PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04790
Zitting 31 maart 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 24 november 2023 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-003101-18) wegens 1. “anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd”, 3. “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en 4. “van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 23/04756 en 23/04749. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.S. Nan, advocaat in ‘s‑Gravenhage, en S.A.H. Vromen, thans advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. De zaak
De verdachte bekleedde ten tijde van de ten laste gelegde feiten bij de woningcorporatie Stichting Vestia Groep (hierna: Vestia) de functie van ‘treasury & control’ manager. In die hoedanigheid sloot hij voor Vestia geldleningsovereenkomsten en derivaatcontracten met banken af. De verdachte schakelde daarbij – tegen de afspraken in – de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , handelend onder de naam [A] , in als bemiddelaar/broker bij het afsluiten van deze contracten met banken. Vestia was daarvan niet op de hoogte. Wanneer door tussenkomst van [A] met een bank een contract werd afgesloten, ontving [A] daarvoor een ‘fee’ van de bank. Een deel van die fees werd vervolgens doorbetaald aan de verdachte op een separate bankrekening. In totaal heeft de verdachte € 10.419.866,- ontvangen. De verdachte heeft bij Vestia geen melding van deze betalingen gedaan. [medeverdachte 1] heeft in maart 2012 bij het Functioneel Parket melding gemaakt van deze betalingen. Hierdoor kwam tevens aan het licht dat de handel in derivaten in de woningcorporatiesector tot financiële problemen heeft geleid. Deze zaak is bekend komen te staan als de zogenoemde Vestia-affaire en leidde tot het strafrechtelijk onderzoek Klaproos, in welk kader onder meer de verdachte terechtstaat.
De verdachte is door het hof veroordeeld voor passieve niet-ambtelijke omkoping (feit 1), valsheid in geschrift (feit 3) en gewoontewitwassen (feit 4). De bewezenverklaring van valsheid in geschrift ziet op een vijftiental zogenoemde ‘(pre-)confirmation’ e-mails van banken, waarvan de verdachte de inhoud heeft aangepast voordat hij deze doorstuurde naar een collega van de back office van Vestia, [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ). De bewezenverklaring van gewoontewitwassen heeft betrekking op de gelden die de verdachte heeft ontvangen uit de omkoping door [A] en de uitgaven die hij daarmee heeft bekostigd.
In cassatie wordt niet opgekomen tegen de bewezenverklaring van niet-ambtelijke omkoping. Het eerste middel is gericht tegen bewezenverklaring van valsheid in geschrift. Het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring van gewoontewitwassen.
3. Het eerste middel
Het middel
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk voorgedragen standpunt (ik begrijp: een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv) met betrekking tot de bewijsbestemming van de bewezen verklaarde geschriften (de (pre-)confirmation e-mailberichten), althans de bewezenverklaring op dit punt onvoldoende met redenen heeft omkleed.
De bewijsvoering door het hof
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard dat:
“Hij in de periode van 6 januari 2009 tot en met 30 september 2011 te [geboorteplaats] ,
zeven (7), (pre-)confirmation e-mailberichten van een vertegenwoordiger/medewerker van BNP Paribas (in de persoon van [betrokkene 1] ) (te weten D-292 en D-299 en D-308 en D-313 en D-319 en D-327 en D-333) en
acht (8), (pre-)confirmation e-mailberichten van een vertegenwoordiger/medewerker van Citi Bank (in de persoon van [betrokkene 2] ) (te weten: D-340 en D-345 en D-350 en D-354 en D-362 en D-368 en D-375 en D-380)
zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen heeft vervalst, immers heeft hij, verdachte, valselijk
telkens in die (pre-)confirmation e-mailberichten een gedeelte van de oorspronkelijke tekst (te weten de zinsnede waarin stond geschreven dat er “een fee is/was/zal worden betaald aan [B] BV en/of [A] en/of [A] ”, althans woorden van die aard en/of strekking, verwijderd/weggehaald en in een aantal van die (pre-)confirmation e-mailberichten het (zakelijke) e-mailadres van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [A] (dat was opgenomen in de CC- aanhef/regel) verwijderd/weggehaald
zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;”
De bewezenverklaring steunt – voor zover hier van belang – op de volgende bewijsmiddelen:
“2. De verklaring van de verdachte. De [verdachte] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 mei 2018 verklaard – zakelijk weergegeven – (p. 6, 7, 12 en 15):
(…)
Ik heb bewust de vermeldingen van de fees uit de pre-confirmation e-mails weggehaald, omdat het verwarrend werkt.
(…)
3. Het proces-verbaal van verhoor, nummer V-02-01, ordner 9, onderzoek Klaproos met nummer 50335, van de Belastingdienst/FIOD te Haarlem, inhoudende als verklaring van [verdachte]:
(…) Mijn bevoegdheden bij Vestia waren het afsluiten van o.a. financiële contracten. Dat betekent niet het tekenen van die contracten, daar was ik niet toe bevoegd. [getuige 1] moet zijn handtekening op de contracten zetten, maar hij is niet betrokken bij het tot stand komen van de individuele transacties.
(…)
19. Een geschrift, te weten een e-mailwisseling, nummer D-423, ordner 13 van onderzoek Klaproos met nummer 50335, onder andere inhoudende:
From: [getuige 3] (…)
Sent: 14-4-2011 5:44:06 +00:00
To: [verdachte]
Subject: RE: ONE-4044272 [NC]
Had het niet eens uitgeprint…zo oneens wat ik er al over..whahhahaha
[getuige 3]
medewerker Treasury Administratie
----Oorspronkelijk bericht-----
Van: [verdachte]
Verzonden: donderdag 14 april 2011 6:42
Aan: [getuige 3]
Onderwerp: RE: ONE-4044272 [NC]
Hoi [getuige 3] ,
Ik heb dit al geregeld met […] . Dat contract kan je verscheuren.
Groetjes [verdachte]
----Oorspronkelijk bericht-----
Van: [getuige 3]
Verzonden: woensdag 13 april 2011 14:48
Aan: PAR-FICC-SG-DOCUMENTATION-IRD
CC: [verdachte]
Onderwerp: RE: ONE-4044272 [NC]
Hi [betrokkene 3] ,
We don’t sign this one, because we don’t use a brooker at all.
Maybe you make a mistaken and this is for another party?
Kind Regards,
Vestia Groep
[getuige 3]
medewerker Treasury administratie
--------------------------------------------------------------------------
Van: [betrokkene 3] (…) namens PAR-FICC-SG-DOCUMENTATION-IRD (…)
Verzonden: dinsdag 12 april 2011 18:01
Aan: [getuige 3]
Onderwerp: RE: ONE-4044272 [NC]
Hallo [getuige 3]
Sorry for the delay in my answer
Actually the doc you sigend is the old one without BROKER FEES:
(…)
We need you to sign the enclosed doc
Best Rgds
[betrokkene 3]
20. Het proces-verbaal van verhoor, nummer G03-02, ordner 10, onderzoek Klaproos met nummer 50335, van de Belastingdienst/FIOD te Haarlem, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Vestia had het beleid om niet met tussenpersonen te werken. Wij hadden daarom [verdachte] als treasurer aangesteld om geen extra kosten te hoeven maken. Dat beleid was bekend bij [verdachte] .
Wij, Vestia, hadden juist de functie van een broker/tussenpersoon uitgeschakeld willen zien ter voorkoming van extra kosten voor Vestia. Bovendien heeft zo’n broker/tussenpersoon de behoefte om extra omzet te maken, dus die zal streven naar meer transacties. Bovendien weten wij nooit wat voor een relatie zo’n broker/tussenpersoon heeft met de uiteindelijke financier.
21. Het proces-verbaal van verhoor, nummer G04-01, ordner 10, onderzoek Klaproos met nummer 50335, van de Belastingdienst/FIOD te Haarlem, inhoudende als verklaring van [getuige 2] (pagina 6) :
Mijn beeld was altijd, Vestia doet rechtstreeks zaken met banken en we maken geen gebruik van tussenpersonen.
22. Het proces-verbaal van verhoor, nummer G04-02, ordner 10, onderzoek Klaproos met nummer 50335, van de Belastingdienst/FIOD te Haarlem, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:
Mocht het überhaupt zo zijn dat Vestia gebruik maakte van tussenpersonen dan had ik dat moeten weten. Men moet mij daarover informeren omdat ik wil weten met wie wij zaken doen. Mede om vast te stellen hoe prijzen tot stand komen en waarom er met bepaalde personen zaken worden gedaan.
23. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 februari 2013, nummer 1-AH-036, ordner 6, onderzoek Klaproos met nummer 50335, van de Belastingdienst/FIOD te Haarlem, inhoudende als relaas van de betreffende opsporing:
Bij het aangaan van financiële transacties tussen enerzijds banken en anderzijds Stichting Vestia Groep (hierna: Vestia) heeft er e-mailverkeer plaatsgevonden. Door een aantal banken is een bevestiging ((pre)confirmation) van een afgesloten transactie tussen de desbetreffende bank en Vestia per e-mail verzonden naar [verdachte] . Deze e-mails zijn verzonden naar het [e-mailadres 1] . In een aantal gevallen is een dergelijke e-mail tevens als cc verzonden naar het e-mailadres van [medeverdachte 1] : [e-mailadres 2] of [e-mailadres 3] .
In deze e-mails is aangegeven dat er een fee betaald is/gaat worden aan [B] B.V./ [A] .
Soms is daarbij een bedrag (getal plus vermelding van de letter “K”) vermeld en soms is een aantal basispunten (“bp”) gegeven (1 basispunt is 1/100% van het transactiebedrag).
Door [verdachte] zijn deze ontvangen e-mails in een aantal gevallen vervolgens doorgezonden naar de backoffice van Vestia in de persoon van [getuige 3] , e-mailadres: [e-mailadres 4] .
Voordat [verdachte] deze e-mails heeft doorgezonden zijn er kennelijk bepaalde gegevens uit de oorspronkelijke e-mails verwijderd. Het betreft de vermeldingen:
- cc: [e-mailadres 2] of [e-mailadres 3] en/of
- betaling van fee aan [B] B.V./ [A] .
Door [getuige 3] zijn de van [verdachte] ontvangen e-mails vervolgens uitgeprint, gescand en o.a. opgenomen in het digitale SG-systeem (onderdeel administratie) binnen Vestia bij het desbetreffende afgesloten contract tussen de bank en Vestia.
Hierna is een aantal e-mails nader uitgewerkt:
BNP Paribas
1. E-mail van 03-11-2009, 13.16 uur
Van BNP Paribas is ontvangen een e-mail van 03-11-2009, 13.16 uur, van [betrokkene 1] (BNP Paribas) aan [verdachte] ( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp: “confirmation”. Het betreft een tweetal trades van elk € 25.000.000,-. In deze e-mail staat o.a. vermeld: “We will pay a brokerage fee of 1 bp running of the IRS (appr eur 54,000) to [B] B.V.” Deze e-mail is in “cc” verzonden aan [e-mailadres 2] .
D-292: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 03-11 2009, 18.13 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 1] (03-11-2009, 13.16 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “We will pay a brokerage fee of 1 bp running of the RIS (appr eur 54,000) to [B] B.V.” verwijderd. Ook is de regel: “cc: [e-mailadres 2] ” verwijderd.
2. E-mail van 14-01-2010, 12.20 uur
Van BNP Paribas is ontvangen een e-mail van 14-01-2010, 12.20 uur, van [betrokkene 1] (BNP Paribas) aan [verdachte] ( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp: “voorlopige bevestiging”. Het betreft een vijftal trades: swap 1, swap 2, swaption 1, swaption 2 en swaption 3, elk voor € 50.000,-. In deze e-mail staat o.a. vermeld: “brokerage fee paid to [A] EUR 150k”.
D-299: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 20-01 2010, 11.34. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 1] (14-01-2010, 12.21 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “brokerage fee paid to [A] EUR 150k” verwijderd.
3. E-mail van 08-02-2010, 16.03 uur
Van BNP Paribas is ontvangen een e-mail van 08-02-2010, 16.03 uur, van [betrokkene 1] (BNP Paribas) aan [verdachte] ( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp: “Trades”. Het betreft een viertal trades: swaption 1, swaption 2 en swaption 3, elk voor € 50.000.000,-, alsmede swaption 4 voor € 250.000.000,-. In deze e-mail staat o.a. vermeld: “BNP heeft een referal fee betaald aan [A] van Eur 75k”.
D-308: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 10-02 2010, 12.20 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 1] (08-02-2010, 16.03 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “BNP heeft een referal fee betaald aan [A] van Eur 75k” verwijderd.
4. E-mail van 25-02-2010, 11.01 uur
Van BNP Paribas is ontvangen een e-mail van 25-02-2010, 11.01 uur, van [betrokkene 1] (BNP Paribas) aan [verdachte] ( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp: “Trade confo”. Het betreft een tweetal trades van respectievelijk € 100.000.000, en € 50.000.000,-. Daarin staat o.a. vermeld: “We paid broker fee to [A] : EUR 75,000”.
D-313: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 25-02-2010, 12.28 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 1] (25-02-2010, 11.01 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “We paid broker fee to [A] : EUR 75,000” verwijderd.
5. E-mail van 13-10-2010, 17.23 uur
Van BNP Paribas is ontvangen een e-mail van 13-10-2010, 17.23 uur, van [betrokkene 1] (BNP Paribas) aan [verdachte] ( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp: “restructurering”.
Het betreft een drietal nieuwe trades. In
deze e-mail staat o.a. vermeld: "We paid a referal fee of eur
35k to [A] ". Deze e-mail is in "cc" tevens verzonden naar
[medeverdachte 1] ( [e-mailadres 2] ).
D-319: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 14-10-2010, 23.21 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 1] ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “We paid a referral fee of eur 35k to [A] ” verwijderd. Ook is de regel: “cc: [e-mailadres 2] ” verwijderd.
6. E-mail van 04-02-2011, 15.50 uur
Van BNP Paribas is ontvangen een e-mail van 04-02-2011, 15.50 uur, van [betrokkene 1] (BNP Paribas) aan [verdachte] ( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp: “trade conto”. Het betreft een aantal trades. In deze e-mail staat o.a. vermeld: “wij hebben een introducer fee betaald aan [A] -finance van 0,25bp up front”. Deze e-mail is in “cc” tevens verzonden naar o.a. [medeverdachte 1] ( [e-mailadres 2] ).
D-327: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 07-02-2011, 10.18 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 1] (04-02-2011, 15.50 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “Wij hebben een introducer fee betaald aan [A] -finance van 0.25bp up front” verwijderd. Ook is de regel: “cc: [e-mailadres 5] , [e-mailadres 2] ” verwijderd.
7. E-mail van 29-09-2011, 16.27 uur
Van BNP Paribas is ontvangen een e-mail van 29-09-2011, 16.27 uur, van [betrokkene 1] (BNP Paribas) aan [verdachte] . ( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp: “trade confo”. Het betreft een aantal trades van elk € 200.000.000,-. In deze e-mail staat o.a. vermeld: “We have paid an introducer fee to Fifa-finance”. Deze e-mail is in “cc” tevens verzonden naar o.a. [medeverdachte 1] ( [e-mailadres 2] ).
D-333: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 30-09-2011, 12.08 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 1] (29-09-2011, 16.28 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: ‘we have paid an introducer fee to Fifa-finance” verwijderd. Ook is de regel: “cc: [e-mailadres 6] , [e-mailadres 5] ” verwijderd.
CITI BANK
Onder [medeverdachte 1] / [B] B.V./ [A] is een computer in beslag genomen. Daarin zijn diverse bestanden aangetroffen, waaronder:
1. Een e-mail van 06-01-2009, 14.14.05 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp: “trade confirm”.
Het betreft een tweetal trades. In deze e-mail staat o.a. vermeld: “Citi pays [A] 0,15% upfront on both swaps”. Deze e-mail is in “cc” tevens verzonden naar o.a. [medeverdachte 1] ( [e-mailadres 2] ).
D-340: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 06-01-2009, 15.44 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 2] (06-01-2009, 15.14 uur; tijdsverschil van 1 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “Citi pays [A] 0,15% upfront on both swaps” verwijderd. Ook is de regel: “cc: [e-mailadres 2] , [e-mailadres 3] ” verwijderd.
2. Een e-mail van 06-01-2009, 09.39.19 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp:
“Restructure done:”.
Het betreft een aantal trades. In deze e-mail staat o.a. vermeld: “Citi pays 20 cents to [A] for brokerage”. Deze e-mail is in “cc” tevens verzonden naar o.a. [medeverdachte 1] ( [e-mailadres 2] ).
D-345: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 16-01-2009, 12.07 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 2] (16-01-2009, 10.39 uur; tijdsverschil van 1 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “Citi pays 20 cents to [A] for brokerage” verwijderd. Ook is de regel: “cc: < [e-mailadres 2] >, < [e-mailadres 3] >” verwijderd.
3. Een e-mail van 28-01-2009, 13.05.33 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp:
“Restructure”.
Het betreft een aantal trades, waaronder “new trade SST14726”. In deze e-mail staat o.a. vermeld: “This includes fee for 0.5% upfront to [A] (on 50mm notional)". Deze e-mail is in “cc” tevens verzonden naar o.a. [medeverdachte 1] ( [e-mailadres 2] ).
D-350: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 09-03-2009, 14.51 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 2] (28-01-2009, 14.06; tijdsverschil van 1 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “This is includes fee of 0.5% upfront to [A] (on 50mm notional)” verwijderd. Ook is de regel: “cc: [e-mailadres 2] ” verwijderd.
4. Een e-mail van 12-03-2009, 15.56.03 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp: “Oredre completed”.
Het betreft een aantal trades. In deze e-mail staat o.a. vermeld: “Citi pays fee of € 200.000 to [A] ”. Deze e-mail is in “cc” tevens verzonden naar o.a. [medeverdachte 1] ( [e-mailadres 2] ).
D-354: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 12-03-2009, 17.00 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 2] (12-03-2009, 16.56 uur; tijdsverschil van 1 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “Citi pays fee of € 200.000 to [A] ” verwijderd. Ook is de regel: “cc: 1. [e-mailadres 2] ” verwijderd.
5. Een e-mail van 11-08-2009, 14.12.15 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp: “FW: Extending swaptions”.
Het betreft een aantal trades waarbij o.a. het nummer “SST 15235” staat vermeld. In deze e-mail staat o.a. vermeld: “City pay fee of eur 50k to [A] ”. Deze e-mail is in “cc” tevens verzonden naar o.a. [medeverdachte 1] ( [e-mailadres 3] ).
D-362: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 11-08-2009, 15.17 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 2] (11-08-2009, 15.12 uur; tijdsverschil 1 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “Citi pay fee of eur50k to [A] ” verwijderd. Ook is de regel: “cc: < [e-mailadres 3] >” verwijderd.
6. Een e-mail van 07-01-2010, 11.11.48 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp: “RE: order”.
Het betreft een aantal trades voor in totaal € 250.000.000,-. In deze e-mail staat o.a. vermeld: “This includes a fee to [A] of € 75,000”. Deze e-mail is in “cc” tevens verzonden naar o.a. [medeverdachte 1] ( [e-mailadres 2] ).
D-368: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 11-01-2010, 15.00 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 2] (07-01-2010, 12.12 uur; tijdsverschil van 1 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “This includes a fee to [A] of € 75,000” verwijderd. Ook is de regel: “cc: < [e-mailadres 2] >” verwijderd.
7. Een e-mail van 18-01-2011, 15.57.34 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte]
( [e-mailadres 1] ) met als onderwerp: “Executed deal”.
Het betreft een trade voor € 150.000.000,-. In deze e-mail staat o.a. vermeld: “Please note that Citi proposes to pay a fee to [A] ”. Deze e-mail is in “cc” tevens verzonden naar o.a. [medeverdachte 1] ( [e-mailadres 2] ).
D-375: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 15-01-2011, 13.10 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 2] (18-01-2011, 16.58 uur; tijdsverschil van 1 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “Please note that Citi proposes to pay a fee to [A] .” verwijderd. Ook is de regel: “cc: < [e-mailadres 2] >” verwijderd.
8. Een e-mail van 21-06-2011, 10.01 uur, van [betrokkene 2] (Citi) aan [verdachte] (“ [verdachte] ”) met als onderwerp: “RE: Vestia restructure”.
In deze e-mail staat o.a. vermeld: “This trade includes a fee payable to [A] . Please inform us if you require further disclosure on this fee”. Deze e-mail is in “cc” tevens verzonden naar o.a. [medeverdachte 1] ( [e-mailadres 2] ).
D-380: In het SG-systeem is een e-mail van [verdachte] aan [getuige 3] aangetroffen. Deze is verzonden op 27-06-2011, 08.47 uur. In deze e-mail is de eerder van [betrokkene 2] (21-06-2011, 11.01 uur; tijdsverschil van 1 uur) ontvangen e-mail opgenomen. Daarbij is de zinsnede: “This trade includes a fee payable to [A] . Please inform us if you require further disclosure on this fee.” verwijderd. Ook is de regel: “cc: < [e-mailadres 2] >” verwijderd.
Resume
Door diverse financiële instellingen zijn per e-mail bevestigingen ((pre-)confirmaties) gezonden naar [verdachte] . Deze bevestigingen zagen op de eerder telefonisch tot stand gekomen financiële transacties tussen enerzijds Vestia – in de persoon van [verdachte] – en anderzijds de diverse financiële instellingen. In deze e-mailberichten werd vastgelegd wat de gemaakte afspraken waren ten aanzien van de financiële transactie (s) maar ook dat er sprake was van een feebetaling aan (o.a.) [B] B.V./ [A] . Deze e-mailberichten werden in “cc” tevens gezonden naar (o.a.) [medeverdachte 1] . Door [verdachte] zijn deze door hem ontvangen e-mailberichten aangepast/vervalst en vervolgens doorgezonden naar de back-office van Vestia ( [getuige 3] ).
24. Het proces-verbaal van verhoor, nummer V02-05, ordner 9 van onderzoek Klaproos met nummer 50335, van de Belastingdienst/FIOD te Haarlem, inhoudende als de verklaring van [verdachte] :
Als ik deze mail krijg van de bank haal ik de CC aan [medeverdachte 1] weg. Ook informatie over de fee haalde ik weg. Ook haalde ik eventuele andere mails die onder de pre-confirmation hingen weg.
U toont mij een e-mail van 14-01-2010, 12.20 uur, van [betrokkene 1] (BNP Paribas) aan mij en een e-mail van mij aan [getuige 3] d.d. 20-01-2010. Ik zie dat ik de mail doorstuur naar [getuige 3] en dat ik daarin de zin over de fee heb weggehaald.
25. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te [geboorteplaats] van 5 april 2016. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als de op 5 april 2016 afgelegde verklaring van de [getuige 3] :
De gegevens die ik van [verdachte] ontving op de datum van de trade, voerde ik in het SG-systeem in. Bijvoorbeeld ook de contractdatum. Als later het contract binnenkwam, dan controleerde ik de inhoud van het contract aan de hand van de gegevens die mij waren aangeleverd. Die eerder aangeleverde gegevens waren leidend voor de verificatie van het contract. De derivatencontracten werden eigenlijk altijd door [getuige 1] getekend.”
Een blik achter de papieren muur leert dat de [getuige 3] in haar als bewijsmiddel 25 gebezigde verklaring – voor zover hier relevant – het volgende heeft verklaard:
“Als u vraagt wat mijn werkzaamheden nu feitelijk inhielden, wat ik feitelijk administreerde, dan kan ik u het als volgt toelichten. Het Front Office, [verdachte] , sloot een deal af, bijvoorbeeld een lening of een derivaat. [verdachte] verwerkte die informatie in een Excel-bestand en gaf vervolgens aan mij door welke deal hij had gesloten. Als dan later het contract binnenkwam, dan controleerde ik of de informatie in het contract klopte met hetgeen eerder was afgesproken. Het kon ook zijn dat de bank zelf bevestiging vroeg per fax of e-mail van een deal en dan checkte ik dat met de informatie die ik van het Front Office kreeg. Soms kon ik dat niet rechtstreeks uit het Excel-bestand van [verdachte] halen maar dan vroeg ik dat bij hem na. De rentes op de swaps konden iedere drie of zes maanden worden herzien. Ik kreeg daar informatie over van de banken en ik voerde dat op die betalingen uit. De financiële administratie legde ik vast in het SG-systeem van Vestia.
(…)
U houdt mij voordat ik op 5 juni 2012 bij de FIOD heb verklaard dat wij aanvankelijk werkten met een Excel-bestand waar de gegevens van de financiële producten werden verwerkt en later in het SG-systeem. U vraagt mij of ik in dat SG-systeem dezelfde gegevens invoerde als eerder in het Excel-bestand zoals ik in mijn verklaring aangegeven van 5 juni heb en waaruit u citeert. Ja, dat klopt. In het Excel-bestand werden dezelfde gegevens ingevoerd als later in het SG-systeem.
De gegevens die ik van [verdachte] ontving op de datum van de trade, voerde ik in het SG-systeem in. Bijvoorbeeld ook de contractdatum. Als later het contract binnenkwam, dan controleerde ik de inhoud van het contract aan de hand van de gegevens die mij waren aangeleverd. Die eerder aangeleverde gegevens waren leidend voor de verificatie van het contract.
(…)
U vraagt mij waar ik het contract op controleerde als ik dat had ontvangen. Ik controleerde dat aan de hand van gegevens uit het SG-systeem, het nominale bedrag, het rentepercentage, de looptijden en bij ontvangende swaps de Euribor.
U vraagt mij of ik steekproefsgewijs of iedere afzonderlijke transactie controleerde. Ieder contract werd door mij gecontroleerd. De contracten werden altijd door de banken opgesteld.
(…)
U toont mij de documenten D-290, D-292, D-296 en D-299. Als u mij vraagt wat mij aan deze documenten opvalt dan is dat er telkens informatie uit die mails weg is gehaald. Die informatie betreft dan het gebruikmaken van een broker en/of de betaling daaraan. Ik heb deze e-mails eerder gezien. Die zijn mij voorgehouden tijdens mijn verhoor bij de FIOD. Ook andere e-mails waarin informatie was weggehaald, zoals bijvoorbeeld aan wie de e- mail CC was gezonden, zijn mij toen getoond. Ik heb die oorspronkelijke e-mails niet gezien.
Mr. [betrokkene 4] vraagt naar de aantekeningen op document D-292. Ik herken dit handschrift als het mijne. De cijferreeks die begint met VATC verwijst naar het contract zoals ik het heb opgeslagen in het systeem. De bewoordingen “was 25 word 50” slaat op de laatste regel van die e-mail. Het gaat hier dus om een herstructurering van een bestaande deal die wijzigde van 25 naar 50 miljoen.”
Het bestreden arrest houdt als nadere bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3 het volgende in:
“De verdachte wordt verweten dat hij e-mailberichten met daarin de zogenaamde pre-confirmation van kort daarvoor mondeling overeengekomen derivatencontracten heeft vervalst door daaruit informatie over het betalen van een fee door de bank aan een broker weg te halen.
Door de verdediging is – kort gezegd – betoogd dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken omdat deze e-mailberichten geen geschriften als bedoeld in art. 225 Wetboek van Strafrecht zijn in de zin dat daar geen bewijsbestemming aan gehecht kan worden.
Het hof verwerpt dat verweer. Na het mondeling sluiten van een derivatencontract werd door de bank per e-mail een pre-confirmation verzonden ter bevestiging van hetgeen mondeling was afgesproken. Nadien – na controle van de informatie in de e-mail – werd het eigenlijke contract opgesteld en ter ondertekening aan de kopende partij aangeboden. Naar het oordeel van het hof is de e-mail met de pre-confirmation aan te merken als een geschrift met een bewijsbestemming. Onder geschrift kan worden verstaan ‘een weergave van al dan niet dadelijk leesbare tekens die in min of meer duurzame vorm zijn vastgelegd’ (Kamerstukken II 2002/03, 29025, 3, p 3). Naar het oordeel van het hof is daar ook bij een e-mailbericht sprake van. Voor de vraag of het geschrift een bewijsbestemming heeft, is beslissend of daaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend. Aan die voorwaarde is hier naar het oordeel van het hof voldaan, nu het accepteren van de informatie in de pre-confirmation e-mail leidde tot het opstellen van het definitieve contract omdat partijen het met elkaar eens werden dat de e-mail een juiste weergave van het mondeling gesloten contract bevatte.
Het hof verwerpt dit verweer.”
Het verweer van de verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig haar overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities. Deze pleitnotities houden – voor zover hier relevant – het volgende in (hier weergegeven zonder de voetnoten):
“ONTBREKEN BEWIJSBESTEMMING
124. Net als in eerste aanleg, stelt de verdediging zich op het standpunt dat cliënt van dit feit dient te worden vrijgesproken. De geschriften waar het in casu over gaat – de pre-confirmation e-mails – zijn niet bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Zij hebben geen bewijsbestemming.
125. De wetgever heeft niet de bedoeling gehad om elke op schrift gestelde leugen strafbaar te stellen. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat geschriften bewijsbestemming hebben indien sprake is van geschriften waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend, dat sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen.
126. Geschriften die naar hun aard een bewijsbestemming hebben zijn bijvoorbeeld uittreksels uit het bevolkingsregister, ontslagbewijzen, diploma's en volmachten. Dit zijn geschriften waaraan een gemiddeld burger of maatschappelijke instantie in het algemeen vertrouwen zullen stellen. Voorop wordt gesteld dat een e-mail over het algemeen gesproken niet een dergelijk stuk is: naar zijn aard heeft een e-mail geen bewijsbestemming.
127. Dat kan natuurlijk anders zijn als de inhoud van de e-mail daartoe aanleiding geeft. Veel communicatie die vroeger via brieven verliep, gaat tegenwoordig per e-mail. Bepaalde e-mails zullen daarom wel degelijk bewijsbestemming hebben.
128. Dat geldt echter niet ten aanzien van de door cliënt aangepaste pre-confirmation e-mails. Deze e-mails hadden binnen Vestia voor niemand enige formele betekenis. Zij dienden voor niemand als bewijs van enig feit. Zoals al toegelicht, hadden [getuige 1] en [getuige 2] vóór hun verhoren bij de FIOD nog nooit van het begrip ‘pre-confirmation e-mail’ gehoord. Zij hadden dergelijke e-mails nog nooit gezien. [getuige 2] verklaarde daarbij expliciet dat hij bij de steekproefsgewijze controle van de derivaattransacties niet de pre-confirmation e-mails bekeek.
129. Dat [getuige 1] en [getuige 2] niets van deze e-mails wisten en dat de e-mails voor hen dus geen betekenis hadden is onbetwist. De rechtbank lijkt dit echter niet relevant te achten.
130. Volgens de rechtbank hadden de pre-confirmation e-mails bewijsbestemming omdat [getuige 3] – medewerker van de Treasury administratie – deze e-mails gebruikte. Volgens de rechtbank volgt uit de verklaring van [getuige 3] dat de pre-confirmation leidend was voor de verificatie van hetgeen uiteindelijk in het schriftelijke contract stond. De pre-confirmation e-mails – die onderdeel uitmaakten van de bedrijfsadministratie – dienden ter controle of wat was vastgelegd in het uiteindelijke schriftelijke contract overeenkwam met de telefonisch afgesloten transactie, aldus de rechtbank.
131. Het is opmerkelijk dat de rechtbank zoveel waarde lijkt te hechten aan de betekenis die de administratief medewerker aan de e-mails gaf, terwijl onbesproken blijft dat de personen die Vestia in dit hele strafrechtelijke onderzoeken lijken te mogen vertegenwoordigen – [getuige 1] en [getuige 2] – de e-mails niet eens kenden. Maar belangrijker: de zojuist genoemde vaststellingen van de rechtbank missen feitelijke grondslag. Wat de rechtbank hierover vaststelt, kan niet uit de verklaringen van [getuige 3] volgen. Het klopt niet.
132. [getuige 3] verklaarde tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris als volgt:
“Het Front Office, [verdachte] , sloot een deal af, bijvoorbeeld een lening of een derivaat. [verdachte] verwerkte die informatie in een Excel-bestand en gaf vervolgens aan mij door welke deal hij had gesloten. Als dan later het contract binnenkwam, dan controleerde ik of de informatie in het contract klopte met hetgeen eerder was afgesproken.”
133. [getuige 3] controleerde het contract dus aan de hand van informatie die door cliënt was verwerkt in een Excel-bestand. Niet aan de hand van de pre-confirmation e-mails. De pre-confirmation e-mails hadden überhaupt niet leidend kunnen zijn voor de controle van de contracten door [getuige 3] , aangezien dergelijke e-mails in veel gevallen niet eens verstuurd werden.
134. Zelfs als [getuige 3] de e-mails wel zou hebben gebruikt voor de controle – quod non – geldt dat zij de informatie ten aanzien van de aan agenten betaalde fees kennelijk sowieso niet relevant achtte voor de controle van de contracten. Zoals zojuist uitgebreid toegelicht en aangetoond, werd in meerdere e-mails aan [getuige 3] en in een veelvoud aan derivaatcontracten gesproken over een fee die betaald werd aan agenten. Daarover heeft [getuige 3] kennelijk niet aan de bel getrokken. Ook heeft zij deze informatie nooit verwerkt in het SG systeem, het systeem waarin alle voor de derivaatcontracten belangrijke rentepercentage informatie werd opgeslagen (zoals het nominale bedrag, de looptijd, het etc.). Dit heeft zij tegenover de FIOD verklaard.
135. In het pleidooi in eerste aanleg is het ontbreken van de bewijsbestemming al uitgebreid naar voren gebracht. Voor het overige verzoek ik uw hof dan ook hetgeen daar over is aangevoerd in eerste aanleg als hier herhaald en ingelast te beschouwen:
“210. In 2007 werd de Hoge Raad de vraag voorgelegd of een groslijst die valselijk was opgemaakt en in de interne organisatie maar door één persoon – de leidinggevende – gebruikt werd, bewijsbestemming had. De Hoge Raad oordeelde:
“Het Hof heeft kennelijk geoordeeld – en zonder miskenning van het begrip ‘bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen’ kunnen oordelen – dat in de gegeven omstandigheden aan deze bewijsbestemming niet afdoet dat voor anderen binnen de organisatie daaraan die betekenis voor het bewijs niet zou toekomen.”
211. In het geval van de pre-confirmations ligt dit anders. Zoals ik in het kader van feit 2 al uitgebreid heb toegelicht, dienden de pre-confirmations die door cliënt werden bewerkt voor niemand als bewijs van enig feit. [getuige 1] en [getuige 2] hadden nog nooit van het bestaan van deze e-mails gehoord en ook [getuige 3] – naar wie cliënt de e-mails toestuurde – hechtte geen enkele waarde aan de pre-confirmations. [getuige 3] baseerde haar administratie namelijk enkel op het Excel bestand, waarin cliënt de transacties bijhield, en de contracten die later volgden.
212. In het geval van dergelijke geschriften – waarbij niet duidelijk is wat de relevantie of betekenis van die geschriften zou zijn – is de Hoge Raad van mening dat geen sprake is van bewijsbestemming. Zo oordeelde de Hoge Raad in 2009:
“Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan weliswaar volgen dat de desbetreffende brieven in strijd met de waarheid zijn voorzien van de naam [betrokkene 1] en/of van een handtekening die moest doorgaan voor die van [betrokkene 1], maar zonder nadere motivering, welke ontbreekt, kan uit de enkele vaststellingen dat deze brieven afkomstig zijn van (een jurist verbonden aan) een belastingadvieskantoor, zijn voorzien van een bepaalde datum en zijn geadresseerd aan de vermelde overheidsinstanties, advocatenkantoren of bedrijven niet worden afgeleid dat deze brieven – ten aanzien waarvan omtrent de relevantie van de daarin vervatte valse gegevens voor de (rechts)positie van de daarbij betrokken personen niets is vastgesteld – kunnen worden aangemerkt als geschriften waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend, dat telkens sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr.”
213. In een eerder arrest overwoog de Hoge Raad dat het valselijk opmaken van een gemeentelijk stuk door een ambtenaar niet kon worden aangemerkt als valsheid in geschrift. Het geschrift was immers nog niet door de burgemeester en de gemeentesecretaris ondertekend en kon dus (nog) geen bewijsbestemming hebben.
214. De pre-confirmations hebben een zelfde soort status. Zoals ik al eerder uiteenzette, was Vestia al gebonden aan een derivatentransactie op het moment dat client deze transactie mondeling bevestigde. Dat wordt door niemand betwist. De pre-confirmations die op deze mondelinge toezeggingen volgden, waren enkel een bevestiging van de reeds afgesloten transactie. Daarna volgde het contract, dat, getekend door zowel de banken als [getuige 1] , ook bewijswaarde had.
215. Bovendien: in veruit de meeste gevallen stuurde de banken überhaupt geen e-mail met een bevestiging. Daar komt nog bij dat de bevestiging van een transactie, als deze er al kwam, veel vaker door middel van een PDF bestand dat per fax verstuurd werd gebeurde (aan deze documenten veranderde cliënt logischerwijs niets) dan per mail. In het grootste deel van deze bevestigingen werd helemaal niets vermeld over een fee die betaald werd aan [medeverdachte 1] . Ook gebeurde het dat de bevestiging volledig achterwege werd gelaten en dat na de telefonische toezegging alleen nog het contract volgde.”
CONCLUSIE FEIT 3
136. Kortom: de pre-confirmation e-mails hadden voor niemand binnen Vestia enige betekenis. Voorts speelden deze e-mails geen enkele rol bij het afsluiten van de uiteindelijke derivaattransacties, omdat – zoal al uitgebreid toegelicht – de transacties al gesloten waren nog voordat de e-mails werden verstuurd. Geconcludeerd dient dus te worden dat de pre-confirmation e-mails niet kunnen worden aangemerkt als geschriften waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen.
137. Ik verzoek uw hof dan ook om cliënt van feit 3 vrij te spreken.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 en 18 september 2023 houdt verder – voor zover hier van belang – het volgende in:
“De [verdachte] legt op vragen van de leden van het hof een verklaring af, inhoudende:
(…)
De verdenking van valsheid in geschrift begrijp ik niet. Er is informatie weggehaald, maar ik heb niets verdoezeld.
U vraagt mij waarom ik teksten uit de e-mails verwijderde. Ik kan mij herinneren dat ik eerst alles registreerde in een Excel bestand. Daar werd de fee ook niet in vermeld. Dat was namelijk niet van belang voor Vestia, want dat waren geen kosten voor Vestia.
(…)
De [verdachte] legt op vragen van mr. Vromen een verklaring af, inhoudende:
U houdt mij voor dat [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat derivatentransacties telefonisch of per e-mail tot stand kwamen. Dat klopt niet. De transacties kwamen altijd telefonisch tot stand. Soms werd per e-mail een bevestiging gestuurd. Het officiële, definitieve contract ging via [getuige 3] .
(…)
De raadsvrouw mr. Vromen voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte (bijlage 8) pleitnota. Daarop aanvullend deelt zij mede:
- Pagina 41 onderaan: Op de vraag van de jongste raadsheer waarom cliënt dan de pre-confirmation e-mails heeft aangepast deel ik mede dat cliënt eerder heeft verklaard dat hij zich dat niet meer kan herinneren. Zeker in het licht van de tekst die hij niet heeft verwijderd is het de vraag wat de logica is geweest van het aanpassen. Achteraf reconstruerend kan een verklaring hiervoor zijn dat deze informatie niet van belang was voor de administratie van Vestia.
De jongste raadsheer vraagt de [verdachte] waarom hij die paar e-mails heeft aangepast. Hij verklaart:
Het is al zo lang geleden. Als ik het nu reconstrueer was het meer bedoeld voor [medeverdachte 1] en was [medeverdachte 1] voor Vestia geen partij. De informatie werd in de administratie ook niet vastgelegd. Ik gaf alleen de informatie door die van belang was voor de transactie. Ik zette de informatie in Excel en dat gebruikte [getuige 3] voor de contracten.
(…)
Mr. Vromen krijgt de gelegenheid tot dupliek in de zaak [verdachte] en voert hiertoe aan:
(…)
Uit de RHC verklaring van [getuige 2] volgt dat niemand het werk van cliënt controleerde. Als de pre-confirmation mails dus niet zouden zijn aangepast, dan had [getuige 2] of [getuige 1] die informatie dus ook niet gezien.
Voor de vraag of Vestia bekend was met het gebruik van [A] is het volgende van belang.
Cliënt heeft duidelijk willen maken dat het geldende beleid binnen Vestia niet zo strikt werd nageleefd. Uit de door de verdediging overgelegde stukken volgt dat niemand er op aangeslagen is.
De verdediging stelt zich dus op het standpunt dat óf de betrokkenheid van [A] wel degelijk bekend was bij Vestia, óf dat dit niet het geval was, maar dat het beleid binnen Vestia niet zo strikt was dat niet kan worden gezegd dat de contracten niet zouden zijn gesloten als de betrokkenheid van [A] wél bekend was geweest.
Voorts is van belang dat de aanpassing van de pre-confirmation mails niet was geëigend om Vestia te bewegen, omdat het ook op andere manieren mogelijk was geweest om op de hoogte te raken van de betrokkenheid van [A] .”
Het juridisch kader
Art. 225 lid 1 Sr stelt strafbaar het valselijk opmaken of vervalsen van een geschift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Onder een geschrift dat ‘bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen’ moet worden verstaan een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van een geschrift dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr. Het gaat daarbij om de vraag of “een gemiddelde burger in het algemeen vertrouwen zal stellen in het betreffende stuk, dan wel bepaalde maatschappelijke instanties in het stuk vertrouwen plegen te schenken”. Het belang van het geschrift voor de maatschappij is daarin gelegen, dat men op de in het geschrift gerelateerde feiten af moet kunnen gaan. Alleen die geschriften die daadwerkelijk feiten bevatten waarop men in het maatschappelijk verkeer wil (of wel moet) afgaan, vallen onder de strafbepaling van art. 225 Sr. Of een geschrift bewijsbestemming heeft hangt daarmee af van de aard van dat geschrift en de functie die een dergelijk geschrift in het maatschappelijk verkeer pleegt te vervullen, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de inhoud van dat geschrift.
In gevallen waarin de bewijsbestemming niet direct uit de aard van het geschrift kan worden afgeleid, zullen nadere vaststellingen over de inhoud van dat geschrift van belang zijn. In de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3286, NJ 2009/56 ging het om brieven die afkomstig waren van (een jurist verbonden aan) een belastingadvieskantoor en die geadresseerd waren aan bepaalde overheidsinstanties, advocatenkantoren of bedrijven. De desbetreffende brieven waren in strijd met de waarheid voorzien van de naam en handtekening van een derde. Nu het hof niets had vastgesteld over de relevantie van de daarin vervatte valse gegevens voor de (rechts)positie van de daarbij betrokken personen, was zijn oordeel dat deze brieven kunnen worden aangemerkt als geschriften waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend, dat telkens sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr, volgens de Hoge Raad ontoereikend gemotiveerd.
Dat lag anders in de zaak waarover de Hoge Raad zich boog in zijn arrest van 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2958, NJ 2018/36, m.nt. P.A.M. Mevis. Daarin stond de bewijsbestemming van een onderzoeksrapport, zogenaamd afkomstig van een particulier rechercheadviesbureau, centraal. Uit de bewijsvoering van het hof volgde dat het onderzoeksrapport bestemd was om te dienen tot het bewijs dat het overmaken van bedragen van de bankrekening van een betrokkene naar de bankrekening van de verdachte het gevolg was van fouten bij de SNS bank, dat een bij Santander afgesloten zakelijke lening op naam van de verdachte was afgesloten, dat de declaratie van de advocaat van de verdachte onjuist was en dat bij de postbestelling een brief met een geldbedrag was verdwenen. Het oordeel van het hof dat dit onderzoeksrapport, dat was voorzien van de naam, de adresgegevens en het logo van een recherchebureau, in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis kan worden toegekend, dat het daardoor kan worden aangemerkt als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 lid 1 Sr gaf volgens de Hoge Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk.
Ook intern bedoelde bedrijfsstukken kunnen bewijsbestemming hebben. In het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:AC3982, NJ 1991/668, m.nt. G.J.M. Corstens ging het om een op een magneetschijf vastgelegd computerbestand dat dagelijks werd weggeschreven naar andere bestanden. Het oordeel van het hof dat dit bestand bestemd was om, zij het niet in rechtstreekse zin, tot bewijs van enig feit te dienen, aangezien dit bestand weliswaar niet na geruime tijd nog kon dienen tot controle en bewijs van de daarin neergelegde gegevens, maar de noodzakelijke grondslag vormde voor verwerking van betalingsopdrachten in de betalingstapes voor derden en in andere bestanden van de administratie, waarbij op de juistheid van de in het bestand neergelegde gegevens werd vertrouwd, gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Dat gold blijkens het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6130, NJ 2007/326, m.nt. J.M. Reijntjes ook voor interne groslijsten. De verdachte had op deze zogenaamde groslijsten, waarop alle in de computer ter betaling ingevoerde facturen behoren te worden vermeld en waaraan alle te betalen facturen behoren te zijn bevestigd, in strijd met de waarheid een aantal betalingsopdrachten niet vermeld en de daarmee corresponderende facturen daaraan niet gehecht. De verdachte had deze lijsten vervolgens telkens voor akkoord voorgelegd aan een intern leidinggevende, die bevoegd was de betalingsopdrachten te autoriseren en te verzenden. Deze leidinggevende controleerde of alle facturen waren geparafeerd en controleerde ook steekproefsgewijs of de op de groslijst vermelde bedragen ook op het computerscherm zichtbaar waren. Het hof had vastgesteld dat de leidinggevende ervan is uitgegaan en mocht uitgaan dat alle op de groslijst vermelde betalingen overeenkwamen met de in werkelijkheid in het computersysteem ter uitvoering gereedstaande betalingsopdrachten en op grond daarvan de opdrachten heeft geautoriseerd en verzonden. Het oordeel van het hof dat deze groslijsten bewijsbestemming hadden hield in cassatie stand. De Hoge Raad nam daarbij in aanmerking dat het hof kennelijk had aangenomen dat deze groslijsten in de interne financieel-administratieve organisatie naar zijn aard voor de leidinggevende diende als bewijs dat de daarop voor akkoord vermelde betalingsopdrachten overeenkwamen met de daadwerkelijk in het computerprogramma door de verdachte klaargezette betalingsopdrachten en kennelijk heeft geoordeeld dat aan deze bewijsbestemming niet afdoet dat voor anderen binnen de organisatie daaraan die betekenis voor het bewijs niet zou toekomen en evenmin dat de leidinggevende de mogelijkheid of de verplichting had (beter) te controleren of de gegevens op de groslijst overeenkwamen met gegevens die op het computerscherm zichtbaar waren of konden zijn.
De bespreking van het middel
Uit de gebezigde bewijsmiddelen en de daarop berustende vaststellingen van het hof blijkt het volgende. Derivatencontracten tussen banken en Vestia werden mondeling (telefonisch) gesloten. Nadien stuurden een aantal banken de verdachte per e-mail een ‘(pre-)confirmation’ ter bevestiging van de mondeling gemaakte afspraken. De verdachte stuurde deze e-mails door naar [getuige 3] , medewerker van de back office van Vestia. [getuige 3] controleerde de inhoud van het contract dat daarna werd opgesteld aan de hand van de eerder door de verdachte aangeleverde gegevens. Het eigenlijke contract werd uiteindelijk getekend door [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), de directeur van Vestia. [getuige 3] heeft de van de verdachte ontvangen e-mails uitgeprint, gescand en onder andere opgenomen in het digitale SG-systeem (onderdeel administratie) binnen Vestia bij het desbetreffende afgesloten contract tussen de bank en Vestia.
In de in de tenlastelegging genoemde (pre-)confirmation e-mails stond onder meer vermeld dat een fee zou worden betaald aan [A] . In diezelfde e-mails stond ook een e-mailadres van [A] in de CC. De verdachte heeft deze informatie uit de e-mails verwijderd, voordat hij deze doorstuurde naar [getuige 3] . Vestia had destijds het beleid om niet met tussenpersonen te werken. Juist daarom was de verdachte als treasurer aangetrokken bij Vestia.
De verdediging heeft niet betwist dat de bewuste e-mails zijn vervalst. Door de verdediging is het standpunt ingenomen dat de e-mails niet bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr. Daartoe is aangevoerd dat deze e-mails binnen Vestia voor niemand enige formele betekenis hadden, ook niet voor [getuige 3] . Uit haar verklaring bij de rechter-commissaris volgt dat zij het contract controleerde aan de hand van informatie die door de verdachte was verwerkt in een Excel-bestand en niet aan de hand van de (pre-)confirmation e-mails, aldus de verdediging. Dit betoog kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv.
Het hof heeft dit verweer verworpen en geoordeeld dat de (pre-)confirmation e-mails zijn aan te merken als een geschrift met een bewijsbestemming. Naar het oordeel van het hof pleegt aan deze e-mails in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit te worden toegekend, nu het accepteren van de informatie in de (pre-)confirmation e-mails leidde tot het opstellen van het definitieve contract, omdat partijen het met het elkaar eens werden dat de e-mail een juiste weergave van het mondeling gesloten contract bevatte.
Het middel klaagt dat het hof daarmee niet (voldoende) heeft gerespondeerd op voormeld uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, omdat het hof daarbij niet is ingegaan op het door de verdediging aangesneden punt dat [getuige 3] niet de gegevens in de (pre-)confirmation e-mails gebruikte voor het invoeren en het controleren van de contracten, maar de gegevens die de verdachte in een Excel-bestand verwerkte. Het hof zou daarbij voorts de verklaring van de gedachte van [getuige 3] bij de rechter-commissaris (bewijsmiddel 25) hebben gedenatureerd. De “gegevens” waarover zij in het voor het bewijs gebezigde onderdeel rept zien – blijkens een papier achter de papieren muur – namelijk niet op de (pre-)confirmation e-mails, maar op dat Excel bestand. Het voorgaande brengt mee dat het hof ook ontoereikend heeft gemotiveerd dat de verdachte het oogmerk had om de vervalste e-mails als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zo menen de stellers van het middel.
Daarin volg ik de stellers van het middel niet. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen heeft vervalst. De vraag die aldus is voorligt is of de (pre-)confirmation e-mails die de verdachte van de banken ontving en vervolgens heeft vervalst en doorgestuurd kunnen worden aangemerkt als een dergelijk geschrift. Daarvoor is van belang welke betekenis zo’n (pre-)confirmation e-mail heeft in het maatschappelijk verkeer. Het hof heeft die betekenis afgeleid uit de rol die deze e-mails speelden in de (bevestiging van de) onderhandelingen en mondelinge besluitvorming tussen de banken en Vestia en in het finaliseren van de uiteindelijke contracten. De verdachte heeft deze e-mails vervalst door informatie daaruit te verwijderen over betrokkenheid van [A] en de fee die de banken aan [A] betaalden, voordat hij ze doorstuurde naar [getuige 3] , die uiteindelijk de contracten controleerde aan de hand van door de verdachte aangeleverde gegevens en de mails archiveerde bij het desbetreffende contract. Hierdoor bleef bij Vestia buiten beeld dat [A] fees ontving voor de afgesloten derivaatcontracten, hetgeen nadrukkelijk in strijd was met het beleid van Vestia om geen gebruik te maken van tussenpersonen, van welk beleid de verdachte op de hoogte was. Zou de betrokkenheid bij [A] bekend zijn geworden, dan waren vermoedelijk alarmbellen afgegaan. Ik verwijs in dat verband naar de als bewijsmiddel 19 gebezigde e-mailwisseling, waarin [getuige 3] aangeeft dat een contract waarin broker fees worden genoemd niet zal worden ondertekend, omdat Vestia geen gebruik maakt van een broker.
Het oordeel van het hof dat de (pre-)confirmation e-mails bewijsbestemming hebben komt mij tegen deze achtergrond niet onbegrijpelijk voor. Daarmee is mijns inziens ook het oogmerk van de verdachte op het gebruik van de e-mails gegeven. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd, ook in het licht van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat intern geen acht geslagen werd op de e-mails en [getuige 3] zich bij het controleren van de contracten alleen baseerde op informatie die de verdachte in Excel-bestanden verwerkte. Het hof heeft immers uitdrukkelijk vastgesteld dat de contracten werden opgesteld na controle van de informatie in de e-mail. Het hof heeft dit kennelijk onder meer ontleend aan de verklaring van [getuige 3] bij de rechter-commissaris dat ze de door de verdachte aangedragen gegevens over de afgesloten deals met de banken gebruikte om de details van de uiteindelijke contracten te controleren (bewijsmiddel 25). Anders dan de stellers van het middel betogen, heeft het hof daarmee geen onjuiste uitleg gegeven aan de verklaring van [getuige 3] . In haar gehele verklaring bij de rechter-commissaris (zie hiervoor onder randnummer 3.4) lees ik namelijk niet terug dat ze zich bij het controleren van de inhoud van de contracten uitsluitend baseerde op door de verdachte verstrekte informatie in Excel-bestanden. Haar verklaring houdt in dat de details van de deals eerst werden bijgehouden in Excel-bestanden en later in het SG-systeem en dat de informatie die zij in dat systeem invoerde was gebaseerd op de gegevens die de verdachte haar verstrekte. Dat het hof onder die gegevens kennelijk ook heeft verstaan de (pre-)confirmation e-mails komt mij niet onbegrijpelijk voor. Daarbij neem ik ook in aanmerking de omstandigheid dat zij deze e-mails printte en opnam in de administratie, door ze bij de contracten te voegen (bewijsmiddel 23), alsook dat deel van haar verklaring bij de rechter-commissaris waarbij ze ingaat op handgeschreven aantekeningen die ze op een van de geprinte vervalste e-mails heeft gemaakt.
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
Het middel
Het tweede middel heeft betrekking op het onder 4 bewezen verklaarde en klaagt dat het oordeel van het hof dat het betalen van belasting over uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen kan worden gekwalificeerd als het omzetten en/of overdragen van een voorwerp dat afkomstig is uit enig misdrijf van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel dat het hof een daaromtrent ingenomen uitdrukkelijk voorgedragen standpunt (ik begrijp: een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv) onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
De tenlastelegging
De verdachte is onder 4 ten laste gelegd dat:
“Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 september 2004 tot en met 10 april 2012 te [plaats] en/of [plaats] en/of [geboorteplaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een voorwerp, te weten een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van circa Euro 10.419.866,-, in elk geval enig geldbedrag,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen/verhuld en/of heeft/hebben verborgen/verhuld wie de rechthebbende(n) op het/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren en/of wie het/dat/die voorhanden heeft/hebben gehad
en/of dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben omgezet en/of heeft/hebben overgedragen en/of van dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt
I
door dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) te laten overboeken/overmaken c.q. te ontvangen op een ABN AMRO inzake rekening 41.56.11.954 onder vermelding van “INVENTUS”, waarbij voor (een) derde(n) niet zichtbaar was/is dat hij, verdachte, de houder van deze inzake rekening was/is (zie: AH-016-l (a) en/of 1-AH-15 en/of 1- AH-023)
en/of (vervolgens)
II
door met een (gedeelte van) dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (te weten: circa Euro 7.457.171,83) de verbouwing en/of de renovatie en/of het onderhoud en/of de inrichting van zijn, verdachtes, woning met daarbij behorende tuin en/of de aankoop/aanschaf van (exclusieve) wijnen en/of wijnbenodigheden en/of kleding en/of geluids- en/of beeldapparatuur en/of de afbetaling van zijn, verdachtes, hypotheek te financieren (zie: 1-AH-015),
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte maakt/maken/heeft/hebben gemaakt.”
De bewijsvoering door het hof
Het hof heeft ten laste van de verdachte vervolgens bewezen verklaard dat:
“Hij in de periode van 6 september 2004 tot en met 10 april 2012 in Nederland, een voorwerp, te weten geldbedragen tot een totaal bedrag van circa Euro 10.419.866,-,
voorhanden heeft gehad en heeft verworven en heeft omgezet en heeft overgedragen en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt
I
door die geldbedragen te ontvangen op een ABN AMRO inzake rekening 41.56.11.954 onder vermelding van “INVENTUS”,
en
II
door met een gedeelte van die geldbedragen (te weten: Euro 7.457.171,83) de verbouwing en de inrichting van zijn, verdachtes, woning met daarbij behorende tuin en de aankoop/aanschaf van (exclusieve) wijnen en wijnbenodigdheden en kleding en geluids- en/of beeldapparatuur en de afbetaling van zijn, verdachtes, hypotheek te financieren (zie: 1-AH-015),
terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, daarvan een gewoonte heeft gemaakt.”
De bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:
“2. De verklaring van de verdachte. De [verdachte] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 mei 2018 verklaard – zakelijk weergegeven – (p. 6, 7, 12 en 15):
(…)
Ik heb het van [medeverdachte 1] ontvangen geld besteed aan de dingen die op de tenlastelegging onder feit 4 worden genoemd.
(…)
27. Het proces-verbaal van verhoor, V02-03, ordner 9 van onderzoek Klaproos met nummer 50335, van de Belastingdienst/FIOD te Haarlem, inhoudende als de verklaring van [verdachte] :
U vraagt mij waaraan ik het van [medeverdachte 1] ontvangen bedrag van in totaal € 10.419.866,- heb uitgegeven. Ik heb mijn huis ervan betaald. Ik had eerst een hypotheek. Op enig moment heb ik met [betrokkene 5] afgerekend. Daarna heb ik de hypotheek direct afgelost. In totaal gaat het hier om ongeveer 1 miljoen euro. Ik heb mijn huis van dit geld verbouwd. Daar is veel geld in gaan zitten. Inclusief schilderwerk en rietdekking zal ik ongeveer 1,5 miljoen euro hebben uitgegeven aan verbouwingen. Ik heb geld uitgegeven aan het interieur. Even afgerond zal dat ook rond de 300.000 euro zijn geweest. [F] en de bedrading daarvoor is aangelegd door een bedrijf uit [plaats] . Volgens mij zijn dit allemaal rekeningen op naam van [F] .
Ik heb geld uitgegeven aan wijnen. Ik schat zo rond de 800.000 euro. Ik heb geld uitgegeven aan de tuin en de tuinmeubelen en de jacuzzi. Ik denk dat ik daar zo'n 200.000 euro aan heb uitgegeven.
28. Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 1-AH-015, ordner 6 van onderzoek Klaproos met nummer 50335, van de Belastingdienst/FIOD te Haarlem, inhoudende als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Er heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het adres [a-straat 1] , [postcode] te [plaats] , zijnde het vestigingsadres van [B] B.V., voorheen [E] B.V. Bij de doorzoeking zijn diverse mappen, inhoudende administratieve bescheiden, in beslag genomen. Daarbij bevonden zich dagafschriften van een aantal bankrekeningen, waaronder de RABO-rekening [rekeningnummer 8] (ten name van [C] / [D] / [A] ). Betreffende deze bankrekening zijn de dagafschriften over de periode 01-01-2004 t/m 31-12-2011 in beslag genomen.
Aan de hand van deze dagafschriften is het proces-verbaal opgemaakt met daarin per jaar een tabel met daarin de ontvangen en betaalde bedragen. In totaal is door [medeverdachte 1] aan [verdachte] op de (Inventus-) [rekeningnummer 7] € 10.419.866,00 betaald.
Hierna geef ik een totaal overzicht van de Inventus bankrekening over de periode 2004 t/m 2010.
(…)
Betreffende de bankrekeningen [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] , [rekeningnummer 4] , [rekeningnummer 5] en [rekeningnummer 6] zijn dagafschriften verstrekt. Op basis hiervan kan het volgende totaaloverzicht van bestedingen/uitgaven door [verdachte] worden gegeven:
Betaald
Naam
Betaald
Naam
4.284.047,00
Belastingdienst
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
7.363.947,71
Subtotaal
7.457.171,83
Totaal
”
Het hof heeft voorts ten aanzien van dit feit het volgende overwogen:
“Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte van het deel van de tenlastelegging, dat ziet op het verhullen dan wel verbergen door de verdachte van de criminele herkomst van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag, niet kan worden bewezen, nu de Inventus rekening, waarop de geldbedragen zijn gestort, op naam van de verdachte staat en aldus zichtbaar is voor derden wie de rekeninghouder is.
Ook volgt het hof het oordeel van de rechtbank, dat de verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging voor zover de tenlastelegging ziet op het ontvangen en voorhanden hebben van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag, nu dit deel als zodanig geen witwashandeling oplevert.
Voor het overige acht het hof het deel van de tenlastelegging, dat ziet op de verrichte uitgaven (onder II) als witwasgedragingen kwalificeerbaar, nu de onder II bedoelde geldbedragen zijn omgezet en overgedragen en aldus deel zijn gaan uitmaken van het economisch verkeer. Het hof volgt de raadsvrouw van de verdachte niet in haar betoog dat het omzetten van de geldbedragen niet wezenlijk verschilt van het enkele voorhanden hebben, nu er daadwerkelijk goederen zijn aangeschaft en een hypotheek is afgelost.
Naar het oordeel van het hof is het daarbij in het kader van de kwalificatie niet (meer) van belang of de handelingen gericht waren op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geld. Wel zal het hof er bij het opleggen van de straf rekening mee houden dat met de bewezenverklaarde uitgaven een aanzienlijk lager bedrag is gemoeid dan de in de tenlastelegging genoemde € 10.419.866,-.”
Het verweer van de verdediging
De ter terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2023 door de raadsvrouw van de verdachte voorgedragen pleitnotities houden – voor zover hier van belang – het volgende in (hier weergegeven zonder de voetnoten):
“UITGAVEN (II)
151. Cliënt heeft een deel van het door hem ontvangen bedrag van [medeverdachte 1] besteed aan het verbouwen van zijn woning, het aanschaffen van exclusieve wijnen, kleding en geluid- en beeldapparatuur en het afbetalen van zijn hypotheek. Dat ontkent hij niet. Sterker nog: hij heeft daarover vanaf zijn allereerste verhoor bij de FIOD volledige openheid van zaken gegeven.
152. De verdediging meent dat hier sprake is van een geval waarin het omzetten van het geldbedrag niet wezenlijk verschilt van het enkele verwerven of voorhanden hebben van het geldbedrag. Voorts meent de verdediging dat de bestedingen niet tot doel hebben gehad, noch geschikt waren, om de werkelijke aard of herkomst van het genoemde geldbedrag te verbergen of verhullen. Ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging dient cliënt dus te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
153. Zoals ook in eerste aanleg naar voren gebracht, betroffen de uitgaven die cliënt heeft gedaan voor hem reguliere uitgaven. Het feit dat hij meer te besteden had dan een gemiddeld persoon en daardoor zijn geld aan duurdere zaken heeft besteed, doet niet af aan het feit dat dit voor hem, in zijn financiële positie, alledaagse aankopen waren.
154. In dat kader wijs ik uw hof op een arrest van de Hoge Raad uit 2015. In de betreffen de zaak had het hof geoordeeld dat de verdachte – door het geld in porties op een bankrekening te storten voor “reguliere” uitvangen – de werkelijke herkomst van het geld had verhuld. De Hoge Raad oordeelde dat uit de overwegingen van het hof niet zonder meer kan worden afgeleid dat sprake is van gedragingen die gericht zijn geweest op het daadwerkelijke verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Het enkele storten op eigen bankrekening is daartoe onvoldoende, ook als dat “voor ‘reguliere’ uitgaven” gebeurt, aldus de Hoge Raad.
155. Geld storten op een bankrekening voor reguliere uitgaven is geen handeling die kennelijk gericht is op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Dat is precies wat cliënt heeft gedaan. Geldbedragen gebruiken waardoor ze deel gaan uitmaken van het reguliere financiële en economische verkeer is niet voldoende om te spreken van verbergen of verhullen.
156. Zeker niet nu cliënt de betreffende geldbedragen ieder jaar netjes bij de Belastingdienst heeft opgegeven als overige inkomsten. Van de circa EUR 10.419.866 die hij heeft ontvangen, heeft hij een aanzienlijk deel aan de Belastingdienst afgedragen. In l-AH-15 zijn de uitgaven van cliënt beschreven tot en met december 2011 (en ten aanzien van enkele rekeningen slechts tot en met (juli) 2010). Uit het door de FIOD vastgestelde overzicht blijkt dat cliënt tot die datum al een bedrag van €4.284.047 aan de Belastingdienst heeft betaald. In 2012 heeft hij daarnaast nog eens een bedrag van €1.070.140 aan de Belastingdienst betaald (bijlage 13). In totaal heeft cliënt dus een bedrag van €5.354.187 aan de Belastingdienst afgedragen.
157. Deze gedraging is een sterke contra-indicatie dat cliënt de criminele herkomst van het geldbedrag heeft willen verbergen of verhullen. Waar in veel zaken aan verdachten verweten wordt dat zij criminele inkomsten uit het zicht van de overheid hebben willen houden, heeft cliënt exact het tegenovergestelde gedaan: hij heeft de overheid in feite elk jaar op de hoogte gehouden van zijn – later als crimineel aangemerkte – inkomsten.
158. De rechtbank heeft nagelaten op dit (ook in eerste aanleg gevoerde) verweer te reageren of überhaupt in het vonnis gewag te maken van het feit dat een flink deel van het op de Inventus rekening gestorte geld naar de Belastingdienst is gegaan.
159. In dat kader wijst de verdediging uw hof nog op het volgende. Indien u van mening bent dat de uitgaven wel een verhullend karakter hadden en cliënt dus niet dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, geldt dat het bedrag dat cliënt heeft uit gegeven aan de in de tenlastelegging genoemde zaken vele malen lager is dan de bewezenverklaarde € 7.457.171,83. Zoals eerder opgemerkt, wordt in l-AH-15 uitgewerkt waaraan cliënt de kleine € 7.5 miljoen heeft uitgegeven. Uit deze ambtshandeling kan worden opgemaakt dat cliënt van deze € 7.5 miljoen, een bedrag van € 4.284.047 aan de Belastingdienst heeft betaald. Het bedrag dat cliënt aan de in de tenlastelegging genoemde zaken heeft besteed (de verbouwing van de woning, de wijnen, de afbetaling van de hypotheek etc.) is dus € 3.173.124.83 en niet € 7.457.171,83. Nog los van het feit dat betalingen aan de Belastingdienst bezwaarlijk als verhullende witwashandelingen kunnen worden gekwalificeerd, is niet ten laste gelegd dat cliënt het geldbedrag zou hebben witgewassen door (een deel van) het bedrag aan de Belastingdienst te betalen.
CONCLUSIE FEIT 4b
160. Primair wordt verzocht cliënt ten aanzien van feit 4 te ontslaan van alle rechtsvervolging. De bedragen die hij zou hebben witgewassen zijn onmiddellijk afkomstig uit zijn eigen misdrijf, de passieve omkoping (feit 1). De handelingen van cliënt kunnen niet worden aangemerkt als kennelijk gericht op het verbergen of verhullen van de herkomst van die geldbedragen. Subsidiair wordt verzocht de bewezenverklaring van het bedrag dat door cliënt onder (II) op de tenlastelegging zou zijn witgewassen te beperken tot een bedrag van € 3.173.124.83, zijnde het bedrag dat door cliënt daadwerkelijk is uitgegeven aan de in de tenlastelegging genoemde zaken.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 en 18 september 2023 houdt verder onder meer in:
“De [verdachte] legt op vragen van de leden van het hof een verklaring af, inhoudende:
(…)
U houdt mij de witwas verdenking voor. Ik heb de Inventus rekening als inzake rekening geopend op verzoek van [medeverdachte 1] . Ik heb vervolgens verschillende rekeningen gebruikt om rente te pakken. Ik heb veel belasting betaald. Ik heb alleen uitgaven gedaan die ik normaliter ook zou hebben gedaan, alleen zijn deze in kwantiteit meer geworden.
Ik zie de ontvangen gelden niet als van misdrijf afkomstig. Ik heb er belasting over betaald en ik heb er slechts normale uitgaven van gedaan.
(…)
De [verdachte] legt op vragen van mr. Vromen een verklaring af, inhoudende:
(…)
Over het geld dat ik van [medeverdachte 1] ontving heb ik 5,4 miljoen euro afgedragen aan de Belastingdienst. U houdt mij voor dat in AH-15 een lager bedrag wordt genoemd. Dat klopt. Ik heb later, naast het in AH-15 genoemde bedrag, nog ruim een miljoen euro afgedragen, zoals blijkt uit de voorafgaand aan de zitting toegestuurde belastingaanslag.
(…)
Mr. Vromen krijgt de gelegenheid tot dupliek in de zaak [verdachte] en voert hiertoe aan:
(…)
Het is de verdediging niet duidelijk of de advocaat-generaal zich op het standpunt stelt dat cliënt gedeeltelijk dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het witwasverwijt. Voorts kan uiteindelijk slechts een deel van het geldbedrag bewezen worden verklaard, omdat een deel is afgedragen aan de Belastingdienst.”
De bespreking van het middel
Het middel klaagt in de eerste plaats dat het oordeel van het hof dat het betalen van belasting over uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen de witwashandelingen omzetten en/of overdragen oplevert, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. In de tweede plaats wordt geklaagd dat het hof niet (voldoende) heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat het verrichten van betalingen aan de Belastingdienst niet kan worden gekwalificeerd als witwasgedragingen, althans dat de bewezenverklaring op dit punt onvoldoende met redenen is omkleed. De stellers van het middel voeren daartoe aan dat het gebruik van het uit misdrijf afkomstige geld voor het betalen van belastingaangiften een “bijzonder geval” is als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500, m.nt. N. Keijzer, rechtsoverweging 2.4, waarin het ‘overdragen’/‘gebruik maken’/‘omzetten’ plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen ‘verwerft’ of ‘voorhanden heeft’, in welk geval geldt dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als witwassen, sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft.
Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte een bedrag van € 10.419.866,- voorhanden heeft gehad en heeft verworven en heeft omgezet en heeft overgedragen en daarvan gebruik heeft gemaakt door:
I. dit geldbedrag te ontvangen op een aparte bankrekening onder vermelding van “INVENTUS” en
II. met een gedeelte van dit geldbedrag (te weten: € 7.457.171,83) allerlei uitgaven te financieren, namelijk: de verbouwing en inrichting van zijn woning en tuin, de aankoop van wijnen en wijnbenodigdheden, kleding, geluids- en/of beeldapparatuur en de afbetaling van zijn hypotheek.
Het hof heeft de verdachte vervolgens ontslagen van rechtsvervolging voor zover het gaat om de onder (i) genoemde gedraging. De onder (ii) genoemde gedragingen zijn volgens het hof wél als witwasgedragingen te kwalificeren, nu deze geldbedragen zijn omgezet en overgedragen en aldus deel zijn gaan uitmaken van het economisch verkeer.
Het middel berust op de veronderstelling dat het hof onder meer heeft bewezen verklaard dat de verdachte het bewuste geldbedrag heeft omgezet en/of overgedragen door (onder meer) betalingen aan de Belastingdienst te doen. Uit de hiervoor aangehaalde bewijsvoering van het hof blijkt echter dat het hof niet heeft bewezen verklaard dat de uitgaven van in totaal € 7.457.171,83 ook bestonden uit betalingen aan de Belastingdienst. Dat was de verdachte als zodanig ook niet ten laste gelegd (zie randnummer 4.2). Het middel is aldus gebaseerd op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist daarmee feitelijke grondslag.
Overigens vermag ik niet in te zien hoe het feit dat het geld is overgemaakt aan de Belastingdienst zou meebrengen dat sprake is van een “bijzonder geval” als hiervoor genoemd, waarin het ‘overdragen’ plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van het ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’, zodat tevens sprake moet zijn van een verbergende of verhullende gedraging. Reeds door het overmaken van het geld naar de Belastingdienst had de verdachte dat geld immers niet langer voorhanden.
Ten overvloede wijs ik op het volgende. Het hof heeft onder meer tot het bewijs gebezigd een totaaloverzicht van bestedingen/uitgaven die de verdachte heeft gedaan met de van [A] ontvangen betalingen (bewijsmiddel 28; randnummer 4.4). Daaruit blijkt dat van het totaal van € 7.457.171,83 aan uitgaven een bedrag van € 4.284.047,- is betaald aan de Belastingdienst. De resterende uitgaven van € 3.173.124,83 hebben betrekking op de in de bewezenverklaring genoemde bestedingen (onder meer wijnen/wijnbenodigdheden en de verbouwing en inrichting van het huis van de verdachte). De bewezenverklaring, voor zover deze inhoudt dat de verdachte een bedrag van € 7.457.171,83 heeft gespendeerd aan voormelde bestedingen, strookt aldus niet met de inhoud van de bewijsmiddelen. Daarover klaagt het middel echter niet.
De verdediging heeft overigens in hoger beroep nadrukkelijk (subsidiair) verzocht de bewezenverklaring van het bedrag dat door de verdachte onder (II) zou zijn witgewassen te beperken tot een bedrag van € 3.173.124.83, zijnde het bedrag dat door de verdachte is uitgegeven aan de in de tenlastelegging genoemde bestedingen (zie hiervoor onder randnummers 4.6-4.7). Over de verwerping van dat deel van het verweer klaagt het middel – mede bezien in samenhang met de toelichting – evenmin.
Het middel faalt.
5. Slotsom
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve merk ik het volgende op. Het onder 1 ten laste gelegde feit (passieve niet-ambtelijke omkoping, meermalen gepleegd) is volgens de tenlastelegging begaan in de periode van 6 september 2004 tot en met 10 april 2012. Tot 1 april 2010 werd overtreding van art. 328ter Sr bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. Van 1 april 2010 tot 1 januari 2015 gold een maximale gevangenisstraf van twee jaren. Op grond van art. 70 lid 1, aanhef en onder 2, in samenhang met art. 72 lid 2 Sr beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren.
Passieve niet-ambtelijke omkoping als bedoeld in art. 328ter lid 1 (oud) Sr is een voortdurend omissiedelict. Het delict is niet reeds voltooid na het aannemen van de gift, belofte of dienst. Voor voltooiing moet ook sprake zijn van verzwijging in strijd met de goede trouw tegenover de werk- of lastgever. De verjaringstermijn als bedoeld in art. 71 Sr vangt de dag nadien aan. Het hof is bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van de verjaring kennelijk uitgegaan van de onder feit 1 ten laste gelegde periode, zodat de verjaringstermijn ten aanzien van alle giften op 11 april 2012 is aangevangen. Daarvan uitgaande was ten tijde van het wijzen van het arrest op 24 november 2023 nog geen sprake van verjaring (maar pas op 11 april 2024).
Volgens vaste jurisprudentie lijdt het uitgangspunt dat de rechter onderzoek behoort te doen naar de mogelijke niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens verjaring en daarvan in zijn uitspraak dient te doen blijken in cassatie uitzondering wanneer de verjaring reeds voor het indienen van de schriftuur is voltooid en de cassatieschriftuur niet een klacht daarover bevat. De Hoge Raad grijpt alleen ambtshalve in ingeval de termijn van verjaring is vervuld tussen de indiening van de schriftuur en de uitspraak van het arrest, omdat in dat geval niet bij wege van een middel van cassatie beroep kon worden gedaan op het alsnog intreden van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
Nu de cassatieschriftuur die op 20 september 2024 namens de verdachte is ingediend, geen klacht bevat met betrekking tot de verjaring, hoeft het voorgaande dan ook niet te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ten aanzien van feit 1 en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van dit feit.
Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, op 7 december 2025 is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.
Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G