PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04185
Zitting 6 januari 2026
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 24 oktober 2023 (parketnr. 21-003165-21) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994” (weigering van medewerking aan bloedonderzoek) veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van acht maanden, waarvan zeven voorwaardelijk en met (volgens het dictum) een proeftijd van drie jaar.
Deze zaak hangt samen met de zaak 23/04186 tegen dezelfde verdachte. Daarin zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat L.E.G. van der Hut heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
Het middel bevat de klacht dat de strafmotivering en het dictum innerlijk tegenstrijdig zijn.
De strafmotivering houdt in:
“Alles afwegende acht het gerechtshof passend en geboden, de oplegging van een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 8 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs reeds is ingevorderd of ingehouden is geweest, met een proeftijd van 2 jaren.”
Het dictum houdt in:
“Het gerechtshof:
[…]
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 7 (zeven) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.”
Uit de strafmotivering blijkt dat het hof bij de voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen een proeftijd van twee jaren heeft willen vaststellen. In het dictum heeft het hof echter een proeftijd van drie jaar vastgesteld. Het middel klaagt daarover terecht.
Er is hier sprake van een kennelijke misslag van het hof, maar de vraag is of die misslag zit in de strafmotivering of het dictum. Nu de strafmotivering enkel een verder niet onderbouwde mededeling bevat dat de proeftijd twee jaren bedraagt en het dictum vermeldt dat de proeftijd drie jaren bedraagt, is hier niet zonder meer duidelijk wat de bedoeling van het hof is geweest. In eerdere zaken was dat anders. In HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:196 en HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:937 had het hof bijvoorbeeld overwogen dat een gevangenisstraf zou worden opgelegd die de reeds ondergane voorlopige hechtenis niet zou overstijgen, maar deed de in het dictum opgelegde gevangenisstraf dat wel. In HR 6 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:850 overwoog het hof dat een gevangenisstraf van negen maanden passend en geboden was, maar dat er vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zou worden volstaan met een gevangenisstraf van acht maanden, terwijl het dictum vervolgens inhield dat de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden. In deze voorbeelden hield de strafmotivering dus steeds iets concreets in op basis waarvan de werkelijke bedoeling van het hof kon worden achterhaald. Dat ontbreekt in deze zaak.
Toch meen ik dat in deze zaak – in het voordeel van de verdachte – kan worden aangesloten bij hetgeen het hof in de strafmotivering heeft opgemerkt en dat terugwijzing van de zaak achterwege kan blijven. Daarbij wijs ik er nog op dat in eerste aanleg ook een proeftijd van twee jaren was vastgesteld en dat de advocaat-generaal in hoger beroep ook een proeftijd van twee jaren heeft gevorderd. Al met al kan de Hoge Raad het arrest van het hof wat mij betreft aldus verstaan dat door het hof een proeftijd van twee jaren is vastgesteld.
3. Slotsom
Het middel is terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In het licht van de opgelegde taakstraf van twintig uren, kan de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om daar enig ander rechtsgevolg aan te verbinden.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal verstaan dat de door het hof vastgestelde proeftijd twee jaren beloopt en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG