ECLI:NL:PHR:2026:363

ECLI:NL:PHR:2026:363

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer 24/04463
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Uiten bedreigende woorden door de verdachte tijdens een gehoor door de politie en gericht tegen een persoon die daarbij niet aanwezig was (art. 285 Sr). Falend middel over de afwijzing van het verzoek om de horende verbalisanten en de tolk als getuige te horen. Is een tolk aan te merken als belastende getuige in de zin van de Keskin-rechtspraak? Verder falende middelen over unus testis en voorwaardelijk opzet op bedreiging. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO). Conclusie AG. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Is een tolk aan te merken als belastende getuige in de zin van de Keskin-rechtspraak? AG meent van niet. Falende middelen over afwijzing van getuigenverzoeken, unus testis en voorwaardelijk opzet op bedreiging. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04463

Zitting 7 april 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 26 november 2024 onder aanvulling van gronden het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 21 februari 2024 bevestigd, waarbij de verdachte wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft bij vonnis tevens de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.I. L'Ghdas, advocaat in [plaats] , heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

Het middel klaagt over de afwijzing van de verzoeken tot het horen van de tolk en twee verbalisanten.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 8 december 2023 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , althans in Nederland, [aangeefster] , althans een ander, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door over en/of betreffende voornoemde [aangeefster] te zeggen "als ik zo naar Marokko moet, dan ga ik haar kop afhakken", of woorden van gelijke strekking.”

Bij vonnis van 21 februari 2024 is de verdachte veroordeeld. Tegen dat vonnis is op 5 maart 2024 hoger beroep ingesteld. Naar aanleiding van de (tijdig ingediende) appelschriftuur van de verdediging, inhoudende onder meer de verzoeken tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] alsmede de [tolk 1] (tolknummer [tolk 1] ), heeft de poortraadsheer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het volgende beslist:

“Bij tijdig ingediende schriftuur heeft de verdediging een viertal getuigen opgegeven, te weten:

1. [verbalisant 1] , verbalisant;

2. [verbalisant 2] , verbalisant;

3. Tolk bekend onder tolknummer [tolk 2] ;

4. Tolk bekend onder tolknummer [tolk 1] ;

De verdediging brengt naar voren dat de verdachte hoger beroep heeft aangetekend omdat hij zich niet kan verenigen met de bewezenverklaring en evenmin met de hoogte van de straf. Daartoe stelt hij dat hij de woorden zoals tenlastegelegd niet heeft uitgesproken en zich daardoor niet schuldig heeft gemaakt aan bedreiging. Hij vermoedt dat er sprake is van een misverstand tussen hem en de tolk tijdens het afnemen van het verhoor. Omdat de verdachte met name op basis van de verklaring van voornoemde getuigen door de politierechter is veroordeeld heeft hij er dan ook evident belang bij om de getuigen zelf te bevragen.

Overwogen wordt dat het in artikel 6 van het EVRM verankerde ondervragingsrecht noch het arrest van het EHRM inzake Keskin vs. Nederland zich verzet tegen het afwijzen door de rechter van een verzoek tot het horen van getuigen als dat horen onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant') is, omdat het horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Deze situatie doet zich in dit concrete geval voor.

De verzochte getuigen 1 en 2, de twee verbalisanten, hebben in een proces-verbaal de door de tolk vertaalde verklaring van verdachte gerelateerd. In een later opgemaakt proces-verbaal van bevindingen hebben zij gerelateerd dat zij geen verdere vragen over deze uitlating hebben gesteld aan de verdachte. Het is evident dat deze verbalisanten geen antwoord kunnen geven op de opgeworpen vraag van de verdediging betreffende de uitlating van verdachte gedaan in de Arabische taal en het gestelde misverstand tussen de verdachte en de tolk.

Voorts blijkt voldoende uit het dossier dat de tolk bekend onder tolknummer [tolk 2] niet aanwezig is geweest ten tijde van de tenlastegelegde uitlating.

In het dossier bevindt zich eveneens een proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2024 waarin wordt gerelateerd dat de tolk bekend onder tolknummer [tolk 1] telefonisch is benaderd door de politie en dat deze tolk heeft aangegeven dat hij zich het gesprek van 8 december 2023 waarbij hij heeft als tolk telefonisch aanwezig was, niet meer kan herinneren. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij vaker heeft dat degene voor wie hij moet tolken boos worden als ze een bepaalde boodschap krijgen. Zijn werk is echter alleen maar tolken.

Overwogen wordt dat, zoals de politierechter ook heeft overwogen, er in beginsel een belang is bij het horen van deze tolk nu de vertaling van een uitspraak van de verdachte door de tolk in deze zaak essentieel is. Echter deze tolk heeft al duidelijk ten overstaande van verbalisanten aangegeven dat hij zich het gesprek niet meer kan herinneren. Daarbij wordt van belang geacht dat hij tevens aangeeft dat het wel vaker voorkomt dat degene voor wie hij moet tolken boos worden. Er is dan ook geen belang meer om de tolk met tolknummer [tolk 1] als getuige te horen omdat het horen van deze getuige geen toegevoegde waarde meer heeft.

De verzoeken worden afgewezen.”

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 november 2024 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“De raadsvrouw wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren van de verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, tegen het vonnis op te geven. De raadsvrouw deelt mede:

De verdachte is het niet eens met de bewezenverklaring en dus ook niet met de straf. De verdediging persisteert daarnaast in het verzoek om verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die verdachte op 8 december 2023 hebben gehoord, en de twee tolken die daarbij aanwezig waren, als getuigen te horen. De verdachte blijft erbij dat hij de tenlastegelegde en door de politierechter bewezenverklaarde bedreiging niet heeft geuit. De vertaling door de tolk van wat de verdachte heeft gezegd klopt niet. De verdediging heeft daarom een verzoek gedaan om de tolk als getuige te horen. De tolk is de eerste en de belangrijkste getuige om te kunnen verklaren over wat de verdachte heeft gezegd. Volgens het politiedossier is aan de tolk gevraagd of het klopt wat de verdachte heeft gezegd, maar dat is niet voldoende. Tevens moet aan de tolk worden gevraagd of hij beëdigd is en welk niveau de tolk heeft, want dat is ook allemaal van belang voor de vertaling door de tolk. Mijn collega mr. M.I. L’Ghdas, voor wie ik vandaag waarneem, is de Arabische taal machtig. Wanneer hij bij een gerecht is voor een zitting maakt hij vaak mee dat de kwaliteit van de tolken die daar optreden niet altijd even goed is. Hij moet regelmatig ingrijpen op zitting omdat de vertaling door de tolk niet goed gaat. Dat leidt vaak tot discussies, maar is ook vaak van belang gebleken voor de behandeling van de zaak, ik heb dat tijdens een zitting waarbij ik ook aanwezig was met eigen ogen gezien. We weten allemaal dat er de laatste tijd discussie is over de kwaliteit van tolken. Daarom moet de verdediging de kans krijgen om de tolk te bevragen. Niet alleen over de inhoud van het gesprek maar ook over het niveau dat hij heeft en of hij beëdigd is.

De jongste raadsheer deelt mede:

Er is een BTV-nummer bekend van de [tolk 1] die bij het gehoor op 8 december 2023 aanwezig was. Aan de hand daarvan kunt u het niveau van deze tolk opzoeken en of hij beëdigd is.

De raadsvrouw deelt mede:

Dan nog is het mogelijk dat de tolk niet over het vereiste niveau beschikt. De tolk zegt dat hij zich het gesprek met de verdachte niet kan herinneren. De tolk moet dan wat uitgebreidere informatie gegeven worden om hem te helpen met de herinnering. Misschien kan hij het zich wel herinneren als hij meer context krijgt. De verdediging wil ook de verbalisanten horen die het gehoor met de verdachte hebben afgenomen. Daaruit kan blijken of het gehoor door tussenkomst van de tolk vloeiend verliep en of de tolk goed hoorbaar was. De tolk was namelijk aan de telefoon. Dat kan helpen bij het beantwoorden van de vraag hoe betrouwbaar de vertaling door de tolk is. Dat is essentieel. Als de vertaling door de tolk als bewijsmiddel wegvalt is er geen andere grond om tot een bewezenverklaring te komen. De verdediging wil dus de [tolk 1] en verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die verdachte op 8 december 2023 hebben gehoord, als getuigen horen. De verdediging ziet af van het horen van de tolk met nummer [tolk 2] die eerder door de verdediging als getuige is opgegeven.

De advocaat-generaal brengt naar voren:

Ik verzet mij tegen het horen van de gevraagde getuigen. De onderbouwing die de verdediging daarvoor geeft is nogal speculatief. De verdediging wijst erop dat er de laatste tijd discussie is over de kwaliteit van tolken. Dat wil echter nog niet zeggen dat de vertaling in deze zaak niet goed is gegaan. Door dit zo algemeen te trekken wordt het vertrouwen in tolken ondermijnd. De politie maakt gebruik van beëdigde tolken. Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de vertaling door de tolk in kwestie. Wat mij betreft is er dan ook geen aanleiding daar nader onderzoek naar te doen. Er is al aan de tolk gevraagd of hij zich het gehoor van de verdachte kan herinneren en dat kon hij niet. De verbalisanten die het gehoor van de verdachte hebben afgenomen zijn de Arabische taal niet machtig, dus die kunnen er niets over zeggen. Het verzoek tot het horen van de [tolk 1] en de verbalisanten als getuigen moet dus worden afgewezen.

De jongste raadsheer deelt mede:

In het openbare register van beëdigde tolken en vertalers zie ik dat de [tolk 1] tolkt in de Arabisch Algerijnse taal en in de Arabisch Marokkaanse, taal en dat hij als beëdigd tolk is ingeschreven.

De raadsvrouw deelt mede:

Ik blijf bij mijn verzoek om deze tolk en de verbalisanten als getuigen te horen. Dat het een beëdigde tolk is, maakt dat niet anders. In een andere zaak heb ik meegemaakt dat een verdachte iets zei in de trant van: “Als ik terug zou worden gestuurd naar mijn land van herkomst, dan zou ik dood gaan.” Hij bedoelde dit figuurlijk, maar zijn uitspraak werd opgevat als dat hij zichzelf van het leven zou willen beroven. Mijn collega mr. M.I. L’Ghdas zat erbij en kon dit gelukkig rechtzetten. Anders had het ernstige gevolgen kunnen hebben. Niet alle tolken zijn beëdigd. Als er geen beëdigde tolk beschikbaar is, wordt er door de politie uitgeweken naar een niet beëdigde tolk. Het is dan de vraag of de kwaliteit van de tolk en dus van de vertaling goed is. Ook als de tolk beëdigd is, is niet altijd gegarandeerd dat er sprake is van een kwalitatief goede tolk en vertaling.

De voorzitter deelt mede dat het hof het onderzoek voor korte tijd zal onderbreken voor beraad.

De voorzitter hervat het onderzoek.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede:

Het verzoek van de verdediging tot het horen als getuigen van de [tolk 1] en de verbalisanten die verdachte op 8 december 2023 hebben gehoord, wordt afgewezen onder verwijzing naar de afwijzende beslissing van de raadsheer-commissaris op dit verzoek. Het hof heeft geen nieuwe argumenten van de verdediging gehoord dan die voorafgaand aan de beslissing door de raadsheer-commissaris reeds zijn aangevoerd. Daarnaast heeft het hof in het register beëdigde tolken en vertalers gezien dat de [tolk 1] een beëdigde tolk is en dat hij tolkt in de taal van de verdachte. Het hof heeft dan ook geen reden om aan te nemen dat de vertaling door deze tolk niet goed is gegaan. Daarnaast zal uit een verhoor van deze tolk niet naar voren komen of hij goed heeft vertaald.”

Het juridisch kader

Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2021 volgt, kort gezegd, dat bij de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter, het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld als het gaat om een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. In dat geval mag van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang worden verlangd. Uit dit arrest volgt ook dat de rechter het verzoek om zo’n getuige op te roepen en te horen niettemin kan afwijzen, onder meer als hij tot het oordeel komt dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.

Het middel klaagt onder meer over de afwijzing van het verzoek tot het horen van de [tolk 1] als getuige. In dat verband heb ik mij afgevraagd of een tolk een belastende getuige is indien hij in die hoedanigheid ter gelegenheid van (bijvoorbeeld) een verhoor de verklaring van de verdachte heeft vertaald, welke verklaring vervolgens is opgetekend in een proces-verbaal. De steller van het middel lijkt daarvan wel uit te gaan, gelet ook op het hierna te bespreken tweede middel van cassatie, dat stelt: ”De bewezenverklaring berust uitsluitend op de verklaring van de tolk over wat verzoeker tijdens het gehoor gezegd zou hebben.”

Uit het onder randnummer 2.5 genoemde arrest van de Hoge Raad leid ik af dat het er bij de vraag of een getuige een ‘getuige à charge’ is, om gaat of die getuige een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. In dat verband merk ik op dat de verklaringen van getuigen in beginsel beperkt moeten blijven tot hetgeen zij hebben waargenomen of ondervonden. De vraag is nu of het vertalen van de woorden van de verdachte door een tolk een verklaring met een belastende strekking oplevert. AG Paridaens heeft in een conclusie uit 2024 gesteld dat de Post-Keskin-rechtspraak alleen van toepassing is op verzoeken tot het horen van getuigen die een de verdachte belastende verklaring hebben afgelegd en waarbij de inhoud van die verklaringen wordt betwist. Het moet volgens haar dus gaan om getuigen die bevraagd gaan worden over een als getuige afgelegde inhoudelijk belastende verklaring over de verdachte.

In zijn arrest van 22 februari 2022 overwoog de Hoge Raad dat personen die hebben deelgenomen aan WhatsApp-gesprekken met de verdachte, waarvan een weergave is opgenomen in de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, niet aan te merken zijn als zogenaamde Keskin-getuigen, omdat die uitlatingen van hen niet kunnen worden aangemerkt als een buiten de aanwezigheid van de verdediging (in het vooronderzoek) afgelegde getuigenverklaring, waarvoor zou gelden dat geen nadere onderbouwing van het belang bij het oproepen en horen van de betreffende persoon mag worden verlangd.

In zijn arrest van 17 oktober 2023 overwoog de Hoge Raad dat uitlatingen van deelnemers aan OVC-gesprekken met (onder andere) de verdachte, waarvan een weergave is opgenomen in de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, evenmin kunnen worden aangemerkt als een buiten de aanwezigheid van de verdediging afgelegde getuigenverklaring, waarvoor zou gelden dat geen nadere onderbouwing van het belang bij het oproepen en horen van de betreffende persoon mag worden verlangd.

De conclusie van AG Paridaens die ik reeds onder randnummer 2.7 van deze conclusie aanhaalde betrof een door de verdediging gedaan verzoek tot het (onder meer) horen van tolken die taps hebben uitgeluisterd en vertaald. Het oordeel van het hof – dat het niet de door de verdediging bedoelde tolken zijn die een voor de verdachte belastende verklaring hebben afgelegd, maar dat alleen belastend is de concrete inhoud van de tapgesprekken zelf en niet de uitwerking van die gesprekken door de tolken of de duiding van de figuranten in die gesprekken door de politiemedewerkers – getuigde volgens haar niet van een onjuiste rechtsopvatting en achtte zij evenmin onbegrijpelijk. De Hoge Raad deed deze zaak af met de aan 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Het onderhavige geval verschilt wel van de gevallen in de hier aangehaalde arresten in die zin, dat de tolk hier aanwezig was bij het plegen van het tenlastegelegde feit. Hij heeft het feit zelf waargenomen en hij zou daarom niet alleen kunnen worden ondervraagd over de vertaling van een verklaring over een feit, maar ook over dat feit zelf.

Naar mijn oordeel is de vertaling van hetgeen de verdachte heeft gezegd desalniettemin geen belastende verklaring van de dienstdoende tolk in de zin van de Keskin-rechtspraak. Gelet op de betekenis die het werk van een tolk heeft in het Wetboek van Strafvordering wordt immers niet belastend over de verdachte verklaard, zodat de verdachte niet het subject is van de verklaring. De rol van de tolk in dit geval is slechts het fungeren als ‘het linguïstische verlengstuk’ van de verdachte in welke rol hij niets ‘verklaart’ over hem, doch slechts als doorgeefluik spreekt namens hem. Daarbij is de ‘verklaring’ van de tolk in dezen non-existent als bewijsmiddel (in de zin van de wet), het mogelijk belastende bewijsmiddel vormt enkel de (weliswaar vertaalde) verklaring van de verdachte. Een en ander brengt met zich dat de Keskin-rechtspraak niet op het verzoek tot het horen van de tolk van toepassing is.

De keuze om aan te sluiten bij de juridische betekenis van het werk van de tolk en niet bij de feitelijke gang van zaken, te weten dat in het proces-verbaal wordt opgenomen wat de tolk zegt over wat hij van de woorden van de verdachte heeft waargenomen, wordt gerechtvaardigd door de rol van tolken en door de wettelijke waarborgen waarmee hun werk is omgeven. De taak van een tolk is enkel het waarheidsgetrouw vertalen van de woorden van een ander. Tolken verlenen deze diensten daarbij onder de eed of belofte dat zij hun werk “eerlijk, nauwgezet en onpartijdig” zullen uitvoeren en zich zullen gedragen “zoals een beëdigd tolk betaamt” (art. 13 lid1 Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv)). Instanties, zoals de politie, dienen in beginsel gebruik te maken van tolken die in een register staan ingeschreven (art. 28 lid 1 Wbtv), terwijl voor opname in dat register aan de tolk kwaliteitseisen worden gesteld (art. 3 Wbtv).

Omdat de tolk geen Keskin-getuige is, zijn op het verzoek om hem te horen de regels uit het arrest van de Hoge Raad van 4 juli 2017 van toepassing. Dat houdt onder meer in dat verzoeken tot het horen van getuigen gemotiveerd moeten zijn. Die motiveringsplicht houdt in dat de verdediging ten aanzien van iedere door haar opgegeven getuige moet toelichten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Aan dit motiveringsvereiste ligt ten grondslag dat de rechter in staat wordt gesteld de relevantie van het verzoek te beoordelen, mede in het licht van de onderzoeksbevindingen zoals deze zich op het moment van het verzoek in het dossier bevinden. Ook draagt dat vereiste eraan bij dat de rechter zo vroegtijdig mogelijk het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM bij de beoordeling van het verzoek kan betrekken. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.

Het is goed mogelijk dat in bepaalde omstandigheden het belang bestaat een tolk als getuige te horen. Bij een verzoek daartoe zal echter moeten worden toegelicht waarom de tolk dient te worden gehoord als getuige ondanks het uitgangspunt dat diens woorden worden toegeschreven aan degene voor wie hij vertaalt en ondanks de waarborgen waaronder dit vertalen plaatsvindt.

De Keskin-rechtspraak is wél van toepassing op de verzoeken tot het horen van de verbalisanten, nu zij belastend hebben verklaard over de verdachte middels optekening van diens mogelijk strafbare uiting in een (gezamenlijk) proces-verbaal. Die toepasselijkheid brengt met zich dat het belang bij het horen van die getuigen moet worden verondersteld. In aanvulling daarop wijs ik erop dat voor het oordeel dat zich de situatie voordoet dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, onder meer van belang zijn de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde ter terechtzitting waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging.

Bespreking van het middel

Het middel keert zich tegen de afwijzing van de verzoeken tot het horen van de tolk en de twee verbalisanten als getuigen, welke afwijzing blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikend zou zijn gemotiveerd. Het middel voert daartoe aan dat de afwijzing niet voldoet aan de eisen van wet en rechtspraak, omdat daaruit volgt dat het hof op een gemotiveerd verzoek tot het horen van getuigen zelfstandig en deugdelijk gemotiveerd moet beslissen. De afwijzing zou in strijd zijn met voornoemde ‘eisen’ omdat:

(i.) het hof slechts verwijst naar de eerdere beslissing van de poortraadsheer, zonder eigen afweging of belangenafweging;

(ii.) het hof speculeert dat het verhoor van de tolk niets zal opleveren, terwijl het juist de taak van de verdediging is om de betrouwbaarheid van diens vertaling te betwisten en

(iii.) de inhoudelijke noodzaak niet serieus wordt gewogen, ondanks dat dit bewijsmiddel de enige directe grondslag voor de bewezenverklaring vormt.

Het hof heeft het verzoek tot het horen van de verbalisanten en de tolk, zoals gezegd, afgewezen onder verwijzing naar de afwijzende beslissing van de poortraadsheer, nu aan dat verzoek geen nieuwe argumenten ten grondslag zijn gelegd. Voor zover het middel steunt op de opvatting dat het aan het hof niet was toegestaan om voor de motivering van de beslissing tot afwijzing te verwijzen naar de eerdere beslissing van de poortraadsheer, vindt het middel geen steun in het recht. Het middel steunt voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek tot het horen van de tolk, verder op de onjuiste veronderstelling dat het hof daartoe ‘slechts’ heeft verwezen naar de eerdere beslissing van de poortraadsheer, het hof immers zelf ook overwegingen gewijd aan die afwijzing. Daarmee mist het middel in zoverre feitelijke grondslag.

De inhoudelijke motivering van de afwijzing door het hof houdt (daarmee) in dat het verhoor van zowel de tolk als de verbalisanten onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant') is, omdat het horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben.

Aan het verzoek tot het horen van de getuigen is door de verdediging ten grondslag gelegd dat de verdachte de woorden zoals tenlastegelegd niet heeft uitgesproken en hij vermoedt dat er sprake is van een misverstand tussen hem en de tolk tijdens het afnemen van het verhoor. Meer specifiek wilde de verdediging de tolk bevragen of hij is beëdigd en wilde de verdediging vragen stellen over zijn werkniveau. Het horen van de verbalisanten diende te verduidelijken hoe betrouwbaar de vertaling door de tolk is.

Met betrekking tot de afwijzing van het verzoek tot het horen van de verbalisanten heeft het hof – middels zijn verwijzing naar de motivering van de poortraadsheer – overwogen dat zij in een proces-verbaal de door de tolk vertaalde verklaring van verdachte hebben gerelateerd en zij later hebben gerelateerd dat zij geen verdere vragen over deze uitlating hebben gesteld aan de verdachte. Het was daarom evident dat deze verbalisanten geen antwoord kunnen geven op de opgeworpen vraag van de verdediging, betreffende de uitlating van verdachte gedaan in de Arabische taal en het gestelde misverstand tussen de verdachte en de tolk, aldus het hof. De overweging die ten grondslag ligt aan de afwijzing van het verzoek tot het horen van de tolk luidt, dat uit een in het procesdossier bevindend proces-verbaal blijkt dat de politie hem heeft benaderd en hij desgevraagd door hen heeft verklaard dat hij zich het ‘gehoor’ waarbij hij deelnam als tolk niet meer kan herinneren. Met betrekking tot het verzoek tot het horen van de tolk heeft het hof daarnaast overwogen dat het in het register beëdigde tolken en vertalers heeft gezien dat de [tolk 1] een beëdigd tolk is en dat hij tolkt in de taal van de verdachte, zodat het hof dan ook geen reden heeft om aan te nemen dat de vertaling door deze tolk niet goed is gegaan. Tot slot heeft het hof er – eveneens daarnaast – op gewezen dat uit een verhoor van deze tolk niet naar voren zal komen of hij goed heeft vertaald.

Ik acht de beslissing van het hof om de verzoeken af te wijzen, in het licht van de motivering die daar door het hof aan ten grondslag is gelegd, afgezet tegen hetgeen aan de verzoeken ten grondslag ligt, niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk. Het hof heeft immers ter zitting aan het Register beëdigde tolken en vertalers ontleend dat de tolk was ingeschreven als beëdigd tolk voor de taal die de verdachte spreekt. Dit gegeven is door de verdediging niet betwist. Het hof heeft met betrekking tot de stelling die in de kern aan de verzoeken tot het horen van de drie getuigen ten grondslag ligt – dat de vertaling door de tolk niet betrouwbaar zou zijn – gewezen op deze beëdiging en dat er ‘dan ook’ geen twijfel is over de betrouwbaarheid van de vertaling. Met betrekking tot de afwijzing van het verzoek tot het horen van de verbalisanten heeft het hof erop gewezen dat zij slechts de door de tolk vertaalde verklaring van verdachte hebben gerelateerd en zij later hebben gerelateerd dat zij geen verdere vragen over deze uitlating hebben gesteld aan de verdachte, doch wel tijdens het gehoor bij de tolk hebben geverifieerd wat de verdachte heeft gezegd. Ten slotte heeft het hof de overweging van de poortraadsheer overgenomen dat de verbalisanten evident geen antwoord kunnen geven op de vragen van de verdediging over de uitlating van de verdachte in de Arabische taal en het gestelde misverstand tussen de verdachte en de tolk. Deze overwegingen kunnen het oordeel van het hof om de drie getuigenverzoeken af te wijzen zelfstandig dragen.

Het oordeel dat het verhoor van de getuigen onmiskenbaar irrelevant of overbodig (‘manifestly irrelevant or redundant') is, omdat het horen van de getuigen voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, heeft het hof gebaseerd mede op het verhandelde ter terechtzitting en het heeft daarmee – anders dan de steller van het middel kennelijk meent – niet gespeculeerd over hetgeen de tolk kan verklaren, terwijl het de noodzaak weldegelijk serieus heeft gewogen.

Het middel faalt.

3. Het tweede middel

Het middel keert zich tegen de bewezenverklaring en bevat de klacht dat de (door het hof bevestigde) bewezenverklaring in strijd met art. 342 lid 2 Sv is gebaseerd op één bewijsmiddel.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“op 8 december 2023 te [plaats] [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door betreffende voornoemde [aangeefster] te zeggen "als ik zo naar Marokko moet, dan ga ik haar kop afhakken".”

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zoals gezegd, onder aanvulling van gronden bevestigd. Het hof heeft gelet op art. 359 lid 3, eerste volzin, Sv de inhoud van de bewijsmiddelen bij aanvulling weergegeven. Die bewijsconstructie houdt het volgende in:

1. het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 januari 2024, dossierpagina’s 11 en 12, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op 8 december 2023 waren wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] van de Afdeling Vreemdelingenpolitie Identificatie en Mensenhandel, in de penitentiaire inrichting te [plaats] . Wij waren daar teneinde de vreemdeling genaamd [verdachte] te horen voor een "zwaar" inreisverbod t.b.v. de IND. Tijdens dit gehoor werd gebruik gemaakt van een telefonische tolk. Tolkennummer: [tolk 1] . Taal: Arabisch (Marokkaans). We onderzochten de mogelijkheden om betrokkene terug te laten keren naar het land van herkomst en we vroegen betrokkene naar de mogelijke belemmeringen die terugkeer in de weg kunnen staan.

Tijdens het gehoor wilde betrokkene [verdachte] het meerdere malen hebben over zijn strafzaak en waarom hij in de gevangenis zat. Wij vertelden betrokkene dat wij niet daar waren i.v.m. zijn strafzaak, maar in het kader van de Vreemdelingenwet en het voornemen van AVIM om door de IND aan hem een inreisverbod op te laten leggen.

Wij hoorden dat betrokkene [verdachte] desondanks verklaarde dat hij via een COA- medewerkster een verblijfsvergunning wilde krijgen door haar hiervoor te betalen. Wij hoorden dat hij verklaarde dat zij dat eerst wel wilde doen voor het geld, maar later niet meer en daarna is zij hem gaan chanteren. Hij verklaarde dat zij en haar vriendinnen aangifte tegen hem hebben gedaan.

Het is ons ambtshalve bekend dat betrokkene [verdachte] haar vervolgens heeft bedreigd en gestalkt. Juist voor deze bedreigingen is betrokkene veroordeeld. Deze informatie is bij ons bekend, omdat dit in de politie systemen staat en omdat het voor AVIM relevant is voor het laten opleggen van een maatregel door de IND.

Tijdens dit gehoor voor een "zwaar" inreisverbod werd betrokkene [verdachte] meerdere malen gewezen op het feit dat wij niet ingingen op de strafzaak maar dat we zijn zienswijze op het voornemen voor een "zwaar" inreisverbod op papier wilden zetten.

Wij hebben aan het einde van het gehoor aan betrokkene uitgelegd dat, wanneer er inderdaad een inreisverbod wordt opgelegd, hij zal worden uitgezet naar Marokko. Wij deelden hem mede dat hij over een paspoort beschikt dat niet geschikt is om mee te reizen. Wij hoorden dat betrokkene [verdachte] zei dat hij op eigen gelegenheid wilde vertrekken. Wij hoorden dat hij vertelde dat hij geen nieuw paspoort nodig had en dat hij vrienden had die hem konden helpen Nederland en Europa te verlaten.

We hebben betrokkene [verdachte] duidelijk gemaakt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om zelfstandig Nederland te verlaten. Wij zagen aan zijn gezichtsuitdrukking en lichaamshouding dat betrokkene [verdachte] kwaad werd en wij hoorden dat hij riep: "Als ik zo naar Marokko moet, dan ga ik haar kop afhakken." Aangezien het gesprek voor deze bedreigende uiting van frustratie en woede ging over de medewerkster van het COA die voor hem een verblijfsvergunning zou regelen, kan het niet anders zijn, dan dat de uitgesproken bedreiging van toepassing moet zijn op die eerder genoemde COA medewerkster.

Betrokkene

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1995

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

2. het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 december 2023, dossierpagina’s 17 en 18, voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :

Ik doe aangifte van bedreiging met de dood, oftewel de opmerking dat mijn kop afgehakt gaat worden. Bij mij bestond de overtuiging dat de verdachte zijn bedreiging werkelijk ten uitvoer zou leggen.

U nam afgelopen maandag telefonisch contact met mij op om te zeggen dat de man die ik ken als [verdachte] bedreigende uitspraken heeft gedaan die mogelijk betrekking op mij hebben. Ik hoorde u zeggen dat [verdachte] de uitspraak had gedaan dat wanneer hij gedwongen uitgezet zou worden naar Marokko hij terug zou komen om haar kop af te hakken. En met haar had u het idee dat dit betrekking op mij had. Toen ik deze bedreiging hoorde wist ik heel zeker dat dit aan mij was gericht. Ik weet dit zeker omdat al zijn woede richting mij gericht is. Sinds de tijd dat ik hem ken en dit speelt, heeft er geen ander scenario gespeeld waarin hij kwaad is op iemand anders. Zijn woede is altijd op mij gericht.

Mijn eerste reactie toen ik van u hoorde wat [verdachte] had gezegd was dat ik meteen heel verdrietig werd. Ik weet nog dat toen ons telefoongesprek klaar was ik meteen begon te huilen. Ik herleefde alle angst van de vorige aangifte meteen weer. Ook al zit hij vast ik ben gewoon bang. Ik ben bang dat hij de bedreigingen in werkelijkheid gaat uitvoeren.

3. het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2024, proces-verbaalnummer PL2300-2024011689-2, met bijlage, dossierpagina’s 21 tot en met 25, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 3] :

Op 1 januari [het hof begrijpt:] 2024 om 16.10 uur nam [aangeefster] telefonisch contact met mij op. Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat [verdachte] , vanuit de penitentiaire inrichting, telefonisch contact op had genomen met haar vader. Ik hoorde dat [aangeefster] zei dat [verdachte] een voicemailbericht had ingesproken. Ik kreeg een screenshot toegestuurd van [aangeefster] , waarop te zien was dat het voicemailbericht afkomstig was van het [telefoonnummer] . Ik zag ook dat er van dit telefoonnummer gemiste oproepen waren op de volgende momenten:

27 december 2023, 20.27 uur, een gemiste oproep

1 januari 2024, 15.48 uur, drie gemiste oproepen

1 januari 2024, 16.08 uur, drie voicemailberichten, waarvan er een opgenomen is

Ik, [verbalisant 3] , laat het voicemailbericht officieel vertalen en zal deze vertaling bijvoegen bij dit proces-verbaal van bevindingen.

Bijlage: Vertaling

Audiobericht

Vrede zij met je. Alles goed? Hopelijk goed. Broer, ik wil je iets vragen.

Ik ben niet naar je toe gekomen zodat ze kon klagen en zeggen dat ik haar bedreigde, dat ze bang is. Verschillende keren kwam ze naar me toe en zei: laten we naar Italië gaan, laten we naar Italië vluchten. Uit respect voor jou, omdat je een goed mens bent, wat veel mensen me hebben verteld, herinner je dat we zij aan zij hebben gebeden tijdens het feest van de Ramadan [Suikerfeest]. Ze zei tegen me: "Laten we naar Italië vluchten". Vervolgens ging ze naar haar neef en zei: Ik wil hem, jou wil ik niet. Uiteindelijk kwamen ze naar me toe om mijn toekomst te vernietigen. Ze namen mijn vingerafdrukken en vertelden me dat ik niet terug zou gaan naar Italië en waarschijnlijk teruggestuurd zou worden naar Marokko. Zou jij iemand dat je zoon laten aandoen?

Vraag [betrokkene 1] hoe vaak ze me belde en voorstelde om naar Italië te vluchten en ik zei dat ik met haar mee niet wilde vluchten. Vraag het haar. Uiteindelijk zetten ze me 8 maanden in de gevangenis wegens bedreiging, ook al deed ik niets.

Ik was dronken en het was de eerste keer dat ik dronk en ik deed wat ik deed, maar ze vergeeft het me niet, zogenaamd, ze weet wat ze doet.

Ze is vergeten dat het een kleine wereld is en dat mensen elkaar zullen tegenkomen. Ik ga weg, maar ik kom terug, dat zweer ik, en degene die mijn toekomst verwoest heeft, weet daar alles van. Ik heb nog nooit iemand onrecht gedaan en ik heb altijd eerlijk gewerkt. Ze vertelde me dat ze wilde trouwen, ik zei dat ze moest wachten en ik ging aan het werk. Ze weet alles. Ik werkte in [plaats] en verdiende geld en nu, vanwege een klein probleempje, is ze achter mijn rug om naar de politie gegaan en heeft ze aangifte gedaan. Is dit de opvoeding die je je kinderen geeft, is dit wat je leert in de moskee, of is het de moskee voor de bühne? Heb je dat meisje dat door het kamp rent op zoek naar gezelschap, goed opgevoed?

Gelukkig ontmoette ze mij. Als ze een klootzak had ontmoet, had hij haar zwanger gemaakt. Jij bent verantwoordelijk voor je dochter en God zal over je oordelen omdat je haar niet goed hebt opgevoed. Ze wilde wanhopig aan iemand vastzitten. Ik wist het niet. Ik vertrouwde haar en dacht dat ze een goed meisje was.

De mensen die ik in [plaats] [Fon] sprak, vertelden me dat [betrokkene 2] een goede man was, dat hij als spoorman werkte. Ze heeft mijn toekomst verwoest voor de zoon van haar zus, die een relatie heeft met [betrokkene 3] , dat [betrokkene 3] jouw dochter gebruikt om hem dichter bij haar te brengen en dat [betrokkene 3] achter dit alles zit. Moet je hen vertellen dat ze door de mand zijn gevallen en dat iedereen in [plaats] dat weet? Moet je haar vertellen dat God geen genade met haar zal hebben?

Zonder gêne of angst voor God verklaart ze in de rechtszaal dat ze me niet vergeeft.

Toen de politie naar me toe kwam, was ik boos maar zei niets, niet voor haar maar ze is niet bang voor God.....

Einde

4. het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2024, dossierpagina 26, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4] :

Op 7 februari 2024 heb ik op verzoek van collega [betrokkene 4] geluisterd naar een voicemailbericht. Dit was het voicemailbericht waar het proces-verbaal van bevindingen PL2300-2024011689-2 over gaat.

Ik herkende de stem die dit bericht in heeft gesproken als die van de mij ambtshalve bekende [verdachte] .

Ik ken [verdachte] van eerdere verhoren die ik van hem heb afgenomen. Vandaag nog sprak ik hem toen ik hem aan heb gehouden voor de bedreiging van [aangeefster] .

5. het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2024, dossierpagina’s 52 en 53, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Met betrekking tot het gehoor van 8-12-2023 van betrokkene [verdachte] kunnen wij op onderstaande vragen van de OvJ de volgende antwoorden geven:

- Was er op het moment van uitspreken van de bedreiging sprake van onduidelijkheid over de vertaling van de tolk?

Nee, de tolk vertaalde de bedreiging nadat deze was uitgesproken door betrokkene. Betrokkene verklaarde zowel bij aanvang van het gehoor als bij afsluiting van het gehoor dat hij de tolken had begrepen en verstaan.

- Is door de verbalisanten bij de tolk geverifieerd of [verdachte] dat daadwerkelijk zei?

Ja. Toen de tolk vertaalde wat betrokkene spontaan had verklaard, vroegen wij nogmaals wat hij had gezegd. De Tolk zei wederom dat werd gezegd: "Als ik zo naar Marokko moet, dan ga ik haar kop afhakken".”

De door het hof overgenomen overwegingen van de politierechter luiden voor zover hier van belang als volgt:

“De politierechter acht bewezen dat de verdachte de uitspraak heeft gedaan zoals ten laste gelegd en dat die uitspraak betrekking had op [aangeefster] , alsmede dat dit een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven oplevert. De politierechter is van oordeel dat de door de verbalisanten opgetekende uitspraak van verdachte past in de context van een door hem geïnitieerd gesprek over de strafzaak die betrekking had op [aangeefster] en waarin de verdachte veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De verbalisanten relateren immers dat de verdachte meerdere malen over die zaak wenste te spreken, waar de verbalisanten bij herhaling aangaven dat dit voor hen niet relevant was. De verbalisanten hebben bovendien tijdens het gesprek op 8 december 2023 aan de tolk gevraagd of zij de uitspraak van de verdachte goed gehoord hadden, hetgeen de tolk toen bevestigde. De politierechter ziet daarom geen reden te twijfelen aan wat gerelateerd staat in het proces-verbaal van bevindingen en in het bijzonder dat de uitlating op haar betrekking heeft gehad. De context waarin de uitlating is gedaan, de relatie met [aangeefster] , vindt vervolgens steun in het voicemailbericht van 1 januari 2024 dat door de verdachte gericht was aan de vader van [aangeefster] , waaruit de preoccupatie van de verdachte met [aangeefster] kan worden afgeleid.”

Volgens art. 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat art. 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.

In aanvulling op het voorgaande wijs ik erop dat art. 344 lid 2 Sv bepaalt dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, kan worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. In dat geval rust de bewezenverklaring op een schriftelijk bescheid van een opsporingsambtenaar – een proces-verbaal – dat op heterdaad is opgemaakt en vindt de bewijsminimumregel van art. 342 lis 2 Sv geen toepassing. De bijzondere bewijskracht van processen-verbaal geldt echter uitsluitend voor processen-verbaal van bevindingen waarin verbalisanten relateren wat zij zelf van het stafbare feit hebben waargenomen of ondervonden en dus niet voor processen-verbaal van verhoor, voor zover die processen-verbaal verklaringen inhouden van de verdachte of getuige(n) over dat strafbare feit. Indien het proces-verbaal slechts de verklaring van één getuige behelst, geldt niet het bewijsminimum van art. 344 lid 2 maar het bewijsminimum van art. 342 lid 2.

Het middel klaagt, zoals gezegd, dat de bewezenverklaring van het hof is aangenomen in strijd met het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv. Daartoe voert de steller van het middel aan dat:

(i.) er geen tweede bewijsmiddel is dat zelfstandig bevestigt dat de verdachte de tenlastegelegde woorden heeft geuit;

(ii.) de verbalisanten de taal van de verdachte niet verstaan en zich hebben gebaseerd op de tolk;

(iii.) de tolk heeft aangegeven zich het gesprek niet meer te herinneren, wat de betrouwbaarheid van zijn vertaling verder ondergraaft en

(iv.) het opnemen van de verklaring van een tolk in het proces-verbaal geen onafhankelijke bron van bewijs oplevert.

In de onderhavige zaak gaat het om een verhoorsetting, waarin de politieambtenaren aan de verdachte vragen hebben gesteld in verband met een mogelijk tegen hem uit te vaardigen ‘zwaar inreisverbod’. Het betreft hier geen verhoor als verdachte over een (mogelijk) strafbaar feit. Tijdens dit verhoor heeft de verdachte een bedreiging geuit jegens aangeefster, welke bedreiging vertaald is door de (telefonisch aanwezige) tolk. In dit geval kan daarom niet worden gezegd dat hier sprake is van een ‘verklaring van een verdachte in een proces-verbaal’, maar wel van een proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten dat als bewijsmiddel is gebezigd en waarin zij hebben gerelateerd wat zij de verdachte hebben horen zeggen, zodat hier de regel van art. 344 lid 2 Sv toepassing vindt. De opsporingsambtenaren hebben immers de door de verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster middels vertaling door de tolk op heterdaad waargenomen.

Voor zover het middel steunt op de opvatting dat de regel van art. 342 lid 2 Sv toepassing vindt, faalt het middel omdat het uitgaat van een verkeerde lezing van het arrest. Daarbij merk ik op dat ook de veronderstelling die mede aan het middel ten grondslag lijkt te liggen – inhoudende dat art. 342 lid 2 Sv in het geval als onderhavige eist dat er een tweede bewijsmiddel is dat de woorden die getuit zijn zelfstandig bevestigt – geen steun vindt in het recht. Het bewijsminimumvereiste ziet immers op de tenlastelegging in zijn geheel en niet op een onderdeel daarvan, terwijl voldoende is dat het steunbewijs de unus-verklaring op concrete en wezenlijke punten bevestigt.

Het middel faalt.

4. Het derde middel

Het middel klaagt dat de hiervoor onder 3.2 weergegeven bewezenverklaring van het bestanddeel ‘opzet’ getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.

Het hof heeft in zijn arrest het verweer van de verdediging met betrekking tot het opzet als volgt samengevat en verworpen:

“Voor zover het hof zou vaststellen dat de verdachte de tenlastegelegde uitlating heeft gedaan en deze uitlating betrekking heeft op aangeefster is door de verdediging vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit omdat het opzet van de verdachte er niet op gericht zou zijn geweest dat aangeefster daadwerkelijk op de hoogte zou raken van de bedreiging. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de verdachte zijn uitlating heeft gedaan tijdens een gehoor door verbalisanten van de Afdeling Vreemdelingenpolitie Identificatie en Mensenhandel (hierna: AVIM) in de penitentiaire inrichting te [plaats] en dat het, gelet op deze besloten setting, dan ook niet zijn bedoeling was dat deze uitlating aangeefster zou bereiken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat het opzet van de verdachte (al dan niet in voorwaardelijke vorm) erop gericht was dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte zou raken van de bedreiging.

De verdachte heeft de tenlastegelegde bewoordingen geuit tijdens een gehoor door verbalisanten van de AVIM. In het proces-verbaal van bevindingen relateren de verbalisanten dat de verdachte tijdens dit gehoor, dat bedoeld was om zijn zienswijze te vernemen op het voornemen om aan hem een "zwaar" inreisverbod op te leggen, het meerdere keren wilde hebben over de strafzaak waarin de verdachte is veroordeeld voor belaging en bedreiging van aangeefster tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Door onder deze omstandigheden de in de tenlastelegging genoemde woorden te uiten heeft de verdachte - minst genomen - bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze uitlating bij aangeefster terecht zou komen. Het is immers de taak van de politie om burgers te beschermen tegen het plegen van strafbare feiten en het informeren van aangeefster is daar een onderdeel van.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer. Ook hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.”

Voor een strafbare bedreiging is niet vereist dat de bedreiging rechtstreeks tegen de bedreigde zelf is geuit. De bedreiging kan de bedreigde ook indirect ter ore komen, bijvoorbeeld doordat iemand anders de bedreigde ervan op de hoogte stelt. Daaronder zij begrepen de situatie dat de bedreigde op de hoogte wordt gebracht van de bedreiging door de politie. Voor een veroordeling is wel vereist dat de bedreigde uiteindelijk daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht. De precieze manier waarop de bedreigde uiteindelijk van de bedreiging op de hoogte raakt, alsook het moment waarop dat gebeurt, doet voor de strafbaarheid niet ter zake. De kern van de strafbaarstelling in art. 285 Sr is dat een ander vrees wordt aangejaagd. Als niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet had op het op de hoogte raken van de bedreiging door de bedreigde, kan ook niet worden gezegd dat de verdachte opzet had op het veroorzaken van vrees bij de bedreigde. Daarbij geldt wel dat voorwaardelijk opzet reeds voldoende is; de verdachte moet dus minimaal bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de bedreigde op de hoogte raakt van de bedreiging.

Het hof heeft (op grond van de in randnummer 3.3 van deze conclusie weergegeven bewijsmiddelen) vastgesteld dat de verdachte tijdens het gehoor van de verdachte over een eventueel zwaar inreisverbod, het meerdere keren wilde hebben over een strafzaak waarin de verdachte is veroordeeld wegens belaging en bedreiging van aangeefster en vervolgens – naar aanleiding van de mededelingen van de verbalisanten dat het zeer onwaarschijnlijk is dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om Nederland zelfstandig te verlaten – kwaad werd en riep: “Als ik zo naar Marokko moet, dan ga ik haar kop afhakken”. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte door onder die omstandigheden die woorden te uiten, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze uitlating bij aangeefster terecht zou komen, nu het immers de taak van de politie is om burgers te beschermen tegen het plegen van strafbare feiten en het informeren van aangeefster daar een onderdeel van is.

Het middel klaagt zogezegd over dit oordeel van het hof en voert daarbij aan dat het hof het opzet uitsluitend baseert op een abstracte taakomschrijving van de politie, zonder feitelijke onderbouwing dat verdachte wist of moest weten dat zijn uitlating zou worden doorgegeven. Daarnaast voert het middel aan dat er geen aanwijzing is dat de verdachte zijn uitlating tot aangeefster heeft gericht, dan wel dat hij überhaupt wenste of verwachtte dat zij daarvan kennis zou nemen.

Aan het middel ligt naar mijn oordeel een rechtens onjuiste opvatting over voorwaardelijk opzet ten grondslag, voor zover het beoogt te klagen dat vereist is dat de verdachte ‘wist of moest weten dat zijn uitlating zou worden doorgegeven’ dan wel dat hij ‘wenste of verwachtte’ dat de aangeefster van zijn uitlating kennis zou nemen. Vereist is, zoals ik reeds vooropstelde, slechts dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster op de hoogte zou raken van de bedreiging.

Ik meen dat het hof op basis van zijn vaststellingen, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, tot het niet onbegrijpelijke oordeel kon komen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het bedreigen van aangeefster. Dat het hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de taakomschrijving van de politie doet daaraan niet af, omdat deze taak een feit is van algemene bekendheid. De klacht dat er ‘geen aanwijzing’ is dat de verdachte zijn uitlating tot aangeefster heeft gericht, mist gelet op de bewijsvoering van het hof feitelijke grondslag.

Het middel faalt.

5. Afronding

De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?