ECLI:NL:PHR:2026:299

ECLI:NL:PHR:2026:299

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer 25/00689
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG in de megazaak Eris (liquidaties en voorbereidingen van liquidaties). Middelen over o.m. de rechtmatigheid van de deal met de kroongetuige en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen, over de enkele ambtshalve constatering door het hof van vormverzuimen die verband houden met de Landeck- en Prokuratuur-problematiek en over de oplegging van een levenslange gevangenisstraf die volgens de klacht in strijd is met art. 3 EVRM. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81.1 RO. Tussen 25/00523, 25/00524, 25/00537, 25/00542, 25/00579, 25/00658, 25/00659, 25/00667, 25/00688, 25/00689 en 25/00690 bestaat samenhang.

Uitspraak

9. [deelonderzoek 4]

De liquidatie van [slachtoffer 1]

(…)

Proces-verbaal van verhoor getuige NN03 […] van 24 juli 2017, map 87, p. 68

O: Wij willen met u praten over wat u gezien hebt op vrijdag 7 juli 2017 op de parkeerplaats nabij [station] [plaats] .

V: Is u (...) iets opgevallen?

A: Op een gegeven moment gebeurde er iets op die parkeerplaats ongeveer 100 m bij mij vandaan. Wat mijn aandacht nu precies trok weet ik niet maar ik zag een man wegrennen bij een grijze auto. Ik heb geen idee wat voor auto dit was maar als ik zou moeten gokken zou ik zeggen een grijze Volkswagen Golf. De man liep op een drafje weg vanaf die grijze auto naar een donkere auto die verder op de parkeerplaats richting ingang stond. Ik zag dat de man in deze auto stapte.

V: Heeft u gezien op welke plek de man instapte?

A: Nee maar in ieder geval niet aan de bestuurderszijde (...).

V: Kun je uitleggen wat je met een drafje bedoelt?

A: Het was een beetje een houterig loopje niet echt sportief. De man was enigszins gezet en oogde niet sportief.

V: Als je zegt een donkere auto wat bedoel je dan?

A: Ik bedoel dan een zwarte auto.

Het juridisch kader: een persoon wiens identiteit niet blijkt

58. Op de voet van – het ook in hoger beroep toepasselijke – artikel 360 lid 1 en lid 4 Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’, als bedoeld in artikel 344a lid 3 Sv, op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten vermelden dat aan de eisen van artikel 344a lid 3 Sv is voldaan en ervan blijk moet geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaringen te hebben onderzocht.

59. De term ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’ omvat echter niet personen van wie de persoonsgegevens niet (of niet volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. Waar het om gaat is dat de identiteit van de persoon die heeft verklaard, kan worden geïndividualiseerd.

De bespreking van het vierde middel

60. De [getuige 1] heeft op twee afzonderlijke momenten (op 18 april en 10 mei 2017) tijdens een door verbalisanten afgenomen getuigenverhoor een verklaring afgelegd. De getuige NN03 heeft op 24 juli 2017 een verklaring tegenover verbalisanten afgelegd. Het hof is kennelijk – en niet onbegrijpelijk – ervan uitgegaan dat de identiteit van [getuige 1] en van NN03 bij de politie kan worden achterhaald. Gelet daarop heeft het hof kunnen oordelen dat [getuige 1] en NN03 zodanig konden worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuigen kon verzoeken. Zodoende hoefde het hof de in de bewijsmiddelen weergegeven getuigenverklaringen van [getuige 1] en NN03 niet op te vatten als de verklaringen van ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’.

61. Het middel, dat uitgaat van het onjuiste uitgangspunt dat het hof verklaringen van anonieme getuigen in de zin van artikel 344a lid 3 Sv tot het bewijs heeft gebezigd, faalt reeds op die grond.

Het vijfde middel

62. Met het vijfde middel wordt opgekomen tegen de beslissing om af te zien van het oproepen van de niet-verschenen [getuige 2] , en tegen het oordeel dat (desondanks) sprake is van een eerlijk proces.

Het procesverloop, het getuigenverzoek en de beslissing van het hof voor zover relevant voor de bespreking van het vijfde middel

63. Op de zitting van het hof van 22 november 2023 waar de verdachte als getuige werd gehoord is namens de raadsman van de [medeverdachte 2] , mr. [betrokkene 9] , het verzoek gedaan om (onder meer) [getuige 2] als getuige te horen. Dit verzoek hield volgens het proces-verbaal van die zitting in:

“De getuige [DA: en dus ook de verdachte i.c.] verklaart vandaag over een cruciaal punt in de zaak van mijn cliënt [DA: [medeverdachte 2] ], namelijk over de vraag wie er schuilgaat achter het account ‘ [accountnaam] ’. Er zijn aanknopingspunten om de identiteit van [betrokkene 10] te achterhalen. Volgens de getuige heeft ene ‘ [bijnaam getuige 2] ’ – mogelijk is dat ene [getuige 2] – hem met [betrokkene 10] in contact gebracht. Het lijkt mij noodzakelijk om in elk geval die [bijnaam getuige 2] / [getuige 2] daarover te bevragen. Hem kunnen dan ook vragen worden gesteld over de identiteit van [betrokkene 10] .”

64. Op de zitting van 8 december 2023 heeft het hof naar aanleiding van het voornoemde getuigenverzoek als volgt beslist (onderstreping mijnerzijds):

“De voorzitter deelt mede:

Het hof wijst het verzoek tot het horen van (…) en [getuige 2] (“ [bijnaam getuige 2] ”), geboren op [geboortedatum] 1968, toe in de zaken van alle verdachten in het dossier Eris. De verhoren zullen worden opgedragen aan een gedelegeerd raadsheer-commissaris, zodat we flexibel kunnen inspringen op de aanwezigheid van de getuigen.”

65. Op 2 februari 2024 heeft de raadsheer-commissaris het hof, over de stand van zaken met betrekking tot het verhoor van (onder meer) [getuige 2] , als volgt bericht:

“[getuige 2] (‘ [bijnaam getuige 2] ’):

Ter terechtzitting op 8 december 2023 is door de meervoudige strafkamer van het hof bepaald dat [getuige 2] , geboren op [geboortedatum] 1968, op wordt geroepen als getuige in de zaak tegen voornoemde verdachten.

Uit de Basisregistratie Personen (BRP) is gebleken dat [getuige 2] per 21 juni 2022 staat geregistreerd als ONBEKEND RNI.

De griffier heeft vervolgens aan het Openbaar Ministerie gevraagd het adres van getuige te achterhalen. Het Openbaar Ministerie heeft op 2 januari 2024 aan het kabinet raadsheer‐commissaris laten weten dat zij de politie gevraagd hebben onderzoek te doen naar de verblijfplaats van [getuige 2] . Zowel het Openbaar Ministerie als de politie beschikt helaas niet over informatie over de verblijfplaats van voornoemde getuige.

De informatie van de politie die het kabinet op 2 januari 2024 van het OM ontving luidde voor zover relevant als volgt.

1. De moeder van [getuige 2] heeft aangegeven dat [getuige 2] af en toe bij haar langs komt, af en toe bij zijn vriendin in België verblijft, maar dat zij niet bekend is met een verblijfadres of telefoonnummer.

2. De politie is langs geweest bij twee broers van [getuige 2] . De politie heeft geen van de broers gesproken en van een van de twee is onduidelijk of hij verblijft op het adres dat bekend is bij de politie.

3. De beide zussen van [getuige 2] hebben aangegeven geen adres of telefoonnummer van [getuige 2] te hebben.

66. Vervolgens is het getuigenverzoek (opnieuw) aan de orde geweest tijdens de inhoudelijke behandeling in hoger beroep d.d. 25 maart 2024. Dit proces-verbaal houdt, voor zover thans relevant, in:

“Nadat mr. [betrokkene 11] pagina 134 van de pleitnota heeft voorgedragen, vraagt de voorzitter aan de raadslieden:

Het hof heeft het horen van getuigen (…) [getuige 2] (‘ [bijnaam getuige 2] ’) ambtshalve toegewezen in de zaak van [verdachte] en heeft zijn zaak daarvoor verwezen naar de raadsheer-commissaris. Dienen die verhoren wat u betreft nog plaats te vinden?

Mr. [betrokkene 11] antwoordt:

(…) Wij willen [getuige 2] nog wel horen. Hij zou de verklaring van cliënt — inhoudende dat [bijnaam getuige 2] cliënt met [betrokkene 10] in contact heeft gebracht — kunnen ondersteunen. Dat is dus nog wel relevant.”

67. Op 13 mei 2024 heeft de advocaat-generaal over de verrichtingen om [getuige 2] op te roepen bij de raadsheer-commissaris het volgende te kennen gegeven:

“Geachte raadsheer-commissaris,

Wij hebben informatie ingewonnen bij de politie over de getuigen (…) [getuige 2] . Wij hebben de politie gevraagd te checken of de getuige(n) inmiddels ergens staan ingeschreven of dat zij een adres of telefoonnummer hebben opgegeven bij de (toevallige) controle of dat er andere informatie over een van deze getuigen bekend is geworden. (…) [getuige 2] staat niet meer ingeschreven in Nederland sinds 2022. Van [getuige 2] is geen verblijfadres bekend en er zijn geen nieuwe registraties/mutaties opgemaakt waarin [getuige 2] voorkomt. (…)”

68. Een maand later heeft de raadsheer-commissaris de voorzitter van het hof het volgende bericht:

“Ten aanzien van de getuigen (…) [getuige 2] bericht ik u als volgt.

Op maandag 13 mei jl. kwam naar aanleiding van een verzoek van mijn zijde om nader geïnformeerd te worden een bericht binnen bij het kabinet met betrekking tot de getuigen (…) [getuige 2] . Uit het bericht volgt dat bij de politie in de systemen geen nieuwe informatie bekend is geworden met betrekking tot een verblijfplaats van de getuigen. Het bericht treft u voor de goede orde als bijlage aan. Uit het bericht is door één van de medewerkers van het kabinet de naam van een advocaat-generaal verwijderd.

Op woensdag 12 juni jl. heeft een medewerker van het kabinet ten aanzien van alle drie getuigen nogmaals het BRP en SKDB bevraagd. Dit leverde geen nieuwe informatie op.

Overigens is er met betrekking tot de betreffende getuigen geen informatie binnengekomen bij het kabinet.

De raadsheer-commissaris beschikt gezien het bovenstaande nog immer niet over voldoende aanknopingspunten om te kunnen overgaan tot oproeping van één of meer van de genoemde drie getuigen. (…)”

69. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 juni 2024 houdt, voor zover thans relevant, in:

“Het hof heeft op 13 juni 2024 twee e-mails ontvangen van de raadsheer-commissaris. Uit de eerste e-mail volgt dat er geen nieuwe informatie bekend is geworden over de verblijfplaatsen van getuigen (…) [getuige 2] . De raadsheer-commissaris beschikt daarom nog steeds niet over voldoende aanknopingspunten om te kunnen overgaan tot oproeping van één of meer van deze getuigen.”

70. Op 12 februari 2025 heeft het hof arrest gewezen. Het bestreden arrest houdt, met betrekking tot het verzoek tot het horen van [getuige 2] , het volgende in (onderstrepingen van mijn hand):

Op 22 november 2023 is verzocht om het horen als getuige van [getuige 2] . De belangrijkste reden om deze persoon te horen is gelegen in de verklaring van [verdachte] dat hij via [getuige 2] in contact is gekomen met een zekere [betrokkene 10] . [getuige 2] zou het contact van [verdachte] met [betrokkene 10] kunnen bevestigen en daarmee ook het bestaan van [betrokkene 10] . Het hof heeft het verzoek toegewezen op 8 december 2023 en daarbij bepaald dat de getuige in alle zaken diende te worden gehoord.

Van de getuige is geen verblijfplaats bekend geworden. Hij is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen onder vermelding van ‘vertrek naar het buitenland’, zonder dat bekend is naar welk land hij is vertrokken. Het raadplegen van de politiesystemen heeft niet geleid tot aanknopingspunten voor een verblijfplaats van de getuige. De verdediging heeft geen informatie verschaft en ook anderszins is geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat de niet te traceren getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het hof heeft daarom van de oproeping van de niet verschenen getuige afgezien op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering.

Voordat het hof uitspraak doet heeft het zich ervan vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces ondanks dat [getuige 2] niet als getuige is gehoord. De getuige is een zogenoemde ‘defence witness’ en geen getuige die al een voor [verdachte] belastende verklaring heeft afgelegd die het hof eventueel voor het bewijs zou kunnen gebruiken. Er is bovendien een goede reden dat de verdediging de getuige niet heeft kunnen bevragen: hij bleek ondanks de nodige inspanningen vanaf 8 december 2023 van de autoriteiten niet te traceren. Daarbij komt dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten.

71. Daarnaast houdt het bestreden arrest onder meer in:

In hoger beroep heeft [verdachte] verklaard dat de gesprekken die zijn aangetroffen op zijn gegevensdragers afkomstig zijn van een ‘fixer’ waarvan hij de naam wel kent, maar niet wil noemen. Voorafgaand aan een tweede verhoor heeft [verdachte] een schriftelijke verklaring overgelegd waarin hij zegt dat de fixer [betrokkene 10] heet. Een achternaam wist hij niet en contactgegevens van [betrokkene 10] zouden zich niet op zijn telefoon bevinden.

Op de filmpjes van PGP-gesprekken is te zien dat ook na de zichtbare destructietijd van de berichten nog opnames van die berichten zijn gemaakt. Daaruit zou volgens [verdachte] zijn af te [plaats] dat manipulatie van de berichten mogelijk is.

Het hof verwerpt deze verweren.

Het bewijs waaruit volgt dat de onder [verdachte] inbeslaggenomen telefoons en gegevensdragers, met daarop de belastende (foto’s en films van) chatgesprekken en overige gegevens, daadwerkelijk aan [verdachte] toebehoren, is overtuigend en het verweer van [verdachte] biedt geen aanknopingspunten om hieraan te twijfelen. Uit de bewijsmiddelen volgt onmiskenbaar dat [verdachte] schuilgaat achter de PGP-namen ‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’, ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’. [verdachte] heeft geen enkele concrete omstandigheid naar voren gebracht die tot een andere conclusie kan [plaats] .

De betekenis van de op de opnames vermelde destructietijd is niet duidelijk geworden. Wel blijkt uit de filmpjes dat er in één chat ook wel verschillende destructietijden worden gezien. De filmpjes waarop de gesprekken te zien zijn, hebben veelal bestandsnamen waarin de datum van de opname lijkt te zijn verwerkt. De opnames lijken telkens kort na de gevoerde gesprekken te zijn gemaakt en de inhoud past in veel gevallen bij andere gebeurtenissen rond het tijdstip van de gesprekken en de opnamen. Het hof vindt geen aanwijzingen dat de gesprekken geheel of gedeeltelijk zijn gemanipuleerd voordat zij zijn gefilmd.

Het verhaal over [betrokkene 10] is ongeloofwaardig. Het is slecht voorstelbaar dat [verdachte] niet zou beschikken over contactgegevens van [betrokkene 10] , met wie hij – als zijn verklaring juist is – toch intensief zou moeten hebben samengewerkt. Naar aanleiding van de summiere gegevens die [verdachte] heeft gegeven is onderzoek gedaan om [betrokkene 10] te identificeren en als getuige te horen. Niemand kent een [betrokkene 10] die voldoet aan de beschrijving die [verdachte] heeft gegeven. [verdachte] heeft bij de behandeling van zijn zaak op de zitting aangegeven dat hij, ook al heeft hij geen contactgegevens, [betrokkene 10] wel kan vinden als hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld. Bij pleidooi is vervolgens gemeld dat [betrokkene 10] in 2018 is overleden en dat de foto’s van zijn begrafenis zich in het dossier bevinden. In het dossier bevinden zich inderdaad foto’s van een begrafenis van een lid van Caloh Wagoh en whatsappgesprekken die op de begrafenis van dat lid betrekking hebben. Die whatsappgesprekken zijn gevoerd tussen [verdachte] en een derde. Het is volstrekt onduidelijk waarom [verdachte] eerst aandringt op een zoektocht naar ‘ [betrokkene 10] ’, terwijl hij later aangeeft dat hij ervan op de hoogte was dat die persoon al in 2018 is overleden. Wat [verdachte] heeft gezegd over [betrokkene 10] is niet alleen ongeloofwaardig, maar ook tegenstrijdig.

Naar aanleiding van het verweer van [verdachte] heeft de politie nogmaals de opnames van de PGP-gesprekken afgespeeld om te zoeken naar aanwijzingen dat anderen dan [verdachte] betrokken zouden zijn bij het opnemen van de gesprekken. Die aanwijzingen zijn niet verkregen. Er is geen enkele aanwijzing dat de door [verdachte] bedoelde [betrokkene 10] bestaan heeft of dat een ander dan [verdachte] de gesprekken zou hebben opgenomen én zou hebben gevoerd.”

Een nadere omschrijving van het vijfde middel

72. Het middel komt met motiveringsklachten op tegen het oordeel dat het “het onaannemelijk is dat de getuige ( [getuige 2] ) binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen”, en dat – ondanks dat deze getuige niet ter zitting is gehoord – het strafproces ‘eerlijk’, als bedoeld in artikel 6 EVRM, is geweest.

73. Volgens de toelichting op het middel had van het hof en het OM mogen worden verwacht dat zij meer hadden gedaan om de [getuige 2] te traceren. Zo zijn niet álle mogelijke stappen (met name de inzet van politie en aanvullende controles) onderzocht of besproken. Dit geldt temeer nu [getuige 2] van wezenlijk belang was om het door de verdachte naar voren gebrachte (alternatieve) scenario over het bestaan van ‘ [betrokkene 10] ’ van een nadere onderbouwing te kunnen voorzien, aldus de steller van het middel.

De bespreking van het vijfde middel

74. Nadat het hof op de zitting van 8 december 2023 ambtshalve had bepaald dat [getuige 2] óók in de zaak van de verdachte als getuige moest worden gehoord, heeft het hof (op de zitting van 12 februari 2025) afgezien van het oproepen van de niet-verschenen getuige op de grond dat het niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn – in het bijzijn van de verdediging en met gelegenheid tot het stellen van vragen – kan worden gehoord. Het hof heeft in zijn oordeel betrokken (i) dat van de getuige geen verblijfplaats bekend is geworden, nu hij is uitgeschreven uit de BRP onder vermelding van ‘vertrek naar het buitenland’, zonder dat bekend is geworden waarheen, (ii) dat het raadplegen van de politiesystemen niet heeft geleid tot aanknopingspunten voor een verblijfplaats van de getuige, (iii) dat de verdediging geen informatie heeft verschaft en ook anderszins geen informatie naar voren is gekomen waaraan kan worden ontleend dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord.

75. Ik acht het oordeel dat het niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord, niet onbegrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat (onder leiding van de raadsheer-commissaris) uiteenlopende inspanningen zijn verricht om een ondervragingsmogelijkheid van de [getuige 2] te realiseren. Daartoe is de politie ook gevraagd na te gaan of zij beschikte over andere (niet in de BRP en SKDB opgenomen) informatie die van belang kon zijn voor het achterhalen van de woon- of verblijfplaats van de getuige (zie onder randnummers 65, 67 en 68). De [getuige 2] is echter – ondanks herhaalde pogingen daartoe – niet traceerbaar gebleken. De verdediging heeft verder geen informatie verschaft over de vindplaats van deze getuige, terwijl ook het dossier geen (andere) aanknopingspunten biedt voor de woon- of verblijfplaats van de getuige.

76. Verder acht ik ook het oordeel dat het proces – ondanks dat de [getuige 2] niet in aanwezigheid van de verdediging kon worden gehoord – als geheel ‘eerlijk’ is geweest, niet onbegrijpelijk. Het hof mocht hierbij de relevantie en het belang van de verklaring van [getuige 2] betrekken. Het hof heeft in dit verband mogen aannemen dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige (een zogeheten defence witness) uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Het gaat immers om een getuige die (volgens de verdediging) het door de verdachte naar voren gebrachte (alternatieve) scenario over het bestaan van ‘ [betrokkene 10] ’ van een nadere onderbouwing zou kunnen voorzien. Het hof heeft dit scenario echter – m.i. op geenszins onbegrijpelijke gronden – als “ongeloofwaardig” terzijde geschoven (zie onder randnummer 71) en naar mijn inzicht ook terzijde kunnen schuiven, ongeacht wat [getuige 2] over deze ‘ [betrokkene 10] ’ zou hebben verklaard.

77. Het vijfde middel faalt.

Het zesde middel

78. Het zesde middel gaat over de identificatie van de verdachte als gebruiker van verschillende cryptocommunicatie-accounts. Het middel houdt in dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over ‘de veredeling’ van de toestellen die aan de verdachte te koppelen zouden zijn.

De voor het zesde middel relevante delen van de processtukken

79. De steller van het middel citeert in de toelichting op het middel onderdeel III van de pleitnota die de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgedragen (zie p. 20 tot en met 29 van de pleitnota). De strekking van het geciteerde verweer is dat niet buiten redelijke twijfel valt vast te stellen dat de verdachte gedurende de relevante periodes schuilging achter de PGP-namen ‘ [PGP-naam 2] ’, ‘ [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’.

80. Het oordeel van het hof dat de verdachte wel de gebruiker was van de genoemde accounts steunt op de in bijlage 3 opgenomen bewijsmiddelen. Het arrest bevat daarnaast de volgende bewijsoverwegingen:

“6.3.1 Conclusies veredelingen en identificaties

Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen en conclusies die zijn opgenomen in bijlage 3 onder meer de volgende veredelingen van PGP-namen en bijnamen vastgesteld.

[verdachte]

[verdachte] is de persoon die schuilging achter de PGP-namen:

- ‘ [PGP-naam 2] ’ (tussen 18 en 20 februari 2017);

- ‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’;

- ‘ [PGP-naam 3] ’;

- ‘ [PGP-naam 4] ’;

- NN2 ( [deelonderzoek 9] ).

De verdediging van [verdachte] heeft aangevoerd dat de nodige behoedzaamheid moet worden betracht bij het trekken van conclusies over de gebruikers van de PGP-berichten. De werking van de chatapplicatie, het feit dat de toestellen en namen aantoonbaar wisselden en het feit dat het dossier niet de volledige chatgeschiedenis bevat, maken dat uiteindelijk slechts een beperkt beeld is verkregen. De aanwijzingen die uit dit beperkte beeld zijn verkregen, zijn onvoldoende om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat [verdachte] gedurende de genoemde periodes schuilging achter de PGP-namen ‘ [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’, ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’. In ieder geval kan niet zonder meer worden vastgesteld dat het de volledige periodes betrof. Meer in het bijzonder heeft de verdediging van [verdachte] aangevoerd dat het onder [verdachte] aangetroffen materiaal het resultaat is van research voor zijn werk als documentairemaker en dat hij dus niet degene hoeft te zijn die schuilging achter de genoemde PGP-namen.

In hoger beroep heeft [verdachte] verklaard dat de gesprekken die zijn aangetroffen op zijn gegevensdragers afkomstig zijn van een ‘fixer’ waarvan hij de naam wel kent, maar niet wil noemen. Voorafgaand aan een tweede verhoor heeft [verdachte] een schriftelijke verklaring overgelegd waarin hij zegt dat de fixer [betrokkene 10] heet. Een achternaam wist hij niet en contactgegevens van [betrokkene 10] zouden zich niet op zijn telefoon bevinden.

Op de filmpjes van PGP-gesprekken is te zien dat ook na de zichtbare destructietijd van de berichten nog opnames van die berichten zijn gemaakt. Daaruit zou volgens [verdachte] zijn af te leiden dat manipulatie van de berichten mogelijk is.

Het hof verwerpt deze verweren.

Het bewijs waaruit volgt dat de onder [verdachte] inbeslaggenomen telefoons en gegevensdragers, met daarop de belastende (foto’s en films van) chatgesprekken en overige gegevens, daadwerkelijk aan [verdachte] toebehoren, is overtuigend en het verweer van [verdachte] biedt geen aanknopingspunten om hieraan te twijfelen. Uit de bewijsmiddelen volgt onmiskenbaar dat [verdachte] schuilgaat achter de PGP-namen ‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’, ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’. [verdachte] heeft geen enkele concrete omstandigheid naar voren gebracht die tot een andere conclusie kan leiden .

De betekenis van de op de opnames vermelde destructietijd is niet duidelijk geworden. Wel blijkt uit de filmpjes dat er in één chat ook wel verschillende destructietijden worden gezien. De filmpjes waarop de gesprekken te zien zijn, hebben veelal bestandsnamen waarin de datum van de opname lijkt te zijn verwerkt. De opnames lijken telkens kort na de gevoerde gesprekken te zijn gemaakt en de inhoud past in veel gevallen bij andere gebeurtenissen rond het tijdstip van de gesprekken en de opnamen. Het hof vindt geen aanwijzingen dat de gesprekken geheel of gedeeltelijk zijn gemanipuleerd voordat zij zijn gefilmd.

Het verhaal over [betrokkene 10] is ongeloofwaardig. Het is slecht voorstelbaar dat [verdachte] niet zou beschikken over contactgegevens van [betrokkene 10] , met wie hij – als zijn verklaring juist is – toch intensief zou moeten hebben samengewerkt. Naar aanleiding van de summiere gegevens die [verdachte] heeft gegeven is onderzoek gedaan om [betrokkene 10] te identificeren en als getuige te horen. Niemand kent een [betrokkene 10] die voldoet aan de beschrijving die [verdachte] heeft gegeven. [verdachte] heeft bij de behandeling van zijn zaak op de zitting aangegeven dat hij, ook al heeft hij geen contactgegevens, [betrokkene 10] wel kan vinden als hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld. Bij pleidooi is vervolgens gemeld dat [betrokkene 10] in 2018 is overleden en dat de foto’s van zijn begrafenis zich in het dossier bevinden. In het dossier bevinden zich inderdaad foto’s van een begrafenis van een lid van Caloh Wagoh en whatsappgesprekken die op de begrafenis van dat lid betrekking hebben. Die whatsappgesprekken zijn gevoerd tussen [verdachte] en een derde. Het is volstrekt onduidelijk waarom [verdachte] eerst aandringt op een zoektocht naar ‘ [betrokkene 10] ’, terwijl hij later aangeeft dat hij ervan op de hoogte was dat die persoon al in 2018 is overleden. Wat [verdachte] heeft gezegd over [betrokkene 10] is niet alleen ongeloofwaardig, maar ook tegenstrijdig.

Naar aanleiding van het verweer van [verdachte] heeft de politie nogmaals de opnames van de PGP-gesprekken afgespeeld om te zoeken naar aanwijzingen dat anderen dan [verdachte] betrokken zouden zijn bij het opnemen van de gesprekken. Die aanwijzingen zijn niet verkregen. Er is geen enkele aanwijzing dat de door [verdachte] bedoelde [betrokkene 10] bestaan heeft of dat een ander dan [verdachte] de gesprekken zou hebben opgenomen én zou hebben gevoerd.

Dat het ook [verdachte] is die daadwerkelijk deelnemer is aan de op de gegevensdragers gevoerde chats met de namen ‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’, ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’ volgt eveneens overtuigend uit de bewijsmiddelen, zodat het verweer van [verdachte] al door de gebruikte bewijsmiddelen wordt weersproken.

Het hof betrekt daarbij in het bijzonder ook de omstandigheid dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de gebruiker van de PGP-naam ‘ [PGP-naam 1] ’ zichzelf ‘ [bijnaam 1] ’ noemt, ‘baas van de Crips en een grote motorclub’ en van zichzelf ook meldt dat hij uit ‘ [plaats] ’ komt en dat onder meer ‘ [verdachte] ’ zijn naam is. [verdachte] heeft ter terechtzitting nog de suggestie gewekt dat iemand anders zich mogelijk op deze wijze heeft voorgedaan als [verdachte] , maar hiervoor is geen enkele aanwijzing in het dossier te vinden en bovendien wijzen ook de andere gebruikte bewijsmiddelen ieder voor zich en in onderling verband naar [verdachte] als de gebruiker van de accountnaam ‘ [PGP-naam 1] ’. [verdachte] heeft erkend dat hij degene is die de opnames van de PGP-gesprekken heeft gemaakt. Ten slotte betrekt het hof hierbij de conclusies van het onderzoek naar de schrijfstijl van de berichten van de genoemde PGPnamen. Het hof neemt die conclusies over. De conclusie uit het rapport luidt dat de (overeenkomende) kenmerken in schrijfstijl veel waarschijnlijker zijn als [verdachte] de auteur is van de gefilmde en gefotografeerde berichten van ‘ [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’ en ‘ [PGP-naam 3] ’ dan als iemand anders de auteur is en dat zij waarschijnlijker zijn als [verdachte] de auteur is van de berichten van ‘ [PGP-naam 4] ’ dan als iemand anders de auteur is.

In het licht van de gebruikte bewijsmiddelen lijdt het geen twijfel dat [verdachte] telkens degene is die schuilging achter de accountnamen ‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’ (in de periode 1820 februari 2017), ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’ op het moment dat door [verdachte] de opnames werden gemaakt van de chats die onder deze accountnamen met anderen werden gevoerd.

De toelichting op het zesde middel

81. De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep diverse argumenten naar voren gebracht waarop het hof niet is ingegaan. Die argumenten worden ook niet door de bewijsmiddelen weerlegd. Bovendien gaat het niet om details waarop het hof niet hoefde in te gaan. Het is de steller van het middel te doen om de volgende punten uit het betoog van de verdediging:

- Uit een chatgesprek tussen ‘ [PGP-naam 3] ’ en een ander blijkt dat ‘ [PGP-naam 3] ’ in Suriname is of zal zijn, terwijl de verdachte sinds 1973 niet meer in Suriname is geweest.

- Anders dan door de politie werd aangenomen, konden de berichten waarvan opnames zijn gemaakt wel degelijk meer dan twee uur worden bewaard.

- Over de aanmaakdata van de account ‘ [PGP-naam 1] ’ kan getwijfeld worden.

- De verdachte filmde de berichten omdat hij documentairemaker is.

- In het onderzoek Eris is voorgekomen dat een PGP-toestel (op verschillende momenten) door de politie aan diverse verdachten werd toegeschreven.

- De gefilmde berichten waren slechts momentopnamen. Wat er daarvoor en later is verstuurd is onduidelijk.

- Voor de analyse van het NFI zijn te weinig berichten als referentiemateriaal gebruikt.

- Als wordt uitgegaan van de toeschrijving van de cryptocommunicatie-namen door het OM, dan zouden twee verschillende personen dezelfde informatie – dus onnodig – hebben toegestuurd aan de verdachte. Dat past niet bij de reactie op dat tweede (herhaalde) bericht (“ok mooi”).

- De aanwijzingen dat de verdachte schuilging achter de genoemde accounts zijn in ieder geval onvoldoende om bij de verschillende accounts voor de gehele relevante periode zekerheid te geven.

De bespreking van het zesde middel

82. Het hof heeft het verweer van de verdediging begrepen als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Het hof heeft het verweer namelijk expliciet weerlegd met een aanvullende overweging waarin is uiteengezet dat en waarom het – gelet op de gebezigde bewijsmiddelen en conclusies, zoals opgenomen in bijlage 3 van het arrest – van oordeel is dat de verdachte degene is geweest die schuilging achter de genoemde cryptocommunicatie-namen.

83. Het hof is van oordeel dat de verdachte de persoon was die de berichten heeft verstuurd met de cryptocommunicatie-namen ‘ [PGP-naam 2] ’, ‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’, te zien in de in het dossier beschikbare opnames van cryptocommunicatie-gesprekken. Het hof heeft dat (samengevat) als volgt gemotiveerd:

- Onder de verdachte zijn verschillende gegevensdragers in beslag genomen, waarvan de verdachte de gebruiker was. Op die gegevensdragers trof de politie filmpjes en foto’s aan van toestellen waarop cryptocommunicatie-gesprekken zijn te zien. De houder van de gefilmde toestellen verstuurde in die gesprekken chatberichten onder de genoemde cryptocommunicatie-accountnamen. De verdachte heeft erkend dat hij die opnames heeft gemaakt.

- De filmpjes waarop de gesprekken te zien zijn, hebben veelal bestandsnamen waarin de datum van de opname lijkt te zijn verwerkt. De opnames lijken telkens kort na de gevoerde gesprekken te zijn gemaakt en de inhoud past in veel gevallen bij andere gebeurtenissen rond het tijdstip van de gesprekken en de opnamen.

- Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de gebruiker van de cryptocommunicatie-naam ‘ [PGP-naam 1] ’ zichzelf ‘ [bijnaam 1] ’ noemt en ‘de baas van de Crips en een grote motorclub’. Ook meldt hij van zichzelf dat hij uit ‘ [plaats] ’ komt. Verder noemt de gebruiker van deze account zichzelf ‘ [verdachte] ’. Dat past bij wat het hof op basis van de rest van het bewijs vaststelt over de verdachte. De kroongetuige heeft verklaard dat de verdachte gebruikmaakte van de cryptocommunicatie-account ‘ [PGP-naam 1] ’.

- Onderzoek naar de schrijfstijl van de berichten afkomstig van de genoemde cryptocommunicatie-accountnamen wijst uit dat de (waargenomen) kenmerken in die berichten ‘veel waarschijnlijker’ zijn als de verdachte de auteur is van de gefilmde en gefotografeerde berichten van ‘ [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’ en ‘ [PGP-naam 3] ’ dan als iemand anders de auteur is en dat zij ‘waarschijnlijker’ zijn als de verdachte de auteur is van de berichten van ‘ [PGP-naam 4] ’ dan als iemand anders de auteur is.

84. In hoger beroep is door en namens de verdachte een alternatief scenario ingebracht, namelijk dat hij een documentaire wilde maken en dat hij voor dat doel (gefingeerde) gesprekken ontving van ene [betrokkene 10] (een ‘fixer’). Daarmee hebben de verdachte en zijn advocaten willen verklaren hoe het kan dat de verdachte opnames van de gesprekken had, zonder zelf de gebruiker van de accounts te zijn geweest. De verklaringen van de verdachte daarover heeft het hof echter als ongeloofwaardig aangemerkt. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan moet worden uitgegaan.

85. Met het bovenstaande heeft het hof toereikend gemotiveerd dat de verdachte de gebruiker was van de cryptocommunicatie-accounts op het moment dat de in de opnames zichtbare gesprekken werden gevoerd. Het hof heeft ook voldoende uitgelegd waarom is afgeweken van het tegengestelde standpunt van de verdediging. Dat het hof niet op elk argument is ingegaan, maakt dat niet anders. Daarvoor wegen de opgesomde feiten te zwaar en zijn de argumenten van de verdediging niet sterk genoeg.

86. Het zesde middel faalt.

Het zevende middel

87. Het zevende middel komt op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 3] (deelonderzoek [deelonderzoek 7] ) en het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] (deelonderzoek [deelonderzoek 8] ). In het bijzonder wordt het volgende aangevochten:

(i) het oordeel in het deelonderzoek [deelonderzoek 7] dat het in de bewezenverklaring genoemde PGP-toestel bestemd was tot het begaan van het misdrijf;

(ii) het oordeel in het deelonderzoek [deelonderzoek 7] dat de verdachte samen met anderen de gestolen Volkswagen Caddy voorhanden heeft gehad;

(iii) het oordeel in het deelonderzoek [deelonderzoek 8] dat de verdachte samen met anderen de gestolen auto’s en vuurwapens voorhanden heeft gehad.

De bewezenverklaring en bewijsvoering voor zover relevant voor de bespreking van het zevende middel

88. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

3. Meest subsidiair:

op 9 maart 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op die man uit [plaats] ( [slachtoffer 3] ) (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek van Strafrecht oplevert), opzettelijk een informatiedrager en een vervoermiddel, te weten

- een gestolen auto en

- een PGP-telefoon

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

4. Meest subsidiair:

in de periode van 16 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht oplevert), opzettelijk voorwerpen en vervoermiddelen, te weten:

- vuurwapens en

- gestolen auto’s

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad”.

89. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 3] en het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest, waarvan in het bijzonder de volgende:

“5. [deelonderzoek 7]

De chatberichten en telecomgegevens van 4 maart 2017 tot en met 12 april 2017

(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2021, (…)

[naam 1] – unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [verdachte] )

Veronderstelde datum : 5 en 6 maart 2017

Tijdstip

[PGP-naam 1]

[PGP-naam 5] .

21.31

Goedemiddag [PGP-naam 9] zouden jullie die man in [plaats] willen doen??

22.24

Ja tuurlijk mijn broer

Proces-verbaal van bevindingen van 7 juni 2020, (…)

Naar aanleiding van de aangetroffen PGP-chatberichten van 9 maart 2017 zijn de historische verkeersgegevens telefonie van de volgende verdachten geanalyseerd en is er een schema van contacten tussen 4 en 10 maart 2017 opgenomen. De PGP-berichten en de andere telefonische contacten worden hieronder chronologisch weergegeven.

(…)

9 maart 2017

Tijdstip

Afzender

Manier

Ontvanger

Bericht

00.22

[betrokkene 12] (0852)

voicebericht

[betrokkene 13] (3742)

Hé ben je er al? Gozer zeg me als ie er bent.

00.40

[betrokkene 12] (0852)

voicebericht

[betrokkene 13] (3742)

Hé broer heb ik je die sleutel ook gegeven? Die sleutel?

01.26

[betrokkene 13] (3742)

Appt

[betrokkene 12] (0852)

G i have the key

01.26

[betrokkene 13] (3742)

voicebericht

[betrokkene 12] (0852)

Hé broer ik kijk nu pas op mijn telefoon.

Ik was al langer dan een uur geleden in [plaats] . ja toch. Die sleutels heb ik... alles... ja toch.

Ik ben thuis.

Ik spreek je, ja toch.

Hood night.

(…)

08.50

[betrokkene 12] (0852)

Appt

[betrokkene 13] (3742)

Als er gevraagd word I got the key

(…)

10.38

[betrokkene 12] (0852)

Voicebericht

[betrokkene 13] (3742)

Hé G, je kan gewoon voor parkeren, weetje.

Mij appen als je er bent, gewoon daar bij die eh. ..

Nee... gewoon parkeren en naar me toekomen. Even naar me toekomen

(…)

20.28

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

(…) [PGP-naam 9] , het kan zijn dat hij daar eerder is om te kijken weet maar nooit. Het blijft een rat

20.41

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Hij s er

(…)

20.42

[verdachte] (1974)

belt

[betrokkene 12] (0852)

WhatsApp call 32 sec

20.42

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

(…) Hy is er [PGP-naam 9] hy is er!!!!!!!!!

(…) Nee 9 u exact loop ik binnen

20.43

[verdachte] (1974)

belt

[betrokkene 12] (0852)

WhatsApp call 45 sec

(…)

20.47

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

(…) Dus hy staat daar gewoon [PGP-naam 9] 9uur gaat ie na binnen dus als ze zyn auto zien hem erin doen drect

(…) Nee [PGP-naam 9] heb u allang gezegt het is een rat gaat eerder komen boel checken!!!

20.47

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

(…) Dus laat heads goed kyken hy moet daar zyn nu in auto [PGP-naam 9] 9uur gaat ie na binnen

20.47

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Zien nog niets

20.48

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

(…) Nee 9uur exact loop ik binnen

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

(…) Nee 9uur exact loop ik binnen!!!!!!!! Dat zegt hy [PGP-naam 9] en stoer gewapend hahaha

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Is hij binnen

20.49

[verdachte] (1974)

belt

[betrokkene 12] (0852)

WhatsApp call 0 sec

20.52

[verdachte] (1974)

belt

[betrokkene 12] (0852)

WhatsApp call 2.11 min

20.54

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Nee 21u exact loopt ie binnen zegt ie focus hij is daar in de buurt

20.54

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Laat ze ready staan

(…)

20.54

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Veel popo

20.55

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Broer ze rijden heen en weer

(…)

20.55

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Reden langzaam bij bus net

(…)

20.55

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

(…) Oké [PGP-naam 9] good luck want hy is daar kan gewoon niet missen nu

20.55

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Zien nog niets

20.56

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Hmm ok ook

20.57

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Ja hij s al daar bro

20.57

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Nee

20.57

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Niet binnen geweest

20.57

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Wat zegt [betrokkene 23]

20.57

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Dat ze binnen zijn

20.58

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

(…) Spijker broek zwarte sweather en pet

20.59

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Nee zijn niet binnen brer lees goed 21u exact looppt ie na binenn stuur ik je net door bro

20.59

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

En kleding

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Ja maar is (niet leesbaar)

21.00

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Ze kunnen niet te lang meer staan broer. […] is a twee x Iangsgereden pfffff

21.00

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Sta ready

21.00

[verdachte] (1974)

belt

[betrokkene 12] (0852)

WhatsApp call 0 sec

21.00

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Jaa doen ze

21.01

[verdachte] (1974)

belt

[betrokkene 12] (0852)

WhatsApp call 0 sec

21.02

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Ja dan focus die man komt daar 21u was afspraak dus kan niet weggaan bro

21.02

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Nee

21.03

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Nee doen ze niet maar ik zeg je is hot hot

21.03

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Dan weet je

21.04

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Ok

21.04

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Maar rijden ze 3de x gaan ze moeten verplaatsen mijn broer

21.05

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Ok bro

(…)

21.06

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Deze mannn

21.06

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Hij is koppig

21.06

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Hij speelt echt

21.06

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Is al 21.06

21.06

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Maar ik zeg ze moeten timeren

21.07

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Ja dan kan 1 uitstappen en hem wachten

(…)

21.08

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Ja in bos

21.08

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

(…)

Stuur is foto van ingang van café

21.08

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

(…) Hé deze kanker heads zitten te kanker deze man gaat zo we gen weer niks hy is daar al 25 min

Kijk waar die wagi staat dan

21.09

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Dicht???

21.09

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Ze zitten ervoor in bus bradda

(…)

21.10

[verdachte] (1974)

belt

[betrokkene 12] (0852)

WhatsApp call 0 sec

21.10

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Slaat hij nu ervoor bradda

21.11

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Die man flipt de pan uit laat ze rijden en mazda zieken want man gaat max 10 min weg

21.11

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Jaaa

21.11

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Waar staat hij broer vragen ze

21.12

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Ze rijden nu door de wijk

(…)

21.13

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Is die café gesloten of niet broe

21.13

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Dat weet ik niet moeten hun kijken

21.13

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Ze gaan nu

21.13

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Bradda geef me even

21.14

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Kijk na mazda tent is gwn fucking gelsoten gaan problemen krijgen bro hoe kunnen jullie dit niet goed uitzoeken man ff serieus

(…)

21.14

[betrokkene 12] (8552) [het hof begrijpt: 0852]

belt

[verdachte] (1974)

WhatsApp call 0 sec

21.15

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Hij is al die tijd open

21.15

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Ze zoeken hem nu broer

21.15

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Wacht ik stuur iemand anders voor foto

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Is die café (onleesbaar)

21.16

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Ok je hoort me niet meer

21.16

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Bradda even

(…)

21.17

[verdachte] (1974)

belt

[betrokkene 12] (0852)

WhatsApp call 2.02 min

21.18

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Ok

21.18

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Broertr

21.18

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Die man liegt

21.18

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Is open open

21.18

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

[betrokkene 23] speelt

21.18

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Broer

21.18

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Dit is fout

(…)

21.19

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Cagfe is open

(…)

21.20

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Nu kammen ze de hele buurt uit

(…)

21.21

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

En 1 man is nu nu voor

21.21

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Moment

21.21

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Nu

21.21

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Ik zeg je [betrokkene 23] klopt niet

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

(…) […] bro ik ben weg hier laat hem maar straks [plaats] of [plaats] na 12 uur komen

21.21

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Bradda […] mi klopt niet

21.23

[PGP-naam 5]

PGP

[PGP-naam 1]

Ja moment. Wacht op reactie

21.23

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Ik stuur heads naar binnen

(…)

21.26

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Deze […] man

21.26

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

En auto was ook nergens

21.26

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Hele buurt geraced

21.26

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Wacht ik stuur heads op foto te maken

21.27

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Deze man weet iets denk ik

21.27

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Want hij speelt

21.27

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

[betrokkene 23] moest mee

21.27

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Ik haal mannen nu daar weg

(…)

21.31

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

[PGP-naam 5] ze kunnen niet blijven ik stuur ze weg

(…)

21.32

[verdachte] (1974)

Belt

[betrokkene 12] (0852)

[PGP-naam 1]

PGP

[PGP-naam 5]

Ze komen (onleesbaar)

(…)

De bestelbus in bezit van [betrokkene 12] en [betrokkene 13] op 17 maart 2017

Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 8 maart 2017, (…)

Plaats delict : [plaats]

Pleegdatum/tijd : Tussen dinsdag 7 maart 2017 te 23.00 uur en woensdag 8 maart 2017 te 06.45 uur

Op 8 maart 2017 (...) deed bij mij, verbalisant, telefonisch aangifte, een persoon die mij opgaf te zijn:

Achternaam : [aangever]

Voornamen : [aangever]

Hij deed aangifte en verklaarde het volgende (...):

Ik ben eigenaar van een bedrijfsauto van het merk Volkswagen, type Caddy, (...) zilver van kleur, voorzien van [kenteken 1] .

Op dinsdag 7 maart 2017 omstreeks 23:00 uur heb ik de bedrijfsauto geparkeerd (...) te [plaats] op een openbare weg.

Toen ik op woensdag 8 maart 2017 omstreeks 06:45 uur de bedrijfsauto weer in gebruik wilde nemen zag ik dat deze door onbekende(n) was weggnomen.

Bijlage goederen

Voertuig : Bestelauto

Merk/type : Volkswagen Caddy

Kleur : Zilverkleurig

Chassisnummer : […]

Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 3017, (…)

Op 17 maart 2017 (...) bevonden wij, verbalisanten, ons (...) te [plaats] .

Omstreeks 15.45 uur hoorden wij, verbalisanten, dat er drie personen op [e-straat] in een zwarte Renault Clio zijn gestapt en wegreden in de richting van de [d-straat] .

Wij hebben het voertuig (...) een stopteken gegeven.

Ik (...) maakte contact met de bestuurder [betrokkene 2] .

Ik (...) trok middels mijn diensttelefoon de persoonsgegeven van [betrokkene 2] (...) na (…).

De bijrijder bleek als volgt te zijn genaamd:

[betrokkene 13] .

De persoon welke achter de bijrijder zat bleek als volgt te zijn genaamd:

[betrokkene 12] .

(…)

Tijdens de insluitingsfouillering van [betrokkene 13] trof ik (...) een autosleutel van het merk Volkswagen aan.

Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2017, (…)

Ik, verbalisant, had op 17 maart 2017 (...) een onderzoek ingesteld op een parkeerplaats aan [e-straat] te [plaats] .

Wel zag ik een grijze Volkswagen Caddy met [kenteken 2] achteruit ingeparkeerd staan (...). Dit voertuig stond geparkeerd naast het voertuig met [kenteken 3] , waar de drie verdachten eerder in weggereden waren.

Op 17 maart 2017 (...) hoorde ik (...) dat er tijdens de veiligheidsfouillering van verdachte [betrokkene 13] een Volkswagen sleutel aangetroffen was.

Ik (...) legde meteen de link aan de Volkswagen Caddy met [kenteken 2] , welke geparkeerd stond op het parkeerterrein [e-straat] . Ik ben onmiddellijk (...) naar het parkeerterrein [e-straat] gereden.

Ik zag dat het voertuig reageerde op het indrukken van de sleutelknop.

Ter plaatse heeft collega (...) het chassisnummer […] van de genoemde Volkswagen Caddy, welke zichtbaar was vanuit de voorruit, gecontroleerd (…).

Proces-verbaal van bevindingen van 30 maart 2017, (…)

Op 22 maart 2017 heb ik, verbalisant, (...) een onderzoek verricht aan het hierna genoemde inbeslaggenomen voertuig.

Merk/type: Volkswagen Caddy

Chassisnummer: […]

Ik (...) zag dat het voertuig was voorzien van een geïntegreerd multimedia- en navigatiesysteem (...). Ik zag dat in het navigatiesysteem ingevoerde bestemmingen waren opgeslagen en dat het mogelijk was om door deze lijst te scrollen/bladeren.

De lijst met ingevoerde bestemmingen is bijgevoegd aan dit proces-verbaal als ‘bijlage 1’. De laatst ingevoerde bestemming staat in deze lijst bovenaan.

Bijlage 1

Ingevoerde bestemmingen uit het navigatiesysteem (...)

NEDERLAND

[plaats]

[f-straat]

Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 29 maart 2017, (…)

Op 29 maart 2017 (...) verscheen voor mij, verbalisant, (...) een persoon die mij opgaf te zijn:

Achternaam : [aangever]

Voornamen : [aangever]

Hij deed aangifte en verklaarde het volgende (...):

Mijn bedrijfsauto voorzien van [kenteken 1] was op 8 maart 2017 gestolen en is door u teruggevonden.

U laat mij twee lijsten zien met hierop ingevoerde bestemming van het navigatiesysteem van mijn auto. Eigenlijk kan ik mij op de eerste lijst alleen de eerste bestemming [f-straat] in [plaats] niet herinneren. De andere heb ik ingevoerd.

Proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2018, (…)

Café [B] is gevestigd aan de [f-straat 1] te [plaats] .

Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] van 15 januari 2018, (…)

A: Van [medeverdachte 1] [het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ] heb ik gehoord dat hij foto’s moest maken van café [C] of [B] aan de [f-straat] te [plaats] .

A: Ik heb er toen lange tijd niets over gehoord. Daarna heb ik [verdachte] een keer gevraagd waarom [medeverdachte 1] foto’s moest maken. [verdachte] zei dat ze iemand gelokt hadden daarheen voor een liquidatie. Dat was mis gegaan. De mensen van [verdachte] waren te laat gekomen. Daarna had [medeverdachte 1] foto’s gemaakt en die hadden ze gebruikt om aan te tonen dat het slachtoffer niet was komen opdagen.

Later ben ik vast komen te zitten in [plaats] en toen kwam ik [betrokkene 13] tegen. Hij beaamde mij toen dat ze een liquidatie moesten doen (...) en dat ze te laat waren gekomen door zijn schuld. [betrokkene 13] was toen met [betrokkene 15] en [betrokkene 16] .

Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] van 7 mei 2019, (…)

V: Wat legde [verdachte] jou dan uit?

A: Ja, toentertijd hadden wij een gesprek, ik weet niet meer precies, toen vertelde hij mij, dat er een liquidatie moest plaatsvinden.

V: Moest die nog plaatsvinden?

A: Ja, daar zou op dat moment een liquidatie moeten plaatsvinden, alleen die jongens waren laat. Maar eigenlijk is de liquidatie niet doorgegaan, wat ik dan begrepen heb, vanuit meerdere mensen uiteindelijk, is dat ze gewoon te laat waren.

V: Want jij zegt, daar heb ik naar gevraagd bij hem?

A: Ja, daar heb ik het met hem over gehad. En ik heb het ook van ehh... ja... hoe heet hij nou... van [betrokkene 13] . .. [betrokkene 13] heb ik ook nog een keer gesproken in detentietijd en die vertelde mij, dat ze te laat waren door hém. En dat daardoor die liquidatie niet plaatsgevonden had.

V: Hoe reageerde [verdachte] daarop?

A: (...) en toen heeft hij mij verteld, van exact... er was een liquidatie bezig, alleen die jongens waren te laat en er waren al wat foutjes gemaakt, zei-die, met vorige acties, waar ze mee bezig waren, dus hij zegt, het kwam niet sterk over, dus we moesten laten zien, dat we er waren en dus heb ik het verhaal gedraaid, dat die persoon zeg maar, niet op is komen dagen, maar eigenlijk waren ze gewoon te laat.

V: Wie waren te laat?

A: Nou ja, hij heeft mij nooit verteld wie... alleen ik heb zelf van [betrokkene 13] begrepen, dat hij te laat was, dat het door hém kwam. En wat ik van hem begrepen heb, was dat met [betrokkene 16] en [betrokkene 15] .

V: En dat heb je weer van [betrokkene 13] ?

A: Dat heb ik van [betrokkene 13] ja.

Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2021, waarin is opgenomen als verklaring van verdachte [betrokkene 13] :

De oudste rechter bevraagt verdachte [betrokkene 13] (…).

Heeft u ooit met de kroongetuige gesproken over dat u te laat was in [plaats] ?

Ja, dat was bij het eerste gesprek met [getuige 4] in de PI.

Hoe ging dat gesprek?

Hij begon ermee van heb je het gehoord of gezien. Ik weet niet precies hoe hij dat heeft benoemd, maar over die moord op [bijnaam 2] in het café. Ik zei daar weer terug op, waar heb je het over, welke Belg, wie, wat. Hij zei tegen mij, doe nou niet alsof je het niet weet, ik heb het al gehoord jongen, jij was toch degene die daar te laat was. En ik zei toen tegen hem, ja, [getuige 4] ik was degene die te laat was.

6. [deelonderzoek 8]

De aangetroffen chats

(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2021, (…)

[naam 1] - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [verdachte] )

Veronderstelde datum : 16 maart 2017

Tijdstip

[PGP-naam 1]

[betrokkene 4]

(…)

Die 2

16.41

Adres [g-straat 1]

16.42

Vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje van 2 a 3 jaar

16.43

Als hij wordt opgehaald door seat zwarte moeten ze allebei of thuis gebracht dan pak je wie je kan of allebei

16.45

Of een taxi 5 serie nieuwe is een vriend van ze haalt ze ook op soms donker grijze

(…)

140 allebei op snelheid 160

(…)

Hun kan je ook drive by geven bro

(…)

Ja klopt moment je moet in die [i-straat] staan tegen over [A] zie je iedereen erin of eruit rijden of er achter ga ff kijken voor je moment

(…)

[naam 1] - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [verdachte] )

Veronderstelde datum : 16 maart 2017

Tijdstip

[PGP-naam 1]

[betrokkene 4]

(…)

20.06

En ze komen ook met z'n 2tjes trainen soms maar dan rijden ze van zijn huis na daar of ze spreken daar af

(…)

20.08

Ik doe et morgen 200%

Als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog

(…)

Zijn echt boezemmatties dus?

(…)

20.12

Ze zijn ingepakt en al kan ze nu nog stoppen

20.17

Geef me alles niffo

20.17

Ik laat ze morgen hele dag daar zijn

(…)

Sportschool klopt ook maar is niet dat ze elke dag gaan en weet schema ook niet precies snap je

(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2019, (…)

In het kader van opsporingsonderzoek Eris werd [verdachte] op 21 november 2018 aangehouden in de woning aan de [h-straat 1] in [plaats] . In de omgeving van deze woning stond de BMW met [kenteken 4] geparkeerd. Uit waarnemingen van observatieteams is gebleken dat deze BMW destijds in gebruik was bij [verdachte] (onder andere OT.004; OT.026; OT.052; OT.056). In de BMW is een harde schijf van het merk LaCie aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze harde schijf is voorzien van het unieke beslagnummer […] en het unieke SIN […] . De harde schijf is vervolgens met de daartoe bestemde forensische onderzoeksapparatuur uitgelezen, waarvan een afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt.

Op de harde schijf staan meerdere foto's en video’s van een mobiele telefoon waarop chatgesprekken worden gevoerd via Sky. Met Sky kunnen berichten worden verstuurd, voorzien van encryptie. Een aantal van de foto’s en een video zijn vermoedelijk gemaakt op 16 maart 2017 tussen 19:04 uur en 20:23 uur (…). Dit betreffen foto’s en een video van een chatgesprek tussen een persoon met de (bij)naam ‘ [betrokkene 4] ' en een persoon met de (bij)naam ‘ [PGP-naam 1] ’. In deze chat stuurt ‘ [betrokkene 4] ’ een bericht door van een persoon met de (bij)naam ‘ [PGP-naam 5] .’. Bij dit bericht van ‘ [PGP-naam 5] .’ staat de datum 16 maart 2017.

Op (...) 16 maart 2017 om 19:07:13 uur en 19:08:37 uur zijn vervolgens onderstaande foto’s van een mobiele telefoon gemaakt.

Foto 1

Foto 2

De man afgebeeld op foto 1 vertoont wat uiterlijk betreft opvallende overeenkomsten met [slachtoffer 4] (vorm van het linkeroor, vorm van de neus en ontbreken van haartjes in de linker wenkbrauw).

De man afgebeeld op foto 2 vertoont wat uiterlijk betreft sterke overeenkomsten met [slachtoffer 5] (vorm en stand van de oren, vorm van de bovenlip en vorm van de neus).

De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] van 17 september 2020, (…)

O: In 2017 is er geprobeerd om jou en [betrokkene 17] te liquideren. Er zijn toen drie mensen aangehouden in de buurt van de woning van [betrokkene 18] met automatische wapens en handvuurwapens.

(…)

V: Naar welke sportschool gingen jullie?

A: [A] vlak bij [betrokkene 18] haar huis op loopafstand.

(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2019, (…)

Betreft: Gesprek met [slachtoffer 5]

Op de vraag of [slachtoffer 5] in 2017 wel eens aan [g-straat] kwam verklaarde hij dat hij [betrokkene 19] in 2017 altijd bij deze woning aan [g-straat] kwam ophalen met een auto.

(…)

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 5] van 17 september 2020, (…)

V: Naar welke sportschool gingen jullie?

A: [A] vlak bij [betrokkene 18] haar huis. Ietsje verderop.

(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2019, (…)

Eerder op die vrijdag 17 maart 2017 omstreeks 14.45 uur waren de eerdergenoemde aangehouden verdachten [betrokkene 13] en [betrokkene 12] door collega's van de eenheid politie [plaats] waargenomen op de [d-straat] te [plaats] ter hoogte van een viskraam. Enige tijd later zagen de collega ’s dat de aangehouden verdachte [betrokkene 2] zich bij [betrokkene 13] en [betrokkene 12] voegde. Opvallend tijdens hun verblijf aldaar was dat de verdachte [betrokkene 13] op een gegeven moment ongeveer 15 meter van [betrokkene 2] en [betrokkene 12] ging staan waarna [betrokkene 2] en [betrokkene 12] volop met elkaar in gesprek gingen. Gelijktijdig zag één van de collega's dat de verdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 12] tijdens hun gesprek regelmatig naar een bloemenkiosk keken. Deze bloemenkiosk is aan de overzijde van de viskraam gelegen op de kruising [d-straat] met de [j-straat] te [plaats] . Eveneens opvallend is dat in het verlengde van de bloemenkiosk de sportschool [A] aan de [j-straat] te [plaats] is gelegen. Deze sportschool wordt genoemd in één van de eerdergenoemde chatgesprekken als zijnde de sportschool waar de beoogde slachtoffer(s) zou(den) trainen. Vanaf de [d-straat] waar [betrokkene 2] en [betrokkene 12] ongeveer gestaan hebben is via de achterzijde van de bloemenkiosk de voorzijde van het gebouw, waarin de sportschool is gelegen, te zien.

(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 29 mei 2017, (…)

Op 17 maart 2017 (…) nam ik, verbalisant (…), in beslag een mobiele telefoon, van het merk BlackBerry, kleur wit.

De telefoon is inbeslaggenomen onder goednummer […] .

Ik, verbalisant, zag dat deze mobiele telefoon in de lade van verdachte [betrokkene 12] zat. In deze lade worden alle goederen opgeslagen die bij de insluitingsfouillering van de verdachte zijn afgenomen.

(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 1 november 2019, (…)

Op verzoek van de Digitale Opsporing eenheid [plaats] heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) de BlackBerry Q10 met goedcode […] en (...) SIN […] voor een beperkt deel uitgelezen.

Tabel ‘msg’

Ik zag dat er 145 regels in de tabel ‘msg ’ (bericht) zaten.

Ik zag dat er 84 regels waren waarbij de ‘spin’ (sending PIN) een waarde had en 61 regels waarbij de ‘spin’ geen waarde had. Ik vermoed dat het 84 inkomende berichten betrof en 61 verzonden berichten.

Ik zag dat de PIN bij alle verzonden en ontvangen berichten ‘ [PGP-naam 1] ’ betrof. De contactpersoon met PIN [PGP-naam 1] had de naam ‘ [PGP-naam 1] ’.

Ik zag dat alle berichten waren verzonden op 17 maart 2017 tussen 13.12 en 16.03 uur (GMT+1).

Ik zag dat alle berichten waren gelezen op 17 maart 2017 tussen 13.12 en 15.36 uur (GMT+1).

Ik zag dat om 15.34 uur voor het laatst een bericht verzonden werd. Ik zag dat er hierna drie ontvangen berichten waren van 15.36, 15.36 en 16.03 uur, die niet gelezen waren. [betrokkene 12] en de twee medeverdachten werden om omstreeks 15.45 uur gecontroleerd (...).

90. Het hof heeft ten aanzien van het bewezen verklaarde verder onder meer het volgende overwogen:

“6.3.3. [deelonderzoek 7]

Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.

(…)

6.3.3.1.

Het uitlokken van een liquidatie

Op 5 maart 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [PGP-naam 1] ’, veredeld als [verdachte] , en het account ‘ [PGP-naam 5] ’, veredeld als [betrokkene 20] . [betrokkene 20] vraagt aan [verdachte] of “ze die man in [plaats] willen doen”. [verdachte] antwoordt hierop bevestigend. [betrokkene 20] geeft [verdachte] te kennen dat hij het gaat opzetten. [verdachte] laat aan [betrokkene 20] weten dat ze klaarstaan. Het hof stelt op basis van dit chatgesprek vast dat ‘ [PGP-naam 1] ’ en ‘ [PGP-naam 5] ’ bezig zijn geweest met een voorgenomen liquidatie, waarvan het beoogde slachtoffer “die man in [plaats] ” was. Het hof gaat er, zoals hierna nog wordt overwogen, van uit dat het hierbij gaat om [slachtoffer 3] . De liquidatie heeft niet plaatsgevonden.

Op 9 maart 2017 vanaf 21.42 uur neemt ‘ [betrokkene 4] ’, veredeld als [betrokkene 21] , [betrokkene 20] aan het PGPchatgesprek, op het moment dat duidelijk is dat de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 3] is mislukt. Het hof leidt uit de inhoud van deze en daarna gevoerde chats af dat [betrokkene 21] samen met [betrokkene 20] de opdracht heeft gegeven tot de liquidatie van [slachtoffer 3] .

Allereerst blijkt uit het chatgesprek dat op 9 maart 2017 vanaf 21.42 uur wordt gevoerd dat [betrokkene 21] op de hoogte is van de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 3] . [betrokkene 21] zegt tegen [verdachte] dat het niet mis mag gaan. [verdachte] antwoordt hierop dat [betrokkene 21] “ [PGP-naam 5] ” het moet laten uitleggen. [verdachte] stuurt vervolgens naar [betrokkene 20] dat hij het “ [betrokkene 22] ” moet uitleggen. [verdachte] laat nog wel aan [betrokkene 21] weten dat hij vindt dat de “ [betrokkene 23] ” het niet goed heeft gedaan en hij vraagt zich af hoe dat kan terwijl “jullie” hem betalen. [verdachte] geeft vervolgens aan naar de “heads” te gaan om ze te bedaren.

Een paar uur na de mislukte liquidatie vraagt [verdachte] aan [betrokkene 20] wat hij de “heads” kan zeggen. [betrokkene 20] antwoordt hierop dat er morgen wat “pap” [het hof begrijpt: geld] wordt gestuurd voor de moeite en dat [verdachte] dat dan kan delen. [verdachte] vindt dit goed. In de nacht van 10 op 11 maart 2017 vraagt [verdachte] aan [betrokkene 21] wat het adres is. [betrokkene 21] antwoordt hierop: “ [k-straat] kruising [l-straat] op de brug”. [verdachte] zegt tegen [betrokkene 21] dat hij iemand stuurt en geeft dat adres vervolgens via WhatsApp aan [betrokkene 24] door. [betrokkene 21] vraagt aan [verdachte] of het klopt dat “ [PGP-naam 5] ” “35” heeft afgesproken. [verdachte] antwoordt hierop: “Ja ik zei voor jullie 2 1500. Geef ik heads de rest”. [verdachte] laat aan [betrokkene 21] weten dat de persoon die hij heeft gestuurd er staat. [betrokkene 21] antwoordt om 00.25 uur dat hij het al heeft gegeven. [betrokkene 24] is die nacht om 00.05 uur door de politie op de [k-straat] in [plaats] gecontroleerd.

In hetzelfde gesprek vraagt [verdachte] aan [betrokkene 21] of [betrokkene 21] het redelijk vindt. [betrokkene 21] antwoordt dat dit de eerste keer is en “die man heeft nog niet van je gehoord maar zodra er progres volgt zal je zien heb het je al eens verteld geef me 2 snel en je zal geen geld problemen hebben broer!”. Vervolgens antwoordt [verdachte] : “Dank voor het gebaar mijn broer. We staan aan je zij. Sorry dat we je niet konden geven wat je hoorde te krijgen, maar ik hoop dat er nog een kans volgt om deze voor u naar Satan te sturen.. gr mijn broer”.

Uit een chatbericht tussen [verdachte] en [betrokkene 21] van 18 februari 2017 blijkt dat er voor een geslaagde liquidatie € 70.000,- aan [verdachte] wordt betaald door de organisatie waar [betrokkene 21] [betrokkene 20] van uitmaakte. Uit het feit dat [verdachte] in het deelonderzoek [deelonderzoek 7] geld krijgt voor de moeite, leidt het hof af dat [verdachte] ook voor de moord op het beoogde slachtoffer een geldbedrag in het vooruitzicht is gesteld.

Het hof leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [betrokkene 20] en [betrokkene 21] gezamenlijk [verdachte] hebben geprobeerd te bewegen tot het liquideren van het beoogde slachtoffer door [verdachte] een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen. Uit wat het hof hierna overweegt over de uitvoering van de liquidatie, blijkt dat in het kader van de uitlokking ook aan [verdachte] is verteld waar het slachtoffer op het moment van de voorgenomen liquidatie zou zijn, dat het over een Marokkaanse man uit [plaats] gaat die [naam 2] heet, dat hij lang en kaal is en dat hij in een Mazda rijdt.

6.3.3.2. Het beoogde slachtoffer

In de politiesystemen gaven de zoektermen ‘ [naam 2] ’, ‘ [plaats] ’ en ‘Mazda’ een hit op [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] heeft van 24 januari 2017 tot en met 26 november 2018 een Mazda op naam gehad. In 2017 was hij kaal en hij is 1.80 m lang. [slachtoffer 3] heeft zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit en wordt in verband gebracht met de handel in harddrugs. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat [slachtoffer 3] het doelwit van de beoogde liquidatie op 9 maart 2017 was. Dat [slachtoffer 3] niet heeft verklaard of hij op 9 maart 2017 in [plaats] is geweest, doet daaraan niet af.

6.3.3.3. De plaats van de voorgenomen moord

Op 4 maart 2017 heeft [verdachte] aan [betrokkene 35] gevraagd wat het adres is van café [B] en of dit café nog open is voor publiek. Café [B] was gelegen aan de [f-straat 1] in [plaats] . In dit café werden tot januari 2017 de clubbijeenkomsten van de afdeling [plaats] van Caloh Wagoh gehouden.

In de avond van 9 maart 2017 heeft [verdachte] contact met [medeverdachte 1] . Om 19.33 uur laat [medeverdachte 1] aan [verdachte] weten dat hij thuis is op de [m-straat 1] in [plaats] en dat dat vlakbij het café is. [medeverdachte 1] vraagt aan [verdachte] wat ze rijden en of hij thuis of bij het café moet wachten. [verdachte] antwoordt hierop dat [medeverdachte 1] ze vanzelf ziet en dat hij thuis op ze moet wachten. Om 20.42 uur vraagt [medeverdachte 1] aan [verdachte] of hij al wat weet. [verdachte] antwoordt hierop om 20.45 uur dat [medeverdachte 1] moet wachten. Daarna zijn er tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] nog (al dan niet gemiste) telefoonoproepen waarvan de inhoud niet bekend is geworden.

Uit de hierna te bespreken chatberichten tussen [verdachte] en [betrokkene 20] blijkt dat het beoogde doelwit bij een café zou komen. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat het de bedoeling was dat [slachtoffer 3] op de avond van 9 maart 2017 in of in de buurt van café [B] in [plaats] zou worden geliquideerd.

6.3.3.4. De voorbereidingshandelingen voor de (mislukte) liquidatie

6.3.3.4.1. Gebruik PGP-telefoon door [verdachte]

Op 9 maart 2017 vanaf 20.28 uur hebben [verdachte] en [betrokkene 20] contact via de PGP. Uit de chatberichten valt op te maken dat er iets staat te gebeuren. [betrokkene 20] stuurt een bericht door van ‘ [PGP-naam 8] ’: “ [PGP-naam 9] , het kan zijn dat hij daar eerder is om te kijken weet maar nooit”. Om 20.41 uur stuurt [betrokkene 20] aan [verdachte] dat “hij er is”. Om 20.43 uur laat PGP-account ‘ [PGP-naam 6] ’ via PGPaccount ‘ [PGP-naam 7] ’ via ‘ [PGP-naam 8] ’ en vervolgens [betrokkene 20] aan [verdachte] weten dat hij om negen uur exact naar binnen loopt. ‘ [PGP-naam 8] ’ zegt daarover: “Dus hy staat daar gewoon [PGP-naam 9] 9uur gaat ie na binnen dus als ze zyn auto zien hem erin doen direct” en “Dus laat heads goed kyken hy moet daar zyn nu in auto [PGP-naam 9] 9uur gaat ie na binnen”. [betrokkene 20] zegt tegen [verdachte] dat ze ready moeten staan. Het hof leidt uit de inhoud van deze berichten en het gebruik van het woord ‘heads’ af dat PGP-account ‘ [PGP-naam 6] ’ het doelwit is dat om 21.00 uur ergens zou komen en dat deze persoon vervolgens moest worden geliquideerd.

Uit het vervolg van het chatgesprek blijkt dat [verdachte] in de minuten daarna meer dan één keer aangeeft dat ze nog niets zien en dat hij ook bij herhaling vraagt of ‘ze’ binnen zijn. [betrokkene 20] benadrukt daarop dat ‘ [PGP-naam 6] ’ heeft aangegeven dat hij om exact 21.00 uur naar binnen loopt, dat hij dus nog niet binnen is en dat hij in de omgeving moet staan. [verdachte] noemt dat er ‘popo’ [het hof begrijpt: politie] in de buurt is en dat ‘ze’ er niet meer lang kunnen staan. [betrokkene 20] antwoordt daarop dat ze zich dan moeten focussen en dat ze niet weg kunnen gaan. Om 21.06 uur stuurt ‘ [PGP-naam 6] ’ via ‘ [PGP-naam 7] ’ via ‘ [PGP-naam 8] ’ en vervolgens [betrokkene 20] dat de “tent gesloten is”. [betrokkene 20] stuurt ook nog het volgende bericht van ‘ [PGP-naam 8] ’ door: “Hé deze kanker heads zitten te kanker deze man gaat zo weg en weer niks hy is daar al 25min”. Om 21.09 uur stuurt [betrokkene 20] naar [verdachte] : “S die café gesloten”.

Om 21.08 uur krijgt [verdachte] van [betrokkene 20] de opdracht om te kijken waar die ‘wagi’ [het hof begrijpt: auto] staat. Dit moet een Mazda zijn. Volgens [betrokkene 20] moeten ‘ze’ rijden om de Mazda te zoeken, “want man gaat max 10 min weg”. Om 21.21 uur stuurt ‘ [PGP-naam 6] ’ via ‘ [PGP-naam 7] ’, ‘ [PGP-naam 8] ’ en [betrokkene 20] naar [verdachte] : “Ik ben weg hier”. Uit dit laatste bericht en het vervolg van het chatgesprek leidt het hof af dat het kennelijk niet gelukt is om de persoon te liquideren. Ook daarna heeft [verdachte] nog contact met [betrokkene 20] om te bespreken waarom het niet is gelukt. Op de onder [verdachte] aangetroffen opnamen van PGP-gesprekken is te zien dat vanaf 21.42 uur ook [betrokkene 21] met [verdachte] chat.

Het hof leidt uit het bovenstaande af dat [verdachte] een PGP-telefoon in zijn bezit heeft gehad, die bedoeld was om te worden gebruikt bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 3] , te weten voor het doorgeven van het moment waarop het beoogde slachtoffer ter plaatse zou zijn en het onderhouden van contact over de uitvoering.

6.3.3.4.2. Beoogde uitvoerders van de moord en gebruik bestelbus

Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [verdachte] ten tijde van het ter plaatse komen van het doelwit en het hierover chatten met [betrokkene 20] voornamelijk telefonisch contact had of probeerde te hebben met [betrokkene 12] . Dit is het geval om 20.42 uur, 20.43 uur, 20.49 uur, 20.52 uur, 21.01 uur, 21.10 uur, 21.14 uur en 21.17 uur. Om 21.18 uur straalde een toestel van [betrokkene 12] aan op de mast [n-straat 1] in [plaats] .

In het chatgesprek van 9 maart 2017 stuurt [betrokkene 20] om 21.08 uur: “Stuur is foto van ingang van cafe”. [verdachte] antwoordt met “Ze zitten ervoor in bus”. Op 17 maart 2017, acht dagen na het moment van deze mislukte liquidatie, worden [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] aangehouden. [betrokkene 13] heeft dan een sleutel van een Volkswagen Caddy, een bestelbus, bij zich. Deze auto is in de nacht van 7 op 8 maart 2017, twee dagen vóór de mislukte liquidatie van [slachtoffer 3] , in [plaats] gestolen. In het geïntegreerde navigatiesysteem van deze Volkswagen Caddy stond het adres [f-straat] in [plaats] als de laatst ingevoerde bestemming. De eigenaar heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij dit adres heeft ingevoerd. De andere in het navigatiesysteem aangetroffen bestemmingen heeft hij (wel) ingevoerd.

In de nacht van 8 op 9 maart 2017 hebben [betrokkene 12] en [betrokkene 13] whatsappcontact met elkaar. Het gaat erover of [betrokkene 12] een sleutel aan [betrokkene 13] heeft gegeven. [betrokkene 13] geeft aan de sleutel te hebben. [betrokkene 12] noemt nog dat als [betrokkene 13] ernaar wordt gevraagd, hij moet zeggen dat [betrokkene 12] de sleutel heeft. Over de inhoud van deze berichten hebben [betrokkene 12] en [betrokkene 13] geen aannemelijke verklaring afgelegd. Gelet op alle overige feiten en omstandigheden in dit dossier, in onderlinge samenhang bezien, gaat het hof er daarom van uit dat het hier gaat om de sleutel van de Volkswagen Caddy.

Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [betrokkene 12] en [betrokkene 13] in de ochtend met elkaar hebben afgesproken. [betrokkene 13] appt om 10.09 uur naar [betrokkene 12] dat hij nu de deur uit is. Om 10.38 uur laat [betrokkene 12] aan [betrokkene 13] weten dat [betrokkene 13] “gewoon voor kan parkeren” en dat hij dan naar [betrokkene 12] toe moet komen. Om 18.35 uur straalt een toestel van [betrokkene 13] aan op de mast [n-straat 1] in [plaats] . Zoals al gezegd, straalt een telefoon van [betrokkene 12] kort na het moment van de beoogde liquidatie ook op deze mast aan. Op 10 maart 2017 om 01.27 uur straalde een telefoon van [betrokkene 13] aan op de mast [o-straat 1] in [plaats] . Deze mast bevindt zich in de nabije omgeving van de woning van [verdachte] aan de [p-straat 1] in [plaats] . Nu niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 12] en [betrokkene 13] een ander adres hebben bezocht, gaat het hof ervan uit dat zij toen in [plaats] een ontmoeting met [verdachte] hebben gehad.

Uit de telecomgegevens die zich in het dossier bevinden blijkt niet dat [betrokkene 12] en [betrokkene 13] zich op de avond van 9 maart 2017 op enig moment in de nabijheid van café [B] hebben bevonden. De raadslieden van [betrokkene 12] en [betrokkene 13] hebben gesteld dat dit tot vrijspraak zou moeten leiden . In dat verband hebben zij aangevoerd dat [betrokkene 13] en [betrokkene 12] ook op andere avonden in maart 2017 in [plaats] waren waarbij hun telefoons de zendmast aan de [n-straat 1] aanstraalden. Uit het enkele feit dat zij ook op de avond van 9 maart 2017 in [plaats] waren, kan dus geen betrokkenheid bij het tenlastegelegde worden afgeleid, aldus de verdediging.

Het hof acht op basis van de telecomgegevens van (het tijdstip van) de contacten tussen [betrokkene 12] en [verdachte] , de feiten en omstandigheden met betrekking tot de Volkswagen Caddy en het gegeven dat [betrokkene 12] en [betrokkene 13] op 9 maart 2017 na de mislukte liquidatie samen naar [verdachte] zijn gereden, in samenhang met het feit dat zij die avond in [plaats] waren, wettig en overtuigend bewezen dat zij betrokken waren bij de uitvoering van het plan om [slachtoffer 3] van het leven te beroven. Dat zij op andere avonden in die periode ook in [plaats] waren en dat niet blijkt dat hun telefoons zich in de directe nabijheid van café [B] hebben bevonden, staat een bewezenverklaring niet in de weg. Die gegevens sluiten niet uit dat de liquidatie niet is doorgegaan omdat de beoogde schutters niet op tijd ter plaatse – bij café [B] – waren.

Het hof gaat ervan uit dat [betrokkene 12] en [betrokkene 13] de beoogde schutters voor de liquidatie van [slachtoffer 3] waren en dat zij de genoemde bestelbus voorhanden hebben gehad om te gebruiken bij de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 3] . Het hof heeft daarbij gelet op het gegeven dat [verdachte] op het moment van de beoogde liquidatie veelvuldig chatcontact had met [betrokkene 20] en later ook met [betrokkene 21] over de uitvoering van de liquidatie en dat [verdachte] op datzelfde moment met zijn normale telefoontoestel continu contact zocht of heeft gehad met [betrokkene 12] .

Het hof gebruikt in dit verband ook de verklaring van [getuige 4] voor het bewijs. [getuige 4] heeft op verschillende momenten zowel bij de politie als op de zitting verklaard dat hij van [verdachte] heeft gehoord over een liquidatie die is voorbereid. [getuige 4] heeft verklaard dat [betrokkene 13] (veredeld als [betrokkene 13] ), [betrokkene 15] (veredeld als [betrokkene 12] ) en [betrokkene 16] (veredeld als [betrokkene 2] ) de beoogde uitvoerders waren. De liquidatie is niet doorgegaan omdat de uitvoerders te laat waren door de schuld van [betrokkene 13] ( [betrokkene 13] ). Ook [betrokkene 13] zou tegen hem hebben gezegd dat er een liquidatie mislukt was omdat ze te laat waren. Dat gesprek zou hebben plaatsgevonden in de PI. Dat een dergelijk gesprek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, vindt steun in de verklaring van [betrokkene 13] . [betrokkene 13] heeft bevestigd dat [getuige 4] en hij elkaar in de PI ( [plaats] ) hebben gesproken en dat het erover ging dat [betrokkene 13] te laat was. [betrokkene 13] heeft dat tegenover [getuige 4] bevestigd. Dat hij dat alleen sarcastisch zou hebben bedoeld omdat hij het gesprek wilde afkappen om ervan af te zijn, acht het hof in het licht van de overige bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden. Dat, aldus zowel [getuige 4] als [betrokkene 13] , [getuige 4] het tijdens dit gesprek over ‘een Belg’ had, maakt ook niet dat de verklaring van [getuige 4] op dit punt niet betrouwbaar is. Vast staat dat [getuige 4] in zijn verklaringen de zaken [deelonderzoek 7] ( [f-straat] ) en [deelonderzoek 6] (liquidatie van [bijnaam 2] [slachtoffer 6] ) door elkaar haalt, terwijl het te laat zijn van [betrokkene 13] uitsluitend betrekking kan hebben op de nietgelukte liquidatie in de zaak [deelonderzoek 7] en niet op de zaak [deelonderzoek 6] .

(…)

6.3.3.6. De rollen van [betrokkene 21] , [betrokkene 20] , [verdachte] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13]

6.3.3.6.1. [verdachte] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13]

Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor moord, wat aan [verdachte] meer subsidiair is ten laste gelegd en aan [betrokkene 12] en [betrokkene 13] subsidiair is ten laste gelegd.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de (bestel)bus waarvan [betrokkene 12] en [betrokkene 13] die avond gebruikmaakten, bestemd was tot de uitvoering van de voorgenomen liquidatie. Daarmee is ten aanzien van die auto voldaan aan het vereiste dat het object waarop een voorbereidingshandeling betrekking heeft, moet zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid (zie HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198 en HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:1380). Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] , waarbij de bijdrage van ieder van hen van voldoende gewicht is geweest voor de kwalificatie medeplegen, kan het voorhanden hebben van deze bus ook aan [verdachte] worden toegerekend.

Uit het dossier blijkt ook dat [verdachte] die avond een PGP-telefoon voorhanden heeft gehad, waarmee hij rond het tijdstip van de geplande liquidatie met [betrokkene 20] en [betrokkene 21] communiceerde over de uitvoering daarvan. Hiermee is ook voor deze PGP-telefoon voldaan aan het hiervoor genoemde bestemmingsvereiste. Niet is gebleken dat [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] die avond een PGP-telefoon voorhanden hebben gehad, zodat zij van het voorhanden hebben daarvan worden vrijgesproken.

Dat de andere mobiele telefoons die [verdachte] , [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] die avond voorhanden hebben gehad waren bestemd tot de uitvoering van de voorgenomen liquidatie, als bedoeld in de hiervoor aangehaalde rechtspraak, is niet gebleken. Het voorhanden hebben van deze telefoons kan daarom zonder meer niet als een voorbereidingshandeling worden gekwalificeerd, zodat ook van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

(…)

[deelonderzoek 8]

Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.

6.3.4.1.

De aangetroffen chats

Op 16 maart 2017 vindt er vanaf ongeveer 16.41 uur een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [PGP-naam 1] ’, veredeld als [verdachte] , en ‘ [betrokkene 4] ’, veredeld als [betrokkene 21] . [betrokkene 21] stuurt een foto en zegt “die 2” en geeft als adres [g-straat 1] . Op een harde schijf die onder [verdachte] in beslag is genomen staan twee foto’s die op 16 maart 2017 om 19.07 uur en 19.08 uur van een mobiele telefoon zijn gemaakt. Via het genoemde adres komt de politie uit bij [slachtoffer 4] , mede omdat zijn vriendin en hun kind op dat adres woonden.

[slachtoffer 4] herkent zichzelf op een van de door [betrokkene 21] gestuurde foto’s. Zijn vriend [slachtoffer 5] herkent zichzelf van de andere foto. [betrokkene 21] geeft [verdachte] nog de volgende informatie: “vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje 2 a 3 jaar”,niet in die straat staan want hij ziet alles als hij thuis is”,rijdt meestal vanaf de a j ernststraat de weerdenstein in na nedersticht, dan verder na sijpestein, komt vanaf de [d-straat] meestal!”,hij woont op 3 hoog witte luxa flex daar kan hij heel stiekem door kijken zonder dat je het door hebt bro”,hij gaat meestal via die deur rechts als je in de straat komt rijden soort brandtrapje niet bij de hoofdingang”,hij traint ook bij die [A] bij [j-straat] is 3 min lopen van z’n huis!”,z’n vrouw werkt tot 3 uur” en “weet ook waar ze eten in [stadswijk] , tussen 5 en 7 uur”. [slachtoffer 4] herkent zichzelf in deze informatie als de persoon om wie het gaat.

Zowel [slachtoffer 4] als [slachtoffer 5] geeft aan dat er maar één persoon is die over al deze informatie beschikt. Het gaat om een persoon met wie zij tot voorheen dagelijks samen waren en die zij ‘ [betrokkene 27] ’ noemen. [slachtoffer 4] wijst [betrokkene 21] op een foto aan als de persoon die hij kent als die ‘ [betrokkene 27] ’.

[betrokkene 21] laat aan [verdachte] weten dat de prijs voor de twee mannen “140 allebei op snelheid 160” is. [verdachte] mag deze personen ook een “drive by geven”. Volgens [betrokkene 21] stapt “hij uit voor zijn deur”, dan moet [verdachte] “hem pakken”. Als ze “met z’n 3tjes zijn ook”, dan “Pak je ze alle 3”. [verdachte] mag hem ook pakken “als hij naar huis loopt van gym”. [betrokkene 21] tipt nog dat ze “in die [i-straat] tegen over [A] moeten staan, zie je iedereen erin of eruit rijden”.

Het hof stelt op basis hiervan vast dat [betrokkene 21] via de chat een opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] uitzet, daarover inlichtingen aan [verdachte] verschaft en er een prijs van € 140.000,- of € 160.000,- tegenover zet.

Later in het chatgesprek laat [betrokkene 21] aan [verdachte] weten dat het als het “vandaag niks is dan morgen op scherp” en dat “deze binnen nu en paar dagen max klaar moet zijn”. [verdachte] antwoordt dat hij het “morgen 200% doet”, “als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog”. Hij “laat ze morgen hele dag daar zijn”. Ook noemt [verdachte] dat ze in een bus kunnen om te ‘timeren’ (observeren) en heeft hij het over een Clio.

6.3.4.2. De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen

Op 17 maart 2017 omstreeks 15.45 uur werden [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] bij de ingang van [locatie] aan de [d-straat] tegenover de [A] aan de [j-straat] aangetroffen. Eerst enige tijd [betrokkene 12] en [betrokkene 13] en daarna ook [betrokkene 2] hielden zich daar op en waren met elkaar aan het praten. Daarbij keken [betrokkene 12] en [betrokkene 2] geregeld in de richting van de bloemenkiosk, met in het verlengde daarvan zichtbaar de [A] aan de [j-straat] . Op een gegeven moment liepen zij naar een parkeerplaats en reden zij weg in een gestolen Renault Clio met valse kentekenplaten. De politie heeft hen vervolgens gecontroleerd en daarna aangehouden.

Tijdens de fouillering van [betrokkene 13] werd een sleutel aangetroffen van een gestolen Volkswagen Caddy met valse kentekenplaten, die naast de Renault Clio op de parkeerplaats stond. Een Volkswagen Caddy is een bestelauto. In deze bestelauto bevonden zich meerdere wapens: twee automatische aanvalsgeweren (waarvan één met ontbrekende onderdelen) en twee pistolen, een geluidsdemper die op een van de pistolen paste en munitie voor de aanvalsgeweren en de pistolen. Daarnaast bevonden zich in de bestelauto een bivakmuts, een jerrycan en twee flessen motorbenzine. Die omstandigheden hebben alle kenmerken van een voorgenomen liquidatie waarbij de vluchtauto in brand wordt gestoken om eventuele sporen te vernietigen en de opsporing van de daders te bemoeilijken. Op een [betrokkene 20] van de goederen is het DNA van [betrokkene 13] en [betrokkene 12] aangetroffen. Ook werd er een tv in de bestelbus aangetroffen. Daarop zat een handafdruk van [betrokkene 2] . De kroongetuige heeft verklaard dat leden van Caloh Wagoh wapens in tv’s verstopten. Ook [betrokkene 2] heeft dat verklaard. Hij heeft in dat verband ook verklaard dat hij zelf wapens inbouwde.

Tijdens de fouillering van [betrokkene 12] is een PGP-toestel aangetroffen. Uit de uitgelezen data van dit toestel blijkt dat er op 17 maart 2017 164 berichten zijn gewisseld met een PGPaccount van [verdachte] . Er zijn ook vlak voor de aanhouding nog berichten gewisseld met dat account.

Het hof leidt hieruit af dat [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] op 17 maart 2017 bezig waren met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en dat zij daarbij in nauw contact stonden met [verdachte] , die de opdracht tot het liquideren van deze personen eerder van [betrokkene 21] had aangenomen. In dit verband is ook van belang dat de plek waar [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] zijn aangetroffen precies de locatie is die [betrokkene 21] in de chat met [verdachte] noemt als de plek waar hij moet staan. Dat maakt ook andere aangevoerde scenario’s, waaronder de overdracht van wapens na een filmopname, onaannemelijk.

(…)

6.3.4.4. De rol van [verdachte]

(…)

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] de opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft aangenomen via [betrokkene 21] . Hij heeft met [betrokkene 21] besproken hoe en waar deze liquidatie het beste kon plaatsvinden. Hij heeft de opdracht vervolgens uitgezet bij [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] . Daarbij heeft [verdachte] via een PGPtelefoon contact onderhouden met in ieder geval [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd. Zij hadden daarbij de beschikking over vuurwapens met bijbehorende munitie en gestolen auto’s met valse kentekenplaten.

De liquidaties hebben niet daadwerkelijk plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat wel sprake is van het plegen van voorbereidingen daartoe. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] , waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

Het hof acht het meest subsidiair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat [verdachte] wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben van PGP-telefoons. Omdat niet is komen vast te staan dat deze PGP-telefoons bestemd waren tot het begaan van het misdrijf – het uitvoeren van de voorgenomen liquidatie(s) – is niet voldaan aan het vereiste dat het object waarop een in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht genoemde gedraging betrekking heeft, is bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid (zie HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198).

[verdachte] heeft verklaard dat de aangetroffen wapens waren gebruikt voor de documentaire die hij aan het maken was en niet waren bestemd voor het plegen van een liquidatie. Hij had geregeld dat de wapens zouden worden teruggebracht. Het hof acht deze verklaring in het licht van het beschikbare bewijsmateriaal niet aannemelijk geworden. Daarbij komt dat de filmmaker […] heeft verklaard dat hij de op 17 maart 2017 inbeslaggenomen wapens niet herkent als voorwerpen die zijn gebruikt bij filmopnames en deze niet eerder heeft gezien.”

De bespreking van het zevende middel

Deelklacht (i): de bestemming van het PGP-toestel

91. De klacht houdt in dat het bedoelde PGP-toestel niet was bestemd tot het begaan van het misdrijf, maar slechts is gebruikt voor de terugkoppeling naar de opdrachtgevers van de moord op [slachtoffer 3] .

Het juridisch kader: de bestemming tot het begaan van het misdrijf

92. Rechtspraak van de Hoge Raad wijst uit dat voor de vraag of voorwerpen ‘zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf’ de uiterlijke verschijningsvorm van de voorwerpen, afzonderlijk of gezamenlijk beschouwd, beslissend is. Daarbij kan niet worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen stond. Het voorwerp moet dienstig kunnen zijn aan dit misdadige doel. Een dergelijke bestemming komt niet noodzakelijkerwijze uitsluitend toe aan voorwerpen die naar hun aard of vanwege een concreet dan wel acuut gevaarzettend karakter kunnen bijdragen aan het begaan van het misdrijf. Ook meer ‘alledaagse’ voorwerpen kunnen een dergelijke criminele bestemming hebben. Wel moet steeds uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid dat de verdachte zo’n bestemming voor ogen had.

93. Uit de tekst van artikel 46 lid 1 Sr volgt dat met ‘dat misdrijf’ in de zinsnede ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid, en dus niet op de voorbereiding zelf. Het voorwerp moet daadwerkelijk zijn bestemd om op enigerlei wijze gebruikt te worden bij de uitvoering van het voorgenomen misdrijf. De rechter zal in de motivering van zijn bewijsoordeel aandacht moeten besteden aan de vraag welke functie de verdachte bij de uitvoering van het delict aan het voorwerp heeft beoogd toe te kennen. De rechter kan niet volstaan met een bespreking van de wijze waarop dat voorwerp gedurende de voorbereiding een rol heeft gespeeld. Als het gebruik van een voorwerp zich beperkt tot de voorbereiding, zal in beginsel niet zijn voldaan aan het bestemmingsvereiste. Aan die eis wordt, zoals gezegd, alleen voldaan als uit de bewijsvoering blijkt dat het voorwerp is bestemd om – op zijn minst: mede – te fungeren in de uitvoering van het misdrijf.

De bespreking van deelklacht (i)

94. Het hof heeft overwogen dat uit het dossier blijkt dat de verdachte een PGP-toestel voorhanden heeft gehad, waarmee hij rond het tijdstip van de geplande liquidatie met [betrokkene 20] en [betrokkene 21] communiceerde over de uitvoering daarvan. Het hof heeft geoordeeld dat hiermee voor dit PGP-toestel is voldaan aan het bestemmingsvereiste.

95. Uit de bewijsvoering blijkt dat de moord op [slachtoffer 3] op 9 maart 2017 in de omgeving van café [B] in [plaats] zou moeten plaatsvinden, dat de verdachte rond 21.00 uur via een PGP-toestel met ‘ [PGP-naam 5] ’ ( [betrokkene 20] ) contact heeft over het moment waarop [slachtoffer 3] ter plaatse zou komen bij dat café en de handelingen die de ‘heads’ moeten verrichten en dat hij, terwijl hij contact heeft met [betrokkene 20] , meermalen belt naar [betrokkene 12] , een van de ‘heads’. Daarbij geeft de verdachte kennelijk informatie van [betrokkene 20] door aan de ‘heads’ en koppelen de ‘heads’ informatie terug aan [betrokkene 20] .

96. Hieruit blijkt dat het PGP-toestel niet alleen tijdens de voorbereiding een rol heeft gespeeld, maar naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ook dienstig was aan de moord die de verdachten voor ogen hadden, omdat het toestel werd gebruikt om tijdens de (beoogde) uitvoering van de moord informatie van de opdrachtgevers aan de ‘heads’ en vice versa door te geven. Gelet hierop getuigt het oordeel dat het PGP-toestel was bestemd tot het begaan van het misdrijf niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk.

97. De eerste deelklacht faalt.

Deelklacht (ii): beschikkingsmacht over gestolen auto’s Volkswagen Caddy

98. De klacht houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte samen met anderen de feitelijke beschikkingsmacht had over de gestolen Volkswagen Caddy, die bestemd was tot het begaan van de moord op [slachtoffer 3] .

99. In het deelonderzoek [deelonderzoek 7] stelt het hof vast:

- De verdachte heeft een opdracht tot de liquidatie van [slachtoffer 3] aangenomen van [betrokkene 21] en [betrokkene 20] ;

- Aan de verdachte is verteld waar het slachtoffer op het moment van de voorgenomen liquidatie zou zijn, dat de opdracht een Marokkaanse man uit [plaats] betrof die [slachtoffer 3] heette, dat hij lang en kaal was en dat hij in een Mazda reed;

- Het was de bedoeling dat [slachtoffer 3] op 9 maart 2017 in of in de buurt van café [B] in [plaats] zou worden geliquideerd;

- De verdachte had een PGP-toestel in zijn bezit voor het doorgeven van het moment waarop het beoogde slachtoffer ter plaatse zou zijn en het onderhouden van contact over de uitvoering van de liquidatie;

- De verdachte had ten tijde van het arriveren van het doelwit en de communicatie met [betrokkene 20] voornamelijk (pogingen tot) telefonisch contact met [betrokkene 12] ;

- [betrokkene 12] en [betrokkene 13] waren de beoogde schutters voor de liquidatie van [slachtoffer 3] en hadden de Volkswagen Caddy bestelbus voorhanden om te gebruiken bij die liquidatie;

- [betrokkene 12] en [betrokkene 13] hebben op 10 maart 2017 in [plaats] , waar de verdachte woont, een ontmoeting met hem gehad.

100. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte, [betrokkene 12] en [betrokkene 13] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor moord. Het hof heeft overwogen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de bestelbus (de Volkswagen Caddy) waarvan [betrokkene 12] en [betrokkene 13] gebruikmaakten, bestemd was tot de uitvoering van de voorgenomen liquidatie. Bovendien oordeelde het hof dat het voorhanden hebben van de bestelbus ook aan de verdachte kan worden toegerekend, zulks vanwege de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, [betrokkene 12] en [betrokkene 13] , waarbij de bijdrage van ieder van hen van voldoende gewicht is geweest voor het dragen van de kwalificatie medeplegen.

101. In de bewijsvoering ligt besloten dat de verdachte de opdracht tot de liquidatie van [slachtoffer 3] heeft aangenomen en dat de ‘heads’, [betrokkene 12] en [betrokkene 13] , naar aanleiding van zijn instructies op 9 maart 2017 in [plaats] waren om de liquidatie uit te voeren. Daarbij hadden zij een gestolen Volkswagen Caddy bestelbus voorhanden. Uit de communicatie tussen de verdachte en [betrokkene 20] blijkt dat hij van de aanwezigheid van die bestelbus op de hoogte was en [betrokkene 12] en [betrokkene 20] kennelijk instructies gaf waar zij wanneer moesten zijn en wat zij moesten doen. Het daarop gebaseerde oordeel dat de verdachte in een bewuste en nauwe samenwerking met [betrokkene 12] en [betrokkene 13] kon beschikken over die bestelbus is toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

102. De tweede deelklacht faalt.

Deelklacht (iii): beschikkingsmacht over gestolen auto’s en vuurwapens

103. De deelklacht houdt in dat uit de bewijsmotivering niet kan volgen dat de verdachte samen met anderen de feitelijke beschikkingsmacht had over de gestolen auto’s en vuurwapens, die bestemd waren tot het begaan van de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] .

104. In het deelonderzoek [deelonderzoek 8] stelt het hof vast:

- [betrokkene 21] heeft bij de verdachte een opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] uitgezet, inlichtingen aan de verdachte verschaft en er een prijs van € 140.000,- of € 160.000,- tegenover gezet;

- [betrokkene 21] heeft de verdachte getipt dat ze “in die [i-straat] tegen over [A] moeten staan”;

- De verdachte heeft op 16 maart 2017 aan [betrokkene 21] geantwoord dat hij het “morgen 200% doet” en dat hij de uitvoerders morgen de hele dag daar aanwezig laat zijn. Hij noemt ook een bus en een Clio;

- Op 17 maart 2017 werden [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] tegenover de [A] aan de Ernststraat aangetroffen. Op een gegeven moment reden zij weg in een gestolen Renault Clio;

- Tijdens de fouillering van [betrokkene 13] werd een sleutel aangetroffen van een gestolen Volkswagen Caddy bestelbus, die naast de Renault Clio op de parkeerplaats stond. In deze Volkswagen Caddy zijn meerdere vuurwapens, een bivakmuts, een jerrycan en twee flessen motorbenzine aangetroffen;

- Op een [betrokkene 20] van de goederen is celmateriaal van [betrokkene 13] en [betrokkene 12] aangetroffen en op een tv in de bestelbus zat een handafdruk van [betrokkene 2] ;

- Tijdens de fouillering van [betrokkene 12] is een PGP-toestel aangetroffen. Uit de uitgelezen data van dit toestel blijkt dat er op 17 maart 2017 164 berichten zijn gewisseld met een PGP-account van de verdachte.

105. Het hof heeft overwogen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft aangenomen via [betrokkene 21] , dat hij met [betrokkene 21] heeft besproken hoe en waar deze liquidatie het beste kon plaatsvinden en dat hij de opdracht vervolgens heeft uitgezet bij [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] . Daarnaast heeft het hof overwogen dat de verdachte via een PGP-toestel contact heeft onderhouden met in ieder geval [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd en dat zij – ik begrijp [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] – daarbij de beschikking hadden over vuurwapens met bijbehorende munitie en gestolen auto’s met valse kentekenplaten. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] aangezien er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] , waarbij de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. In dat oordeel ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte tezamen en in vereniging met de ‘heads’ kon beschikken over vuurwapens en gestolen auto’s die voor gebruik bij de uitvoering van de moord(en) waren bestemd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

106. De derde deelklacht faalt en daarmee ook het zevende middel.

Het achtste en tiende middel

107. Het achtste en tiende middel gaan over (de motivering van) de bewezenverklaringen in het [deelonderzoek 1] . Het achtste middel ziet op het bestanddeel ‘in vereniging’ in het kader van het bewezen verklaarde openlijk in vereniging plegen van geweld op 29 juni 2017 (feit 3). Het tiende middel is toegespitst op het medeplegen van voorhanden hebben van wapens en munitie op 28 respectievelijk 29 juni 2017 (feit 2 en 4). Ik behandel eerst het tiende middel en daarna het achtste middel.

De bewezenverklaring en bewijsmotivering van de feiten 2, 3 en 4

108. Het hof heeft in het [deelonderzoek 1] bewezen verklaard dat de verdachte:

2. op 28 juni 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie II en munitie van categorie II, te weten een raketwerper en een projectiel voorhanden heeft gehad;

3. meer meer subsidiair:

op 29 juni 2017 te [plaats] , openlijk, op de [a-straat] te [plaats] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen woningen gelegen aan de [a-straat 1] en [a-straat 2] , door meermalen met een vuurwapen op voornoemde woningen te schieten;

4. op 29 juni 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie II en munitie van categorie II, te weten

- een vuurwapen en

- een hoeveelheid scherpe patronen

voorhanden heeft gehad”.

109. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:

“6.3.6. GEZICHT

28 juni 2017

6.3.6.1. De verklaringen van [getuige 4]

[getuige 4] heeft over het voornemen om een pand met een raketwerper te beschieten onder meer het volgende verklaard. Een dag vóór de beschieting heeft hij [verdachte] opgehaald in [plaats] . [getuige 4] heeft toen van [verdachte] begrepen dat hij samen met [verdachte] naar [plaats] moest rijden om voor te verkennen, omdat daar een persoon woonde die moest worden gewaarschuwd. [verdachte] had de opdracht gekregen om met een raketwerper op de woning van die persoon te schieten. Bij de voorverkenning heeft [verdachte] de woning aan de [u-straat 1] aangewezen als het pand dat moest worden beschoten. [getuige 4] moest de volgende dag een Peugeot 308 en de raketwerper aan de uitvoerders overhandigen. Op de dag van de voorgenomen beschieting bleek dat een van de uitvoerders de geboden geldelijke beloning te laag vond, waarna [verdachte] aan [getuige 4] de opdracht heeft gegeven om als chauffeur te fungeren. [getuige 4] en de andere uitvoerder zijn vervolgens in de Peugeot 308 naar [plaats] gereden en [getuige 4] heeft de uitvoerder de woning aangewezen. De schutter is met de raketwerper uitgestapt, is naar de woning toegelopen en heeft de raketwerper uitgeklapt. De schutter was bezig om te gaan vuren, maar voordat hij daadwerkelijk vuurde zag hij in de tuin kinderen spelen. Daarop heeft de schutter zijn handelingen afgebroken en zijn [getuige 4] en de schutter weggereden.

Verder heeft [getuige 4] verklaard dat hij voorafgaand aan de beschieting in [plaats] in opdracht van [verdachte] een raketwerper in ontvangst heeft genomen van een persoon afkomstig uit de groep van de opdrachtgever. [verdachte] heeft aan [getuige 4] verteld dat [betrokkene 28] de opdrachtgever was.

Het hof acht deze verklaring van [getuige 4] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken.

6.3.6.2. De onderbouwing van de verklaringen van [getuige 4] en overige bewijsoverwegingen

Naar aanleiding van het onderzoek en de verklaringen van [getuige 4] is het volgende gebleken.

6.3.6.2.1. Voorverkenning

Uit een PGP-gesprek van 27 juni 2017 tussen ‘ [PGP-naam 1] ’, veredeld als [verdachte] , en ‘ [PGP-naam 5] ’, veredeld als [betrokkene 20] , blijkt dat [betrokkene 20] een bericht doorstuurt afkomstig van ‘ [PGP-naam 9] ’. Het hof beschouwt de persoon achter dit account als de opdrachtgever. In dit doorgestuurde bericht wordt aan [verdachte] doorgegeven dat het een aardig donkere straat is met bomen en dat je daar kan komen via de [snelweg] en de afslag [plaats] of de afslag [plaats] / [plaats] .

Op een onder [verdachte] inbeslaggenomen harde schijf zijn op 27 juni 2017 gemaakte printjes gevonden van een routebeschrijving met als waarschijnlijke startlocatie de [p-straat 1] in [plaats] , een van de verblijfadressen van [verdachte] , en als eindbestemming de [a-straat] in [plaats] .

Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [getuige 4] (* [telefoonnummer 7] ) blijkt dat zijn telefoon zich op 27 juni 2017 in de middag tussen 13.28 uur en 13.49 uur in [plaats] bevond om vervolgens om 14.17 uur een zendmast aan te stralen op de Wiardi Beckmanstraat in [plaats] . Uit de zendmastgegevens van het telefoonnummer van [verdachte] (* [telefoonnummer 1] ) blijkt dat zijn telefoon zich tot 12.42 uur in [plaats] bevond. Vervolgens straalde zijn telefoon voor het eerst weer een zendmast aan op de Valkenkamp in Maarssenbroek. Dit was om 14.13 uur. De zendmasten op de Wiardi Beckmanstraat in [plaats] en de Valkenkamp in Maarssenbroek bevinden zich in elkaars verlengde langs de A2.

6.3.6.2.2. Verplaatsen naar de loods aan de Communicatieweg in [plaats]

Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [verdachte] (* [telefoonnummer 1] ) blijkt dat zijn telefoon op 28 juni 2017 om 14.22 uur een zendmast aanstraalde bij [plaats] . Deze zendmast ligt in de nabije omgeving van [plaats] . Uit de gegevens van de onder [verdachte] inbeslaggenomen Volvo blijkt dat dit voertuig zich op 28 juni 2017 omstreeks 14.26 uur van [plaats] naar [plaats] heeft verplaatst. Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [getuige 4] (* [telefoonnummer 2] ) blijkt dat zijn telefoon om 14.27 uur gebruik heeft gemaakt van een zendmast aan de [r-straat 1] in [plaats] .

Het hof leidt hieruit af dat [getuige 4] en [verdachte] op 28 juni 2017 bij de loods in [plaats] zijn geweest.

6.3.6.2.3. Verplaatsen naar [plaats]

Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [getuige 4] (* [telefoonnummer 2] ) volgt dat de telefoon om 18.07 uur nog gebruikmaakte van de zendmast aan de [r-straat 1] in [plaats] . Vervolgens verplaatste de telefoon zich via [plaats] , [plaats] en [plaats] naar [plaats] om daar om 19.05 uur een zendmast aan te stralen aan de [s-straat 1] .

Het hof leidt hieruit af dat [getuige 4] zich op 28 juni 2017 vanuit [plaats] naar [plaats] heeft verplaatst.

6.3.6.2.4. ‘Beschieting’ met raketwerper

Uit veiliggestelde beelden van een camera aan de [a-straat 3] in [plaats] blijkt dat er op 28 juni 2017 tussen 18.53 uur en 19.00 uur vijfmaal een zilvergrijze Peugeot 308 voorbij is gereden.

[getuige 5] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2017 omstreeks 19.05 uur een man over de [t-straat] naast de [a-straat] in [plaats] zag lopen. Hij zag dat de man een legergroene buis met een diameter van ongeveer 10 cm langs de linkerkant van zijn lichaam hield. Kort hierna hoorde de getuige een auto hard achteruitrijden. De getuige zag dat de man met de legergroene buis in een Peugeot stationwagen stapte en dat deze auto daarop snel wegreed. De getuige heeft later op internet gezocht naar het voorwerp dat de man vasthield en is ervan overtuigd dat het een bazooka was.

Uit nader onderzoek naar diezelfde camerabeelden is gebleken dat dezelfde zilvergrijze Peugeot 308 om 19.16 uur en 19.18 uur opnieuw langs de [a-straat 3] is gereden.

29 juni 2017

6.3.6.3. De beschieting van de [a-straat 1] (en [a-straat 2] )

Op 29 juni 2017 is omstreeks 23.00 uur de [a-straat 1] beschoten met een kalasjnikov (AK-47), waarbij de gevel van de woning is geraakt. Bij deze beschieting is ook een houten tuinschuur aan de [a-straat 2] geraakt.

6.3.6.4. De verklaringen van [getuige 4]

[getuige 4] heeft over de beschieting op de [a-straat 1] in [plaats] verklaard dat achteraf is gebleken dat hij en de schutter op 28 juni 2017 voor de verkeerde woning in [plaats] hebben gestaan. De woning van 28 juni 2017 bleek ook nummer […] te hebben maar bevond zich op de [u-straat] , op de hoek met de [a-straat] . [getuige 4] heeft vervolgens van [verdachte] de opdracht gekregen om de juiste woning te zoeken. [getuige 4] is weer naar [plaats] gereisd en heeft daarbij met een Samsung foto’s genomen van de [a-straat 1] in [plaats] . Hij heeft daarbij als alibi voor zijn aanwezigheid met zijn iPhone ook een foto van een huurwoning aan het einde van de betreffende straat gemaakt. Nadat [verdachte] , na het zien van de door [getuige 4] gemaakte foto’s, contact had gelegd met de groep van de opdrachtgever, werd aan [verdachte] bevestigd dat het huis aan de [a-straat 1] de juiste woning was.

De volgende dag heeft [getuige 4] van [verdachte] de opdracht gekregen om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [a-straat 1] in [plaats] . Nadat [getuige 4] tegen [verdachte] had gezegd dat hij dat zelf niet wilde doen, heeft [verdachte] contact opgenomen met [betrokkene 29] , de president van chapter [plaats] van Caloh Wagoh. [betrokkene 29] heeft vervolgens twee jongens van zijn chapter, [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] , naar voren geschoven voor de opdracht. Ondertussen had [getuige 4] van [verdachte] begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov. Daarbij was het de bedoeling dat [medeverdachte 1] als schutter zou optreden en [betrokkene 30] als back-up als [medeverdachte 1] zou weigeren op de woning te schieten. [getuige 4] is vervolgens naar [betrokkene 29] in [plaats] gereden, heeft [betrokkene 30] en [medeverdachte 1] opgehaald en is met zijn Peugeot 206 naar de loods in [plaats] gereden. Daar hebben zij de Seat Leon gepakt. Zij hebben hun telefoons in [plaats] achtergelaten en zijn naar [plaats] gereden. Nadat [getuige 4] de juiste woning had aangewezen, zijn [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] uit de auto gestapt en heeft [medeverdachte 1] de woning beschoten. [getuige 4] heeft van [medeverdachte 1] begrepen dat de kalasjnikov na drie of vier schoten bleef hangen. Hierop zijn [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] teruggerend naar de Seat Leon en weggereden.

[getuige 4] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] zijn vervolgens naar [plaats] gereden. Nadat ze de auto met daarin het wapen in een woonwijk hadden geparkeerd, zijn ze naar het centrum van [plaats] gelopen en op een terras bij een homobar gaan zitten. Met de telefoon van het café heeft [getuige 4] contact gezocht met [verdachte] om te laten weten dat de beschieting was gelukt. Verder hebben [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] contact gezocht met hun partners en heeft [medeverdachte 1] geregeld dat ze zijn opgehaald door C.R. [betrokkene 31] .

Verder heeft [getuige 4] verklaard dat [medeverdachte 1] later de Seat Leon in [plaats] heeft opgehaald en dat [medeverdachte 1] daarbij het wapen mee naar huis heeft genomen om te bekijken waarom het was blijven hangen. Hieruit bleek dat er een kogel vastzat in de loop.

Het hof acht deze verklaring van [getuige 4] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken.

6.3.6.5 De onderbouwing van de verklaringen van [getuige 4] en overige bewijsoverwegingen

Naar aanleiding van het onderzoek en de door [getuige 4] afgelegde verklaringen is het volgende gebleken.

6.3.6.5.1. Vaststellen van de juiste woning

Uit nader onderzoek aan de onder [getuige 4] inbeslaggenomen iPhone 6 volgt dat met dit toestel op 29 juni 2017 om 14.40 uur een foto is gemaakt van een woning in [plaats] . Blijkens de coördinaten is dit in de [v-straat] ter hoogte van nummer […] in [plaats] . Op de onder [getuige 4] inbeslaggenomen Samsung is een foto aangetroffen van de [a-straat 1] in [plaats] .

Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [getuige 4] dat hij in [plaats] is geweest om erachter te komen wat de juiste woning was.

6.3.6.5.2. Handgranaten

Uit een PGP-gesprek van 29 juni 2017 tussen [verdachte] en [betrokkene 20] blijkt dat [betrokkene 20] een bericht doorstuurt van een account genaamd ‘ [PGP-naam 10] ’. ‘ [PGP-naam 10] ’ stuurt om 14.45 uur: “Rond 19.30. Kunnen ze appels aanpakken op de [w-straat 1] [plaats] ”.

Uit de opmerking “appels aanpakken” en de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof af dat over handgranaten wordt gesproken.

6.3.6.5.3. [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] geregeld als uitvoerders

Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 4] ), [betrokkene 30] (* [telefoonnummer 5] ) en [betrokkene 29] (* [telefoonnummer 6] ) volgt dat zij op 29 juni 2017 aan het begin van de avond onderling contact hebben gehad. Om 18.07 uur wordt het nummer van [medeverdachte 1] gebeld door het nummer van [betrokkene 30] en om 18.15 uur belt het andere nummer van [medeverdachte 1] naar het nummer van [betrokkene 29] . Vervolgens is er om 18.39 uur opnieuw contact tussen de nummers van [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] en om 19.00 uur en 19.03 uur tussen die van [medeverdachte 1] en [betrokkene 29] .

6.3.6.5.4. Vertrekken vanaf [plaats] naar de loods in [plaats]

Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [getuige 4] (* [telefoonnummer 7] ) blijkt dat zijn telefoon om 18.29 uur en om 18.43 uur een zendmast aanstraalde op de [x-straat 1] in [plaats] . Uit het aanstralen van de zendmasten is af te [plaats] dat de telefoon van [getuige 4] zich verplaatste vanaf [plaats] (18.43 uur), via [plaats] (19.59 uur) naar [plaats] (22.00 uur). De telefoon van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 4] ) bewoog van [plaats] (19.18 uur), via [plaats] (19.37 uur en 19.44 uur) en [plaats] (20.07 uur) eveneens naar [plaats] (20.08 uur) en maakte daar tot en met 21.24 uur gebruik van zendmasten in [plaats] .

Uit screenshots aangetroffen op de onder [getuige 4] inbeslaggenomen Samsung blijkt dat zijn Peugeot 206 op 29 juni 2017 om 19.10 uur een snelheidsovertreding heeft begaan ter hoogte van de trajectcontrole [snelweg] [plaats] rechts.

Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [getuige 4] dat hij, [betrokkene 30] en [medeverdachte 1] zich vanuit [plaats] / [plaats] naar de loods in [plaats] hebben verplaatst.

6.3.6.5.5. Achterlaten van de telefoons in [plaats]

Het telefoonnummer van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 4] ) maakte op 29 juni 2017 om 21.24 uur voor het laatst die dag gebruik van een zendmast aan de [r-straat 1] in [plaats] . Op 1 juli 2017 werd voor de eerste keer weer een zendmast aangestraald. Uit onderzoek van de iPhone van [getuige 4] blijkt dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 7] op 29 juni 2017 vanaf 22.00 uur tot en met 30 juni 2017 om 21.05 uur zendmasten aanstraalde in [plaats] en dus ook ten tijde van het schietincident op de [a-straat 1] in [plaats] .

Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [getuige 4] dat hij en in ieder geval [medeverdachte 1] hun telefoon in [plaats] hebben achtergelaten.

6.3.6.5.6. Schieten op de [a-straat 1] in [plaats]

Uit de beelden van de beveiligingscamera op de [a-straat 3] in [plaats] volgt dat om 22.51 uur een persoon met voor zich iets in zijn handen over de [a-straat] in de richting van de [v-straat] loopt. Een tweede persoon loopt achter de eerste persoon aan. Enkele seconden later zijn er lichtflitsen te zien bij de [a-straat 1] , waarna beide personen terugrennen in de richting van waar zij vandaan kwamen (richting de Dorpsstraat).

De politie heeft onderzoek gedaan naar de lengte van de twee personen die op deze beelden zijn te zien. De lengte van de eerste en de tweede persoon is daarbij geschat op respectievelijk tussen 1.78 en 1.79 m en tussen 1.70 en 1.72 m. [medeverdachte 1] is 1.78 m lang en [betrokkene 30] 1.72 m.

Nabij de woning aan de [a-straat 1] zijn vier hulzen en twee projectielen (manteldelen) gevonden. Uit forensisch onderzoek blijkt dat de vier hulzen het kaliber 7,62 x 39 mm hebben en dat deze hulzen vermoedelijk zijn verschoten met een semiautomatisch werkend aanvalsgeweer van het type kalasjnikov (AK-47) of een wapen dat daarvan is afgeleid. De twee manteldelen passen bij het kaliber 7,62 x 39 mm.

6.3.6.5.7. Vluchten naar [plaats] – café [D]

Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [verdachte] (* [telefoonnummer 1] ), [betrokkene 31] (* [telefoonnummer 8] en * [telefoonnummer 9] ) (partner van [medeverdachte 1] ) en [betrokkene 32] (* [telefoonnummer 10] ) (partner van [betrokkene 30] ) is gebleken dat zij op 29 juni 2017 tussen 23.53 uur en 30 juni 2017 om 00.45 uur telefonisch contact hebben gehad met het [telefoonnummer 11] . Dit nummer is van café [D] in [plaats] .

6.3.6.5.8. Ophalen door [betrokkene 31]

Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [betrokkene 31] (* [telefoonnummer 8] ) blijkt dat dit nummer op 30 juni 2017 om 00.45 uur een zendmast aanstraalde in [plaats] . Vervolgens straalde het tussen 01.35 uur en 01.40 uur de mast aan [y-straat 1] in [plaats] aan, om vervolgens om 03.12 uur weer de zendmast aan […] in [plaats] aan te stralen. Uit onderzoek van het navigatiesysteem van de door [betrokkene 31] gebruikte Fiat Panda volgt dat onder verwijderde items twee locaties in [plaats] zijn aangetroffen: de [z-straat] en [E] [plaats] . Ook zijn in de TomTom coördinaten aangetroffen die betrekking hebben op [aa-straat] in [plaats] .

Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [getuige 4] dat [betrokkene 31] [medeverdachte 1] , [betrokkene 30] en [getuige 4] heeft opgehaald in [plaats] . De [z-straat] ligt in een woonwijk in [plaats] en past bij de verklaring van [getuige 4] over waar zij de auto met het wapen hebben achtergelaten en waar [medeverdachte 1] de auto en het wapen later weer heeft opgehaald.

6.3.6.5.9. Onderzoek kalasjnikov door [medeverdachte 1]

Op een mobiele telefoon die inbeslaggenomen is op de [m-straat 1] in [plaats] zijn verschillende foto’s aangetroffen van [medeverdachte 1] en [betrokkene 31] . Ook zijn er twee afbeeldingen van het uitwerpmechanisme aan de bovenkant van een vuurwapen en twee afbeeldingen van een los patroon en een lege huls gevonden. In het uitwerpmechanisme is een huls te zien die schuin in het aanvoergedeelte zit.

Uit nader onderzoek blijkt dat het vuurwapen op de afbeeldingen een kalasjnikov is, waarmee normaal gesproken munitie van het kaliber 7,62 x 39 mm wordt verschoten. Op de afbeelding is ook een storing te zien. Er is een patroon aangevoerd, terwijl de huls van een vorig schot is blijven hangen.

Op de afbeeldingen van het vuurwapen en de munitie is op de achtergrond een houten bruine tafel met een zwarte placemat en witte rechthoekige vloertegels zichtbaar. Zowel [getuige 4] als [betrokkene 31] heeft aan de hand van de achtergrond de woning van de moeder van [betrokkene 31] herkend. [betrokkene 31] heeft aan de hand van de placemat ook de tafel van haar moeder herkend.

6.3.6.6. De rol van [verdachte]

6.3.6.6.1. 28 juni 2017

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen over 28 juni 2017 af dat [verdachte] van de opdrachtgever een opdracht heeft aangenomen om een woning te beschieten met een raketwerper en dat [getuige 4] daartoe in opdracht van [verdachte] een raketwerper heeft opgehaald. [verdachte] is door de opdrachtgever op de hoogte gebracht van de omgeving van de woning. [verdachte] heeft de route vanaf zijn verblijfplaats in [plaats] naar de [a-straat] in [plaats] opgezocht en is samen met [getuige 4] in [plaats] op voorverkenning geweest om de woning te bekijken. Voor de uitvoering van deze voorgenomen beschieting heeft [verdachte] twee andere personen geregeld. Omdat een van hen de beloning te laag vond, heeft [verdachte] aan [getuige 4] de opdracht gegeven om bij de beschieting met de raketwerper als chauffeur te fungeren.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] en de medeverdachten het opzet hadden op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de bewoners van de [u-straat 1] in [plaats] . Het was de bedoeling om het huis op het adres [a-straat 1] in [plaats] , waarvan de bewoners op dat moment niet aanwezig waren, te beschieten en hen op die manier bang te maken. [getuige 4] en de andere uitvoerder, die zich in het te beschieten huis hadden vergist, trokken zich onmiddellijk terug toen bleek dat er op het adres [u-straat 1] , dat is gelegen op de hoek van de [u-straat] en de [a-straat] , wel bewoners/personen aanwezig waren. Van opzet in voorwaardelijke zin op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is naar het oordeel van het hof geen sprake. De kans dat in een dergelijk geval zich toevallig toch iemand bevindt in de woning die zou zijn verlaten, is onder de gegeven omstandigheden niet zo groot dat kan worden gesproken van een aanmerkelijke kans op de dood van een of meer in de woning aanwezige personen. Dit betekent dat [verdachte] wordt vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

Van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling van de bewoners of andere personen die aanwezig waren in of rondom de woning op het adres [u-straat 1] of de woning op het adres [a-straat 1] in [plaats] , is geen sprake. Uit het dossier komt niet naar voren dat de bewoners van de woning [a-straat 1] op de hoogte zijn gekomen van het op 28 juni 2017 per ongeluk richten van een raketwerper op – in plaats van hun woning – de woning [u-straat 1] . Uit de op 21 mei 2019 afgelegde verklaring van de hoofdbewoonster van het adres [a-straat 1] blijkt dat zij alleen weet heeft van een incident op 7 juni 2017 waarbij een handgranaat in een tas aan hun tuinhek is gehangen en van een incident op 29 juni 2017 waarbij er op hun woning is geschoten toen zij niet thuis waren.

De bewoners van de [u-straat 1] zijn op 19 april 2019 in verband met een uitzending van Opsporing Verzocht alsnog door de politie ervan op de hoogte gebracht dat op 28 juni 2017 bij vergissing een raketwerper op hun woning is gericht. Op zich is het richten met een raketwerper op een woning een bedreiging die van dien aard is en onder zulke omstandigheden gedaan dat bij de bewoners van die woning in beginsel de redelijke vrees kan ontstaan dat zij het leven kunnen verliezen of dat zij zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen. De toenmalige bewoners van het adres [u-straat 1] hebben echter pas op 19 april 2019 wetenschap van het incident van 28 juni 2017 gekregen. Mede vanwege het onderwerp van de uitzending van Opsporing Verzocht – acties uit juni 2017 die waren gericht tegen de bewoners van de woning [a-straat 1] – neemt het hof aan dat aan de bewoners van de [u-straat 1] is duidelijk gemaakt dat de daders zich hadden vergist en dat het de bedoeling was geweest om de bewoners van de [a-straat 1] bang te maken. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat alsnog op 19 april 2019 bij de voormalige bewoners van de [u-straat 1] door het op 28 juni 2017 richten met een raketwerper op hun woning de redelijke vrees is ontstaan dat zij hun leven zouden kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Uit het procesverbaal van bevindingen over het op de hoogte stellen op 19 april 2019 blijkt ook niet dat het voorval van 28 juni 2017 bij hen, ook al waren zij geschrokken, een dergelijke vrees heeft opgewekt.

Omdat er geen bewijs is van een voltooide bedreiging van de bewoners of andere aanwezigen van de woning [u-straat 1] of de woning [a-straat 1] in [plaats] , kan ook niet worden bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van (uitlokking van of medeplichtigheid aan) een dergelijke bedreiging, zoals dat aan hem is ten laste gelegd onder 1 meer meer, nog meer meer en meest subsidiair.

[verdachte] heeft zich wel schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een raketwerper en een projectiel, zoals dat onder 2 is ten laste gelegd.

6.3.6.6.2. 29 juni 2017

Het hof leidt verder uit de bewijsmiddelen over 29 juni 2017 af dat [verdachte] via de groep van de opdrachtgever had begrepen dat zij het verkeerde huis op het oog hadden en dat hij vervolgens aan [getuige 4] de opdracht heeft gegeven om de juiste woning in [plaats] te zoeken. [verdachte] heeft de bevestiging gekregen dat de door [getuige 4] gefotografeerde woning aan de [a-straat 1] in [plaats] de juiste woning was en heeft vervolgens via [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] geregeld om samen met [getuige 4] die woning te beschieten. [verdachte] is kort na de daadwerkelijke beschieting door de uitvoerders op de hoogte gebracht.

Niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] al dan niet in voorwaardelijke zin het opzet had op de dood van de bewoners van de [a-straat 1] en/of een of meer daar in de buurt gelegen woningen. De bedoeling was om een huis te beschieten, waarbij ervan werd uitgegaan dat de bewoners niet thuis waren. De bewoners van de woning die is beschoten waren ook niet thuis. De kans dat toch iemand aanwezig zou zijn, is in de gegeven omstandigheden niet zo groot dat kan worden gezegd dat [verdachte] en de medeverdachten de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat iemand in de woning aanwezig zou zijn en bij het uitvoeren van het plan om het leven zou komen, bewust hebben aanvaard. Naar het oordeel van het hof kan ook niet worden gezegd dat [verdachte] en de medeverdachten bewust de aanmerkelijke kans op de dood van een bewoner van een nabijgelegen woning hebben aanvaard, zodat ook het opzet in voorwaardelijke zin op de dood van bewoners van nabijgelegen woningen ontbreekt. Daarom is niet bewezen wat aan [verdachte] onder 3 primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd.

[verdachte] heeft zich wel schuldig gemaakt aan het onder 3 meer meer subsidiair ten laste gelegde medeplegen van openlijke geweldpleging. Hij heeft in nauwe en bewuste samenwerking met [getuige 4] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] gehandeld en een significante bijdrage geleverd door de opdracht aan te nemen, zelf informatie over het doelwit te verzamelen, een voorverkenning uit te voeren, [getuige 4] aan te sturen (wat ook blijkt uit de omstandigheid dat [getuige 4] aan hem verslag deed na de beschieting), te zorgen dat [getuige 4] en de andere uitvoerders over een wapen beschikten en voor de betaling aan de uitvoerders te zorgen. [verdachte] heeft zich daarmee ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en scherpe patronen, zoals onder 4 is ten laste is gelegd.

Een nadere omschrijving van het tiende middel

110. Het middel houdt in dat het hof in het kader van feit 2 én van feit 4 ontoereikend heeft gemotiveerd dat de verdachte feitelijke beschikkingsmacht over de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen had.

De bespreking van het tiende middel

(a) Feit 2: medeplegen van voorhanden hebben van een raketwerper en projectiel op 28 juni 2017

111. In zijn bewijsoverwegingen stelt het hof vast:

- Op 27 juni 2017 heeft [getuige 4] de verdachte opgehaald in [plaats] . Hij begreep toen van de verdachte dat hij samen met hem naar [plaats] moest rijden om voor te verkennen, omdat daar een persoon woonde die moest worden gewaarschuwd. De verdachte had de opdracht gekregen om met een raketwerper op de woning van die persoon te schieten.

- [getuige 4] moest de volgende dag een Peugeot 308 en de raketwerper aan de uitvoerders overhandigen. Op de dag van de voorgenomen beschieting bleek dat een van de uitvoerders de geboden geldelijke beloning te laag vond, waarna de verdachte aan [getuige 4] de opdracht heeft gegeven om als chauffeur te fungeren.

- [getuige 4] en de andere uitvoerder zijn vervolgens in de Peugeot 308 naar [plaats] gereden en [getuige 4] heeft de uitvoerder de woning aangewezen. De schutter is met de raketwerper uitgestapt, is naar de woning toegelopen en heeft de raketwerper uitgeklapt. De schutter was bezig om te gaan vuren, maar voordat hij daadwerkelijk vuurde zag hij in de tuin kinderen spelen. Daarop heeft de schutter zijn handelingen afgebroken en zijn [getuige 4] en de schutter weggereden.

112. Het hof heeft hieruit afgeleid dat de verdachte een opdracht heeft aangenomen om een woning te beschieten met een raketwerper, dat hij personen heeft geregeld om die opdracht uit te voeren en dat hij heeft georganiseerd dat die uitvoerders over een raketwerper (met projectiel) konden beschikken. Het daarop gebaseerde oordeel dat de verdachte in een bewuste en nauwe samenwerking met anderen kon beschikken over die raketwerper (met projectiel), is toereikend gemotiveerd en zeker niet onbegrijpelijk.

113. Onderdeel (a) van het tiende middel faalt.

(b) Feit 4: het medeplegen van voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op 29 juni 2017

114. In aanvulling op het bewijs van feit 2 stelt het hof vast:

- Achteraf is gebleken dat [getuige 4] en de schutter op 28 juni 2017 voor de verkeerde woning in [plaats] stonden. Op 29 juni 2017 gaf de verdachte [getuige 4] de opdracht om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [a-straat 1] in [plaats] .

- Nadat [getuige 4] tegen de verdachte had gezegd dat hij dat zelf niet wilde doen, heeft de verdachte contact opgenomen met [betrokkene 29] , de president van chapter [plaats] van Caloh Wagoh. [betrokkene 29] heeft vervolgens twee jongens van zijn chapter, [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] , naar voren geschoven voor de opdracht. Ondertussen had [getuige 4] van de verdachte begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov.

- [getuige 4] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] zijn (in opdracht van de verdachte) naar de woning gereden en [medeverdachte 1] heeft met een kalasjnikov op de woning geschoten.

115. Het oordeel van het hof dat de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen kon beschikken over de kalasjnikov en bijhorende munitie is toereikend gemotiveerd en zeker niet onbegrijpelijk. Het vuurwapen is immers gebruikt om een plan te verwezenlijken waarvoor de verdachte de eindverantwoordelijke was, zo wijst de bewijsvoering uit.

116. Onderdeel (b) van het tiende middel faalt en daarmee ook het gehele tiende middel.

Een nadere omschrijving van het achtste middel

117. Het middel bevat een klacht over het oordeel dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het door anderen gepleegde geweld. Aan de klacht ligt ten grondslag dat deelneming aan het openlijk in vereniging plegen van geweld als bedoeld in artikel 141 lid 1 Sr enkel strafbaar is als de deelnemer bij de geweldpleging fysiek aanwezig is, en dat gold niet voor de verdachte.

Het juridisch kader: op afstand deelnemen aan openlijke geweldpleging ‘in vereniging’

118. De Hoge Raad heeft zich, voor zover ik kan zien, nog niet eerder uitgelaten over een zaak waarin de verdachte niet fysiek aanwezig was op de plaats delict van de in artikel 141 Sr bedoelde geweldpleging. In een arrest uit 2016 oordeelde de Hoge Raad wel dat de eisen die worden gesteld aan het bewijs van ‘medeplegen’ “in vergelijkbare zin [gelden] indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’ - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving”. Volgens de Hoge Raad (in hetzelfde arrest) brengt dit mee dat de rechter bij het bewijzen van artikel 141 Sr: “zal (…) moeten beoordelen of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk plegen van geweld tegen personen of goederen.” Dat wijst erop dat de Hoge Raad voor het bewijs van het bestanddeel ‘in vereniging’ in artikel 141 Sr niet de fysieke aanwezigheid van elke dader verlangd. Dat is bij medeplegen in de zin van artikel 47 Sr namelijk ook niet het geval.

119. De totstandkomingsgeschiedenis van de meest recente wijziging van artikel 141 lid 1 Sr wijst in dezelfde richting. Bij wet van 25 april 2000 werden de woorden ‘met verenigde krachten’ vervangen door de woorden: in vereniging. Aan het ‘met verenigde krachten plegen van geweld’ had de Hoge Raad (op basis van de wetsgeschiedenis) altijd een relatief beperkte interpretatie gegeven, namelijk door te eisen dat van elke pleger enige gewelddadige handeling moest zijn uitgegaan. In tegenstelling daarmee waren de grenzen van de algemene deelnemingsvorm medeplegen in de loop der jaren steeds ruimer getrokken. De voorwaarde van een gezamenlijke uitvoering (en dus aanwezigheid ter plaatse) gold, als gezegd, al lang niet meer.

120. In de memorie van toelichting bij het hiervoor bedoelde wetsvoorstel merkt de minister op dat het wetsvoorstel vooral voortkomt uit de verandering in denken over strafrechtelijke aansprakelijkheid, te zien in de ontwikkeling van de figuur van het medeplegen: “Niet alleen het plegen van uitvoeringshandelingen, maar ook andere bijdragen aan het tot stand komen van een delict rechtvaardigen strafrechtelijke aansprakelijkheid.” De memorie van toelichting houdt verder in dat “de voorgestelde aanpassing van artikel 141 WvSr beoogt te bewerkstelligen, dat de verruiming van het medeplegen ook bij dit artikel doorwerkt”. Daarbij wordt opgemerkt dat bij een niet-spontane uitbarsting van geweld de dader ook een rol in de organisatie kan hebben gespeeld door deelnemers aan de openlijke geweldpleging te werven. En in de memorie van antwoord stelt de minister: “Een tweede soort gedraging die een voldoende wezenlijke bijdrage aan openlijke geweldpleging kan opleveren, betreft het organiseren of, op de achtergrond, sturen daarvan.”

121. Ik ga er dus van uit dat ook een persoon die niet aanwezig is op de plaats delict van het (openlijke) geweld kan worden veroordeeld voor overtreding van artikel 141 Sr, zolang hij maar nauw en bewust, en met een bijdrage van voldoende gewicht, heeft samengewerkt met de andere dader(s). Dat artikel 141 Sr ertoe strekt de openbare orde te beschermen staat daaraan niet in de weg, omdat het vereiste van ‘openlijkheid’ garandeert dat de overtreding van artikel 141 Sr verband houdt met een verstoring van de openbare orde.

De bespreking van het achtste middel

122. Over de gang van zaken bij de beschieting stelt het hof vast dat [getuige 4] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] naar de [a-straat] zijn gereden, waar [getuige 4] de juiste woning heeft aangewezen. Vervolgens zijn [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] uit de auto gestapt en heeft [medeverdachte 1] de woning beschoten. De kalasjnikov bleef na drie of vier schoten hangen. Hierop zijn [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] teruggerend naar de Seat Leon en weggereden. [getuige 4] heeft verklaard dat het de bedoeling was dat [medeverdachte 1] als schutter optrad en dat [betrokkene 30] als back-up fungeerde, voor het geval dat [medeverdachte 1] zou weigeren op de woning te schieten.

123. Het hof oordeelt vervolgens dat de verdachte ten aanzien van het gepleegde geweld (de beschieting van de woning aan de [a-straat 1] ) in een nauwe en bewuste samenwerking met [getuige 4] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] heeft gehandeld, namelijk door “de opdracht aan te nemen, zelf informatie over het doelwit te verzamelen, een voorverkenning uit te voeren, [getuige 4] aan te sturen (wat ook blijkt uit de omstandigheid dat [getuige 4] aan hem verslag deed na de beschieting), te zorgen dat [getuige 4] en de andere uitvoerders over een wapen beschikten en voor de betaling aan de uitvoerders te zorgen.

124. Het oordeel van het hof dat de verdachte een voldoende belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van het geweld, is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Het getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.

125. Het achtste middel faalt.

Het negende middel

126. Het negende middel gaat over het bewijs van het medeplegen bij de vijf liquidaties waarvoor de verdachte is veroordeeld. Het gaat om de feiten in de deelonderzoeken [deelonderzoek 2] , [deelonderzoek 3] , [deelonderzoek 4] , [deelonderzoek 5] en [deelonderzoek 6] . Het middel bevat voor elk feit eenzelfde ( deel )klacht. Die komt er telkens op neer dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen. De steller van het middel voert daartoe aan dat de bijdrage van de verdachte niet van voldoende gewicht was, aangezien hij niet was betrokken bij de uitvoering en slechts een rol had bij de planning en afhandeling van de liquidaties.

127. Ik bespreek de deelklachten in de volgorde van de tenlastelegging en bewezenverklaring.

De bespreking van het negende middel

(a) De moord op [slachtoffer 7] op 31 januari 2017 ( [deelonderzoek 2] )

128. Het oordeel dat de verdachte zich in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan dit feit, steunt op het volgende:

­ De verdachte heeft (in opdracht van de criminele organisatie van de opdrachtgever) zijn mensen opdracht gegeven de liquidatie van [slachtoffer 7] uit te voeren.

­ Hij was vervolgens betrokken bij het organiseren van de liquidatie. Hij werd op de hoogte gehouden van de zoektocht naar het slachtoffer, was betrokken bij het maken van een vervolgafspraak toen het slachtoffer was gevonden, gaf anderen opdracht goederen voor de liquidatie weg te brengen of op te halen en gaf opdracht de vluchtauto in de brand te steken.

­ Verder legde hij verantwoording af aan de opdrachtgever en nam hij het geld voor de liquidatie in ontvangst om vervolgens te verdelen onder zijn mensen.

129. Het hof heeft op deze manier toereikend gemotiveerd dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Dit oordeel is dus niet onbegrijpelijk. Deze deelklacht faalt.

(b) De moord op [slachtoffer 2] op 17 april 2017 ( [deelonderzoek 3] )

130. Het oordeel dat de verdachte zich in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan dit feit, steunt op het volgende:

­ De verdachte heeft een van de (twee) schutters aangestuurd bij de voorbereiding van de liquidatie.

­ Hij heeft rond het tijdstip van de liquidatie geregeld dat [getuige 4] de schutters en de chauffeur kwam ophalen toen bleek dat de tweede vluchtauto niet kon worden gebruikt. De verdachte was dus op de hoogte van de actuele situatie ten tijde van de liquidatie en stuurde waar nodig bij.

­ De liquidatie werd uitgevoerd in opdracht van [betrokkene 28] (de opdrachtgever). De verdachte heeft de opdrachtgever na afloop verslag uitgebracht van de liquidatie.

­ De verdachte heeft [getuige 4] betaald voor het ophalen en afzetten van de uitvoerders.

131. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte een ‘sturende’ rol had bij de liquidatie van [slachtoffer 2] . In het voorgaande ligt bovendien besloten dat de verdachte richting de opdrachtgever verantwoordelijk was voor het laten plaatsvinden van de liquidatie. Met het voorgaande heeft hof toereikend gemotiveerd dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Dit oordeel is dus niet onbegrijpelijk. Deze deelklacht faalt.

(c) De moord op [slachtoffer 1] op 7 juli 2017 ( [deelonderzoek 4] )

132. Het oordeel dat de verdachte zich in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan dit feit, steunt op het volgende:

­ De verdachte heeft van de organisatie van de opdrachtgever een opdracht aangenomen om [slachtoffer 1] te liquideren en heeft de uitvoering daarvan uitgezet bij [getuige 4] en [medeverdachte 1] .

­ De verdachte is zelf samen met [getuige 4] op voorverkenning uitgegaan.

­ Na de afgebroken actie op 5 juli 2017 heeft [verdachte] de druk bij [getuige 4] opgevoerd om de liquidatie alsnog te plegen. Op 6 juli 2017 heeft hij een van de wapens die bij de liquidatie zou worden gebruikt, gecontroleerd.

­ De verdachte stemde met [betrokkene 20] (uit de organisatie van de opdrachtgever) af dat het op 7 juli 2017 om 15:00 uur moest gebeuren. Dat heeft hij tegen [getuige 4] gezegd. Hij voerde dus regie bij de uitvoering van de liquidatie. Na afloop bracht hij verslag uit aan [betrokkene 20] en de opdrachtgever.

­ Op 8 juli betaalde hij de uitvoerders van de liquidatie.

133. Het hof heeft op deze manier toereikend gemotiveerd dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Dit oordeel is dus niet onbegrijpelijk. Ook deze deelklacht faalt.

(d) De moord op [slachtoffer 8] op 26 juli 2017 ( [deelonderzoek 5] )

134. Het oordeel dat de verdachte zich in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan dit feit, steunt op het volgende:

­ De kroongetuige heeft verklaard dat de verdachte van een Turkse criminele organisatie een opdracht tot de liquidatie van [slachtoffer 8] heeft aangenomen. Ook verklaarde hij dat de (liquidatie van) [slachtoffer 8] op enig moment op een lager pitje werd gezet, omdat [verdachte] “maar € 60.000,-” zou krijgen en hij zelf auto’s en wapens moest regelen.

­ De verdachte heeft ten behoeve van de liquidatie een A4’tje met daarop een foto van [slachtoffer 8] en diens persoonsgegevens in zijn bezit gehad. Dat A4’tje heeft hij aan [getuige 4] getoond en hij heeft de opdracht [slachtoffer 8] te liquideren bij hem uitgezet. Hij gaf [getuige 4] verder de opdracht om samen met [betrokkene 2] in [plaats] een vuurwapen op te halen voor de liquidatie. De verdachte heeft vervolgens druk gezet op [getuige 4] om de liquidatie daadwerkelijk uit te voeren. [getuige 4] heeft zich teruggetrokken maar de liquidatie heeft uiteindelijk wel plaatsgevonden, mede door bemoeienis van [betrokkene 2] , die onderdeel uitmaakte van de criminele organisatie van [verdachte] .

­ De verdachte was betrokken bij de betalingen voor de moord.

135. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte ook na het terugtreden van [getuige 4] nog verantwoordelijk was voor het laten plaatsvinden van de liquidatie. Ook concludeert het hof dat de verdachte de betrokkenen aanstuurde. Hierin ligt het – niet onbegrijpelijke – oordeel besloten dat de verdachte verantwoordelijk was voor het regelen, aansturen en betalen van de personen die het slachtoffer hebben geliquideerd en dat hij ervoor heeft gezorgd dat hen auto’s en wapens ter beschikking stonden.

136. Het hof heeft met het voorgaande toereikend gemotiveerd dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Dit oordeel is dus niet onbegrijpelijk. De deelklacht faalt.

(e) De moord op [slachtoffer 6] op 21 september 2017 ( [deelonderzoek 6] )

137. Het oordeel dat de verdachte zich in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan dit feit, steunt ten eerste op het volgende:

­ [getuige 4] heeft verklaard dat hij van de verdachte heeft gehoord dat ‘ [bijnaam 2] ’ moest worden geliquideerd en dat de verdachte bezig was om ‘ [bijnaam 2] ’ te zoeken en te lokken. Het slachtoffer was woonachtig in België en had de Belgische nationaliteit.

­ De liquidatie van [slachtoffer 6] vond plaats voor café [B] in [plaats] .

­ In café [B] werden tot in januari 2017 clubavonden van Caloh Wagoh gehouden. Ook is dat de locatie waar [verdachte] op 9 maart 2017 [slachtoffer 3] naartoe had willen lokken om hem te laten liquideren, zoals blijkt uit deelonderzoek [deelonderzoek 7] .

138. Het hof komt op basis hiervan tot de conclusie dat de verdachte de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer 6] te liquideren. Gelet op de overeenkomsten van deze liquidatie met de andere, hiervoor besproken, liquidaties, kan het niet anders aldus het hof dan dat de verdachte bij de moord op [slachtoffer 6] dezelfde rol vervulde als bij die andere liquidaties. Dat houdt in dat de verdachte de opdracht tot de liquidatie van [slachtoffer 6] heeft aangenomen, en vervolgens de uitvoering heeft uitgezet bij [betrokkene 30] en [betrokkene 33] . Verder betekent dit (volgens het hof) dat de verdachte ervoor heeft gezorgd dat aan de uitvoerders de benodigde middelen (wapens en auto’s) ter beschikking werden gesteld. Voorafgaand aan de liquidatie is de verdachte bovendien zelf bezig geweest het slachtoffer te zoeken en te lokken.

139. Het hof heeft met het voorgaande toereikend gemotiveerd dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Dit oordeel is dus niet onbegrijpelijk. De laatste deelklacht faalt dus ook en daarmee het gehele middel.

Het elfde middel

140. Dit middel houdt (ten eerste) in dat het bewezen verklaarde in het [deelonderzoek 6] (de moord op [slachtoffer 6] ) niet uit de bewijsvoering kan volgen. Deze klacht is gebaseerd op de stelling dat de bewezenverklaring van de betrokkenheid en het daderschap van de verdachte in wezen enkel steunt op schakelbewijs. Volgens de steller van het middel is de bewijsmotivering daarom zo summier, dat de bewezenverklaring ontoereikend met redenen is omkleed.

141. In de toelichting op het middel wordt (ten tweede) gesteld dat het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bij dit feit betrokken is geweest, niet begrijpelijk is. De steller van het middel voert aan dat het hof schakelbewijs heeft gebruikt, maar heeft nagelaten aan te geven op welke punten de feiten dusdanig essentieel overeenkomen dat de verdachte ook van dit feit als (mede)dader kan worden aangemerkt in de zin van artikel 350 Sv.

De bewijsmotivering van de liquidatie van [slachtoffer 6]

142. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:

“6.3.9.1. De liquidatie van [slachtoffer 6]

Op 21 september 2017 omstreeks 21.20 uur is [slachtoffer 6] neergeschoten in zijn personenauto tegenover café [B] aan de [f-straat] in [plaats] en als gevolg daarvan diezelfde dag overleden.

6.3.9.2. Getuigen

6.3.9.2.1. Getuigen plaats delict

[getuige 6] is na het horen van enkele harde knallen naar haar raam gelopen. Zij zag twee in het donker geklede personen met truien met een capuchon op wegrennen van de plek waar het geluid van de schoten vandaan kwam. De getuige zag dat de tweede persoon een groot/lang voorwerp bij zich droeg.

[getuige 7] hoorde vrijwel direct na de schoten het geluid van een automotor en zag kort daarna een BMW 5-serie type E61 met een enorme snelheid rijden. Later zag de getuige op Twitter dat er een uitgebrande auto was aangetroffen in [plaats] . De getuige zag aan de velg dat het om een BMW 5 serie type E61 ging.

(…)

6.3.9.3. Forensisch onderzoek

6.3.9.3.1. Hulzen

Op de plaats delict, een parkeerplaats tegenover café [B] aan de [f-straat 1] in [plaats] , zijn veertien hulzen aangetroffen, die voor nader onderzoek zijn veiliggesteld. Om 22.35 uur is aan de [bb-straat] in [plaats] een uitgebrande auto voorzien van het [kenteken 5] aangetroffen met in de kofferbak een kalasjnikov (AK-47). De forensische opsporing heeft ook dit wapen veiliggesteld.

Het NFI heeft onderzoek gedaan ter beantwoording van de vraag of de aangetroffen hulzen met deze kalasjnikov zijn verschoten. De uitkomsten van dit vergelijkend hulsonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer alle hulzen uit de aangetroffen kalasjnikov afkomstig zijn, dan wanneer de hulzen met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken zijn verschoten.

Op de plaats delict en in het lichaam van [slachtoffer 6] zijn diverse kogels en kogelmanteldelen aangetroffen en nader onderzocht. De bevindingen van dit onderzoek zijn minimaal veel waarschijnlijker tot minimaal zeer veel waarschijnlijker wanneer ze uit een en dezelfde loop zijn afgevuurd dan wanneer de kogels en kogelmanteldelen uit twee lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken zijn afgevuurd.

(…)

6.3.9.5. Het scenario waarbij [verdachte] , [betrokkene 30] en [betrokkene 33] betrokkenheid hebben bij de liquidatie van [slachtoffer 6]

In Eris staat een criminele organisatie centraal die tot doel had het liquideren van personen. [verdachte] was de leider van die criminele organisatie. Dit volgt uit de beoordeling van de verdenkingen in het deelonderzoek over de criminele organisatie en uit de deelonderzoeken waarbij [verdachte] betrokken is. [getuige 4] heeft verklaard dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat ‘ [bijnaam 2] ’ moest worden geliquideerd. [verdachte] was bezig om ‘ [bijnaam 2] ’ te zoeken en te lokken. [betrokkene 30] was gelet op zijn betrokkenheid bij de feiten van de deelonderzoeken [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 9] lid van de criminele organisatie van [verdachte] . [betrokkene 30] en [betrokkene 33] waren beiden actief in het chapter [plaats] van Caloh Wagoh. [verdachte] heeft Caloh Wagoh opgericht en hij was een van de leidinggevende figuren. [betrokkene 29] was president van het chapter [plaats] van Caloh Wagoh. [getuige 4] heeft verklaard dat [betrokkene 29] wilde dat [betrokkene 33] op 29 juni 2017 met [betrokkene 30] mee ging naar [plaats] om een woning te beschieten ( [deelonderzoek 1] ), maar dat uiteindelijk [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] zijn meegegaan omdat [verdachte] dat zo had bepaald. De liquidatie van [slachtoffer 6] vond plaats voor café [B] in [plaats] . In dat café werden tot in januari 2017 clubavonden van Caloh Wagoh gehouden. Ook is dat de locatie waar [verdachte] op 9 maart 2017 [slachtoffer 3] naartoe had willen lokken om hem te laten liquideren (deelonderzoek [deelonderzoek 7] ).

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer 6] te liquideren. Hij was bezig met de liquidatie van ‘ [bijnaam 2] ’ en [bijnaam 2] [slachtoffer 6] is geliquideerd voor café [B] , waarnaartoe [verdachte] eerder een ander beoogd slachtoffer van een liquidatie had geprobeerd te lokken. Te verwachten valt dat deelnemers aan de criminele organisatie van [verdachte] de liquidatie van [slachtoffer 6] hebben uitgevoerd.

[getuige 4] heeft verklaard dat [betrokkene 29] in contact stond met [verdachte] , dat hij opdrachten van [verdachte] aannam en dat [betrokkene 29] mensen had om die opdrachten uit te voeren. Verder heeft [getuige 4] verklaard dat hij weet dat [betrokkene 30] bereid was liquidaties uit te voeren, wat wordt bevestigd door de rol van [betrokkene 30] in [deelonderzoek 9] .

Op 14 december 2017 voerden ‘ [PGP-naam 3] ’, veredeld als [verdachte] , en ‘ [PGP-naam 11] ’, veredeld als [betrokkene 20] , een PGP-chatgesprek. [verdachte] zegt dat morgen een paar “heads” terugkomen uit Engeland en dat hij deze gaat proberen direct op “die twee” en “sport” te zetten. Op 18 december 2017 stuurt [betrokkene 29] een video en twee foto’s naar [verdachte] . [verdachte] vraagt aan [betrokkene 29] welke stad dit is. [betrokkene 29] reageert: “Croydon cuzz [plaats] ”. Op deze foto’s met daarop schijnbaar leden van het chapter [plaats] van Caloh Wagoh zijn ook [betrokkene 29] en [betrokkene 33] te zien. [getuige 4] heeft verklaard dat met ‘heads’ uitvoerders van liquidaties worden bedoeld.

Gelet hierop en omdat:

- [verdachte] de opdracht heeft gegeven [slachtoffer 6] te liquideren;

- aangenomen mag worden dat personen uit de omgeving van [verdachte] de liquidatie van [slachtoffer 6] hebben uitgevoerd;

- [betrokkene 30] en [betrokkene 33] actief waren in het chapter [plaats] van Caloh Wagoh onder leiding van [betrokkene 29] ;

- [betrokkene 29] had gewild dat [betrokkene 33] op 29 juni 2017 met [betrokkene 30] was meegegaan om een woning in [plaats] te beschieten;

- DNA van [betrokkene 30] en [betrokkene 33] op door de daders gedragen kleding is gevonden;

- de sporen geen match met andere personen inclusief veertien personen uit het onderzoek Eris heeft opgeleverd; en omdat

- er geen aanwijzingen zijn dat andere personen uit de omgeving van [verdachte] de moord op [slachtoffer 6] hebben gepleegd;

acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [betrokkene 30] en [betrokkene 33] , in opdracht van [verdachte] , de liquidatie van [slachtoffer 6] hebben uitgevoerd.

Het hof wordt ten aanzien van [betrokkene 30] gesterkt in de overtuiging dat hij betrokken is geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 6] door het feit dat een van hem afkomstige TomTom op 21 september 2017 om 12.19 en 14.05 uur dezelfde coördinaten in de buurt van het adres [cc-straat 1] in [plaats] heeft geregistreerd (en in de tussentijd geen andere), terwijl [slachtoffer 6] woonde op het adres [cc-straat 1] in [plaats] , [plaats] en [plaats] districten van [plaats] zijn en Google Maps [cc-straat 1] in [plaats] als resultaat geeft van de zoekopdracht “ [cc-straat 1] , [plaats] ”.

6.3.9.1.

6.3.9.2.

6.3.9.3.

6.3.9.4.

6.3.9.5.

6.3.9.6. De rollen van [verdachte] , [betrokkene 30] en [betrokkene 33]

Uit het voorgaande volgt dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] , [betrokkene 30] en [betrokkene 33] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer 6] . Het hof overweegt in dit verband nog het volgende.

Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] bij het daadwerkelijke doodschieten van [slachtoffer 6] aanwezig is geweest, maar wel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. [getuige 4] heeft verklaard dat [verdachte] in de voorbereiding van de uitvoering van de liquidatie bezig was met het zoeken en lokken van [slachtoffer 6] . Gelet op ieders rol binnen de criminele organisatie kan het niet anders zijn geweest dan dat [verdachte] de opdracht tot de liquidatie van [slachtoffer 6] heeft aangenomen en vervolgens de uitvoering heeft uitgezet bij [betrokkene 30] en [betrokkene 33] . [verdachte] heeft ervoor gezorgd dat aan hen de benodigde middelen (wapens en auto’s) ter beschikking werden gesteld. Het hof baseert zich daarbij in het bijzonder op de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen bij de deelonderzoeken [deelonderzoek 2] , [deelonderzoek 3] , [deelonderzoek 4] , [deelonderzoek 5] en de criminele organisatie. Ook in die deelonderzoeken was sprake van een lokafspraak, van (automatische) vuurwapens, een vluchtauto die in brand is gestoken en meerdere uitvoerders. Daarmee is de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

Ook ten aanzien van [betrokkene 30] en [betrokkene 33] is sprake van medeplegen. Zij zijn de uitvoerders van de liquidatie. Wie van de twee heeft geschoten is niet gebleken, maar dit staat aan bewezenverklaring van medeplegen niet in de weg. Ook bij hen was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de bijdrage van beiden van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [verdachte] , [betrokkene 30] en [betrokkene 33] sprake is geweest van voorbedachte raad om [slachtoffer 6] van het leven te beroven. Er was sprake van kalm beraad en er zijn vele momenten geweest waarop van het plan kon worden afgezien.

De bespreking van het elfde middel

143. Het gebruik van schakelbewijs houdt in dat de rechter voor het bewijs dat een feit door een bepaalde persoon en/of op een bepaalde manier is begaan, betekenis toekent aan gelijkenissen die dat feit vertoont met een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten. Hiervoor is, volgens rechtspraak van de Hoge Raad, vereist dat de feitelijke gang van zaken van de afzonderlijke feiten op essentiële punten overeenkomt. Onder ‘feitelijke gang van zaken’ verstaat de Hoge Raad niet alleen de modus operandi, maar ook de context van de feiten en (dus) de omstandigheden waarmee deze zijn omgeven. Het gebruik van schakelbewijs kan door de Hoge Raad slechts worden getoetst op begrijpelijkheid.

144. Uit de bewijsoverwegingen volgt dat het hof bewezen acht dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot de liquidatie van [slachtoffer 6] , en dit op basis van de verklaring van de kroongetuige en het feit dat de liquidatie heeft plaatsgevonden voor café [B] in [plaats] . De verklaring van [getuige 4] is belastend omdat die inhoudt dat de verdachte hem heeft verteld dat [bijnaam 2] moest worden geliquideerd en dat hij daarmee bezig was, terwijl het slachtoffer in België woonde en de Belgische nationaliteit had. De locatie van de moord wijst ook op betrokkenheid van de verdachte, omdat tot in januari 2017 clubavonden van Caloh Wagoh (waarvan de verdachte leider en oprichter was) gehouden werden in café [B] . Ook is dat de locatie waar de verdachte op 9 maart 2017 [slachtoffer 3] naartoe had willen lokken om hem te laten liquideren. De in cassatie ingenomen stelling dat het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte (in wezen) enkel op schakelbewijs berust, mist dus feitelijke grondslag. Het op voorgaande omstandigheden gebaseerde oordeel over de betrokkenheid van de verdachte is bovendien niet onbegrijpelijk.

145. Het schakelbewijs treedt in de bewijsmotivering pas op de voorgrond bij de vaststelling van de manier waarop de verdachte aan het delict heeft bijgedragen. In dat kader overweegt het hof dat het zich baseert op de gang van zaken bij liquidaties in de deelonderzoeken [deelonderzoek 2] , [deelonderzoek 3] , [deelonderzoek 4] , [deelonderzoek 5] . Gelet op de bewijsmiddelen in die zaken kan het niet anders dan dat de verdachte in deze zaak eenzelfde rol speelde bij de totstandkoming van de delicten, zo oordeelt het hof. Voor de relevante overeenkomsten wijst het hof erop dat bij die andere liquidaties ook (onder verantwoordelijkheid van de verdachte) gebruik werd gemaakt van een lokafspraak, (automatische) vuurwapens, een vluchtauto die in brand werd gestoken en meerdere uitvoerders. Dit bewijsoordeel is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

146. Het elfde middel faalt.

Het twaalfde middel

147. Het twaalfde middel bevat twee deelklachten over de bewezenverklaring van het leidinggeven en deelnemen aan een criminele organisatie.

De eerste deelklacht van het twaalfde middel en de bespreking daarvan

148. Ten eerste houdt dit middel in dat het bewezen verklaarde ‘als leider deelnemen aan een criminele organisatie’ niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daaraan legt de steller van het middel ten grondslag dat de cassatiemiddelen 1 tot en met 11 behelzen dat de bewezenverklaringen van de feiten waarop de bewijsbeslissing over het delict van artikel 140 Sr voortbouwt, niet voldoende zijn gemotiveerd. Het gaat hier dus om een voorwaardelijke klacht. De voorwaarde houdt in dat de middelen die klagen over de motivering van de andere bewezenverklaringen slagen.

149. Hiervoor heb ik telkens geconcludeerd dat (en op welke gronden) de voorgestelde middelen over de andere bewezen verklaarde feiten falen. Indien de Hoge Raad mij hierin volgt, wordt de gestelde voorwaarde – in essentie – niet vervuld. Daarmee kan aan deze klacht voorbij worden gegaan.

De tweede deelklacht van het twaalfde middel en de bespreking daarvan

150. Ten tweede klaagt de steller van het middel dat het hof de onschuldpresumptie heeft geschonden door (strafbare) feiten waarvan de verdachte is vrijgesproken, bij de bewijsbeslissing over het delict van artikel 140 Sr in zijn nadeel te betrekken.

151. Bij de motivering van de bewezenverklaring overweegt het hof: “[verdachte] is vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten in de deelonderzoeken […] , […] , […] , […] en […] , maar de bewijsmiddelen in die zaken dragen wel bij aan het oordeel van het hof dat sprake was van een criminele organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Ook dragen die bewijsmiddelen bij aan het oordeel dat [verdachte] aan die organisatie leiding gaf.

152. Deze overwegingen houden niet méér in dan het oordeel dat bepaalde informatie uit de dossiers van de betreffende deelonderzoeken kan bijdragen aan het bewijs van het bestaan van het in artikel 140 Sr bedoelde samenwerkingsverband en de rol die de verdachte daarin had. Deze overwegingen zijn daarmee niet in strijd met de onschuldpresumptie, omdat de verdachte met de veroordeling voor het leidinggeven en deelnemen aan een criminele organisatie door de rechter niet alsnog schuldig wordt bevonden aan delicten waarvoor hij is vrijgesproken. Voor deelneming als bedoeld in artikel 140 Sr is (slechts) vereist dat de verdachte een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van het samenwerkingsverband waartoe hij behoort. Niet nodig is dat de verdachte wordt veroordeeld voor (alle) misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht.

153. Het middel faalt.

Het dertiende middel

154. Met het middel wordt opgekomen tegen het oordeel dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met artikel 3 EVRM.

155. De steller van het middel beroept zich in de kern op de kritiekpunten over de wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf en de herbeoordelingsprocedure die door mijn voormalig ambtgenoot Spronken in haar conclusie van 8 april 2025 uiteen zijn gezet.

Het juridisch kader: de oplegging van een levenslange gevangenisstraf en artikel 3 EVRM

156. In HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1114, heeft de Hoge Raad naar aanleiding van de conclusie van Spronken algemene beschouwingen gewijd aan de verenigbaarheid van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf met de eisen van artikel 3 EVRM in het licht van de huidige herbeoordelingsprocedure. In HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:177, heeft de Hoge Raad die overwegingen herhaald. Voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, kan deze rechtspraak als volgt worden samengevat.

157. De Hoge Raad maakt onderscheid tussen (i) de kwestie of de (verdere) tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in het individuele geval in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM stelt en (ii) de kwestie of de oplegging van die straf in overeenstemming is met de bedoelde eisen. Kwestie (ii) komt neer op de vraag of het stelsel als geheel de waarborgen biedt om te kunnen aannemen dat, na die oplegging, de tenuitvoerlegging niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt. De Hoge Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

158. De waarborgen die het Nederlandse stelsel in dat kader biedt, kunnen allereerst worden gevonden in de motiveringseisen die aan de negatieve gratiebeslissing zijn verbonden. Indien de minister (ambtshalve of op verzoek) beslist geen gratie te verlenen, dient hij deze beslissing deugdelijk te motiveren. Dat geldt temeer indien de negatieve ambtshalve gratiebeslissing afwijkt van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Daarnaast voorzien de burgerlijke rechter en de penitentiaire rechter in de noodzakelijke rechtsbescherming. Zo kan de veroordeelde de negatieve gratiebeslissing van de minister ter beoordeling aan de burgerlijke rechter voorleggen. Als de minister afwijkt van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, toetst de burgerlijke rechter of de minister redenen voor het afwijken daarvan heeft opgegeven en of die redenen de afwijkende beslissing kunnen dragen. Daarnaast kan de burgerlijke rechter beoordelen of de motivering van de beslissing over de gratieverlening blijk geeft van toetsing aan de criteria die zijn genoemd in artikel 4 lid 4 Besluit Adviescollege levenslanggestraften en aan de eisen die artikel 3 EVRM stelt. Als de burgerlijke rechter vaststelt dat de negatieve beslissing over de gratieverlening onrechtmatig is, kan hij de staat veroordelen tot het nemen van een nieuwe beslissing op het gratieverzoek. Bovendien kan de burgerlijke rechter de verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf verbieden als hij – na een daartoe strekkende vordering – oordeelt dat de (periodieke) herbeoordeling niet tot de benodigde bekorting of aanpassing van de straf heeft geleid, terwijl de (onverkort) verdere tenuitvoerlegging van de straf in strijd is met artikel 3 EVRM.

Van de penitentiaire rechter kan ten slotte een beoordeling worden gevraagd van beslissingen inzake het detentie- en re-integratieplan, alsmede de daarin opgenomen activiteiten, en van beslissingen over het verlenen van re-integratieverlof.

159. De Hoge Raad merkt op dat het niet is uitgesloten dat de rechter op enig moment tot het oordeel kan komen dat de levenslange gevangenisstraf niet langer kan worden opgelegd, omdat de straf ‘de facto irreducible’ is geworden. Dat oordeel dient te berusten op toereikende feitelijke vaststellingen die zijn gebaseerd op wat daarover tijdens het onderzoek ter terechtzitting ter sprake is gekomen. Daarbij zal in elk geval betekenis toekomen aan “eventuele structurele tekortkomingen in de tenuitvoerleggingspraktijk waaruit moet worden afgeleid dat de rechtsgang bij de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter onvoldoende effectief is, of die erop neerkomen dat in onvoldoende mate opvolging wordt gegeven aan die rechterlijke beslissingen”. Er bestaat op dit moment echter onvoldoende grond om te oordelen dat onder de werking van de huidige herbeoordelingsprocedure de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf hoe dan ook in strijd met de eisen van artikel 3 EVRM zal verlopen. De Hoge Raad wijst er in dat verband op dat de genoemde waarborgen ertoe hebben geleid dat de minister meermaals is opgedragen nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van het oordeel van de burgerlijke rechter en dat daaraan opvolging is gegeven. In voorkomende gevallen heeft dit ook geresulteerd in gratieverlening.

160. Op grond van deze rechtspraak stel ik dan ook het volgende vast. De rechter dient zich bij de oplegging van een levenslange gevangenisstraf rekenschap te geven van de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt. Indien ten tijde van de oplegging van de straf voorzienbaar is dat de tenuitvoerlegging ervan in strijd komt met artikel 3 EVRM, omdat de straf ‘de facto irreducible’ zal zijn, zal de rechter moeten beslissen dat de straf niet kan worden opgelegd. Het thans geldende stelsel als geheel biedt vooralsnog echter voldoende waarborgen om te kunnen aannemen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt, zodat ook de oplegging van deze straf daarmee in overeenstemming mag worden geacht.

De motivering van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf

161. Ten aanzien van de verenigbaarheid van de levenslange gevangenisstraf met artikel 3 EVRM heeft het hof het volgende overwogen:

Het hof heeft zich, ambtshalve en mede gelet op in zaken van medeverdachten gevoerde verweren, de vraag gesteld of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf een onmenselijke bestraffing vormt en in strijd zou (kunnen) zijn met artikel 3 EVRM. Het hof concludeert op basis van het volgende dat dat niet het geval is.

Naar het oordeel van de Hoge Raad voorziet het Nederlandse recht sinds 2017 in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling, dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM (HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185). Na 25 jaar na de start van de detentie voor het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd wordt een herbeoordelingsprocedure in gang gezet. Die procedure zal uiterlijk 28 jaar na de aanvang van die detentie leiden tot een ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot het verlenen van gratie.

Bij de beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening komt het aan op de vraag of zich zodanige veranderingen aan de kant van de levenslanggestrafte hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar re-integratie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf geen enkel met de strafrechtspleging na te streven doel - waaronder vergelding - in redelijkheid meer dient en daarom niet langer is gerechtvaardigd. De criteria die daarbij worden toegepast zijn terug te vinden in artikel 4, vierde lid, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften:

a. het recidiverisico;

b. de delictgevaarlijkheid;

c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie;

d. de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding.

Deze criteria worden ook gehanteerd door het Adviescollege levenslanggestraften bij de advisering over het toelaten van levenslanggestraften tot de re-integratiefase en het aanbieden van re-integratieactiviteiten.

De toekomst zal moeten uitwijzen op welke manier het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk wordt toegepast, zowel in het algemeen, als meer specifiek met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de straf die aan de verdachte wordt opgelegd. De veroordeelde heeft de mogelijkheid om de wijze waarop zijn straf ten uitvoer wordt gelegd voor te leggen aan de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter, die erop toezien dat de tenuitvoerlegging in overeenstemming is met artikel 3 EVRM. Ook kan het oordeel van de burgerlijke rechter in verband met een (negatieve) beslissing over de verlening van gratie worden ingeroepen. Daarbij kan de burgerlijke rechter beoordelen of de negatieve beslissing over de verlening van gratie in het licht van de eisen die artikel 3 EVRM stelt en gelet op de redenen van deze beslissing, onrechtmatig is. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing over gratieverlening is in het bijzonder van belang als wordt afgeweken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, nu dit advies in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing over gratieverlening.

Het hof is van oordeel dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf onder deze omstandigheden geen onmenselijke bestraffing vormt die in strijd is met artikel 3 EVRM.”

De bespreking van het dertiende middel

162. Het hof heeft zich bij de strafoplegging rekenschap gegeven van de vraag in hoeverre de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt. Daarbij heeft het hof bijzondere betekenis toegekend aan de waarborgen die in de herbeoordelingsprocedure besloten liggen en de rechtsbescherming die door de penitentiaire en burgerlijke rechter wordt geboden. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat het stelsel als geheel voldoende waarborgen biedt om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Het oordeel dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf onder deze omstandigheden geen onmenselijke bestraffing vormt en geen strijd met artikel 3 EVRM oplevert, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is bovendien toereikend gemotiveerd.

163. Het middel faalt.

Slotsom

164. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

165. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

166. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?