28. juni 2017
6.3.6.1. De verklaringen van [kroongetuige]
[kroongetuige] heeft over het voornemen om een pand met een raketwerper te beschieten onder meer het volgende verklaard. Een dag vóór de beschieting heeft hij [medeverdachte 2] opgehaald in [plaats] . [kroongetuige] heeft toen van [medeverdachte 2] begrepen dat hij samen met [medeverdachte 2] naar [plaats] moest rijden om voor te verkennen, omdat daar een persoon woonde die moest worden gewaarschuwd. [medeverdachte 2] had de opdracht gekregen om met een raketwerper op de woning van die persoon te schieten. Bij de voorverkenning heeft [medeverdachte 2] de woning aan de [h-straat 1] aangewezen als het pand dat moest worden beschoten. [kroongetuige] moest de volgende dag een Peugeot 308 en de raketwerper aan de uitvoerders overhandigen. Op de dag van de voorgenomen beschieting bleek dat een van de uitvoerders de geboden geldelijke beloning te laag vond, waarna [medeverdachte 2] aan [kroongetuige] de opdracht heeft gegeven om als chauffeur te fungeren. [kroongetuige] en de andere uitvoerder zijn vervolgens in de Peugeot 308 naar [plaats] gereden en [kroongetuige] heeft de uitvoerder de woning aangewezen. De schutter is met de raketwerper uitgestapt, is naar de woning toegelopen en heeft de raketwerper uitgeklapt. De schutter was bezig om te gaan vuren, maar voordat hij daadwerkelijk vuurde zag hij in de tuin kinderen spelen. Daarop heeft de schutter zijn handelingen afgebroken en zijn [kroongetuige] en de schutter weggereden.
Verder heeft [kroongetuige] verklaard dat hij voorafgaand aan de beschieting in [plaats] in opdracht van [medeverdachte 2] een raketwerper in ontvangst heeft genomen van een persoon afkomstig uit de groep van de opdrachtgever. [medeverdachte 2] heeft aan [kroongetuige] verteld dat [betrokkene 4] de opdrachtgever was.
Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken.
6.3.6.2. De onderbouwing van de verklaringen van [kroongetuige] en overige bewijsoverwegingen
Naar aanleiding van het onderzoek en de verklaringen van [kroongetuige] is het volgende gebleken.
6.3.6.2.1. Voorverkenning
Uit een PGP-gesprek van 27 juni 2017 tussen ‘ [accountnaam 6] ’, veredeld als [medeverdachte 2] , en ‘ [accountnaam 4] ’, veredeld als [verdachte] , blijkt dat [verdachte] een bericht doorstuurt afkomstig van ‘ [bijnaam 1] ’. Het hof beschouwt de persoon achter dit account als de opdrachtgever. In dit doorgestuurde bericht wordt aan [medeverdachte 2] doorgegeven dat het een aardig donkere straat is met bomen en dat je daar kan komen via de [snelweg] en de afslag [plaats] of de afslag [plaats] / [plaats] .
Op een onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen harde schijf zijn op 27 juni 2017 gemaakte printjes gevonden van een routebeschrijving met als waarschijnlijke startlocatie de [i-straat 1] in [plaats] , een van de verblijfadressen van [medeverdachte 2] , en als eindbestemming de [g-straat] in [plaats] .
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 1] ) blijkt dat zijn telefoon zich op 27 juni 2017 in de middag tussen 13.28 uur en 13.49 uur in [plaats] bevond om vervolgens om 14.17 uur een zendmast aan te stralen op de [j-straat] in [plaats] . Uit de zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ) blijkt dat zijn telefoon zich tot 12.42 uur in [plaats] bevond. Vervolgens straalde zijn telefoon voor het eerst weer een zendmast aan op de [k-straat] in [plaats] . Dit was om 14.13 uur. De zendmasten op de [j-straat] in [plaats] en de [k-straat] in [plaats] bevinden zich in elkaars verlengde langs de [snelweg] .
6.3.6.2.2. Verplaatsen naar de loods aan de Communicatieweg in [plaats]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ) blijkt dat zijn telefoon op 28 juni 2017 om 14.22 uur een zendmast aanstraalde bij [plaats] . Deze zendmast ligt in de nabije omgeving van [plaats] . Uit de gegevens van de onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen Volvo blijkt dat dit voertuig zich op 28 juni 2017 omstreeks 14.26 uur van [plaats] naar [plaats] heeft verplaatst. Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 3] ) blijkt dat zijn telefoon om 14.27 uur gebruik heeft gemaakt van een zendmast aan de [l-straat 1] in [plaats] .
Het hof leidt hieruit af dat [kroongetuige] en [medeverdachte 2] op 28 juni 2017 bij de loods in [plaats] zijn geweest.
6.3.6.2.3. Verplaatsen naar [plaats]
Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 3] ) volgt dat de telefoon om 18.07 uur nog gebruikmaakte van de zendmast aan de [l-straat 1] in [plaats] . Vervolgens verplaatste de telefoon zich via [plaats] , [plaats] en [plaats] naar [plaats] om daar om 19.05 uur een zendmast aan te stralen aan de [r-straat] 23 .
Het hof leidt hieruit af dat [kroongetuige] zich op 28 juni 2017 vanuit [plaats] naar [plaats] heeft verplaatst.
6.3.6.2.4. ‘Beschieting’ met raketwerper
Uit veiliggestelde beelden van een camera aan de [g-straat 3] in [plaats] blijkt dat er op 28 juni 2017 tussen 18.53 uur en 19.00 uur vijfmaal een zilvergrijze Peugeot 308 voorbij is gereden.
[getuige] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2017 omstreeks 19.05 uur een man over de [n-straat] naast de [g-straat] in [plaats] zag lopen. Hij zag dat de man een legergroene buis met een diameter van ongeveer 10 cm langs de linkerkant van zijn lichaam hield. Kort hierna hoorde de getuige een auto hard achteruitrijden. De getuige zag dat de man met de legergroene buis in een Peugeot stationwagen stapte en dat deze auto daarop snel wegreed. De getuige heeft later op internet gezocht naar het voorwerp dat de man vasthield en is ervan overtuigd dat het een bazooka was.
Uit nader onderzoek naar diezelfde camerabeelden is gebleken dat dezelfde zilvergrijze Peugeot 308 om 19.16 uur en 19.18 uur opnieuw langs de [g-straat 3] is gereden.
29. juni 2017
6.3.6.3. De beschieting van de [g-straat 1] (en [g-straat 2] )
Op 29 juni 2017 is omstreeks 23.00 uur de [g-straat 1] beschoten met een kalasjnikov (AK-47), waarbij de gevel van de woning is geraakt. Bij deze beschieting is ook een houten tuinschuur aan de [g-straat 2] geraakt.
6.3.6.4. De verklaringen van [kroongetuige]
[kroongetuige] heeft over de beschieting op de [g-straat 1] in [plaats] verklaard dat achteraf is gebleken dat hij en de schutter op 28 juni 2017 voor de verkeerde woning in [plaats] hebben gestaan. De woning van 28 juni 2017 bleek ook nummer […] te hebben maar bevond zich op de [h-straat] , op de hoek met de [g-straat] . [kroongetuige] heeft vervolgens van [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om de juiste woning te zoeken. [kroongetuige] is weer naar [plaats] gereisd en heeft daarbij met een Samsung foto’s genomen van de [g-straat 1] in [plaats] . Hij heeft daarbij als alibi voor zijn aanwezigheid met zijn iPhone ook een foto van een huurwoning aan het einde van de betreffende straat gemaakt. Nadat [medeverdachte 2] , na het zien van de door [kroongetuige] gemaakte foto’s, contact had gelegd met de groep van de opdrachtgever, werd aan [medeverdachte 2] bevestigd dat het huis aan de [g-straat 1] de juiste woning was.
De volgende dag heeft [kroongetuige] van [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [g-straat 1] in [plaats] . Nadat [kroongetuige] tegen [medeverdachte 2] had gezegd dat hij dat zelf niet wilde doen, heeft [medeverdachte 2] contact opgenomen met [medeverdachte 5] , de president van chapter [plaats] van [motorclub 1] . [medeverdachte 5] heeft vervolgens twee jongens van zijn chapter, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , naar voren geschoven voor de opdracht. Ondertussen had [kroongetuige] van [medeverdachte 2] begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov. Daarbij was het de bedoeling dat [medeverdachte 1] als schutter zou optreden en [medeverdachte 4] als back-up als [medeverdachte 1] zou weigeren op de woning te schieten. [kroongetuige] is vervolgens naar [medeverdachte 5] in [plaats] gereden, heeft [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] opgehaald en is met zijn Peugeot 206 naar de loods in [plaats] gereden. Daar hebben zij de Seat Leon gepakt. Zij hebben hun telefoons in [plaats] achtergelaten en zijn naar [plaats] gereden. Nadat [kroongetuige] de juiste woning had aangewezen, zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] uit de auto gestapt en heeft [medeverdachte 1] de woning beschoten. [kroongetuige] heeft van [medeverdachte 1] begrepen dat de kalasjnikov na drie of vier schoten bleef hangen. Hierop zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] teruggerend naar de Seat Leon en weggereden.
[kroongetuige] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn vervolgens naar [plaats] gereden. Nadat ze de auto met daarin het wapen in een woonwijk hadden geparkeerd, zijn ze naar het centrum van [plaats] gelopen en op een terras bij een homobar gaan zitten. Met de telefoon van het café heeft [kroongetuige] contact gezocht met [medeverdachte 2] om te laten weten dat de beschieting was gelukt. Verder hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] contact gezocht met hun partners en heeft [medeverdachte 1] geregeld dat ze zijn opgehaald door [medeverdachte 6] .
Verder heeft [kroongetuige] verklaard dat [medeverdachte 1] later de Seat Leon in [plaats] heeft opgehaald en dat [medeverdachte 1] daarbij het wapen mee naar huis heeft genomen om te bekijken waarom het was blijven hangen. Hieruit bleek dat er een kogel vastzat in de loop.
Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken.
6.3.6.5 De onderbouwing van de verklaringen van [kroongetuige] en overige bewijsoverwegingen
Naar aanleiding van het onderzoek en de door [kroongetuige] afgelegde verklaringen is het volgende gebleken.
6.3.6.5.1. Vaststellen van de juiste woning
Uit nader onderzoek aan de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen iPhone 6 volgt dat met dit toestel op 29 juni 2017 om 14.40 uur een foto is gemaakt van een woning in [plaats] . Blijkens de coördinaten is dit in de [o-straat] ter hoogte van nummer […] in [plaats] . Op de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen Samsung is een foto aangetroffen van de [g-straat 1] in [plaats] .
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij in [plaats] is geweest om erachter te komen wat de juiste woning was.
6.3.6.5.2. Handgranaten
Uit een PGP-gesprek van 29 juni 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] blijkt dat [verdachte] een bericht doorstuurt van een account genaamd ‘ [accountnaam 11] ’. ‘ [accountnaam 11] ’ stuurt om 14.45 uur: “Rond 19.30. Kunnen ze appels aanpakken op de [p-straat 1] [geboorteplaats] ”.
Uit de opmerking “appels aanpakken” en de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof af dat over handgranaten wordt gesproken.
6.3.6.5.3. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] geregeld als uitvoerders
Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 4] en * [telefoonnummer 5] ), [medeverdachte 4] (* [telefoonnummer 6] ) en [medeverdachte 5] (* [telefoonnummer 7] ) volgt dat zij op 29 juni 2017 aan het begin van de avond onderling contact hebben gehad. Om 18.07 uur wordt het nummer van [medeverdachte 1] gebeld door het nummer van [medeverdachte 4] en om 18.15 uur belt het andere nummer van [medeverdachte 1] naar het nummer van [medeverdachte 5] . Vervolgens is er om 18.39 uur opnieuw contact tussen de nummers van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en om 19.00 uur en 19.03 uur tussen die van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] .
6.3.6.5.4. Vertrekken vanaf [plaats] naar de loods in [plaats]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 1] ) blijkt dat zijn telefoon om 18.29 uur en om 18.43 uur een zendmast aanstraalde op de [q-straat 1] in [plaats] . Uit het aanstralen van de zendmasten is af te leiden dat de telefoon van [kroongetuige] zich verplaatste vanaf [plaats] (18.43 uur), via [plaats] (19.59 uur) naar [plaats] (22.00 uur). De telefoon van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 5] ) bewoog van [plaats] (19.18 uur), via [plaats] (19.37 uur en 19.44 uur) en [plaats] (20.07 uur) eveneens naar [plaats] (20.08 uur) en maakte daar tot en met 21.24 uur gebruik van zendmasten in [plaats] .
Uit screenshots aangetroffen op de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen Samsung blijkt dat zijn Peugeot 206 op 29 juni 2017 om 19.10 uur een snelheidsovertreding heeft begaan ter hoogte van de trajectcontrole [snelweg] [plaats] rechts.
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zich vanuit [plaats] / [plaats] naar de loods in [plaats] hebben verplaatst.
6.3.6.5.5. Achterlaten van de telefoons in [plaats]
Het telefoonnummer van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 5] ) maakte op 29 juni 2017 om 21.24 uur voor het laatst die dag gebruik van een zendmast aan de [l-straat 1] in [plaats] . Op 1 juli 2017 werd voor de eerste keer weer een zendmast aangestraald. Uit onderzoek van de iPhone van [kroongetuige] blijkt dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] op 29 juni 2017 vanaf 22.00 uur tot en met 30 juni 2017 om 21.05 uur zendmasten aanstraalde in [plaats] en dus ook ten tijde van het schietincident op de [g-straat 1] in [plaats] .
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij en in ieder geval [medeverdachte 1] hun telefoon in [plaats] hebben achtergelaten.
6.3.6.5.6. Schieten op de [g-straat 1] in [plaats]
Uit de beelden van de beveiligingscamera op de [g-straat 3] in [plaats] volgt dat om 22.51 uur een persoon met voor zich iets in zijn handen over de [g-straat] in de richting van de [o-straat] loopt. Een tweede persoon loopt achter de eerste persoon aan. Enkele seconden later zijn er lichtflitsen te zien bij de [g-straat 1] , waarna beide personen terugrennen in de richting van waar zij vandaan kwamen (richting de [r-straat] ).
De politie heeft onderzoek gedaan naar de lengte van de twee personen die op deze beelden zijn te zien. De lengte van de eerste en de tweede persoon is daarbij geschat op respectievelijk tussen 1.78 en 1.79 m en tussen 1.70 en 1.72 m. [medeverdachte 1] is 1.78 m lang en [medeverdachte 4] 1.72 m.
Nabij de woning aan de [g-straat 1] zijn vier hulzen en twee projectielen (manteldelen) gevonden. Uit forensisch onderzoek blijkt dat de vier hulzen het kaliber 7,62 x 39 mm hebben en dat deze hulzen vermoedelijk zijn verschoten met een semiautomatisch werkend aanvalsgeweer van het type kalasjnikov (AK-47) of een wapen dat daarvan is afgeleid. De twee manteldelen passen bij het kaliber 7,62 x 39 mm.
6.3.6.5.7. Vluchten naar [plaats] – café [E]
Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ), [medeverdachte 6] (* [telefoonnummer 8] en * [telefoonnummer 9] ) (partner van [medeverdachte 1] ) en [betrokkene 12] (* [telefoonnummer 10] ) (partner van [medeverdachte 4] ) is gebleken dat zij op 29 juni 2017 tussen 23.53 uur en 30 juni 2017 om 00.45 uur telefonisch contact hebben gehad met het [telefoonnummer 11] . Dit nummer is van café [E] in [plaats] .
6.3.6.5.8. Ophalen door [medeverdachte 6]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 6] (* [telefoonnummer 8] ) blijkt dat dit nummer op 30 juni 2017 om 00.45 uur een zendmast aanstraalde in [plaats] . Vervolgens straalde het tussen 01.35 uur en 01.40 uur de mast aan [s-straat 1] in [plaats] aan, om vervolgens om 03.12 uur weer de zendmast aan de [t-straat] in [plaats] aan te stralen. Uit onderzoek van het navigatiesysteem van de door [medeverdachte 6] gebruikte Fiat Panda volgt dat onder verwijderde items twee locaties in [plaats] zijn aangetroffen: de [u-straat] en [F] . Ook zijn in de TomTom coördinaten aangetroffen die betrekking hebben op de [v-straat] in [plaats] .
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat [medeverdachte 6] [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [kroongetuige] heeft opgehaald in [plaats] . De [u-straat] ligt in een woonwijk in [plaats] en past bij de verklaring van [kroongetuige] over waar zij de auto met het wapen hebben achtergelaten en waar [medeverdachte 1] de auto en het wapen later weer heeft opgehaald.
6.3.6.5.9. Onderzoek kalasjnikov door [medeverdachte 1]
Op een mobiele telefoon die inbeslaggenomen is op de [w-straat 1] in [plaats] zijn verschillende foto’s aangetroffen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] . Ook zijn er twee afbeeldingen van het uitwerpmechanisme aan de bovenkant van een vuurwapen en twee afbeeldingen van een los patroon en een lege huls gevonden. In het uitwerpmechanisme is een huls te zien die schuin in het aanvoergedeelte zit.
Uit nader onderzoek blijkt dat het vuurwapen op de afbeeldingen een kalasjnikov is, waarmee normaal gesproken munitie van het kaliber 7,62 x 39 mm wordt verschoten. Op de afbeelding is ook een storing te zien. Er is een patroon aangevoerd, terwijl de huls van een vorig schot is blijven hangen.
Op de afbeeldingen van het vuurwapen en de munitie is op de achtergrond een houten bruine tafel met een zwarte placemat en witte rechthoekige vloertegels zichtbaar. Zowel [kroongetuige] als [medeverdachte 6] heeft aan de hand van de achtergrond de woning van de moeder van [medeverdachte 6] herkend. [medeverdachte 6] heeft aan de hand van de placemat ook de tafel van haar moeder herkend.
6.3.6.6. De rol van [medeverdachte 2]
6.3.6.6.1. 28 juni 2017
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen over 28 juni 2017 af dat [medeverdachte 2] van de opdrachtgever een opdracht heeft aangenomen om een woning te beschieten met een raketwerper en dat [kroongetuige] daartoe in opdracht van [medeverdachte 2] een raketwerper heeft opgehaald.
[…]
6.3.6.6.2. 29 juni 2017
Het hof leidt verder uit de bewijsmiddelen over 29 juni 2017 af dat [medeverdachte 2] via de groep van de opdrachtgever had begrepen dat zij het verkeerde huis op het oog hadden en dat hij vervolgens aan [kroongetuige] de opdracht heeft gegeven om de juiste woning in [plaats] te zoeken. [medeverdachte 2] heeft de bevestiging gekregen dat de door [kroongetuige] gefotografeerde woning aan de [g-straat 1] in [plaats] de juiste woning was en heeft vervolgens via [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] geregeld om samen met [kroongetuige] die woning te beschieten. [medeverdachte 2] is kort na de daadwerkelijke beschieting door de uitvoerders op de hoogte gebracht.
[…]
6.3.6.7 De rol van [verdachte]
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte] berichten van de opdrachtgever over de route naar de te beschieten woning in [plaats] heeft doorgestuurd, evenals een bericht van de gebruiker van het PGP-account ‘ [accountnaam 11] ’, dat inhoudt dat op 29 juni 2017 op een adres in [geboorteplaats] handgranaten kunnen worden opgehaald.
[…]
[verdachte] heeft zich met zijn handelen wel schuldig gemaakt aan het onder 6 nog meer meer subsidiair ten laste gelegde medeplegen van uitlokking van openlijke geweldpleging op 29 juni 2017 door samen met een ander een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen en informatie zoals het adres van de woning die moest worden beschoten en de route daarnaartoe te verschaffen.”
Een nadere omschrijving van het zesde middel
73. De stellers van het middel brengen naar voren dat uit niets blijkt dat de verdachte wetenschap had van en opzet had op het feit dat de woning beschoten zou worden, terwijl ook nergens uit blijkt dat de verdachte of een ander geld in het vooruitzicht heeft gesteld. Daarbij is van belang dat een van de doorgestuurde berichten volgens het hof juist zou zien op handgranaten.
De bespreking van het zesde middel
74. Het hof neemt de verklaringen van de kroongetuige tot uitgangspunt. Het hof stelt op basis daarvan vast dat [medeverdachte 2] de opdracht had gekregen om met een raketwerper op een woning te schieten, omdat de persoon die daar woonde gewaarschuwd moest worden. Bij de voorverkenning heeft [medeverdachte 2] de woning aan de [h-straat 1] aangewezen als het pand dat moest worden beschoten. Daarvoor zou € 10.000 worden betaald. [kroongetuige] moest de volgende dag een Peugeot 308 en de raketwerper aan de uitvoerders overhandigen. Op de dag van de voorgenomen beschieting bleek dat een van de uitvoerders de geboden geldelijke beloning te laag vond, waarna [medeverdachte 2] aan [kroongetuige] de opdracht heeft gegeven om als chauffeur te fungeren. Op 28 juni 2017 is [kroongetuige] met de schutter naar [plaats] gereden. Toen de schutter bezig was te gaan vuren, zag hij in de tuin kinderen spelen en heeft hij zijn handelingen afgebroken. Achteraf is gebleken dat [kroongetuige] en de schutter op 28 juni 2017 voor de verkeerde woning stonden. Op 29 juni 2017 gaf [medeverdachte 2] [kroongetuige] de opdracht om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [g-straat 1] in [plaats] . Een tijdje later had [kroongetuige] van [medeverdachte 2] begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov. [kroongetuige] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn vervolgens (in opdracht van [medeverdachte 2] ) naar de woning gereden en [medeverdachte 1] heeft met een kalasjnikov op de woning geschoten. Het hof verbindt aan deze gang van zaken de conclusie dat [medeverdachte 2] , [kroongetuige] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] openlijk in vereniging geweld hebben gepleegd op 29 juni 2017.
75. In cryptocommunicatie van 27 juni 2017 tussen ‘ [accountnaam 6] ’, geïdentificeerd als [medeverdachte 2] , en ‘ [accountnaam 4] ’, geïdentificeerd als de verdachte, stuurt de verdachte een bericht door dat afkomstig is van een persoon met de accountnaam ‘ [bijnaam 1] ’. In dat bericht staat dat het een aardig donkere straat is met bomen en dat je daar kan komen via de [snelweg] en de afslag [plaats] of de afslag [plaats] / [plaats] . Hieruit leidt het hof af dat de verdachte berichten van de opdrachtgever over de route naar de te beschieten woning in [plaats] heeft doorgestuurd. Verder overweegt het hof dat uit cryptocommunicatie van 29 juni 2017 tussen [medeverdachte 2] en de verdachte blijkt dat de verdachte een bericht doorstuurt van een account genaamd ‘ [accountnaam 11] ’. ‘ [accountnaam 11] ’ stuurt om 14.45 uur: “Rond 19.30. Kunnen ze appels aanpakken op de [p-straat 1] [geboorteplaats]”. Het hof concludeert, gelet op het overige bewijsmateriaal, dat hier wordt gesproken over handgranaten (en niet over appels) en dat dit gesprek verband houdt met de opdracht aan [medeverdachte 2] om iemand te waarschuwen. Ik wijs daarbij op de eerdergenoemde verklaring van [kroongetuige] , dat hij op enig moment van [medeverdachte 2] had begrepen dat zij twee handgranaten naar binnen moesten gooien bij de woning in [plaats] .
76. Uit het voorgaande heeft het hof afgeleid dat de verdachte behoorde bij de groep die aan [medeverdachte 2] de opdracht had gegeven iemand te waarschuwen door op zijn woning te schieten. Daarbij heeft het hof geoordeeld dat de verdachte op hoogte was van die opdracht en wist dat de berichten die hij doorstuurde daarmee te maken hadden. Hierin ligt ook besloten dat de verdachte samen met een ander (de opdrachtgever) verantwoordelijk was voor het aan [medeverdachte 2] aanbieden van de financiële beloning voor het (laten) uitvoeren van de opdracht. Die feitelijke oordelen vind ik niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Hetzelfde geldt daarmee voor de bewezenverklaring van het opzet en “het samen met een ander een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen”.
77. Het zesde middel faalt.
Het zevende middel
78. Met het middel wordt opgekomen tegen het oordeel dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met artikel 3 EVRM.
79. De stellers van het middel beroepen zich in de kern op de kritiekpunten over de wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf en de herbeoordelingsprocedure die door mijn voormalig ambtgenoot Spronken in haar conclusie van 8 april 2025 uiteen zijn gezet.
Het juridisch kader: de oplegging van een levenslange gevangenisstraf en artikel 3 EVRM
80. In HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1114, heeft de Hoge Raad naar aanleiding van de conclusie van Spronken algemene beschouwingen gewijd aan de verenigbaarheid van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf met de eisen van artikel 3 EVRM in het licht van de huidige herbeoordelingsprocedure. In HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:177, heeft de Hoge Raad die overwegingen herhaald. Voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, kan deze rechtspraak als volgt worden samengevat.
81. De Hoge Raad maakt onderscheid tussen (i) de kwestie of de (verdere) tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in het individuele geval in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM stelt en (ii) de kwestie of de oplegging van die straf in overeenstemming is met de bedoelde eisen. Kwestie (ii) komt neer op de vraag of het stelsel als geheel de waarborgen biedt om te kunnen aannemen dat, na die oplegging, de tenuitvoerlegging niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt. De Hoge Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.
82. De waarborgen die het Nederlandse stelsel in dat kader biedt, kunnen allereerst worden gevonden in de motiveringseisen die aan de negatieve gratiebeslissing zijn verbonden. Indien de minister (ambtshalve of op verzoek) beslist geen gratie te verlenen, dient hij deze beslissing deugdelijk te motiveren. Dat geldt temeer indien de negatieve ambtshalve gratiebeslissing afwijkt van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Daarnaast voorzien de burgerlijke rechter en de penitentiaire rechter in de noodzakelijke rechtsbescherming. Zo kan de veroordeelde de negatieve gratiebeslissing van de minister ter beoordeling aan de burgerlijke rechter voorleggen. Als de minister afwijkt van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, toetst de burgerlijke rechter of de minister redenen voor het afwijken daarvan heeft opgegeven en of die redenen de afwijkende beslissing kunnen dragen. Daarnaast kan de burgerlijke rechter beoordelen of de motivering van de beslissing over de gratieverlening blijk geeft van toetsing aan de criteria die zijn genoemd in artikel 4 lid 4 Besluit Adviescollege levenslanggestraften en aan de eisen die artikel 3 EVRM stelt. Als de burgerlijke rechter vaststelt dat de negatieve beslissing over de gratieverlening onrechtmatig is, kan hij de staat veroordelen tot het nemen van een nieuwe beslissing op het gratieverzoek. Bovendien kan de burgerlijke rechter de verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf verbieden als hij – na een daartoe strekkende vordering – oordeelt dat de (periodieke) herbeoordeling niet tot de benodigde bekorting of aanpassing van de straf heeft geleid, terwijl de (onverkort) verdere tenuitvoerlegging van de straf in strijd is met artikel 3 EVRM.
Van de penitentiaire rechter kan ten slotte een beoordeling worden gevraagd van beslissingen inzake het detentie- en re-integratieplan, alsmede de daarin opgenomen activiteiten, en van beslissingen over het verlenen van re-integratieverlof.
83. De Hoge Raad merkt op dat het niet is uitgesloten dat de rechter op enig moment tot het oordeel kan komen dat de levenslange gevangenisstraf niet langer kan worden opgelegd, omdat de straf ‘de facto irreducible’ is geworden. Dat oordeel dient te berusten op toereikende feitelijke vaststellingen die zijn gebaseerd op wat daarover tijdens het onderzoek ter terechtzitting ter sprake is gekomen. Daarbij zal in elk geval betekenis toekomen aan “eventuele structurele tekortkomingen in de tenuitvoerleggingspraktijk waaruit moet worden afgeleid dat de rechtsgang bij de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter onvoldoende effectief is, of die erop neerkomen dat in onvoldoende mate opvolging wordt gegeven aan die rechterlijke beslissingen”. Er bestaat op dit moment echter onvoldoende grond om te oordelen dat onder de werking van de huidige herbeoordelingsprocedure de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf hoe dan ook in strijd met de eisen van artikel 3 EVRM zal verlopen. De Hoge Raad wijst er in dat verband op dat de genoemde waarborgen ertoe hebben geleid dat de minister meermaals is opgedragen nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van het oordeel van de burgerlijke rechter en dat daaraan opvolging is gegeven. In voorkomende gevallen heeft dit ook geresulteerd in gratieverlening.
84. Op grond van deze rechtspraak stel ik dan ook het volgende vast. De rechter dient zich bij de oplegging van een levenslange gevangenisstraf rekenschap te geven van de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt. Indien ten tijde van de oplegging van de straf voorzienbaar is dat de tenuitvoerlegging ervan in strijd komt met artikel 3 EVRM, omdat de straf ‘de facto irreducible’ zal zijn, zal de rechter moeten beslissen dat de straf niet kan worden opgelegd. Het thans geldende stelsel als geheel biedt vooralsnog echter voldoende waarborgen om te kunnen aannemen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt, zodat ook de oplegging van deze straf daarmee in overeenstemming mag worden geacht.
De motivering van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf
85. Ten aanzien van de verenigbaarheid van de levenslange gevangenisstraf met artikel 3 EVRM heeft het hof het volgende overwogen:
“Het hof heeft zich, ambtshalve en mede gelet op in zaken van medeverdachten gevoerde verweren, de vraag gesteld of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf een onmenselijke bestraffing vormt en in strijd zou (kunnen) zijn met artikel 3 EVRM. Het hof concludeert op basis van het volgende dat dat niet het geval is.
Naar het oordeel van de Hoge Raad voorziet het Nederlandse recht sinds 2017 in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling, dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM (HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185). Na 25 jaar na de start van de detentie voor het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd wordt een herbeoordelingsprocedure in gang gezet. Die procedure zal uiterlijk 28 jaar na de aanvang van die detentie leiden tot een ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot het verlenen van gratie.
Bij de beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening komt het aan op de vraag of zich zodanige veranderingen aan de kant van de levenslanggestrafte hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar re-integratie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf geen enkel met de strafrechtspleging na te streven doel - waaronder vergelding - in redelijkheid meer dient en daarom niet langer is gerechtvaardigd. De criteria die daarbij worden toegepast zijn terug te vinden in artikel 4, vierde lid, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften:
a. het recidiverisico;
b. de delictgevaarlijkheid;
c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie;
d. de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding.
Deze criteria worden ook gehanteerd door het Adviescollege levenslanggestraften bij de advisering over het toelaten van levenslanggestraften tot de re-integratiefase en het aanbieden van re-integratieactiviteiten.
De toekomst zal moeten uitwijzen op welke manier het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk wordt toegepast, zowel in het algemeen, als meer specifiek met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de straf die aan de verdachte wordt opgelegd. De veroordeelde heeft de mogelijkheid om de wijze waarop zijn straf ten uitvoer wordt gelegd voor te leggen aan de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter, die erop toezien dat de tenuitvoerlegging in overeenstemming is met artikel 3 EVRM. Ook kan het oordeel van de burgerlijke rechter in verband met een (negatieve) beslissing over de verlening van gratie worden ingeroepen. Daarbij kan de burgerlijke rechter beoordelen of de negatieve beslissing over de verlening van gratie in het licht van de eisen die artikel 3 EVRM stelt en gelet op de redenen van deze beslissing, onrechtmatig is. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing over gratieverlening is in het bijzonder van belang als wordt afgeweken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, nu dit advies in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing over gratieverlening.
Het hof is van oordeel dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf onder deze omstandigheden geen onmenselijke bestraffing vormt die in strijd is met artikel 3 EVRM.”
De bespreking van het zevende middel
86. Het hof heeft zich bij de strafoplegging rekenschap gegeven van de vraag in hoeverre de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt. Daarbij heeft het hof bijzondere betekenis toegekend aan de waarborgen die in de herbeoordelingsprocedure besloten liggen en de rechtsbescherming die door de penitentiaire en burgerlijke rechter wordt geboden. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat het stelsel als geheel voldoende waarborgen biedt om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Het oordeel dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf onder deze omstandigheden geen onmenselijke bestraffing vormt en geen strijd met artikel 3 EVRM oplevert, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is bovendien toereikend gemotiveerd.
87. Het zevende middel faalt.
Slotsom
88. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
89. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
90. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG