ECLI:NL:PHR:2026:366

ECLI:NL:PHR:2026:366

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer 23/04019
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep omdat het te laat zou zijn ingesteld. Tijdige volmacht vermeldt de uitspraak waartegen het beroep zich richt, maar ook onjuist parketnummer. Middel, dat klaagt dat sprake is van een kennelijke verschrijving, slaagt. Conclusie strekt tot gegrondverklaring en terugwijzing.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04019

Zitting 7 april 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij mondeling arrest van 2 oktober 2023 door het gerechtshof ‘sHertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 maart 2023, waarbij hij wegens overtreding van art. 107 lid 1 WVW 1994 is veroordeeld tot een geldboete van 300 euro, subsidiair zes dagen hechtenis en een volledig voorwaardelijke hechtenis van één week met een proeftijd van één jaar.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.M.J. Joris, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken kan het volgende worden afgeleid. Op 1 maart 2023 is de verdachte in de zaak met parketnummer 96-279157-20 bij verstek veroordeeld door de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Op 15 maart 2023 heeft de raadsman van de verdachte een e-mail aan de strafgriffie van de rechtbank Breda verstuurd. In de brief die als bijlage bij deze e-mail is gevoegd, heeft de raadsman verzocht hoger beroep in te stellen “tegen de beslissing van de kantonrechter te Breda d.d. 1 maart 2023” en de griffiemedewerkers van de rechtbank gemachtigd om namens de verdachte de appelakte op te stellen en te doen ondertekenen. In de aanhef van de bij de email gevoegde brief staat onder “Uw ref.” het parketnummer “96/321040-20”. Vervolgens is op 24 maart 2023 door de raadsman aan de strafgriffie van de rechtbank Breda een email verstuurd waarin hij uitlegt dat hij in zijn vorige brief (ik begrijp de brief die als bijlage bij de e-mail van 15 maart was gevoegd, MvW) abusievelijk het verkeerde parketnummer heeft opgenomen. De raadsman verzoekt vervolgens het juiste parketnummer (96-279157-20) te vermelden in de “systemen” en alsnog een juiste akte op te maken. Op diezelfde dag is een akte instellen hoger beroep opgemaakt die het parketnummer 96-279157-20 vermeldt.

Op 2 oktober 2023 diende het hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

“De verdachte verklaart:

De behandeling in eerste aanleg was ik vergeten. Mijn advocaat adviseerde mij om appel in te stellen. Het klopt wat ik bij de politie heb verklaard.

De advocaat-generaal voert het woord:

De dagvaarding tegen de zitting in eerste aanleg is in persoon betekend. Er is een vonnis van 1 maart 2023. De verdachte heef appel ingesteld op 24 maart 2023.

De raadsman van de verdachte voert het woord:

Er was enige onduidelijkheid over parketnummers.

De voorzitter deelt mede:

De machtiging van de raadsman van de verdachte zag op de zaak met een parketnummer eindigend op 1040-20. Op 24 maart 2023 wordt dat parketnummer hersteld met het juiste parketnummer. Toen is de appelakte opgemaakt.

De raadsman van de verdachte voert het woord:

De akte is opgemaakt naar aanleiding van mijn machtiging met het verkeerde parketnummer. Vervolgens heb ik dit op 24 maart 2023 hersteld. Op 28 maart 2023 heb ik per brief uitgelegd dat het een kennelijke verschrijving was.

De advocaat-generaal vordert de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep en legt de schriftelijke vordering over aan het gerechtshof, welke vordering aan dit proces-verbaal wordt gehecht.

Aan de raadsman wordt het woord gegeven en vervolgens wordt aan verdachte het recht gelaten het laatst te spreken

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen.

De voorzitter spreekt vervolgens het arrest uit.”

De aantekening van het mondeling arrest luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is ter terechtzitting van de kantonrechter van 1 maart 2023 veroordeeld ter zake van het tenlastegelegde.

De raadsman heeft gesteld dat er bij het instellen van het appel verwarring bestond over het parketnummer.

Het hof stelt vast dat de raadsman op 15 maart 2023 een machtiging heeft gestuurd naar het hof om appel in te stellen tegen een vonnis tegen [verdachte] van de kantonrechter Zeeland West-Brabant van 1 maart 2023 met het parketnummer 96/321040-20. Volgens de strafgriffie bleek dat parketnummer betrekking te hebben op een vonnis tegen [verdachte] , maar het ging daar om een vonnis van 21 januari 2022. Op 24 maart 2023 heeft de raadsman een brief gestuurd met het verzoek de vergissing in het parketnummer te herstellen. Op 24 maart 2023 is in de onderhavige zaak een appelakte opgemaakt.

De dagvaarding om voor de zitting in eerste aanleg te verschijnen is op 9 december 2022 aan verdachte in persoon betekend. Op grond van artikel 408 lid 1 onder a van het Wetboek van Strafvordering had de verdachte het hoger beroep in moeten stellen binnen veertien dagen na de einduitspraak van de kantonrechter.

De verdachte heeft echter, blijkens de appelakte die in casu als datum van instellen van het appel heeft te gelden, op 24 maart 2023 hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis. Dit is meer dan veertien dagen na de einduitspraak van de kantonrechter. De verdachte is daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

BESLISSING:

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.”

De steller van het middel stelt zich in de toelichting op het middel op het standpunt dat de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep door het hof onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst hij naar de conclusie van AG Aben van 15 oktober 2019 en het daaropvolgende arrest van de Hoge Raad.

In die zaak hadden bij de politierechter in de rechtbank Amsterdam op 10 mei 2017 twee gelijktijdig behandelde doch niet gevoegde zaken (met dientengevolge verschillende parketnummers) tegen de verdachte gediend. In de ene zaak was de verdachte vrijgesproken en in de andere zaak veroordeeld. Op 23 mei 2017 is vervolgens door de raadsman van de verdachte aan de griffier van de rechtbank Amsterdam een schriftelijke volmacht verleend tot het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van voornoemde datum, maar per abuis is daarbij het verkeerde parketnummer vermeld, namelijk van de zaak waarin de verdachte was vrijgesproken. Uit de handgeschreven notitie op deze volmacht was af te leiden dat een medewerker van de griffie op 26 mei 2017, dus reeds na het verstrijken van de appeltermijn, telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van de raadsman en heeft medegedeeld dat de zaak waartegen hoger beroep was ingesteld een vrijspraak betreft. Op 29 mei 2017 heeft de raadsman van de verdachte de griffier van de rechtbank Amsterdam opnieuw een schriftelijke volmacht verleend tot het instellen van hoger beroep. De griffie heeft aan deze volmacht gevolg gegeven door een appelakte op te maken. Deze akte is gedateerd 29 mei 2017, maar vermeldt tevens dat op 23 mei 2017 een volmacht is gefaxt met als gevolg van een kennelijke verschrijving een onjuist parketnummer. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Hiertegen keerde het cassatiemiddel zich. Volgens Aben terecht, want uit het voorgaande “kan worden afgeleid dat voor alle betrokken procesdeelnemers duidelijk moet zijn geweest tegen welke zaak de verdachte hoger beroep wenste te doen instellen en dat zich een kennelijke verschrijving heeft voorgedaan in de (tijdig ingediende) schriftelijke volmacht van 23 mei 2017”. Hierbij betrok Aben dat art. 404 lid 1 Sv “eraan in de weg staat om hoger beroep in te stellen tegen vrijspraken”. De Hoge Raad oordeelde dat het middel terecht was voorgesteld op gronden vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

Het onderhavige geval wijkt af van dit arrest in die zin dat het vonnis waarnaar het onjuiste parketnummer verwijst (kennelijk van 21 januari 2022) niet op dezelfde datum is gewezen als het vonnis van 1 maart 2023 waartegen de raadsman had bedoeld hoger beroep in te stellen. Noch blijkt dat de zaak van 21 januari 2022 een vrijspraak betreft. Dit laatste is van belang, omdat dit blijkens de conclusie van Aben en de verwijzing daarnaar van de Hoge Raad meespeelde bij het oordeel dat het voor alle procesdeelnemers duidelijk moet zijn geweest tegen welk vonnis de verdachte hoger beroep wenste in te stellen.

Desalniettemin meen ik dat ook in de onderhavige zaak sprake is van een geval waarin voor alle betrokken procesdeelnemers duidelijk moet zijn geweest tegen welke zaak de verdachte hoger beroep wenste te doen instellen en dat zich een kennelijke verschrijving heeft voorgedaan in de op 15 maart 2023 tijdig ingediende schriftelijke volmacht. Deze volmacht vermeldt duidelijk dat het hoger beroep is gericht tegen de op naam van de verdachte gewezen uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Breda van 1 maart 2023. Daarmee is het vonnis waartegen hoger beroep wordt ingesteld in beginsel voldoende bepaald. Dat op die dag door deze kantonrechter meer dan één vonnis is gewezen tegen de verdachte is immers niet gebleken. De vermelding van een parketnummer bij het (via volmacht doen) instellen van hoger beroep is niet door de wet voorgeschreven.

Dat de door de raadsman toegezonden volmacht ook een parketnummer vermeldt dat betrekking heeft op de uitspraak van 21 januari 2022 doet niet af aan het voorgaande. Daarbij betrek ik dat de volmacht is ingezonden op 15 maart 2023 en daarmee binnen de termijn van hoger beroep die is gerelateerd aan het vonnis van 1 maart 2023. De raadsman heeft verder al op 24 maart 2023 medegedeeld aan de griffie en het openbaar ministerie dat een onjuist parketnummer was vermeld. Daarbij heeft hij de strafgriffie verzocht de verschrijving ten aanzien van het parketnummer in de volmacht van 15 maart 2023 te herstellen, het juiste parketnummer (96-279157-20) te vermelden in de “systemen” en alsnog een juiste akte op te maken, naar aanleiding waarvan de op 24 maart 2023 gedateerde akte is opgemaakt. Vervolgens zijn de verdachte en de raadsman op de zitting van het hof van 2 oktober 2023 verschenen en hebben zij daar nogmaals uiteengezet tegen welk vonnis zij hoger beroep wensten in te stellen.

Hieruit volgt dat het oordeel van het hof dat de verdachte, “blijkens de appelakte die in casu als datum van instellen van het appel heeft te gelden”, op 24 maart 2023 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 1 maart 2023, niet begrijpelijk is.

3. Afronding

Het middel slaagt.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaar nadat op 13 oktober 2023 het cassatieberoep is ingesteld. Daarom is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Nu de conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing kan het tijdsverloop bij een nieuwe behandeling door het hof aan de orde worden gesteld en heeft dit in cassatie geen consequenties. In het geval dat de Hoge Raad mij niet volgt, moet er in cassatie van worden uitgegaan dat het hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden en wel op 16 maart 2023. Ook bij die stand van zaken kan een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase nergens toe leiden.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?