28. juni 2017
6.3.2.1
6.3.2.1. De verklaringen van [kroongetuige]
[kroongetuige] heeft over het voornemen om een pand met een raketwerper te beschieten onder meer het volgende verklaard. Een dag vóór de beschieting heeft hij [medeverdachte 2] opgehaald in [plaats] . [kroongetuige] heeft toen van [medeverdachte 2] begrepen dat hij samen met [medeverdachte 2] naar [plaats] moest rijden om voor te verkennen, omdat daar een persoon woonde die moest worden gewaarschuwd. [medeverdachte 2] had de opdracht gekregen om met een raketwerper op de woning van die persoon te schieten. Bij de voorverkenning heeft [medeverdachte 2] de woning aan de [r-straat] 30 aangewezen als het pand dat moest worden beschoten. [kroongetuige] moest de volgende dag een Peugeot 308 en de raketwerper aan de uitvoerders overhandigen. Op de dag van de voorgenomen beschieting bleek dat een van de uitvoerders de geboden geldelijke beloning te laag vond, waarna [medeverdachte 2] aan [kroongetuige] de opdracht heeft gegeven om als chauffeur te fungeren. [kroongetuige] en de andere uitvoerder zijn vervolgens in de Peugeot 308 naar [plaats] gereden en [kroongetuige] heeft de uitvoerder de woning aangewezen. De schutter is met de raketwerper uitgestapt, is naar de woning toegelopen en heeft de raketwerper uitgeklapt. De schutter was bezig om te gaan vuren, maar voordat hij daadwerkelijk vuurde zag hij in de tuin kinderen spelen. Daarop heeft de schutter zijn handelingen afgebroken en zijn [kroongetuige] en de schutter weggereden.
Verder heeft [kroongetuige] verklaard dat hij voorafgaand aan de beschieting in [plaats] in opdracht van [medeverdachte 2] een raketwerper in ontvangst heeft genomen van een persoon afkomstig uit de groep van de opdrachtgever. [medeverdachte 2] heeft aan [kroongetuige] verteld dat [betrokkene 21] de opdrachtgever was.
Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken.
6.3.2.2. De onderbouwing van de verklaringen van [kroongetuige] en overige bewijsoverwegingen
Naar aanleiding van het onderzoek en de verklaringen van [kroongetuige] is het volgende gebleken.
6.3.2.2.1. Voorverkenning
Uit een PGP-gesprek van 27 juni 2017 tussen ‘ [bijnaam 2] ’, veredeld als [medeverdachte 2] , en ‘ [bijnaam 4] ’, veredeld als [betrokkene 17] , blijkt dat [betrokkene 17] een bericht doorstuurt afkomstig van ‘ [bijnaam 5] ’. Het hof beschouwt de persoon achter dit account als de opdrachtgever. In dit doorgestuurde bericht wordt aan [medeverdachte 2] doorgegeven dat het een aardig donkere straat is met bomen en dat je daar kan komen via de [snelweg] en de afslag [plaats] of de afslag [plaats] / [plaats] .
Op een onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen harde schijf zijn op 27 juni 2017 gemaakte printjes gevonden van een routebeschrijving met als waarschijnlijke startlocatie de [l-straat 1] in [plaats] , een van de verblijfadressen van [medeverdachte 2] , en als eindbestemming de [j-straat] in [plaats] .
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 1] ) blijkt dat zijn telefoon zich op 27 juni 2017 in de middag tussen 13.28 uur en 13.49 uur in [plaats] bevond om vervolgens om 14.17 uur een zendmast aan te stralen op de [m-straat] in [plaats] . Uit de zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ) blijkt dat zijn telefoon zich tot 12.42 uur in [plaats] bevond. Vervolgens straalde zijn telefoon voor het eerst weer een zendmast aan op de [n-straat] in [plaats] . Dit was om 14.13 uur. De zendmasten op de [m-straat] in [plaats] en de [n-straat] in [plaats] bevinden zich in elkaars verlengde langs de [snelweg] .
6.3.2.2.2. Verplaatsen naar de loods aan de [o-straat] in [plaats]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ) blijkt dat zijn telefoon op 28 juni 2017 om 14.22 uur een zendmast aanstraalde bij [plaats] . Deze zendmast ligt in de nabije omgeving van [plaats] . Uit de gegevens van de onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen Volvo blijkt dat dit voertuig zich op 28 juni 2017 omstreeks 14.26 uur van [plaats] naar [plaats] heeft verplaatst. Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 3] ) blijkt dat zijn telefoon om 14.27 uur gebruik heeft gemaakt van een zendmast aan de [p-straat] in [plaats] .
Het hof leidt hieruit af dat [kroongetuige] en [medeverdachte 2] op 28 juni 2017 bij de loods in [plaats] zijn geweest.
6.3.2.2.3. Verplaatsen naar [plaats]
Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 3] ) volgt dat de telefoon om 18.07 uur nog gebruikmaakte van de zendmast aan de [p-straat] in [plaats] . Vervolgens verplaatste de telefoon zich via [plaats] , [plaats] en [plaats] naar [plaats] om daar om 19.05 uur een zendmast aan te stralen aan de [v-straat] 23.
Het hof leidt hieruit af dat [kroongetuige] zich op 28 juni 2017 vanuit [plaats] naar [plaats] heeft verplaatst.
6.3.2.2.4. ‘Beschieting’ met raketwerper
Uit veiliggestelde beelden van een camera aan de [j-straat 3] in [plaats] blijkt dat er op 28 juni 2017 tussen 18.53 uur en 19.00 uur vijfmaal een zilvergrijze Peugeot 308 voorbij is gereden.
[getuige 4] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2017 omstreeks 19.05 uur een man over de ventweg naast de [j-straat] in [plaats] zag lopen. Hij zag dat de man een legergroene buis met een diameter van ongeveer 10 cm langs de linkerkant van zijn lichaam hield. Kort hierna hoorde de getuige een auto hard achteruitrijden. De getuige zag dat de man met de legergroene buis in een Peugeot stationwagen stapte en dat deze auto daarop snel wegreed. De getuige heeft later op internet gezocht naar het voorwerp dat de man vasthield en is ervan overtuigd dat het een bazooka was.
Uit nader onderzoek naar diezelfde camerabeelden is gebleken dat dezelfde zilvergrijze Peugeot 308 om 19.16 uur en 19.18 uur opnieuw langs de [j-straat 3] is gereden.
29. juni 2017
6.3.2.3. De beschieting van de [j-straat 1] (en [j-straat 2] )
Op 29 juni 2017 is omstreeks 23.00 uur de [j-straat 1] beschoten met een kalasjnikov (AK-47), waarbij de gevel van de woning is geraakt. Bij deze beschieting is ook een houten tuinschuur aan de [j-straat 2] geraakt.
6.3.2.4. De verklaringen van [kroongetuige]
[kroongetuige] heeft over de beschieting op de [j-straat 1] in [plaats] verklaard dat achteraf is gebleken dat hij en de schutter op 28 juni 2017 voor de verkeerde woning in [plaats] hebben gestaan. De woning van 28 juni 2017 bleek ook nummer […] te hebben maar bevond zich op de [r-straat] , op de hoek met de [j-straat] . [kroongetuige] heeft vervolgens van [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om de juiste woning te zoeken. [kroongetuige] is weer naar [plaats] gereisd en heeft daarbij met een Samsung foto’s genomen van de [j-straat 1] in [plaats] . Hij heeft daarbij als alibi voor zijn aanwezigheid met zijn iPhone ook een foto van een huurwoning aan het einde van de betreffende straat gemaakt. Nadat [medeverdachte 2] , na het zien van de door [kroongetuige] gemaakte foto’s, contact had gelegd met de groep van de opdrachtgever, werd aan [medeverdachte 2] bevestigd dat het huis aan de [j-straat 1] de juiste woning was.
De volgende dag heeft [kroongetuige] van [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [j-straat 1] in [plaats] . Nadat [kroongetuige] tegen [medeverdachte 2] had gezegd dat hij dat zelf niet wilde doen, heeft [medeverdachte 2] contact opgenomen met [betrokkene 11] , de president van chapter [plaats] van [motorclub] . [betrokkene 11] heeft vervolgens twee jongens van zijn chapter, [betrokkene 7] en [verdachte] , naar voren geschoven voor de opdracht. Ondertussen had [kroongetuige] van [medeverdachte 2] begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov. Daarbij was het de bedoeling dat [betrokkene 7] als schutter zou optreden en [verdachte] als back-up als [betrokkene 7] zou weigeren op de woning te schieten. [kroongetuige] is vervolgens naar [betrokkene 11] in [plaats] gereden, heeft [verdachte] en [betrokkene 7] opgehaald en is met zijn Peugeot 206 naar de loods in [plaats] gereden. Daar hebben zij de Seat Leon gepakt. Zij hebben hun telefoons in [plaats] achtergelaten en zijn naar [plaats] gereden. Nadat [kroongetuige] de juiste woning had aangewezen, zijn [betrokkene 7] en [verdachte] uit de auto gestapt en heeft [betrokkene 7] de woning beschoten. [kroongetuige] heeft van [betrokkene 7] begrepen dat de kalasjnikov na drie of vier schoten bleef hangen. Hierop zijn [betrokkene 7] en [verdachte] teruggerend naar de Seat Leon en weggereden.
[kroongetuige] , [betrokkene 7] en [verdachte] zijn vervolgens naar [plaats] gereden. Nadat ze de auto met daarin het wapen in een woonwijk hadden geparkeerd, zijn ze naar het centrum van [plaats] gelopen en op een terras bij een homobar gaan zitten. Met de telefoon van het café heeft [kroongetuige] contact gezocht met [medeverdachte 2] om te laten weten dat de beschieting was gelukt. Verder hebben [betrokkene 7] en [verdachte] contact gezocht met hun partners en heeft [betrokkene 7] geregeld dat ze zijn opgehaald door [betrokkene 22] .
Verder heeft [kroongetuige] verklaard dat [betrokkene 7] later de Seat Leon in [plaats] heeft opgehaald en dat [betrokkene 7] daarbij het wapen mee naar huis heeft genomen om te bekijken waarom het was blijven hangen. Hieruit bleek dat er een kogel vastzat in de loop.
Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken.
6.3.2.5. De onderbouwing van de verklaringen van [kroongetuige] en overige bewijsoverwegingen
Naar aanleiding van het onderzoek en de door [kroongetuige] afgelegde verklaringen is het volgende gebleken.
6.3.2.5.1. Vasstellen van de juiste woning
Uit nader onderzoek aan de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen iPhone 6 volgt dat met dit toestel op 29 juni 2017 om 14.40 uur een foto is gemaakt van een woning in [plaats] . Blijkens de coördinaten is dit in de [s-straat] ter hoogte van nummer […] in [plaats] . Op de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen Samsung is een foto aangetroffen van de [j-straat 1] in [plaats] .
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij in [plaats] is geweest om erachter te komen wat de juiste woning was.
6.3.2.5.1. Handgranaten
Uit een PGP-gesprek van 29 juni 2017 tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 17] blijkt dat [betrokkene 17] een bericht doorstuurt van een account genaamd ‘ [accountnaam] ’. ‘ [accountnaam] ’ stuurt om 14.45 uur: “Rond 19.30. Kunnen ze appels aanpakken op de [t-straat 1] nieuwegein”.
Uit de opmerking “appels aanpakken” en de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof af dat over handgranaten wordt gesproken.
6.3.2.5.3. [betrokkene 7] en [verdachte] geregeld als uitvoerders
Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [betrokkene 7] (* [telefoonnummer 5] en * [telefoonnummer 6] ), [verdachte] (* [telefoonnummer 4] ) en [betrokkene 11] (* [telefoonnummer 7] ) volgt dat zij op 29 juni 2017 aan het begin van de avond onderling contact hebben gehad. Om 18.07 uur wordt het nummer van [betrokkene 7] gebeld door het nummer van [verdachte] en om 18.15 uur belt het andere nummer van [betrokkene 7] naar het nummer van [betrokkene 11] . Vervolgens is er om 18.39 uur opnieuw contact tussen de nummers van [betrokkene 7] en [verdachte] en om 19.00 uur en 19.03 uur tussen die van [betrokkene 7] en [betrokkene 11] .
6.3.2.5.4. Vertrekken vanaf [plaats] naar de loods in [plaats]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 1] ) blijkt dat zijn telefoon om 18.29 uur en om 18.43 uur een zendmast aanstraalde op de [u-straat 1] in [plaats] . Uit het aanstralen van de zendmasten is af te leiden dat de telefoon van [kroongetuige] zich verplaatste vanaf [plaats] (18.43 uur), via [plaats] (19.59 uur) naar [plaats] (22.00 uur). De telefoon van [betrokkene 7] (* [telefoonnummer 6] ) bewoog van [plaats] (19.18 uur), via [plaats] (19.37 uur en 19.44 uur) en [plaats] (20.07 uur) eveneens naar [plaats] (20.08 uur) en maakte daar tot en met 21.24 uur gebruik van zendmasten in [plaats] .
Uit screenshots aangetroffen op de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen Samsung blijkt dat zijn Peugeot 206 op 29 juni 2017 om 19.10 uur een snelheidsovertreding heeft begaan ter hoogte van de trajectcontrole [snelweg] [plaats] rechts.
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij, [verdachte] en [betrokkene 7] zich vanuit [plaats] / [plaats] naar de loods in [plaats] hebben verplaatst.
6.3.2.5.5. Achterlaten van de telefoons in [plaats]
Het telefoonnummer van [betrokkene 7] (* [telefoonnummer 6] ) maakte op 29 juni 2017 om 21.24 uur voor het laatst die dag gebruik van een zendmast aan de [p-straat] in [plaats] . Op 1 juli 2017 werd voor de eerste keer weer een zendmast aangestraald. Uit onderzoek van de iPhone van [kroongetuige] blijkt dat het [telefoonnummer 1] op 29 juni 2017 vanaf 22.00 uur tot en met 30 juni 2017 om 21.05 uur zendmasten aanstraalde in [plaats] en dus ook ten tijde van het schietincident op de [j-straat 1] in [plaats] .
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij en in ieder geval [betrokkene 7] hun telefoon in [plaats] hebben achtergelaten.
6.3.2.5.6. Schieten op de [j-straat 1] in [plaats]
Uit de beelden van de beveiligingscamera op de [j-straat 3] in [plaats] volgt dat om 22.51 uur een persoon met voor zich iets in zijn handen over de [j-straat] in de richting van de [s-straat] loopt. Een tweede persoon loopt achter de eerste persoon aan. Enkele seconden later zijn er lichtflitsen te zien bij de [j-straat 1] , waarna beide personen terugrennen in de richting van waar zij vandaan kwamen (richting de [v-straat] ).
De politie heeft onderzoek gedaan naar de lengte van de twee personen die op deze beelden zijn te zien. De lengte van de eerste en de tweede persoon is daarbij geschat op respectievelijk tussen 1.78 en 1.79 m en tussen 1.70 en 1.72 m. [betrokkene 7] is 1.78 m lang en [verdachte] 1.72 m.
Nabij de woning aan de [j-straat 1] zijn vier hulzen en twee projectielen (manteldelen) gevonden. Uit forensisch onderzoek blijkt dat de vier hulzen het kaliber 7,62 x 39 mm hebben en dat deze hulzen vermoedelijk zijn verschoten met een semiautomatisch werkend aanvalsgeweer van het type kalasjnikov (AK-47) of een wapen dat daarvan is afgeleid. De twee manteldelen passen bij het kaliber 7,62 x 39 mm.
6.3.2.5.7. Vluchten naar [plaats] – café [C]
Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ), [betrokkene 22] (* [telefoonnummer 8] en * [telefoonnummer 9] ) (partner van [betrokkene 7] ) en [betrokkene 23] (* [telefoonnummer 10] ) (partner van [verdachte] ) is gebleken dat zij op 29 juni 2017 tussen 23.53 uur en 30 juni 2017 om 00.45 uur telefonisch contact hebben gehad met het [telefoonnummer 11] . Dit nummer is van café [C] in [plaats] .
6.3.2.5.8. Ophalen door [betrokkene 22]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [betrokkene 22] (* [telefoonnummer 8] ) blijkt dat dit nummer op 30 juni 2017 om 00.45 uur een zendmast aanstraalde in [plaats] . Vervolgens straalde het tussen 01.35 uur en 01.40 uur de mast aan het [z-straat] 44 in [plaats] aan, om vervolgens om 03.12 uur weer de zendmast aan de [x-straat] in [plaats] aan te stralen. Uit onderzoek van het navigatiesysteem van de door [betrokkene 22] gebruikte Fiat Panda volgt dat onder verwijderde items twee locaties in [plaats] zijn aangetroffen: de [y-straat] en [B] . Ook zijn in de TomTom coördinaten aangetroffen die betrekking hebben op de locatie [z-straat] in [plaats] .
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat [betrokkene 22] [betrokkene 7] , [verdachte] en [kroongetuige] heeft opgehaald in [plaats] . De [y-straat] ligt in een woonwijk in [stadswijk] en past bij de verklaring van [kroongetuige] over waar zij de auto met het wapen hebben achtergelaten en waar [betrokkene 7] de auto en het wapen later weer heeft opgehaald.
6.3.2.5.9. Onderzoek kalasjnikov door [betrokkene 7]
Op een mobiele telefoon die inbeslaggenomen is op de [aa-straat 1] in [plaats] zijn verschillende foto’s aangetroffen van [betrokkene 7] en [betrokkene 22] . Ook zijn er twee afbeeldingen van het uitwerpmechanisme aan de bovenkant van een vuurwapen en twee afbeeldingen van een los patroon en een lege huls gevonden. In het uitwerpmechanisme is een huls te zien die schuin in het aanvoergedeelte zit.
Uit nader onderzoek blijkt dat het vuurwapen op de afbeeldingen een kalasjnikov is, waarmee normaal gesproken munitie van het kaliber 7,62 x 39 mm wordt verschoten. Op de afbeelding is ook een storing te zien. Er is een patroon aangevoerd, terwijl de huls van een vorig schot is blijven hangen.
Op de afbeeldingen van het vuurwapen en de munitie is op de achtergrond een houten bruine tafel met een zwarte placemat en witte rechthoekige vloertegels zichtbaar. Zowel [kroongetuige] als [betrokkene 22] heeft aan de hand van de achtergrond de woning van de moeder van [betrokkene 22] herkend. [betrokkene 22] heeft aan de hand van de placemat ook de tafel van haar moeder herkend.
6.3.2.6. De beeldmeting
De verdediging van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal beeldmeting van 11 februari 2020 niet bruikbaar is voor het bewijs. Daarbij heeft de raadsman gewezen op een brief van een deskundige van het NFI van 28 augustus 2019 en gesteld dat het NFI de uitkomst van de beeldmeting niet betrouwbaar zou achten.
In de bedoelde brief heeft de NFI-deskundige de haalbaarheid van het beantwoorden van een aantal door de officier van justitie gestelde onderzoeksvragen beoordeeld op basis van het aangeleverde beeldmateriaal (SIN AAMI1746NL), zijnde de beelden van de beveiligingscamera van [j-straat 3] van het schietincident op 29 juni 2017. Die onderzoeksvragen luidden:
‘Is verbetering van de beeldkwaliteit van de bedoelde beeldfragmenten mogelijk en wel tot een dusdanig niveau dat daarop de zichtbare personen voor herkenning in aanmerking kunnen komen, dan wel ondanks de beschikbare beeldverbeteringsmogelijkheden uitgesloten moeten worden van herkenning?
Kan beeldvergelijkend onderzoek tussen [beeldbron I] en [beeldbron II], gelet op lengte, loop, postuur of andere aspecten/kenmerken van de perso(o)n(en) op het beeldmateriaal, leiden tot een waarschijnlijkheidsuitspraak over:
- of het dezelfde perso(o)n(en) is/zijn?’.
Beeldbron I is het aangeleverde beeldmateriaal en beeldbron II zijn de eventueel nog te maken vergelijkingsopnamen van de verdachte.
De rapporteur heeft de aangeleverde beelden bekeken en daarbij de volgende bevindingen gedaan:
- ‘Als zodanig bevatten de beelden onvoldoende details om bruikbaar te zijn voor vergelijkend onderzoek. Ook hebben wij geen aanknopingspunten gevonden voor beeldverbetering die een positieve invloed kunnen hebben op de bruikbaarheid van het materiaal voor persoonsherkenning of -vergelijking.
- Voor een analyse van de manier van lopen (“gait analysis”) geldt dat de ons beschikbare methoden onvoldoende betrouwbaar zijn om een bruikbaar resultaat te verwachten op basis van het aangeleverde materiaal.
- Een globale inschatting van het postuur van de persoon in de aangeleverde beelden geeft geen reden aan te nemen dat dit veel afwijkt van een normaal postuur. Indien de verdachte een postuur heeft dat overduidelijk afwijkt van een dergelijk postuur, kan dit mogelijk leiden tot uitsluiting. In dat geval is echter de verwachting dat dit ook zonder onderzoek door het NFI al duidelijk zal zijn.
- De mogelijkheden voor een schatting van de lengte zijn beoordeeld. De verwachting is dat de meetonzekerheden die het gevolg zullen zijn van onder meer de beperkte resolutie, het gebrek aan contrast en het niet beschikbaar zijn van de camera, dermate groot zullen zijn dat het onderzoek weinig tot geen bewijskracht zal hebben. Een uitzondering hierop is als de verdachte duidelijk veel korter of langer is dan gemiddeld; dan zou een onderzoek op uitsluiting uit kunnen komen. Ook hier geldt echter de verwachting dat dit ook zonder onderzoek door het NFI al te zien zou moeten zijn.
Al met zien wij geen (zinnige) mogelijkheden voor onderzoek op basis van het aangeleverde materiaal’.
De Dienst Regionale Recherche heeft aan de hand van de beelden van het incident (AAMI1746NL) aanvullend beeldonderzoek gedaan, dat bestond uit de volgende drie onderdelen:
1. Het verrichten van metingen op 7 januari 2020 van de omgeving van het incident door middel van een 3Dlaserscanning;
2. Het verzamelen van ontbrekende brongegevens;
3. Het uitvoeren van een beeldmeting mede aan de hand van lenscorrectie en cameramatching, waarvoor op 30 januari 2020 op de locatie [j-straat 3] in [plaats] vanuit dezelfde positie en met dezelfde instellingen als die van de camera van de beelden van het incident referentiebeelden van onder andere een proefpersoon en een meetlat zijn gemaakt.
De metingen van de omgeving van het incident zijn uitgevoerd met behulp van een statische 3Dlaserscanner en referentiepunten en hebben geresulteerd in een 3Dpuntenwolk van de omgeving van het incident, wat volgens de verbalisanten een realistisch beeld en een nauwkeurige maatvoering van de situatie geeft. Bij de beeldmeting zijn een lenscorrectie en cameramatching uitgevoerd waarvoor gebruik is gemaakt van nieuwe informatie van de bewoners en de oud-bewoners van de [j-straat 3] over het gebruikte camerasysteem en de positie en de oriëntatie van de camera die de beelden van het schietincident op 29 juni 2017 heeft gemaakt. De oudbewoner van de [j-straat 3] had vier camera’s rondom de woning geïnstalleerd. Onder de dakrand van een uitbouw van de woning [j-straat 3] bevonden zich nog twee van die vier camera’s. Deze waren niet meer in gebruik. De oud-bewoner heeft de verbalisanten laten weten dat hij vermoedt dat de beveiligingscamera die de beelden van het schietincident heeft vastgelegd van hetzelfde merk en type was (Grundig GCHK0323V). Een van de twee nog op het adres [j-straat 3] aanwezige camera’s is inbeslaggenomen. Ook is onder de oud-bewoner de harddiskrecorder inbeslaggenomen. Daarop hebben de verbalisanten beelden gevonden die wat betreft camerapositie, cameraoriëntatie, zoombereik, beeldverhouding en framerate overeenkomen met de beelden van het schietincident op 29 juni 2017. Aan de hand van beelden van Google Street View van augustus 2016 hebben de verbalisanten de positie van de beveiligingscamera die de beelden van het incident op 29 juni 2017 heeft gemaakt bepaald.
De lenscorrectie en cameramatching zijn uitgevoerd volgens de gevalideerde methode voor een snelheidsberekening die is ontwikkeld door het Kwaliteitsnetwerk Forensisch Omgevingsonderzoek van de politie. Het zicht van de camera in de 3Domgeving is gematcht met het zicht van de camera van de beelden van het schietincident op 29 juni 2017. Op die manier is volgens het procesverbaal een 3Dmodel verkregen waarin een 3Dfiguur of een object kan worden geplaatst voor een lengtemeting in relatie tot 2Dbeeldmateriaal.
Voor de beeldmeting zijn van zowel de persoon 1 als de persoon 2 drie verschillende beelden van de beveiligingscamera van 29 juni 2017 op drie verschillende posities gebruikt. De van de persoon 1 gemeten lengte – de afstand tussen de bovenkant van het hoofd en de onderkant van de schoen – is in de posities 1, 2 en 3 respectievelijk 179 cm, 179 cm en 178 cm. De van de persoon 2 gemeten lengte is in de posities 1, 2 en 3 respectievelijk 170 cm, 172 cm en 171 cm.
In wat de verdediging van [verdachte] heeft aangevoerd ziet het hof geen reden om het proces-verbaal beeldmeting van 11 februari 2020 niet voor het bewijs te gebruiken.
In zijn brief van 28 augustus 2019 heeft de NFI-deskundige beoordeeld of de kwaliteit van de beelden van de beveiligingscamera van [j-straat 3] kan worden verbeterd en of die beelden geschikt zijn voor beeldvergelijkend onderzoek, om een uitspraak te doen over de waarschijnlijkheid dat de verdachte een van de twee personen op de beelden is. Volgens de NFIdeskundige is het beschikbare beeldmateriaal niet geschikt voor een dergelijk onderzoek. Hij zag ook geen aanknopingspunten voor beeldverbetering. De deskundige heeft daarbij de verwachting uitgesproken dat de meetonzekerheden die het gevolg zijn van onder meer de beperkte resolutie, het gebrek aan contrast en het niet beschikbaar zijn van de camera, dermate groot zijn dat een onderzoek naar een geschatte lengte weinig tot geen bewijskracht zal hebben.
De uitgevoerde beeldmeting is echter geen beeldvergelijkend onderzoek met het oog op een persoonsherkenning of vergelijking maar een schatting van de lengte van de persoon 1 en de persoon 2 op de beelden van het schietincident op 29 juni 2017, waarvoor aanvullend onderzoek is gedaan. De inschatting dat vanwege de meetonzekerheden een onderzoek naar een geschatte lengte op basis van het aangeleverde beeldmateriaal weinig tot geen bewijskracht heeft, kan dan ook niet betekenen dat de uitkomsten van de beeldmeting zoals die uiteindelijk is uitgevoerd geen bewijswaarde zouden hebben. De verbalisanten, die tijdens hun onderzoek geen informatie hadden over de afmetingen van de verdachten, hebben in hun procesverbaal van 11 februari 2020 inzichtelijk gemaakt op welke manier zij de beeldmeting hebben verricht en welk nader onderzoek zij daarvoor hebben uitgevoerd. Wat de verdediging heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beeldmeting en de verschillende onderdelen van het daartoe uitgevoerde onderzoek onzorgvuldig, onlogisch of op een andere manier onjuist zouden zijn.
Naar het oordeel van het hof komt, ondanks de nietoptimale kwaliteit van de beelden van 29 juni 2017 van de beveiligingscamera van de [j-straat 3] , bewijswaarde toe aan de op basis van de beeldmeting geschatte lengte van de persoon 1 en de persoon 2, in die zin dat dit een betrouwbare schatting is van de lengte van die personen.
[…]
6.3.2.9. De rol van [verdachte]
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte] op 29 juni 2017 bij de beschieting van de woning aan de [j-straat 1] in [plaats] op de schutter toezicht heeft gehouden en als backup voor de schutter heeft gefungeerd.
[verdachte] heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan de onder 1 subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Hij heeft in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 2] , [betrokkene 7] en [kroongetuige] gehandeld en zelf een bijdrage van voldoende gewicht geleverd, door mee te gaan voor het houden van toezicht op [betrokkene 7] als de aangewezen schutter en door aanwezig te zijn bij het schieten en dit over te nemen als [betrokkene 7] zijn taak niet zou verrichten. [verdachte] heeft zich daarmee ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en scherpe patronen, zoals onder 2 is ten laste gelegd.”
De bespreking van het vierde middel
30. Het hof neemt de verklaring van de kroongetuige tot uitgangspunt. Die verklaring houdt in:
- Op 29 juni 2017 gaf [medeverdachte 2] [kroongetuige] de opdracht om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [j-straat 1] in [plaats] .
- Nadat [kroongetuige] tegen [medeverdachte 2] had gezegd dat hij dat zelf niet wilde doen, heeft [medeverdachte 2] contact opgenomen met [betrokkene 11] , de president van chapter [plaats] van [motorclub] . [betrokkene 11] heeft vervolgens twee jongens van zijn chapter, [betrokkene 7] en de verdachte, naar voren geschoven voor de opdracht. Ondertussen had [kroongetuige] van [medeverdachte 2] begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov.
- [kroongetuige] , [betrokkene 7] en de verdachte zijn naar de woning gereden, waar [kroongetuige] de juiste woning heeft aangewezen. Vervolgens zijn [betrokkene 7] en de verdachte uit de auto gestapt en heeft [betrokkene 7] de woning beschoten. De kalasjnikov bleef na drie of vier schoten hangen. Hierop zijn [betrokkene 7] en de verdachte teruggerend naar de Seat Leon en weggereden. [kroongetuige] heeft verklaard dat het de bedoeling was dat [betrokkene 7] als schutter optrad en dat de verdachte als back-up fungeerde, voor het geval dat [betrokkene 7] zou weigeren op de woning te schieten.
- [kroongetuige] , [betrokkene 7] en de verdachte zijn vervolgens naar [plaats] gereden. Nadat ze de auto met daarin het wapen in een woonwijk hadden geparkeerd, zijn ze naar het centrum van [plaats] gelopen en op een terras bij een homobar gaan zitten. Met de telefoon van het café heeft [kroongetuige] contact gezocht met [medeverdachte 2] om te laten weten dat de beschieting was gelukt. Verder hebben [betrokkene 7] en de verdachte contact gezocht met hun partners en heeft [betrokkene 7] geregeld dat ze zijn opgehaald door [betrokkene 22] (zijn vriendin).
31. De betrokkenheid van de verdachte volgt daarnaast uit ander bewijs, dat steunt biedt aan de verklaring van de kroongetuige. Het hof stelt vast:
- Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [betrokkene 7] (* [telefoonnummer 5] en * [telefoonnummer 6] ), de verdachte (* [telefoonnummer 4] ) en [betrokkene 11] (* [telefoonnummer 7] ) volgt dat zij op 29 juni 2017 aan het begin van de avond onderling contact hebben gehad.
- Op camerabeelden van de beschieting (om 22.51 uur) zijn twee personen te zien. De politie heeft onderzoek gedaan naar de lengte van de twee personen die op deze beelden zijn te zien (‘de beeldmeting’). De lengte van de eerste en van de tweede persoon is daarbij geschat op respectievelijk tussen 1.78 en 1.79 m. en tussen 1.70 en 1.72 m. [betrokkene 7] is 1.78 m. lang en de verdachte 1.72 m.
- Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ), [betrokkene 22] (* [telefoonnummer 8] en * [telefoonnummer 9] ) (partner van [betrokkene 7] ) en [betrokkene 23] (* [telefoonnummer 10] ) (partner van de verdachte) is gebleken dat zij op 29 juni 2017 tussen 23.53 uur en 30 juni 2017 om 00.45 uur telefonisch contact hebben gehad met het [telefoonnummer 11] . Dit nummer is van café [C] in [plaats] .
32. Gelet op het bovenstaande is het oordeel van het hof over de aanwezigheid en betrokkenheid van de verdachte (als back-up van de schutter) niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
33. Het vierde middel faalt.
Het vijfde middel
34. Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van de kroongetuige in de zaken Gezicht en Lis .
De pleitnota en de overwegingen van het hof
35. De steller van het middel verwijst ter onderbouwing op de inhoud van de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde en voorgedragen pleitnota (p. 45 en 46). Dit deel van de pleitnota luidt als volgt:
“3.6. De kroongetuigendeal
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de kroongetuigendeal niet gesloten had mogen worden in de zaak Gezicht en Lis . De kroongetuige weet niet of nauwelijks iets over de zaak [slachtoffer 2] hij heeft zich hier - zo blijkt - vergist.
Waar het de verdenkingen jegens cliënt betreft betekent dit dat er door het openbaar ministerie een kroongetuigendeal is aangegaan voor de beschieting van een - onbewoond - pand aan de [j-straat 1] te [plaats] .
De kroongetuigendeal dient te worden getoetst aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daaraan voldoet deze deal, voorgesteld door het OM en getoetst door de R-C in het kader van art. 226g Sv niet.
Althans niet in het kader van het onderzoek Gezicht .
Ten onrechte heeft de rechter-commissaris op 14 november 2018 de overeenkomst met de kroongetuige 226g Sv rechtmatig geoordeeld.
Ten aanzien van het onderzoek Gezicht had gelet op de relatief betrekkelijke ernst van dit feit, ervoor moeten worden gekozen de beschieting niet als lijstfeit te doen opnemen in de overeenkomst.
[kroongetuige] had hier eventueel afzonderlijk voor kunnen worden vervolgd. Zijn verklaringen hadden dan kunnen worden beoordeeld als “gewone” verklaringen van een medeverdachte. Ook bij een eventuele vervolging van cliënt.
Van een poging doodslag als ten laste gelegd was evident geen sprake. Niet op de uithuizige bewoners, niet op de buren. In de kroongetuigeovereenkomst wordt ook aangegeven dat subsidiair sprake zou kunnen zijn van bedreiging en vernieling (p. 2 van 7). In de tenlastelegging van cliënt is dat openlijk geweld tegen goederen geworden.
Nu de rechtmatigheid van de overeenkomst door de rechter-commissaris is getoetst en de voorgenomen overeenkomst rechtmatig werd bevonden en tot stand is gekomen, is de vraag welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de disproportionaliteit van de inzet van dit paardenmiddel.
De verdediging ziet dit als een ernstig vormverzuim in het kader van het voorbereidend onderzoek, waardoor de gerechtvaardigde belangen (waaronder zijn recht op een eerlijk proces binnen redelijke termijn) van cliënt in ernstige mate en onherstelbaar zijn geschonden. Toepassing van art. 359a Sv ligt voor. Nu de overeenkomst is getoetst door de rechter-commissaris is het vormverzuim niet langer alleen toe te rekenen aan het OM.
Het belang van het stellen van strenge (ongeschreven) eisen aan de inzet van de kroongetuige is groot. Bij verdenkingen die objectief beschouwd niet meer dan een “bedreiging en vernieling” inhouden, dient deze opsporingsmethode niet te worden ingezet.
Een passende sanctie op deze normoverschrijding is uitsluiting van het bewijs, waar het betreft de verklaringen van [kroongetuige] voorzover deze betrekking hebben op de beschieting van het pand aan de [j-straat] .
Door dit feit op te nemen in de deal is het risico in het leven geroepen dat de kroongetuige na het sluiten van de deal niet meer terug wenste en/of durfde te komen op zijn beschuldigingen aan het adres van mijn cliënt.
Het is aannemelijk dat hij ervoor zou kiezen te persisteren in zijn verhaal, ook als hij zou weten dat het niet klopt. De waarheidsvinding wordt zodoende ernstig belemmerd door de deal.
Reden waarom de verdediging de rechtbank verzoekt op grond van art. 359a Sv geen verklaringen van [kroongetuige] te gebruiken voor het bewijs in de zaak Gezicht .”
36. Het hof heeft, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen:
“5.3.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst
Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [kroongetuige] , omdat de overeenkomst met [kroongetuige] niet rechtmatig zou zijn.
Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [kroongetuige] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [kroongetuige] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [kroongetuige] in het deelonderzoek Langenhorst. Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [kroongetuige] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 1] , omdat [kroongetuige] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [kroongetuige] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging.
Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [kroongetuige] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen.
Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk?
Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [kroongetuige] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Het hof stelt vast dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [kroongetuige] te komen. [kroongetuige] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [kroongetuige] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie.
(…)
Samenvatting en conclusie
De overeenkomst met [kroongetuige] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [kroongetuige] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [kroongetuige] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [kroongetuige] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet.”
De bespreking van het vijfde middel
37. Voor zover het door de verdediging aangevoerde kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot bewijsuitsluiting, wat mijns inziens niet het geval is, is dit kennelijk gegrond op twee argumenten. Allereerst dat de kroongetuige niet of nauwelijks iets weet over het deelonderzoek Lis en zich wat die zaak betreft kennelijk heeft vergist. Ten tweede dat de rechter-commissaris ten onrechte heeft geoordeeld dat de overeenkomst met de kroongetuige rechtmatig was, in ieder geval voor zover die overeenkomst deelonderzoek Gezicht betrof, omdat de opname van dit feit als lijstfeit gezien de beperkte ernst ervan disproportioneel is.
38. Het hof heeft vastgesteld dat de verklaringen van de [kroongetuige] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv en heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [kroongetuige] te komen. Daarbij heeft het hof erop gewezen dat [kroongetuige] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland, dat zijn verklaringen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers betroffen en dat door de verklaringen zicht is verkregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven.
39. Mijns inziens faalt het middel. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het heeft geoordeeld dat de kroongetuigeovereenkomst ook rechtmatig was voor zover deze overeenkomst betrekking had op de deelonderzoeken Lis en Gezicht . Deze deelonderzoeken betroffen respectievelijk een voltooide moord en een beschieting van een woning, ten laste gelegd als, kort gezegd, verboden wapenbezit en poging tot doodslag, subsidiair openlijke geweldpleging, meer subsidiair bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Dit zijn misdrijven als omschreven in artikel 226g lid 1 Sv waarop een kroongetuigeovereenkomst betrekking kan hebben. Het oordeel van het hof getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak en de verbanden tussen de deelonderzoeken Lis en Gezicht en andere deelonderzoeken waarop de kroongetuigeovereenkomst betrekking heeft, is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de kroongetuige uiteindelijk weinig bleek te weten over het deelonderzoek Lis en dat de feiten in het deelonderzoek Gezicht vergeleken met de feiten in de overige deelonderzoeken relatief lichtere strafbare feiten zijn, doet aan ’s hofs oordeel niet af. Nu het hof de kroongetuigeovereenkomst rechtmatig heeft geacht, was het niet gehouden nader in te gaan op het door de verdediging aangevoerde, aangezien het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting was gegrond op de opvatting dat de rechter-commissaris de kroongetuigeovereenkomst ten onrechte rechtmatig had geacht.
40. Het vijfde middel faalt.
Het zesde middel
41. Het zesde middel bevat klachten over (de motivering van) de bewezenverklaring in de zaak Goudvink .
Het verweer van de verdediging
42. De verdediging heeft in de zaak Goudvink – voorbereiding van moord op [slachtoffer 3] – vrijspraak bepleit. Betoogd is (onder meer) dat de belastende verklaringen van getuigen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] onbetrouwbaar zijn en van het bewijs moeten worden uitgesloten. Het lijkt erop, aldus de verdediging, dat zij hun eigen betrokkenheid trachten te verhullen door naar de verdachte te wijzen. Van betrouwbare, belastende verklaringen kan dan ook niet worden gesproken. Ter onderbouwing van dit verweer is ter terechtzitting in hoger beroep in het bijzonder gewezen op het volgende:
- uit een aantal telefoontaps, en ander getuigenbewijs, blijkt dat getuige [medeverdachte 1] spreekt over zijn tas en een BMW met daarin een vuurwapen;
- [medeverdachte 1] verklaarde te weten dat iedereen weet dat hij met wapens loopt;
- in een onderschept telefoongesprek deelt de vader van [medeverdachte 1] mee dat [medeverdachte 1] erbij is als ‘ze’ die telefoon vinden;
- [medeverdachte 1] heeft tegenover haar vader verteld dat de BMW van haar is;
- op het magazijn van het wapen is DNA-materiaal gevonden waarvan kenmerken bij de familie [medeverdachte 1] passen;
- de witte Nokia-telefoon is volgens de verdachte afkomstig uit de middenconsole van de BMW;
- [medeverdachte 1] heeft gesproken over de ‘ […] mensen’ die de BMW hebben gebruikt kort voor 1 augustus 2018, terwijl niet blijkt van enige relatie tussen de verdachte en deze Molukse mensen;
- de BMW wordt in die dagen echter wel gesignaleerd in de buurt van de woning van [betrokkene 24] , eigenaar van [D] .
De bewijsvoering
43. Het hof heeft het verweer verworpen en heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden van de moord op [slachtoffer 3] ( deelonderzoek Goudvink ). De bewijsoverwegingen van het hof houden onder meer in (onderstrepingen van mijn hand):
“6.3.4. GOUDVINK
Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.
6.3.4.1. De aanhouding op 1 augustus 2018 met vuurwapen, demper en patronen in een gestolen voertuig
Op 1 augustus 2018 zijn [verdachte] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 14] aangehouden in een naar wat later blijkt gestolen BMW voorzien van de valse kentekenplaten [kenteken 2] . In de kofferbak is een rugtas aangetroffen met daarin een automatisch vuurwapen met een daarbij passende demper en patronen.
6.3.4.1.1. BMW en rugtas van [verdachte]
Uit verklaringen van [medeverdachte 1] en haar broertje [medeverdachte 1] blijkt dat zowel de gestolen BMW als de geleende rugtas toebehoorde aan [verdachte] .
6.3.4.2. De PGP-telefoon van [verdachte]
Bij de fouillering van [verdachte] is een PGP-telefoon van het merk Nokia inbeslaggenomen. Deze telefoon is nader onderzocht en uit dit onderzoek is gebleken dat daarin verschillende audioberichten waren opgeslagen. Op twee audiogesprekken, van 27 juli 2018 en 31 juli 2018, is de stem van [verdachte] te horen.
Verder heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [verdachte] dagelijks gebruikmaakte van twee telefoons, waaronder een witte telefoon waarmee [verdachte] alleen berichten verzond en nooit belde. Deze telefoon droeg hij bij zich bij zijn aanhouding.
Het hof stelt daarom vast dat de onder [verdachte] inbeslaggenomen PGP-telefoon aan [verdachte] toebehoorde en door hem werd gebruikt.
6.3.4.3. De overdracht van een TomTom
Op 21 augustus 2018 legde [medeverdachte 1] een getuigenverklaring af. Tijdens deze getuigenverklaring gaf zij aan dat in haar woning een TomTom van [verdachte] lag. Deze TomTom had [verdachte] aan haar broertje [medeverdachte 1] gegeven om op te laden. Zij overhandigde de TomTom aan de politie. De TomTom werd op 21 augustus 2018 inbeslaggenomen en zowel handmatig als digitaal uitgelezen.
6.3.4.4. De eerdere bezoeken aan [plaats]
Uit nader onderzoek naar de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [verdachte] (* [telefoonnummer 13] ), een andere telefoon van [verdachte] (* [telefoonnummer 4] ) en de telefoon van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 12] ), is gebleken dat de PGP-telefoon (* [telefoonnummer 13] ) op 9, 10, 19 en 25 juli 2018 een zendmast aanstraalde in [plaats] , waarbij op 10, 19 en 25 juli 2018 een zendmast werd aangestraald die zich nabij de voormalige woning van [slachtoffer 3] bevindt op het adres [bb-straat 1] in [plaats] . Uit de analyse van de verkeersgegevens van de telefoon van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 12] ) is gebleken dat dit telefoonnummer op 17, 19, 25 en 26 juli 2018 gebruikmaakte van een zendmast nabij de voormalige woning van [slachtoffer 3] in [plaats] .
Op de PGP-telefoon (* [telefoonnummer 13] ) zijn verschillende afbeeldingen aangetroffen, waaronder drie afbeeldingen van een woonwijk. Deze foto’s zijn gemaakt op 18 juli 2018 om 21.26 uur en 21.27 uur en op 19 juli 2018 om 10.19 uur. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat de woonwijk is gefotografeerd vanaf de [plaats] in de richting van [locatie] in [plaats] . In de verte geeft de foto van 18 juli 2018 zicht op het adres van [slachtoffer 3] .
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij meerdere keren op verzoek van [verdachte] met [verdachte] zelf en met [verdachte] en [betrokkene 14] naar [plaats] is gereden, waarbij [verdachte] tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd dat hij daar een woning ging bezichtigen. Op 1 augustus 2018 – de dag van de aanhouding – zijn [medeverdachte 1] , [verdachte] en [betrokkene 14] met de voornoemde BMW en de Volkswagen Polo van [medeverdachte 1] naar [plaats] gereden, waar [verdachte] en [betrokkene 14] met de Volkswagen Polo een wijk zijn ingereden. Vijf minuten later kwamen zij aanlopen en stapten ze in bij [medeverdachte 1] in de BMW. Uiteindelijk zijn ze met zijn drieën aangehouden op de terugweg naar [plaats] . De Volkswagen Polo is enige tijd later opgehaald in [plaats] door familie van [medeverdachte 1] . Bij de aanhouding van [betrokkene 14] is een autosleutel aangetroffen van het merk Volkswagen.
Uit de ontsleutelde TripLogs bleek dat de meest recente bestemming in bovengenoemde TomTom [cc-straat] in [plaats] was. [cc-straat] grenst aan [bb-straat] in [plaats] .
6.3.4.5. Het PGP-gesprek over [slachtoffer 3] op een onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen telefoon
Op een onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen Samsung-telefoon is een video aangetroffen van een PGPgesprek van onder meer 24 september 2018. In deze chat vraagt ‘NN’, veredeld als [medeverdachte 2] , aan ‘ [bijnaam 6] ’, niet veredeld, of hij [slachtoffer 3] kent. [medeverdachte 2] vraagt dit omdat hij meer informatie over [slachtoffer 3] wil. Hij wil graag weten in wat voor auto hij rijdt. De beloning is ‘150’, maar dat kan worden verhoogd. [medeverdachte 2] zegt tegen ‘ [bijnaam 6] ’ dat hij wat ‘moois’ zal krijgen als hij dé tip geeft. [medeverdachte 2] geeft te kennen dat hij al weet dat [slachtoffer 3] woonachtig is op [bb-straat] en dat hij elke woensdag zijn vuilnisbak buitenzet. Verder laat [medeverdachte 2] weten: “Maar deze hadden we al bijna. Zette zijn bak buiten. Nog steeds. Maar hij is schichtig. Kijkt goed om zich heen” en “Huis hebben we al. Nu alleen auto en café exact. Als ik auto weet staan ze ernaast in bus”.
Uit onderzoek bij de gemeente [plaats] blijkt dat in heel 2018 afval op donderdag werd ingezameld.
Op een onder [betrokkene 4] inbeslaggenomen PGPtelefoon zijn chats uit februari 2018 aangetroffen (die alsnog in 2024 zijn ontsleuteld en) die zijn gevoerd door ‘ [bijnaam 7] ’, veredeld als [betrokkene 4] , ‘ [bijnaam 2] ’, veredeld als [medeverdachte 2] , en ‘ [bijnaam 8] ’, veredeld als [betrokkene 17] . Op 1 maart 2018 heeft ook ‘ [bijnaam 9] ’, veredeld als [verdachte] , aan het gesprek deelgenomen. Uit de chats is af te leiden dat een foto van een man met opvallende overeenkomsten met [slachtoffer 3] met op de achtergrond diens woning op het adres [bb-straat 1] in [plaats] is gedeeld. Ook wordt gesproken over het adres [bb-straat] in [plaats] en het aan de straat zetten van de vuilnisbak op donderdagavond en het weer binnenzetten daarvan op vrijdagochtend rond 10.00 uur. Gezegd wordt dat het controleren van de vuilnisbak een verificatiemiddel is: als die er dan tussenstaat ‘ben je er zeker van dat ie de volgende dag komt’. Uit een chat van woensdag 28 februari 2018 ’s avonds en een chat uit de nacht van woensdag op donderdag 1 maart 2018 leidt het hof af dat [betrokkene 4] zich toen met [verdachte] naar (de omgeving van) de woning van [slachtoffer 3] heeft verplaatst. Dat zij in de nacht van woensdag op donderdag zich daarnaartoe hebben verplaatst past bij het vuilnis buiten zetten als ‘verificatiemiddel’ en de informatie van de gemeente [plaats] dat het afval op donderdag wordt ingezameld.
Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat de organisatie van [medeverdachte 2] bezig was met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 3] , ook al enige tijd voor het bericht van 24 september 2018, en dat de organisatie van [medeverdachte 2] ook al eerder had bedacht dat het binnenzetten van de vuilnisbak een moment zou kunnen zijn om het beoogde slachtoffer aan te treffen.
6.3.4.6. De rol van [verdachte]
[verdachte] heeft zich op 1 augustus 2018 schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 3] . Hij is op 1 augustus 2018 aangehouden, terwijl hij als bijrijder in een gestolen auto reed. De auto was voorzien van valse kentekenplaten en in de kofferbak lag een vuurwapen met daarbij passende munitie en een geluiddemper. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de gestolen auto, het wapen, de munitie en de geluiddemper feitelijk aan [verdachte] toebehoorden. Bovendien beschikte [verdachte] bij zijn aanhouding over een PGP-telefoon, met daarop foto’s van de directe omgeving van het woonadres van [slachtoffer 3] .
Op grond van de resultaten van het na de aanhouding verrichte onderzoek, zijn deze omstandigheden redelijkerwijs niet anders te duiden dan dat [verdachte] op 1 augustus 2018 bezig was met het voorbereiden van de voorgenomen moord op [slachtoffer 3] . Het hof overweegt daartoe verder als volgt.
Uit de hiervoor besproken chatberichten uit februari 2018 en de door [medeverdachte 2] gefilmde chatberichten van 24 september 2018 blijkt dat [medeverdachte 2] zich met zijn criminele organisatie bezighield met de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 3] , waarbij onder meer de adresgegevens van [slachtoffer 3] zijn gedeeld en de gangen van [slachtoffer 3] zijn nagegaan. [medeverdachte 2] merkt in deze berichten van 24 september 2018 ook op dat ze [slachtoffer 3] “al bijna hadden”.
Tegen deze achtergrond staat voor het hof vast dat [verdachte] zich heeft beziggehouden met het voorbereiden van de moord op [slachtoffer 3] . [verdachte] maakte deel uit van de criminele organisatie van [medeverdachte 2] en heeft in de nacht van woensdag op donderdag 1 maart 2018 en in juli 2018 (diverse malen) de directe woonomgeving van [slachtoffer 3] bezocht. Daarbij beschikte hij op zijn PGP-telefoon over foto’s met uitzicht op de directe woonomgeving van [slachtoffer 3] en is hij op de dag van de aanhouding in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer 3] geweest met de BMW, het wapen, de geluidsdemper en de bijpassende munitie. Aangezien enige plausibele verklaring van de zijde van [verdachte] is uitgebleven, kunnen deze omstandigheden redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat [verdachte] op 1 augustus 2018 voornoemde goederen voorhanden heeft gehad voor het begaan van de moord op [slachtoffer 3] .
Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door de getuigen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen. Die verklaringen worden ondersteund door onder meer de telecomgegevens van [verdachte] , zijn connectie met de criminele organisatie van [medeverdachte 2] , zoals die ook in het deelonderzoek Gezicht is gebleken, en het aantreffen onder [verdachte] van het PGP-toestel met daarop foto’s van de directe omgeving van de woning van het beoogde slachtoffer.
6.3.4.6.1. Voorhanden hebben PGP-telefoon en navigatiesysteem
Zoals gezegd, had [verdachte] bij zijn aanhouding de beschikking over een PGPtelefoon en is een navigatiesysteem van hem inbeslaggenomen. Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij gedragingen heeft verricht die strekten ter voorbereiding van de moord op [slachtoffer 3] en dat hij daartoe opzettelijk de PGP-telefoon en een navigatiesysteem bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.
Ingevolge artikel 46, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar de voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft. In deze bepaling wordt met ‘dat misdrijf’ in de zinsnede ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid en dus niet op de voorbereiding zelf (zie HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198, en HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956). Dat betekent dat het object waarop een in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht genoemde gedraging betrekking heeft, moet zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid.
Het is niet gebleken dat de PGP-telefoon die [verdachte] bij zijn aanhouding voorhanden had en het later inbeslaggenomen navigatiesysteem, waren bestemd tot het begaan van de moord op [slachtoffer 3] . Het voorhanden hebben van die voorwerpen kan daarom niet als voorbereiding van moord worden gezien.”
De toelichting op het zesde middel
44. Volgens de toelichting op het middel heeft het hof verzuimd te responderen op de bewijs- en betrouwbaarheidsverweren, in het bijzonder daar waar het de betwisting van de betrouwbaarheid van de getuigen [medeverdachte 1] betreft. Daardoor zijn ’s hofs vaststellingen, de summiere verwerping van de verweren, alsook de bewezenverklaring, niet (zonder meer) begrijpelijk (klacht i).
45. Daarnaast merkt de steller van het middel zijdelings nog op dat het hof “enerzijds wel waarde zegt toe te kennen aan de veronderstelde PGP-telefoon en anderzijds niet”. Ook dat acht de steller van het middel niet begrijpelijk (klacht ii).
De bespreking van het zesde middel
46. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte de moord op [slachtoffer 3] heeft voorbereid. In zijn oordeel heeft het hof betrokken dat de verdachte deel uitmaakte van de criminele organisatie van [medeverdachte 2] , dat hij beschikte over een PGP-toestel met daarop foto’s met uitzicht op de directe woonomgeving van het slachtoffer, en dat de verdachte zowel in de nacht van 1 maart 2018 en in juli 2018 (diverse malen), als op de dag van de aanhouding (met de BMW, het wapen, de geluidsdemper en bijpassende munitie) de directe woonomgeving van [slachtoffer 3] heeft bezocht. Deze omstandigheden kunnen, in aanmerking genomen dat een plausibele verklaring van de zijde van de verdachte is uitgebleven, redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat hij op 1 augustus 2018 deze goederen voorhanden heeft gehad voor het begaan van de moord op [slachtoffer 3] . Vervolgens heeft het hof in het bijzonder nog opgemerkt dat het – anders dan de verdediging – geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de getuigen [medeverdachte 1] . Die verklaringen worden immers ondersteund door (onder meer) (i) de telecomgegevens van de verdachte, (ii) zijn connectie met de criminele organisatie van [medeverdachte 2] , zoals die ook in het deelonderzoek Gezicht is gebleken, en (iii) het onder de verdachte aantreffen van het PGP-toestel met daarop foto’s van de directe omgeving van de woning van het beoogde slachtoffer.
47. Daarmee heeft het hof, anders dan de steller van het middel betoogt, gerespondeerd op het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging. Nu ook de bewezenverklaring, mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, voldoende met redenen is omkleed, faalt de klacht onder (i).
48. Ook de klacht onder (ii), dat het hof enerzijds wel, en anderzijds geen, waarde heeft toegekend aan het bezit van het PGP-toestel, strandt, vanwege een onjuiste lezing van het arrest (zie ook hiervoor onder randnummer 43).
49. Het zesde middel faalt in al zijn onderdelen.
Het zevende middel
50. Met dit middel wordt opgekomen tegen de beslissing van het hof om te volstaan met de constatering van een vormverzuim bij het vorderen van verkeers- en locatiegegevens bij aanbieders van elektronische-communicatiediensten (telecomproviders). Die constatering heeft te maken met een aantal relatief recente uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), onder meer in de zaak Prokuratuur.
De overwegingen van het hof
51. Het arrest bevat de volgende overwegingen:
“5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens
In het onderzoek Eris zijn diverse mobiele telefoons, computers en andere elektronische gegevensdragers inbeslaggenomen. De politie heeft zich toegang verschaft tot die gegevensdragers en onderzoek gedaan naar de gegevens die daarin zijn opgeslagen of anderszins zijn te vinden. Daarnaast heeft de officier van justitie in het onderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens gevorderd, hebben telecomaanbieders toegang verleend tot dergelijke gegevens en heeft de politie ook daarnaar onderzoek gedaan.
Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad ziet het hof aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen over het onderzoek aan de gegevens in mobiele telefoons, computers en andere gegevensdragers en over het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens.
Het HvJ EU heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/680. Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck) heeft het hof geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). Daarvoor gelden voorwaarden. De richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan.
Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens.
Het hof constateert dat uit de procestukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk wordt of de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar deze in beslag heeft genomen. Waar een mobiele telefoon of een andere elektronische gegevensdrager in beslag is genomen door de rechter-commissaris kan er – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – van worden uitgegaan dat met de inbeslagneming is beoogd onderzoek naar de inhoud van deze gegevensdrager te laten doen door de politie en andere door politie en justitie ingeschakelde personen zoals deskundigen van het NFI. De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming biedt in een dergelijk geval de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan het inbeslaggenomen voorwerp, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Omdat de processtukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk maken door wie deze in beslag is genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat niet alleen de rechtercommissaris maar ook de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren elektronische gegevensdragers in beslag hebben genomen. Het hof kan bovendien aan de hand van de processtukken niet vaststellen of de rechter-commissaris – een rechterlijke instantie volgens de rechtspraak van het HvJ EU – per afzonderlijke gegevensdrager toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de daarin beschikbare gegevens, ook als er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
Daarnaast moet het hof op grond van de processtukken ervan uitgaan dat de politie zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onderzoek heeft gedaan aan gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens).
In het geval dat voorafgaande toestemming (in de vorm van een schriftelijke machtiging) van de rechter-commissaris ontbreekt, is er in de zojuist bedoelde gevallen waarin een elektronische gegevensdrager bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar in beslag is genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin beschikbare gegevens, waarbij er een kans bestaat dat nauwkeurige conclusies over iemands privéleven worden getrokken, en in de gevallen waarin onderzoek is gedaan aan door de officier van justitie gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte.
De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting (zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4).
Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager beschikbare gegevens als er een kans is om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Van belang hierbij is dat het uitsluiten van de resultaten van dergelijk onderzoek van het gebruik voor het bewijs niet noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM – en het daarmee overeenkomende artikel 47, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – te voorkomen, tenzij door een of meer van de vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt en die vormverzuimen vervolgens niet in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.
Dergelijke complicaties zijn door de verdediging niet gesteld en ook overigens niet gebleken.
Voor de toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is gerechtvaardigd. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen waardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de rechter volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.2 en 2.3.4.)
In het onderzoek Eris gaat het om de verdenking van zeer ernstige strafbare feiten. Het onderzoek is gericht tegen een criminele organisatie die zich zou hebben beziggehouden met het plegen van liquidaties en daarbij gebruikmaakte van PGP-telefoons. Het onderzoeken van de inhoud van inbeslaggenomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden, waren niet voorhanden. De inbreuk op het privéleven van de verdachte verschilt per gegevensdrager. In het geval van gegevens in PGP-telefoons gaat het – als deze bewaard zijn gebleven – voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en de uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-telefoons alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om dan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken is gering. Bij het onderzoek aan gegevens in andere gegevensdragers dan PGP-telefoons is in het onderzoek Eris, naast talloze gegevens over criminele gedragingen, ook toegang verkregen tot gegevens die niet met criminele activiteiten te maken hebben. Daarbij is de privacy van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving zoals gezinsleden (wel) in het geding.
Niet is gebleken dat de politie toegang heeft verkregen tot gegevens van grote aantallen willekeurige derden, zoals het geval kan zijn bij het zich toegang verschaffen tot de op een server beschikbare gegevens, in welk geval het nemen van maatregelen ter bescherming van de privacy van derden kan zijn geboden. De gegevens waartoe in het onderzoek Eris toegang is verkregen, betreffen voornamelijk de verdachten zelf en personen uit hun omgeving.
Dat door het onderzoek aan de gegevens die in de (onder de verdachte) inbeslaggenomen gegevensdragers beschikbaar zijn en door het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens inzicht is verkregen in aspecten van het privéleven van de verdachte en eventueel degenen waarmee de verdachte contact had, is onontkoombaar. Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten die in het onderzoek Eris centraal staan het rechtvaardigt dat dit onderzoek is verricht en dat het belang daarvan opweegt tegen de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van de verdachte en een beperkt aantal derden. Het hof gaat er dan ook van uit dat, gelet vooral op de aard en ernst van de verdenkingen, de rechter-commissaris voor dit onderzoek voorafgaande toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd.
De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de hier door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast.
Het hof volstaat mede daarom met de enkele constatering dat in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een of meerdere van de door het hof aan de orde gestelde vormverzuimen zijn begaan.”
Een nadere omschrijving van het zevende middel
52. Het gaat de steller van het middel erom dat data gerelateerd aan de privé-telefoon van de verdachte zijn opgevraagd, zonder daaraan voorafgaand een rechterlijke machtiging te vorderen. Op die telefoon stonden persoonsgegevens die bescherming genieten. Het hof had die gegevens op grond van artikel 359a Sv van het bewijs moeten uitsluiten, omdat inbreuk is gemaakt op de in artikel 6 en 8 EVRM gewaarborgde rechten van de verdachte. Dat hierop in feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd, maakt dat niet anders, omdat deze jurisprudentie toen nog volop in ontwikkeling was.
Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck
53. De afgelopen jaren hebben zich op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens in het Unierecht ontwikkelingen voorgedaan die van invloed zijn op de normering van bepaalde opsporingsbevoegdheden in het Nederlandse strafprocesrecht. Het Hof van Justitie heeft een aantal uitspraken gedaan over Richtlijn 2002/58/EG, onder andere in de zaak Prokuratuur. Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak Landeck uitspraak over Richtlijn 2016/680.
54. In een arrest van 5 april 2022 ging de Hoge Raad in op de gevolgen van de rechtspraak van het Hof van Justitie over Richtlijn 2002/58/EG. Het arrest van de Hoge Raad ziet op de uitleg van de bepalingen die gaan over de bevoegdheid van de officier van justitie tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens) bij de aanbieder van een communicatiedienst (een telecomprovider, bedoeld in artikel 138g Sv). De Hoge Raad oordeelde dat de rechtspraak van het Hof van Justitie meebrengt dat de officier van justitie die van een telecomprovider verkeers- en locatiegegevens wil vorderen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, gehouden is éérst een schriftelijke (bij spoed: mondelinge) machtiging van de rechter-commissaris te verkrijgen. Bij zijn beslissing over de daartoe strekkende vordering beoordeelt de rechter-commissaris of daarmee wordt voldaan aan de wettelijke eisen en aan maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit.
55. De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck gaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.”
56. Verder is van belang dat Hoge Raad naar aanleiding van het Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers.
57. Uitgangspunt bij toepassing van de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen is dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot (1) de aard, (2) de ernst en (3) de gevolgen van het vormverzuim (d.w.z. het daardoor teweeggebrachte nadeel). Dit betekent dat bewijsuitsluiting slechts plaatsvindt om een schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen of onder bijzondere omstandigheden als rechtstatelijke waarborg bij ernstige schendingen van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door een voldoende ernstig vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, dat het vormverzuim concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast en dat strafvermindering vanwege het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. De rechter die ambtshalve een vormverzuim constateert en beslist om met die constatering te volstaan, moet dit motiveren.
58. Als het vormverzuim bestaat uit het uitoefenen van een opsporingsbevoegdheid zonder machtiging van de rechter-commissaris, kan de rechter bij zijn beslissing over toepassing van artikel 359a Sv meewegen dat de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk wel een machtiging zou hebben afgegeven als hem dat tijdig zou zijn gevraagd. Dat zegt immers iets over de aard, ernst en gevolgen van het verzuim. Verder komt bij die beoordeling betekenis toe aan wat de verdachte en zijn advocaat naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld over het wel of niet concreet geleden nadeel.
59. Dat brengt mij tot slot op de stelling dat niet in het nadeel van de verdachte mag of had mogen werken dat over de (ambtshalve geconstateerde) vormverzuimen geen verweer als bedoeld in artikel 359a Sv is gevoerd. De steller van het middel voert daartoe aan dat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad d.d. 18 maart 2025 dateert van ná de bestreden uitspraak d.d. 12 februari 2025.
60. In dit verband merk ik op dat de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie al op 20 april 2023 concludeerde in de zaak Landeck. De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). Bovendien dateert het Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie).
De bespreking van het zevende middel
61. Het hof heeft overwogen dat ervan moet worden uitgegaan dat de officier van justitie in het opsporingsonderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) heeft gevorderd zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie. Waar dat in het voorbereidend onderzoek van de strafzaak tegen de verdachte heeft plaatsgevonden is volgens het hof sprake van onherstelbare vormverzuimen wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan in het vervolg moet worden uitgegaan.
62. Het hof komt vervolgens tot de beslissing om aan die vormverzuimen géén rechtsgevolg(en) te verbinden. Voor die beslissing geeft het hof de volgende redenen:
(i). De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting.
(ii). In het onderzoek Eris stonden verdenkingen van zeer ernstige strafbare feiten centraal. Gelet op de aard en de ernst van die verdenkingen waren de privacy-schendingen gerechtvaardigd en moet worden aangenomen dat de rechter-commissaris voor het onderzoek van verkeers- en locatiegegevens voorafgaande toestemming zou hebben verleend, als de officier van justitie deze had gevorderd.
(iii). De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast.
63. Het hof heeft hiermee toereikend gemotiveerd dat kan worden volstaan met de (ambtshalve) constatering van de genoemde vormverzuimen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
64. Het zevende middel faalt.
Het achtste middel
65. Met het achtste middel wordt opgekomen tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van ‘deelneming aan een criminele organisatie’.
De bewijsvoering
66. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die tot het oogmerk heeft het plegen van misdrijven. In dit verband heeft het hof onder meer het volgende overwogen (onderstrepingen van mijn hand):
“6.3.5. CRIMINELE ORGANISATIE (140 SR)
6.3.5.1
De criminele organisatie
(…)
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in de diverse deelonderzoeken en wat daarover in het kader van de verschillende deelonderzoeken is overwogen, en ook op grond van de aanvullende bewijsmiddelen over de criminele organisatie en bijlage 3 bij dit arrest (veredelingen en identificaties) komt het hof tot de conclusie dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat zich gedurende meer dan een jaar in wisselende samenstelling maar met een vaste kern, heeft beziggehouden met het plegen van liquidaties dan wel voorbereidingen daartoe, alsmede het bezit van vuurwapens en munitie.
Sleutelfiguur van de criminele organisatie was [medeverdachte 2] . Hij organiseerde liquidaties en maakte daarvoor gebruik van personen uit zijn netwerk. Veel van die personen waren op een of andere manier verbonden met [motorclub] . Toch kan [motorclub] niet met de criminele organisatie worden vereenzelvigd. Aan de criminele organisatie werd ook deelgenomen door personen die niet of nauwelijks met [motorclub] te maken hadden. Andersom was niet elk lid van [motorclub] bij de activiteiten van de criminele organisatie betrokken.
De opdrachten tot liquidatie werden verstrekt door meerdere opdrachtgevers. Drie van de vijf in het dossier Eris behandelde moordonderzoeken zijn uitgevoerd in opdracht van één organisatie. Vanuit diezelfde organisatie zijn ook tal van opdrachten verstrekt tot het vermoorden van andere personen. Deze opdrachten hebben niet geleid tot voltooide liquidaties, maar wel tot voorbereidingen dan wel pogingen daartoe. Ook is er opdracht gegeven tot het beschieten van een huis in [plaats] .
(…)
De leden van de organisatie maakten gebruik van PGP-toestellen om heimelijk met elkaar te kunnen communiceren. Ook maakten zij gebruik van (automatische) vuurwapens, (gestolen) voertuigen, valse kentekenplaten en lokkers, zoals in de afzonderlijke deelonderzoeken bewezen is verklaard. Verder werden wapens en auto’s ten behoeve van liquidaties verborgen in een loods in [plaats] en werden wapens ingebouwd in elektronische apparatuur. Ook werden er bij liquidaties gebruikte auto’s in brand gestoken.
Dat het oogmerk van de organisatie niet alleen zag op moord en de voorbereiding daarvan, maar ook op het bezit van vuurwapens en munitie, volgt al uit het feit dat voor liquidaties wapens en munitie noodzakelijk zijn. Hierbij roept het hof in herinnering dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad tot het oogmerk van de organisatie ook moet worden gerekend het naaste doel dat de organisatie nastreeft. Het plegen van liquidaties heeft als noodzakelijk en daarmee door de organisatie gewild gevolg dat ook overtredingen van de Wet wapens en munitie worden begaan. Een aantal delicten wordt niet in de tenlastelegging genoemd als doel van de organisatie, maar het plegen daarvan kan wel bijdragen aan het verwezenlijken van het in de tenlastelegging genoemde doel van de organisatie. Zo is het gebruik van gestolen auto’s en kentekenplaten en het in brand steken van auto’s na een liquidatie bedoeld om de opsporing van de daders te bemoeilijken. Daardoor kan de organisatie haar activiteiten voortzetten.
6.3.5.2. De deelnemers aan de criminele organisatie
(…)
6.3.5.2.1. De rol van [verdachte]
De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak van dit feit, omdat niet blijkt dat [verdachte] het oogmerk van de ten laste gelegde organisatie opzettelijk heeft ondersteund.
Het hof volgt de verdediging hierin niet. Dat [verdachte] heeft deelgenomen aan de criminele organisatie en dat hij wist dat de organisatie het plegen van liquidaties en aanverwante misdrijven tot oogmerk had, volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam uit wat hiervoor is overwogen in de deelonderzoeken Gezicht , Lis en Goudvink . De bedreiging in het deelonderzoek Gezicht had alle kenmerken van een waarschuwing in het criminele milieu. [verdachte] was daarbij aanwezig en hij wist dat daarbij een automatisch wapen werd gebruikt. Ook de liquidatie op [slachtoffer 2] ( deelonderzoek Lis ) en de in Goudvink voorbereide moord hadden alle kenmerken van afrekeningen in het criminele milieu. Het hof heeft ook de hiervoor opgenomen aanvullende overwegingen en bewijsmiddelen over de criminele organisatie in zijn oordeel betrokken.
Het hof acht bewezen dat [verdachte] in de periode van 29 juni 2017 ( deelonderzoek Gezicht ) tot en met 1 augustus 2018 ( deelonderzoek Goudvink ) heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. [verdachte] heeft als medepleger van de beschieting in [plaats] , de liquidatie van [slachtoffer 2] en de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 3] een belangrijke bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie.
De opdrachtgever voor de liquidatie van [slachtoffer 2] is onbekend gebleven. Het ging hierbij om een andere opdrachtgever dan bij de andere strafbare feiten waarvoor [verdachte] veroordeeld wordt. Dat staat echter aan een bewezenverklaring voor deelname aan de criminele organisatie niet in de weg. Ook de liquidatie van [slachtoffer 2] is uitgevoerd door de organisatie van [medeverdachte 2] . Niet vereist is dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.”
Het juridisch kader: deelneming aan de in artikel 140 Sr bedoelde criminele organisatie
67. Onder een (criminele) ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr wordt een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen minstens twee personen verstaan. Het kan daarbij gaan om (een combinatie van) natuurlijke personen en rechtspersonen. Een persoon ‘neemt deel ’ aan een dergelijke organisatie indien hij behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van het plegen van misdrijven. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, is niet vereist dat komt vast te staan dat die persoon heeft samengewerkt, althans bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijkere rol vervulden dan de betrokkene.
68. Voor ‘deelneming’ is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Niet vereist is dus dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven. Als de deelnemer in de context van de organisatie misdrijven pleegt, wordt aan het opzetvereiste doorgaans voldaan. Ook het hebben van een aandeel in en het ondersteuning geven aan de misdrijven veronderstellen opzet.
Een nadere omschrijving van het achtste middel
69. Het middel – dat voortborduurt op de hiervoor besproken middelen – komt erop neer dat, nu de bewijsmiddelen voor de onderscheiden zaaksdossiers ( Goudvink en Lis) niet redengevend zijn, zij evenmin redengevend zijn voor het bewijs van deelneming aan een criminele organisatie. Het hof heeft dan ook verzuimd de deelneming aan de criminele organisatie op deugdelijke en begrijpelijke wijze te motiveren, aldus de klacht.
De bespreking van het achtste middel
70. Het hof heeft aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegd dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband – in wisselende samenstelling, maar met een vaste kern – tussen zowel leden van de [motorclub] als personen daarbuiten. Deze organisatie had het oogmerk gericht op het plegen van misdrijven, namelijk het voorbereiden en plegen van liquidaties, alsook het bezit van vuurwapens en munitie. De leden van de organisatie communiceerden heimelijk met elkaar via PGP-toestellen, en maakten gebruik van (automatische) vuurwapens, (gestolen) voertuigen, valse kentekenplaten en lokkers, zoals in de afzonderlijke deelonderzoeken (waaronder deelonderzoeken Gezicht , Lis en Goudvink ) bewezen is verklaard.
71. Het hof heeft omtrent de deelneming door de verdachte aan de organisatie in aanmerking genomen dat de verdachte (als medepleger) is veroordeeld voor verschillende feiten, te weten de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 3] ( Goudvink ), de beschieting van een woning in [plaats] ( Gezicht ), en de liquidatie van [slachtoffer 2] ( Lis ), waarvan het hof heeft vastgesteld dat deze in opdracht van de – al dan niet in wisselende samenstelling opererende – criminele organisatie (van [medeverdachte 2] ) zijn uitgevoerd. Met deze gedragingen, die zich kenmerken als bedreigingen en afrekeningen in het criminele milieu, en waarbij het gebruik van automatische wapens en vluchtauto’s niet werd geschuwd, heeft de verdachte een belangrijke bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
72. Tegen deze achtergrond acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven, niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Dat het hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de bewezenverklaring in deelonderzoeken Goudvink , Gezicht en Lis (zie ook de bespreking van de middelen 2, 3, 4 en 6) doet daaraan geenszins af. Verweven als het oordeel is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing daarvan in cassatie geen plaats.
73. Kortom, het achtste middel moet het lot van de voorgaande middelen delen.
Slotsom
74. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
75. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
76. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG