ECLI:NL:PHR:2026:364

ECLI:NL:PHR:2026:364

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer 24/01001
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Ontvankelijkheid hoger beroep. Middel stelt aan de orde of uit het feit dat verdachte heeft geweigerd de mededeling uitspraak in ontvangst te nemen kan worden afgeleid dat er sprake is van een “omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is” zoals bedoeld in art. 408.2 Sv. Middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/01001

Zitting 7 april 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 5 maart 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002800-23) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch van 24 juli 2023, waarbij hij wegens feit 1 “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en wegens feit 2 “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een geldboete van 500 euro.

Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep.

Het procesverloop en de stukken van het geding houden voor zover voor de beoordeling van het middel van belang het volgende in:

(i) De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch van 24 juli 2023 is tevergeefs gepoogd uit te reiken aan de verdachte op 21 april 2023, 2 mei 2023 en 11 mei 2023 op diens BRP-adres, [a-straat 1] te [plaats] . Blijkens de akte van uitreiking d.d. 19 mei 2023, is de dagvaarding ook niet door de verdachte opgehaald. Daarop is de dagvaarding op 24 mei 2023 uitgereikt aan het openbaar ministerie en is een afschrift van de gerechtelijke brief verzonden aan het door verdachte opgegeven adres in Nederland, te weten: [b-straat 1] te [plaats] .

(ii) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 juli 2023 heeft de politierechter de verdachte bij vonnis van diezelfde datum bij verstek veroordeeld. Het vonnis vermeldt als adres van de verdachte de [b-straat 1] te [plaats] .

(iii) De mededeling uitspraak van het vonnis van de politierechter is op 11 augustus en 30 september 2023 tevergeefs aangeboden op het adres aan [a-straat 1] te [plaats] . Blijkens de akte van uitreiking van 11 augustus 2023 heeft de geadresseerde geweigerd de brief in ontvangst te nemen. De akte van uitreiking behorend bij de poging van 30 september 2023 houdt in dat de betrokkene, die overeenkwam met de RDW-foto, zich niet wenst te identificeren, waarop de mededeling uitspraak niet is uitgereikt.

(iv) Blijkens de akte instellen hoger beroep heeft de verdachte, middels een aan die akte gehechte e-mail getekend door [verdachte] , [a-straat 1] [plaats] op 16 oktober 2023 hoger beroep ingesteld.

(v) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 2024 blijkt dat de verdachte ter terechtzitting is verschenen. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, houdt het proces-verbaal verder het volgende in:

“De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt verdachte mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De voorzitter deelt mede:

De rolzitting van vandaag is bedoeld om de redenen van het hoger beroep te inventariseren. In uw zaak speelt nog een ander punt en dat betreft de vraag in hoeverre de zaak in hoger beroep kan worden behandeld. Blijkens het procesdossier is er op twee momenten geprobeerd om persoonlijk contact met u te leggen in verband met het kenbaar maken van de beslissing van de politierechter in eerste aanleg, namelijk op 11 augustus 2023 en op 30 september 2023. U hebt toen geweigerd om de stukken in ontvangst te nemen.

De verdachte verklaart:

Daar was ik niet van op de hoogte. Ik weet niet waar u het over heeft.

De voorzitter deelt mede:

Bij de akte van uitreiking van 30 september 2023 geeft degene die de brief aan u heeft geprobeerd uit te reiken, aan dat u zich niet wilde identificeren. De uitreiker heeft aangegeven dat de persoon aan wie hij de brief heeft gepoogd uit te reiken, overeenkomt met de foto die is opgenomen in het RDW-bestand.

De verdachte verklaart:

Ik begrijp niet wat u bedoelt. Doelt u op het moment dat de politie aan mijn deur kwam? Door de manier waarop er aan de deur werd geklopt, leek het alsof ik een crimineel ben.

U, voorzitter, vraagt aan mij of ik weet dat er iemand aan mijn deur is geweest. Ik heb de deur open gedaan en ik heb de brief in ontvangst genomen.

De voorzitter deelt mede:

Op twee momenten is er iemand aan de deur geweest die de brief heeft getracht uit te reiken.

De jongste raadsheer merkt op:

Ook op 11 augustus 2023 is een poging gedaan om de mededeling uitspraak aan u uit te reiken.

De verdachte verklaart:

Ik heb het maar een keer meegemaakt.

De voorzitter deelt mede:

Vanaf het moment dat u op de hoogte bent van de beslissing van de rechter in eerste aanleg, heeft u 14 dagen om hoger beroep in te stellen.

De verdachte verklaart:

Ik heb een brief ingediend en hier persoonlijk afgeleverd.

De voorzitter deelt mede:

Het hoger beroep is ingesteld op 16 oktober 2023. Dat is niet binnen de termijn van 14 dagen.

De verdachte verklaart:

Ik heb het ingediend op de laatste dag voor 5 uur. Ik begrijp jullie intentie niet. Ik ben al gestraft. Waarom moet ik bestraft blijven worden. Dat slaat nergens op.

De voorzitter deelt mede:

Blijkens het procesdossier dateert de akte instellen hoger beroep van 16 oktober 2023.

De verdachte verklaart:

Naar mijn weten heb ik het op tijd ingediend.

De voorzitter deelt mede:

Uit de stukken waarover wij beschikken blijkt dat het veel later is geweest. Daarnaast heeft u de akte instellen hoger beroep van een handtekening voorzien.

(…)

De voorzitter deelt mede:

Het is de vraag of wij daar wat van kunnen vinden. We kunnen een zaak pas behandelen op het moment dat de wet de mogelijkheid biedt om de zaak te behandelen. Er zijn termijnen opgenomen in de wet voor als een verdachte het niet eens is met de beslissing van de rechter in eerst aanleg. Derhalve houd ik u voor dat we in het dossier lezen dat er op twee momenten bij u op de deur is aangeklopt. U zegt dat dat klopt.

De verdachte verklaart:

Van een keer ben ik op de hoogte, maar niet van een tweede keer.

De voorzitter deelt mede:

Er is iemand bij u aan de deur geweest. U heeft geweigerd om de brief in ontvangst te nemen.

De verdachte verklaart:

Dat is niet waar. Ik heb de brief in ontvangst genomen. Hoe kon ik er anders van op de hoogte zijn dat er een politierechter is geweest die een uitspraak heeft gedaan.

De voorzitter deelt mede:

Dat weet ik niet. We stellen vast dat op 11 augustus 2023 is gepoogd om de brief uit te reiken aan uw adres. Op 16 oktober 2023 is het rechtsmiddel ingesteld. Dat is niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen.

De verdachte verklaart:

Naar mijn weten heb ik het voor die tijd gedaan. Ik heb een brief in ontvangst genomen.

De voorzitter deelt mede:

Blijkens het procesdossier is op twee momenten gepoogd om de brief aan u uit te reiken. In de akte van uitreiking van 11 augustus 2023 staat aangegeven dat de geadresseerde de brief, de mededeling uitspraak, heeft geweigerd. Vervolgens is gepoogd om de brief uit te reiken op 30 september 2023. In die akte van uitreiking is opgenomen dat u zich niet wenste te identificeren, maar dat de persoon die bij u aan de deur is geweest heeft waargenomen dat de foto die hij heeft, overeenkomt met u.

De verdachte verklaart:

Ik ben een mens. Ik vraag mij af wat jullie tegen mij hebben. Daarom ben ik vandaag gekomen.

De voorzitter deelt mede:

Ik heb niks tegen u. Het is goed dat u bent verschenen vandaag, maar het is ook fijn dat ik u kan voorhouden wat uit het procesdossier naar voren komt.

De verdachte verklaart:

Het klopt niet dat ik geweigerd heb de brief in ontvangst te nemen. Er is een keer politie aan mijn deur geweest met een brief. Die brief heb ik in ontvangst genomen.

De jongste raadsheer brengt naar voren:

Dat zou op 30 september 2023 geweest kunnen zijn. Zelfs dan dient u binnen 14 dagen hoger beroep in te stellen. U heeft hoger beroep ingesteld op 16 oktober 2023, dat is meer dan 14 dagen na 30 september 2023.

De verdachte verklaart:

Ik heb het hoger beroep ingesteld op de laatste dag dat het mogelijk was. Ik moest ook werken. Wellicht was er een gaatje waar dit eerder had gekund, maar ik heb goed moeten nadenken hoe ik het ga aanpakken en hoe ik voor mezelf moet opkomen. Ik heb geen advocaat ingeschakeld. Naar mijn weten heb ik het binnen de termijn ingediend. Ik heb nog een mevrouw gesproken beneden en zij gaf aan dat ik net op tijd was en dat zij het zou doorsturen naar degene die het in ontvangst diende te nemen.

De jongste raadsheer merkt op:

14 oktober 2023 viel op een zaterdag.

De voorzitter deelt mede het hof het onderzoek voor korte tijd zal onderbreken voor beraad.

De voorzitter hervat het onderzoek.

De voorzitter deelt mede:

We hebben gesproken over de situatie die is ontstaan. De advocaat-generaal had eerder geen vragen en wij hebben ook geen vragen.

De voorzitter stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken.

De advocaat-generaal brengt naar voren:

30 september 2023 is de dag waarop gepoogd is om de mededeling uitspraak uit te reiken en is er op de deur van verdachte geklopt. 30 september 2023 viel op een zaterdag. Aangezien 14 dagen na 30 september 2023 ook op een zaterdag valt, eindigt de termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigt op maandag. Dat is de dag waarop de verdachte het hoger beroep heeft ingesteld. In die redenatie zou de verdachte op de laatste dag het hoger beroep hebben ingesteld en is sprake van ontvankelijkheid.

De voorzitter vraagt aan de advocaat-generaal:

Wat is uw standpunt met betrekking tot de akte van uitreiking van 11 augustus 2023?

Op de akte van uitreiking staat dat gepoogd is om de mededeling uitspraak in persoon uit te reiken aan [a-straat 1] aan [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] . Op de akte van uitreiking staat aangekruist dat de geadresseerde de brief heeft geweigerd op 11 augustus 2023. Op de akte van uitreiking is de naam van de bezorger, het adres en de handtekening opgenomen. Daarnaast is aangekruist dat de brief niet is uitgereikt en dat de akte naar waarheid is ingevuld. Er is een bezorger aan de deur van de verdachte geweest met de mededeling uitspraak op 24 juli 203. Uit de akte kan worden opgemaakt dat de verdachte heeft geweigerd om de brief in ontvangst te nemen.

De advocaat-generaal brengt naar voren:

Ik ging voor de berekening van de termijn voor het instellen van hoger beroep uit van de poging uitreiking mededeling uitspraak van 30 september 2023. U heeft een punt met betrekking tot wat er daarvoor heeft plaatsgevonden. In augustus is er al iemand aan de deur van de verdachte geweest.

De verdachte verklaart:

Dat klopt niet. Ik heb niemand gezien.

De advocaat-generaal brengt naar voren:

Als iemand de brief weigert, dan is dat voor eigen rekening en risico. Ik begrijp dat de verdachte zegt dat hij niemand heeft gezien. Uit de stukken blijkt dat er iemand aan de deur is geweest. Het gaat om twee momenten. Als er in augustus iemand aan de deur is geweest die dit op papier heeft geweest dan moeten we daarvan uitgaan. De verdachte heeft ook niks waaruit blijkt dat het niet zo is. Het is een vervelende samenloop van omstandigheden. In augustus is er iemand aan de deur van de verdachte geweest. Toen heeft verdachte de uitreiking van de stukken geweigerd. Het is voor rekening en risico van de verdachte dat hij het stuk niet accepteert. Vanaf dat moment heeft de verdachte twee weken om het hoger beroep in te stellen. Derhalve is het hoger beroep in mijn optiek niet-ontvankelijk, omdat de verdachte al eerder hoger beroep had kunnen instellen. Ik wijzig het eerder ingenomen standpunt. Gelet op het gegeven dat reeds in augustus is gepoogd om de mededeling uitspraak uit te reiken, is het hoger beroep te laat ingesteld.

De verdachte verklaart:

Wat betekent dat?

De voorzitter deelt mede:

Als we het standpunt van de advocaat-generaal volgen dan betekent dat dat we uw zaak niet in behandeling kunnen nemen.

De verdachte verklaart:

Ik heb geen brief gehad. Waarom heb ik bezwaar aangetekend als het niet meer mogelijk was.

Desgevraagd verklaart de verdachte als laatste woord:

Het is niet juist. Ik heb een keer een brief in ontvangst genomen. Er is geen sprake van dat ik een brief zou hebben geweigerd. Waarom zou ik de eerste keer een brief weigeren en de tweede keer een brief aannemen. Dat rijmt niet met elkaar.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen:

Het hof zal u niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, omdat u het hoger beroep te laat heeft ingesteld. De voorzitter geeft verdachte kennis, dat tegen dit eindarrest binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.”

(vi) Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:

“Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte kon volgens de wet hoger beroep instellen binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak hem bekend was.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat op 11 augustus 2023 gepoogd is de mededeling uitspraak uit te reiken aan [a-straat 1] te [plaats] . Blijkens de akte van uitreiking heeft verdachte geweigerd om de mededeling uitspraak in ontvangst te nemen. Dat is een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak hem bekend was.

Nu het hoger beroep eerst op 16 oktober 2023, alzo na het verstrijken van evengenoemde termijn, is ingesteld dient de verdachte in hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.”

Volgens de toelichting op het middel heeft het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, omdat de enkele omstandigheid dat de verdachte de mededeling uitspraak zou hebben geweigerd niet zonder meer meebrengt dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat de einduitspraak van de politierechter de verdachte bekend was.

Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. De Hoge Raad stelde in zijn arrest van 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1557 voorop dat “de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.”

In de onderhavige zaak gaat het om de termijn voor het instellen van het hoger beroep. Deze termijn volgt uit artikel 408 lid 2 Sv. Ingevolge die bepaling moet de verdachte binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank. Van zo’n omstandigheid is blijkens rechtspraak sprake “als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep (…) zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en)”.

Uit de diverse arresten waarin deze regel is toegepast, blijkt dat in beginsel onvoldoende is dat de verdachte weet heeft van een (veroordelend) vonnis. Daaruit volgt immers niet dat de opgelegde straf de verdachte bekend is. Dat geldt ook indien op de mededeling vonnis die de verdachte heeft bereikt een parketnummer wordt vermeld maar niet de opgelegde straf, waardoor de verdachte dit zelf had kunnen navragen. Evenmin voldoende is het als de opgelegde straf wel aan de verdachte bekend is geworden, maar niet de last tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.

In het geval dat de mededeling uitspraak wel aan de verdachte in persoon is uitgereikt, maar de verdachte vervolgens heeft geweigerd om voor ontvangst te tekenen, kan zonder meer worden aangenomen dat de betekening in persoon is geschied. Dat is anders wanneer de verdachte niet alleen weigert te tekenen voor ontvangst, maar ook weigert de mededeling uitspraak in ontvangst te nemen. Daaruit volgt namelijk dat de inhoud van de uitspraak niet ter kennis van de verdachte is gebracht, met als bijkomende omstandigheid dat de termijn voor het instellen van hoger beroep nog geen aanvang neemt. In dat verband wijs ik op HR 6 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:818, waarin wordt opgemerkt dat artikel 36e Sv (artikel 588 (oud) Sv) niet voorziet in een bepaling die de weigering van de verdachte om een gerechtelijk stuk (MvW: waaronder begrepen de mededeling uitspraak) in ontvangst te nemen op één lijn stelt met de uitreiking van dat stuk in persoon, zoals bijvoorbeeld wel het geval is in artikel 385 lid 3 Sv (oproeping zitting kantonrechter).

Het hof heeft vastgesteld dat “uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat op 11 augustus 2023 gepoogd is de mededeling uitspraak uit te reiken” aan het BRP-adres van de verdachte en dat, blijkens de akte van uitreiking de verdachte heeft geweigerd om de mededeling in ontvangst te nemen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het laatstgenoemde een omstandigheid is waaruit voortvloeit dat de verdachte bekend was met de einduitspraak van de politierechter van 24 juli 2023 en dat de verdachte (kennelijk op grond van artikel 408, tweede lid, Sv) in zijn op 16 oktober 2023 ingestelde hoger beroep niet kan worden ontvangen.

Dat oordeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals reeds vooropgesteld is het niet van doorslaggevende betekenis of de verdachte kennis had kunnen nemen van de inhoud van het vonnis, maar wel of hem daadwerkelijk de inhoud van dat vonnis ter kennis is gebracht. In het laatstgenoemde geval is het namelijk pas aannemelijk dat de verdachte bekend is geworden met datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). Noch het arrest, noch het verhandelde ter terechtzitting geeft blijk van een omstandigheid waaruit anderszins voortvloeit dat de verdachte hiermee bekend was. De enkele omstandigheid dat de verdachte mogelijk op 11 augustus 2023 bekend is geworden met het feit dat de politierechter op 24 juli 2023 een (veroordelend) vonnis heeft gewezen is daartoe, zoals reeds vooropgesteld, onvoldoende. Dit brengt met zich dat de termijn voor het instellen van hoger beroep nog geen aanvang had genomen en dat het hof aldus op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat de termijn voor het instellen van hoger beroep een aanvang nam op 11 augustus 2023.

3. Afronding

Het middel slaagt.

Ambtshalve wijs ik erop dat de behandeltermijn in cassatie is overschreden, nu de redelijke termijn van berechting zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM reeds op 14 maart 2026 is verstreken. Omdat ik meen dat het middel slaagt, behoeft de overschrijding van de redelijke termijn geen verdere bespreking. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld.

Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?