisatie IS/ISIS/ISIL en niet of sprake is van medeplegen.

Het tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 13 februari 2025 gehouden requisitoir houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):

“Het OM heeft op basis van de arresten van uw hof een aantal specifieke feiten en omstandigheden trachten vast te stellen, die volgens uw hof kunnen bijdragen aan het vereiste aandeel van de verdachte om tot een bewezenverklaring van artikel 140a Sr te komen. Factoren die volgens het OM, blijkens die arresten kunnen meewegen in deze beoordeling zijn (niet gelimiteerd):

i. Zich vestigen in het kalifaat en zich aldaar onder het gezag van het IS-bewind en de daaraan verbonden regels van de sharia stellen;

ii. Al dan niet vanuit een jihadistische ideologie of na extremistisch gedachtegoed omarmd te hebben en/of terwijl iemand kennis had van de jihadistische ideologie en voorstander was van de gewapende jihadstrijd;

iii. Zich inlaten met een terroristische organisatie en het collectief getalsmatig versterken;

iv. Het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met een lid van een terroristische organisatie;

v. Gebruik maken van een woning die door IS ter beschikking is gesteld;

vi. Het ontvangen van loon / toelagen van IS;

vii. Het voorhanden hebben van een vuurwapen;

viii. Het actief uitdragen van de ideologie van een terroristische organisatie en/of anderen aansporen ook naar Syrië te gaan; (propaganda, werven of ronselen)

ix. Andere handelingen die rechtstreeks verband houden met of strekken tot de verwezenlijking van het oogmerk van IS (het OM denkt hier bijvoorbeeld aan het verzorgen van een gewonde IS strijder zodat die weer aan het werk kan, of het opnemen van een (andere) IS-strijder en/of diens vrouw en kinderen zodat die IS strijder kon terugkeren naar het strijdgebied).

Daarnaast heeft uw hof in de zaak [...] overwogen, en sindsdien door de rechtbank Rotterdam gevolgd, dat er sprake was van medeplegen van deelneming, waarbij, zo begrijpt het OM onder andere redengevend is geweest dat [...] samen met haar man was uitgereisd (en daarna) gehuwd was en met haar man een gezamenlijk huishouden heeft gevoerd, terwijl haar man actief was voor IS en door zijn verdiensten daaruit kostwinner was.

Op basis van de feiten zoals die hierboven uiteen zijn gezet, stelt het OM vast dat in onderhavige zaak sprake is van de gedragingen onder i), ii), iii), iv), v) en vi). Tevens heeft verdachte daarbij in nauwe en bewuste samenwerking gehandeld met haar man [betrokkene 1] die lid was van IS. Verdachte had hierbij ook het benodigde opzet, zij was zich bewust van het terroristische oogmerk van IS.

Deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, komt het OM tot de vaststelling dat er sprake is van het medeplegen van deelname aan één terroristische organisatie. Verdachte heeft op uiterlijk 13 maart 2018 het IS-gebied verlaten. Nadat zij in het kamp is terechtgekomen, heeft verdachte afstand genomen van de IS-ideologie. Volgens het OM houdt de bewezenverklaarde periode dan ook op bij het moment dat verdachte het kamp binnenkomt.”

Dit standpunt komt erop neer dat volgens het openbaar ministerie is voldaan aan het voor ‘deelneming’ geldende gedragsvereiste en dat (daarbij) bovendien sprake is van medeplegen, omdat de verdachte:

- (“i”) zich – (“ii”) al dan niet vanuit een jihadistische ideologie of na extremistisch gedachtegoed omarmd te hebben en/of terwijl iemand kennis had van de jihadistische ideologie en voorstander was van de gewapende jihadstrijd – heeft gevestigd in het kalifaat en zich aldaar onder het gezag van het IS-bewind aan de daaraan verbonden regels van de sharia heeft gesteld;

- (“iii”) zich heeft ingelaten met een terroristische organisatie en (daarmee) het collectief getalsmatig heeft versterkt;

- (“iv”) een gemeenschappelijke huishouding met een lid van een terroristische organisatie heeft gevoerd;

- (“v”) gebruik heeft gemaakt van een woning die door IS ter beschikking is gesteld en

- (“vi”) loon / toelagen van IS heeft ontvangen,

en dat de verdachte “daarbij [tevens]” in nauwe en bewuste samenwerking heeft gehandeld met haar echtgenoot die lid was van IS.

Het hof heeft in reactie daarop overwogen dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat (ten aanzien van “v”) de verdachte en haar echtgenoot hebben verbleven in een huis dat door IS ter beschikking was gesteld en evenmin dat (ten aanzien van “i” en “ii”) de verdachte zich in het kalifaat heeft gevestigd vanuit een jihadistische/extremistische ideologie en dat (ten aanzien van “vi”) zij loon of een toelage van IS heeft ontvangen. In dat oordeel ligt besloten dat ook niet kan worden vastgesteld dat de verdachte “daarbij” in nauwe en bewuste samenwerking heeft gehandeld met haar echtgenoot.

Voor wat betreft de onder “iii” genoemde gedraging heeft het hof overwogen dat ook als hiervan veronderstellenderwijs wordt uitgegaan (en daarmee wordt voldaan aan het eerste voor ‘deelneming’ geldende vereiste dat de verdachte ‘behoort tot’ de organisatie), als tweede vereiste nog geldt dat de verdachte een aandeel heeft gehad in, dan wel heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande in art. 140a lid 1 Sr bedoelde oogmerk. Het hof heeft vervolgens overwogen dat – kort gezegd – de onder (“iv”) genoemde gedraging (het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met een IS-lid) daarvoor onvoldoende is. In dat oordeel ligt besloten dat, ook al zou de verdachte die gedragingen in bewuste en nauwe samenwerking met haar echtgenoot hebben verricht, daarmee nog altijd niet wordt voldaan aan het gedragsvereiste en dit dus ook geen ‘deelneming’ in de zin van art. 140a Sr oplevert. Het hof heeft daarmee wel degelijk beslist op de grondslag van de tenlastelegging, zodat het middel feitelijke grondslag mist.

Het middel faalt.

In zijn algemeenheid zou ik hier nog willen verwijzen naar hetgeen ik over medeplegen heb opgemerkt in randnr. 3.67 in mijn conclusie bij de samenhangende zaak met kenmerk 24/04981. Daarin betoog ik dat als het gaat om het lidmaatschap van een criminele/terroristische organisatie, nauwelijks zelfstandige betekenis toekomt aan de figuur van medeplegen als bedoeld in art. 47 Sr. Dat is alleen anders in het geval dat de verdachte zelf niet voldoet aan het lidmaatschapsvereiste, maar de medepleger wel.

5. Het tweede middel

Het middel heeft betrekking op feit 1 en valt in twee deelklachten uiteen.

De eerste deelklacht komt er in de kern op neer dat het hof met zijn oordeel dat “het verrichten van huishoudelijk werk door de verdachte (…) te ver verwijderd is van de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van IS” een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het voor ‘deelneming’ in de zin van art. 140a Sr geldende vereiste dat de betrokkene ‘een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in evenvermeld artikel bedoelde oogmerk’ (het gedragsvereiste). Daartoe wordt verwezen naar passages uit de wetsgeschiedenis, onder meer inhoudende dat “de facto elke bijdrage aan een organisatie met een terroristisch oogmerk strafbaar [zal] zijn”, waaruit volgens de steller van het middel “in elk geval niet [blijkt] dat het verband, zoals het hof dat vereist, dient te worden vastgesteld”. Volgens hem moet het gedragsvereiste zo worden uitgelegd dat uitsluitend een rechtstreeks verband is vereist tussen de gedraging die ondersteund wordt en de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie; voor de ondersteuningsgedraging zelf behoeft niet te worden vastgesteld dat dit strekt tot of rechtstreeks verband houdt met de verwezenlijking van het bedoelde oogmerk.

De tweede deelklacht houdt in dat art. 359 lid 2 Sv is geschonden doordat het hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van een door de advocaat-generaal ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de getalsmatige versterking van IS door de verdachte.

De eerste deelklacht

De eerste deelklacht stelt de vraag aan de orde a) in hoeverre een relatie is vereist tussen de deelnemingshandeling en de verwezenlijking van het in art. 140a Sr genoemde oogmerk en, meer specifiek, b) of met het voeren van een gezamenlijke huishouding met een IS-strijder aan die mogelijk vereiste relatie wordt voldaan.

Het juridisch kader

In de samenhangende zaak met kenmerk 23/04981 ben ik uitgebreid ingegaan op de onder a) vermelde vraag. In het juridisch kader dat ik daartoe uiteen heb gezet wordt eveneens de onder b) vermelde vraag beantwoord. Voor het juridisch kader in de onderhavige zaak verwijs ik dan ook naar de randnummers 3.6 – 3.17 en 3.22 – 3.82 van mijn conclusie in voornoemde zaak (23/04981). Deze overwegingen komen, (zeer) kort samengevat en voor zover hier met name relevant, op het volgende neer (met verwijzing naar de relevante randnummers in die conclusie).

Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140a Sr is slechts dan sprake, indien de betrokkene tot die organisatie behoort (het lidmaatschapsvereiste) en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in voornoemd artikel bedoelde oogmerk (het gedragsvereiste) (randnr. 3.11). Het daadstrafrechtbeginsel dat in het Nederlandse wettelijke stelsel als uitgangspunt geldt, vereist dat het gedragsvereiste zo moet worden geïnterpreteerd dat tussen de verweten gedragingen en de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie om terroristische misdrijven te plegen een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Die opvatting vindt bevestiging in de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de zogeheten Hofstadgroep (randnrs. 3.62 – 3.64) en in de wetsgeschiedenis (randnrs. 3.60 en 3.61). Dat in die wetsgeschiedenis een passage voorkomt die inhoudt dat “de facto elke bijdrage aan een terroristische organisatie strafbaar [zal] zijn gesteld” staat daar niet aan in de weg. De aanleiding voor die opmerking van de minister was immers dat “reeds” het plannen, het verzamelen van informatie of het voeren van overleg ten behoeve van de organisatie als deelnemingsgedragingen kunnen worden aangemerkt. Dat ook dergelijke gedragingen onder het bereik van art. 140(a) Sr vallen zou volgens de minister maken dat ten aanzien van die bepaling “geen hoge eisen” gelden, terwijl dit nu juist gedragingen betreffen waarvan naar ik meen gezegd kan worden dat het verband met de oogmerkverwezenlijking nog goed te herkennen (en dus niet te ver verwijderd) is (randnrs. 3.12, 3.13 en 3.60).

Van een ‘niet te ver verwijderd’ verband is sprake als dit een concreet, wezenlijk en (voldoende) rechtstreeks verband betreft; als door het handelen van de verdachte – op zichzelf of in onderling verband en in samenhang bezien – het plegen van de door de organisatie beoogde terroristische misdrijven daadwerkelijk realistischer kan worden dan wel dichterbij kan worden gebracht (randnrs. 3.57, 3.58, 3.64 en 3.65). De intentie waarmee de verdachte de handelingen verricht kan dit vereiste niet vervangen (randnrs. 3.69 – 3.82).

Dat IS het voor de organisatie van groot belang acht dat de vrouw van een (IS-)strijder de gemeenschappelijke huishouding op zich neemt, is niet zonder meer doorslaggevend voor de vraag of met het vervullen van die rol aan het gedragsvereiste wordt voldaan (randnrs. 3.37 – 3.39). Het gedragsvereiste vereist, als gezegd, immers een bepaald verband met het plegen van terroristische misdrijven, terwijl het door vrouwen vervullen van een dergelijke meer traditionele rol binnen de samenleving met name in verband kan worden gebracht met het doel van IS om een eigen staat te creëren waarin geleefd wordt naar de regels van de sharia. Het op zich nemen van de gemeenschappelijke huishouding kan (op zichzelf) (wel) relevant zijn voor de vraag of is voldaan aan het lidmaatschapsvereiste, waarvoor geen sprake hoeft te zijn van het hiervoor bedoelde verband (randnrs. 3.49 en 3.50).

De bespreking van de eerste deelklacht

Het hof heeft overwogen dat de in IS-gebied woonachtige verdachte heeft zorggedragen voor de huishouding, die zij deelde met haar man die daar – mogelijk voor IS – verkeerscontroleur was. Het hof heeft geoordeeld dat dit huishoudelijk werk niet kwalificeert als een gedraging die bijdraagt aan de verwezenlijking van het oogmerk van IS. In het verlengde daarvan heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat met het verrichten van dit huishoudelijk werk – ondanks dat IS dit als wezenlijk waardeerde – niet aan het gedragsvereiste wordt voldaan, omdat deze gedraging te ver verwijderd is van de verwezenlijking van het oogmerk van IS om terroristische misdrijven te plegen. In het licht van het hetgeen ik hierboven onder 5.6 en 5.7 uiteen heb gezet, dat in grote lijnen overeenkomt met het juridisch kader dat het hof heeft vooropgesteld, getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk acht ik dat oordeel, mede gelet op het onder 5.8 overwogene, evenmin.

De eerste deelklacht faalt.

De tweede deelklacht

Blijkens het zich bij de stukken bevindende requisitoir is tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 13 februari 2025 namens het openbaar ministerie onder meer het volgende naar voren gebracht (met weglating van voetnoten):

“4.3 Kwalificatie van de feiten: 140a Sr

Uw hof heeft inmiddels in meerdere zaken, van vrouwelijke uitreizigsters arrest gewezen. Het OM heeft zich steeds uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat, conform de wetgever, elke bijdrage van een vrouw ter verwezenlijking van het oogmerk van IS - waaronder het zorgen voor haar man, het kind en huishouden - gelet op de context die daaraan moet worden gegeven, een deelnemingshandeling is ten behoeve van de terroristische organisatie IS. Elke dergelijke bijdrage was dienstig aan het vormgeven en het in stand houden van een - door terroristisch geweld gevormd en met dat oogmerk bestaand - kalifaat. De kern zit in het volgende: IS waardeerde elke door vrouwen geleverde bijdrage, binnen en buiten het strijdgebied, als wezenlijk. Dit blijkt volgens het OM uit het kennisdocument van dr. Jolen, "Vrouwen van de Islamitische Staat" en wordt ondersteund door vele voor een ieder toegankelijke (internationale) publicaties, evenals door de verklaringen van de deskundigen [naam 2] en [naam 3] .

Het OM stelt zich nogmaals uitdrukkelijk op het standpunt dat de Nederlandse deelnemer die zich aansloot bij IS enkel en alleen al door deze getalsmatige versterking bijdroeg aan de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van IS en dus deelnam aan IS. De getalsmatige groei van IS was immers meteen zichtbaar naar de onderdrukte bevolking toe.

Elke bijdrage aan IS - waaronder deze getalsmatige versterking van de organisatie en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met een lid van IS - levert een deelnemingshandeling op in de zin van artikel 140a Sr. De rechtbank Rotterdam heeft dit standpunt structureel gevolgd.

De memorie van toelichting van 2023 omtrent de strafverhoging van het strafmaximum voor artikel 140a Sr vermeldt:

"Voor de verwezenlijking van hun doelen zijn terroristische organisaties afhankelijk van deelnemers. Deelnemers dan terroristische organisaties leveren een onmisbare - en onmiskenbare - bijdrage aan de misdadige doelen van die organisatie. Dat doen zij bijvoorbeeld door het plegen of ondersteunen van aanslagen en andere ernstige misdrijven in naam van deze organisaties. Maar ook alleen al door zich in te laten met een terroristische organisatie, versterken deelnemers het collectief getalsmatig, waarmee zij tevens de aantrekkingskracht van die organisatie op anderen doen toenemen. (...)

Door zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie versterken de deelnemers deze organisatie ook getalsmatig. Daarmee wint die organisatie aan kracht en wordt deze (nog) bedreigender."

Uit de arresten in deze strafzaken blijkt dat volgens Uw hof het voeren van zo’n huishouden wel mee kan wegen voor een dergelijke beoordeling, maar dat het enkel en alleen aanwezig zijn in IS-gebied en het voeren van een huishouden met een lid van IS, onvoldoende is voor deelname in de zin van artikel 140a Sr.

Uw hof overweegt bovendien het volgende ten aanzien van de getalsmatige versterking:

"De door de advocaat-generaal genoemde passage in de Memorie van Toelichting, die betrekking heeft op verhoging van het strafmaximum van artikel 140a Sr, geeft evenmin dwingend richting aan het door de rechter in een concreet geval te geven oordeel dienaangaande. Daarbij komt dat de overweging dat een deelnemer aan een terroristische organisatie, door zich met de organisatie in te laten, het collectief getalsmatig versterkt — hetgeen voor de strafwaardigheid van het deelnemen van belang is -, nog niet betekent dat eenieder die het collectief getalsmatig versterkt reeds daardoor moet worden aangemerkt dis deelnemer aan die organisatie, als bedoeld in artikel 140a Sr."

Het OM wijst echter ook op de volgende passage uit de wetsgeschiedenis:

"De leden van de VVD-fractie vroegen mij aan te geven of de voorgestelde wijzigingen het mogelijk maken om elke activiteit te vervolgen die een bijdrage vormt aan het plegen van terreur. Voor zover deze leden met het begrip «terreur» het oog hebben op misdrijven die begaan worden met een terroristisch oogmerk kan ik deze vraag bevestigend beantwoorden. Rechtstreekse bijdragen aan het plegen van terroristische misdrijven zullen in de regel vervolgbaar zijn als voorbereiding (artikel 46 Sr), deelneming (artikel 47 Sr) of medeplichtigheid (artikel 48 Sr). Ook is in dit verband de strafvervolging ter zake van deelneming aan een terroristische organisatie (artikel 140a) relevant. Daarbij kan ik in het bijzonder nog wijzen op de bij eerste nota van wijziging voorgestelde verduidelijking van het begrip «deelneming», waaruit blijkt dat daaronder ook het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun valt. De facto zal aldus elke bijdrage aan een organisatie met een terroristisch oogmerk strafbaar zijn ."

Uw hof overweegt echter:

"temeer nu een eventuele bijdrage aan de organisatie nog geen aandeel in de hiervoor bedoelde zin behoeft op te leveren,”

De vraag rijst hoe de invulling van het begrip getalsmatige versterking van uw hof rijmt met de wetsgeschiedenis van 140a Sr, waar de wetgever heeft beoogd elke bijdrage aan een terroristische organisatie strafbaar te stellen.

In het licht van de wijze waarop IS opereerde is dit van belang: IS heeft in de hoogtijdagen een enorme hoeveelheid buitenlandse leden aangetrokken. Al deze leden hebben bijgedragen aan het vergroten van IS en daarmee het vergroten van de macht van IS en het in stand houden van de organisatie en daarmee dus ook het verwezenlijken van het oogmerk. Iedere afzonderlijke rol van een individuele verdachte moet in dit licht worden beoordeeld, nu het kalifaat niet had kunnen bestaan zonder haar onderdanen.”

Dit standpunt van de advocaat-generaal komt erop neer dat met het lid worden van IS de organisatie getalsmatig wordt versterkt, in die zin dat de organisatie – en dus haar macht – daarmee wordt vergroot. Dat betekent dat door enkel lid te worden van IS al een bijdrage wordt geleverd aan de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van IS. De verdachte heeft daarnaast nog een gemeenschappelijke huishouding gevoerd met een IS-lid. Mede gelet op de omstandigheid dat die gedraging door IS als wezenlijk wordt gewaardeerd, heeft de verdachte ook op die wijze bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van IS. Nu in de wetsgeschiedenis tot uitdrukking wordt gebracht dat “de facto (…) elke bijdrage aan een organisatie met een terroristisch oogmerk strafbaar [zal] zijn”, leveren ook deze vormen van bijdragen door de verdachte (het lid worden van IS en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met een IS-lid) volgens de advocaat-generaal ‘deelneming’ als bedoeld in art. 140a Sr op.

Het hof heeft op dit standpunt gereageerd door in haar bewijsmotivering tot uitdrukking te brengen dat het lid worden van IS weliswaar een getalsmatige versterking van de organisatie met zich brengt, maar dat dit daarmee slechts een uitvloeisel is van het lidmaatschapsvereiste. Voor deelneming geldt echter nog een ander vereiste, namelijk dat sprake is van een deelnemingsgedraging. Nu het verrichten van huishoudelijk werk door de verdachte niet een dergelijke gedraging oplevert (omdat dit handelen volgens het hof te ver verwijderd is van de oogmerkverwezenlijking) kan niet bewezen worden dat de verdachte aan een organisatie als bedoeld in art. 140a Sr heeft deelgenomen, aldus het hof. Gelet hierop is van een schending van art. 359 lid 2 Sv geen sprake. Daarbij merk ik op dat het hof niet gehouden was om op ieder detail van de argumentatie in te gaan.

Ook de tweede deelklacht faalt.

6. Afronding

Beide middelen falen.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?