Nummer24/00110
Zitting 7 april 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 2 januari 2024 (parketnr. 20-000312-23) wegens 1. "in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod", 2. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” en 3. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand en een taakstraf voor de duur van honderdzestig uren, te vervangen door tachtig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 24/00111. In die zaak heeft de Hoge Raad reeds arrest gewezen op 25 maart 2025.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
4. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Op 4 februari 2020 is brand uitgebroken in de schuur op het perceel aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] , alwaar twee bedrijven van de verdachte zijn gevestigd. Bij aankomst van de brandweer en de politie werd geconstateerd dat zich in de kelder van deze schuur een hennepkwekerij bevond. In twee kweekruimtes stonden in totaal (minstens) 628 hennepplanten. Vastgesteld werd dat elektriciteit voor de hennepteelt buiten de meetinrichting om werd afgenomen en dat – door de plaatsing van een T-stuk vóór de watermeter – het waterverbruik niet correct werd geregistreerd.
De verdachte betwist de wetenschap van en de verantwoordelijkheid voor de hennepteelt. Hij wijst (voor een alternatief scenario) naar degene aan wie hij de schuur zou hebben verhuurd.
5. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van alle drie de ten laste gelegde feiten en tegen de verwerping van het alternatieve scenario.
De bewezenverklaring en de bewijsmotivering
6. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“1. hij in de periode van 21 januari 2020 tot en met 4 februari 2020 te [geboorteplaats] in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een grote hoeveelheid van ongeveer 628 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2. hij in de periode van 21 januari 2020 tot en met 4 februari 2020 te [geboorteplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan [A] B.V., waarbij verdachte die onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
3. hij in de periode van 21 januari 2020 tot en met 4 februari 2020 te [geboorteplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid water, toebehorende aan [B] , waarbij verdachte die onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.”
7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal ‘aantreffen hennepkwekerij’ d.d. 9 maart 2020 (pg. 50-55), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
Op 4 februari 2020 was ik belast met het onderzoek naar het mogelijk aanwezig zijn van een in werking zijnde hennepkwekerij. Naar aanleiding van een brand onder een schuur had de brandweer melding gemaakt van een situatie die zij niet vertrouwden. Hierbij hadden zij in een schuur een luik ontdekt waaronder de brandhaard zat. Na het openen van het luik zag de bevelvoerder een buis welke hij herkende als zijnde een buis die in hennepkwekerijen gebruikt wordt. Omstreeks 17:20 uur betrad ik de kelder onder de schuur. Ik zag dat die een ruimte betrof van ongeveer twee meter diep. Ik betrad de kelder via een reeds aanwezige trap. Ik zag dat er aan weerszijde van deze ruimte een stenen muur was. Ik zag dat er in beide muren een houten plaat bevestigd was. Ik zag de houten plaat aan de rechterzijde nog in tact was en dat er rondom de houten plaat een rand purschuim zat, hierdoor kon ik niet in de achterliggende ruimte komen dan wel kijken. Ik zag dat de houten plaat aan de linkerzijde was ingestort door de brand. Ik kon tussen deze plaat de achterliggende ruimte inkijken. Ik zag dat er in deze ruimte een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig was. Het bleek dat op het adres [a-straat 1] , [postcode] te [geboorteplaats] , onder een op het perceel aanwezige schuur, een hennepkwekerij met planten aanwezig was.
Kweekruimte 1
Ik zag dat er in de ruimte twee kweekbakken aanwezig waren met daarin hennepplanten. Bij binnenkomst zag ik dat er aan de linker muur, op een houten plaat, 24 transformatoren hingen. Ik telde de planten en ik zag dat er in totaal 328 hennepplanten in potten stonden. Ik zag dat de afmetingen van de bakken twee bij vijf meter waren. Ik zag dat er 24 assimilatielampen hingen en dat er één koolstoffilter aan het plafond hing. Ik zag dat de assimilatielampen in vier rijen middels balken aan het plafond bevestigd waren. Ik zag dat de assimilatielampen niet in hoogte verstelbaar waren. Ik zag dat het koolstoffilter direct aan het plafond bevestigd was. Ik zag dat het koolstoffilter bruin was van de vervuiling. Ik zag dat er in de ruimte één opticlimate en een CO2-generator stonden.
In totaal stonden er 328 hennepplanten. De gemiddelde hoogte van de planten was ongeveer 120 cm. Per vierkante meter stonden er 16 planten.
Kweekruimte 2
Ik zag dat de tweede kweekruimte ingericht was als zijnde hennepkwekerij. Ik zag dat deze ruimte door de brand was aangetast. Ik zag dat de planten die in deze ruimte stonden deels waren verbrand. Ik zag dat de isolatieplaten, welke bevestigd waren aan het plafond, door de brand van het plafond waren gevallen. Ik zag dat deze ruimte deels was ingestort en dat de aanwezige hennepplanten hierdoor niet geruimd konden worden. Ik zag dat er een opticlimate en een CO2-generator in de ruimte stonden. Ik zag dat er aan de wand 24 transformatoren bevestigd waren. Ik zag dat er in de ruimte twee kweekbakken stonden. Ik zag dat deze bakken in afmeting net zo groot waren als de bakken welke in kweekruimte 1 stonden, namelijk twee bij vijf meter. Doordat deze ruimte deels was ingestort kon ik de ruimte niet betreden ten behoeve van het tellen van de aanwezige hennepplanten.
Tussenruimte
In de ruimte tussen beide kweekruimtes in trof ik een 1000 liter IBC-vat. Ik zag dat dit IBC- vat geheel gevuld was met vloeistof. Ik zag dat er vanuit dit vat meerdere slangen liepen naar beide kweekruimtes en dat deze slangen in de kweekruimte uitkwamen in de daar aanwezige kweekbakken. Van de aanwezige fraude inspecteur van [B] hoorde ik dat het systeem welke in het IBC was aangebracht een zogenoemd eb en vloed systeem was. Ik hoorde dat dit systeem zorgde voor het geheel automatisch voeden van de planten.
Vaststelling hennep
Ik constateerde op grond van mijn kennis en ervaring – onder andere als taakaccenthouder hennep, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen – dat het hennepplanten waren. Ik constateerde, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen.
Stroomvoorziening
De stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door de fraude-inspecteur bij de netwerkbeheerder [A] . Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek dat, in de hoofdwoning van het betreffende perceel dat onderin de meterkast een aansluiting voor de meter langs was gemaakt.
Watervoorziening
De watervoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door de inspecteur kwaliteitsbewaking van [B] . Hierbij werd geconstateerd dat er voor de watermeter een T-stuk was geplaatst. Hierbij werd geconstateerd dat er water was afgenomen wat niet door de watermeter werd waargenomen. Het bleek dat in de hoofdwoning van het betreffende perceel er een T-stuk voor de watermeter was geplaatst.
Verdachten
Als verdachte is aangemerkt: [verdachte] .
Op het perceel [a-straat 1] te [geboorteplaats] is gevestigd [C] en [D] . Beide op naam van [verdachte] . De schuur waar de brand was bevond zich op een afgesloten terrein van het perceel [a-straat 1] . Ik, [verbalisant 1] , hoorde van [verdachte] dat het afgesloten gedeelte bij zijn stratenmakers- en aannemersbedrijf hoorde.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2020 (pg. 57-59), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op 4 februari 2020 omstreeks 16:30 uur kregen wij de melding om te gaan naar de [a-straat 1] te [geboorteplaats] . Aldaar zou omstreeks 14:00 uur een brand zijn geweest waar de brandweer nog aan het blussen was. De brandweer trof hierbij een situatie aan wat zij niet vertrouwden en wat zij herkenden als dat er mogelijk een hennepkwekerij zou zitten.
Ter plaatse werden wij door de bevelvoerder aangesproken voordat wij het terrein op gingen. Wij hoorden dat hij zei dat zijn manschappen, tijdens het blussen van een schuur, een luik ontdekt hadden in de schuur. Wij hoorden dat hij zei dat hij onder dit luik een deel zag van een buis welke hij herkende als een buis welke gebruikt wordt voor afzuigingssystemen. Wij hoorden dat hij zei dat er in de schuur een afgebrande kliko was aangetroffen welke vol zat met potgrond. Wij hoorden dat de bevelvoerder zei dat de eigenaar van de schuur inmiddels ter plaatse was en dat hij zijn manschappen eigenlijk in de weg liep om fatsoenlijk te kunnen werken. Wij hoorden dat hij zei dat de eigenaar van de schuur op hem erg nerveus over kwam. Wij hoorden dat hij zei dat er meerdere malen gevraagd was aan de eigenaar of dat er iets zat onder de schuur en dat hij hierop elke keer zei dat er niks zat. Wij hoorden dat de bevelvoerder zei dat als dan zijn manschappen maar in de buurt van het luik wilden komen om te blussen of iets dergelijks dat hij er dan erg snel bij was om te kijken wat ze aan het doen waren. Wij hoorden dat de bevelvoerder zei dat hij sterk het vermoeden had gekregen dat er mogelijk een hennepkwekerij onder de schuur zat.
Wij gingen het terrein op en zagen een man lopen welke een fel oranje jas aan had. Ik liep naar de man toe. Ik hoorde dat hij zich voorstelde als zijnde [verdachte] . Ik hoorde dat hij de eigenaar is van het perceel en de betreffende schuur. Ik sprak vervolgens nogmaals met de bevelvoerder. Ik hoorde dat hij zei dat [verdachte] de stroom van de schuur af had gehaald. Ik hoorde dat de bevelvoerder zei dat dit door hem en zijn manschappen al was geprobeerd in de meterkast welke zich in de woning bevindt. Ik hoorde dat hij zei dat, toen de stroom van de woning werd gehaald, er bij de schuur nog altijd elektriciteit was. Ik hoorde dat hij zei dat er nog altijd uit de linkerhoek van de schuur geknetter kwam, wat klonk alsof er nog ergens stroom op stond. Ik hoorde dat hij dit tegen [verdachte] had gezegd en dat [verdachte] ergens de stroom had afgezet. Ik hoorde dat [verdachte] dit had gedaan in een van de bijgebouwen die op het perceel stonden.
Ik zag dat [verdachte] zich vooral bezig hield met hetgeen er zich rondom het luik in de schuur afspeelde en niet echt naar mij luisterde. Ik vroeg aan [verdachte] wie er allemaal gebruik maakten van de schuur. Ik hoorde dat hij zei dat alleen hij en zijn personeel hier gebruik van maakten. Ik zei tegen [verdachte] dat er vanuit de brandweer het vermoeden was uitgesproken dat er dingen onder de schuur zaten die niet kloppen. Ik vroeg aan hem of er mogelijk iets zou kunnen zitten wat niet volgens de wet zou zijn. Ik hoorde dat hij zei dat er niks zou zitten wat er niet hoorde.
Ik ging naar beneden door het gat in de vloer waar het luik had gezeten. Ik kwam beneden in de kruipruimte uit. Ik zag dat er recht voor mij een wand zat. Ik zag dat dit een houten wand was welke dicht was gemaakt met pur. Ik zag dat er rechts meerdere grote witte vaten stonden. Ik zag dat er aan de andere zijde van de trap een deel van de wand was verbrand en ik zag dat er tevens een deel was ingestort. Ik keek naar binnen en ik zag dat er een in werking zijnde hennepkwekerij stond.
3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 14 februari 2024 (pg. 5-6) met bijlage (pg. 7 9), voor zover inhoudende als verklaring van [aangever 1] namens [A] B.V.:
Op 4 februari 2020 werd een hennepkwekerij met diefstal van energie aangetroffen in het pand op het adres [a-straat 1] te [geboorteplaats] . Het pand betreft een schuur. Uit onze administratie blijkt dat [C] in elk geval op het moment van binnentreden op 4 februari 2020 contractant was op genoemd perceel.
Diefstal elektriciteit: aftakking op de dienstleiding buiten. Uit onderzoek bleek dat er een illegale aftakking was gemaakt buiten op de aansluitleiding van [A] . De leiding voorziet het betreffende pand van elektriciteit. De illegale aftakking (elektriciteitskabel) liep buiten de meetinrichting van [A] om naar de elektrische installatie (en de daarop aangesloten apparatuur) in het betreffende pand en voorzag deze van elektriciteit. De illegale kabel is buiten de hoofdveiligheid in de aansluitkast van [A] om aangesloten. Door buiten de hoofdbeveiliging om aan te sluiten is er meer vermogen beschikbaar dan contractueel is overeengekomen met de contractant. Deze aftakking is niet door of in opdracht van [A] aangebracht. Voor het maken van deze aftakking heeft [A] geen toestemming verleend. Het totaalbedrag van de schade van de weggenomen energie, arbeidskosten, materiaal en administratiekosten bedraagt € 7.900,71 vrij van BTW.
4. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 maart 2020 (pg. 37-38) met bijlage (pg. 39-41), voor zover inhoudende als verklaring van [aangever 2] namens [B] :
Incident: diefstal drinkwater na plaatsen T-stuk waardoor er geen registratie van het correcte waterverbruik kan plaatsvinden.
Op 5 februari 2020 (het hof begrijpt: 4 februari 2020) werd een hennepkwekerij aangetroffen in pand [a-straat 1] te [geboorteplaats] . Uit onze administratie blijkt dat [verdachte] in elk geval op het moment van binnentreden op 5 februari 2020 (het hof begrijpt: 4 februari 2020) contractant is op genoemd perceel. De inspecteur kwaliteitsbewaking heeft geconstateerd dat er een T-stuk voor de watermeter is geplaatst, waardoor niet het juiste waterverbruik geregistreerd wordt. Hierdoor heeft [B] niet de juiste factuur kunnen versturen. Het totaalbedrag van de schade van het gebruikte water, arbeidskosten, materiaal en administratiekosten bedraagt € 15.870,00 vrij van BTW of € 17.298,30 inclusief BTW.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2020 (pg. 61), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
Op 6 februari 2020 was ik belast met het onderzoek naar een aangetroffen in werking zijnde hennepkwekerij aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] . Omstreeks 14:00 uur was ik samen met de fraude-inspecteur van [A] nog een laatste ronde aan het maken. Wij zagen dat [verdachte] op dat moment thuis kwam. Ik hoorde dat de fraude-inspecteur aan de verdachte vroeg of hij wist dat er een hennepkwekerij onder zijn schuur had gezeten. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij dit wist. Nadat de fraude-inspecteur weg was, vroeg ik aan [verdachte] of hij verder nog vragen had. Ik hoorde dat hij zei dat de fraude-inspecteur tegen hem had gezegd dat er in de kwekerij goederen waren aangetroffen die een indicatie gaven dat de kwekerij er al langere tijd zat. Ik hoorde dat hij aan mij vroeg: “Wat nou als ik bij de rechter verklaar dat dit tweedehands producten betroffen?”.
6. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e 2e lid Sr d.d. 15 maart 2020 (pg. 75-80), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 1] :
In 2013 werd door de verdachte bij de [plaats] een haalbaarheidstoets ingediend omtrent het bouwen van een schuur. Deze aanvraag betrof een schuur zonder kelder. Dit werd getoetst als vergunningsvrij te bouwen. De schuur betreft de schuur waaronder de brand was ontdekt. Op 14 februari 2017 was de [plaats] op het betreffende perceel in verband met een waarnemingsonderzoek. Toen zijn er foto’s gemaakt. In het rapport is een luchtfoto te zien van het gehele perceel. De schuur waaronder de kwekerij was aangetroffen is te zien, evenals de betonnen plaat waaronder de kelder gesitueerd was. De betonnen plaat onder de schuur betreft een plaat uit één geheel, onder de betonnen plaat bevindt zich een ruimte van circa 2 meter diep. De eventuele realisatie van de ruimte alsmede het aanbrengen van de betonnen plaat na de bouw van de schuur is zeer onwaarschijnlijk.
De planten die werden aangetroffen in kweekruimte 1 schatte ik 5 weken oud, hierbij rekening houdend met een cyclus van de kweekcyclus van 6 weken. Met een CO2-generator en een opticlimate wordt de kweekcyclus versneld van 8 naar 6 weken.
In de 1e kweekruimte stonden minimaal 328 hennepplanten.
Vaststelling eerdere oogsten in de 1e kweekruimte:
Er bevond zich een op kalk gelijkende afzetting op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten. Het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild. De vervuiling van het filterdoek treedt pas na langere tijd op en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt. Er lag stof op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen, het stoffilter van de koolstofcilinder en de aanwezige elektra. De electrakabels waren niet wit maar zwart/grijs van kleur. Het hout van de latten was verkleurd, ernstige verkleuring van het aangebrachte purschuim in de kweekruimte. Ernstige bevuiling door algen van stilstaand water tussen de kweekbak en de wand van de kweekruimte.
In de 2e kweekruimte stonden minimaal 300 hennepplanten en/of potten. Ik stelde dit vast door de oppervlakte van de beplanting te berekenen en dit te vermenigvuldigen met het aantal hennepplanten en/of potten per m2. De oppervlakte van de beplanting in de 2e kweekruimte was 20m2. Per m2 stonden er 15 hennepplanten en/of potten. De tweede kweekruimte was deels verwoest door de brand. De inrichting was hetzelfde als kweekruimte 1.
7. Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 23 juli 2021, afzonderlijk in het dossier gevoegd, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 4] :
Het klopt dat ik in de Bed & Breakfast verbleef bij [verdachte] . Ik woonde daar al een jaar voordat de brand uitbrak. Er is mij nooit iets opgevallen qua onbekende mensen dan wel onbekende auto’s op het terrein. Het klopt dat de stroom regelmatig uitviel vóór de brand. Met regelmatig bedoel ik één of twee keer per week. Ik sprak [verdachte] erop aan. Dan zette hij binnen weer de stroom erop. Hij heeft niet tegen mij gezegd hoe het kwam dat de stroom steeds uitviel. Ik had last van stroomuitval gedurende eigenlijk het hele jaar dat ik daar verbleef. Ik heb nooit gehoord dat de schuur verhuurd was. Het klopt dat er een hond bij de schuur lag.
8. Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 29 juni 2021, afzonderlijk in het dossier gevoegd, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Ik weet dat er in februari 2020 brand is geweest op het terrein van [verdachte] . Ik ben een vriendin van zijn partner. Ik heb een periode in het huis van [verdachte] verbleven. Ik heb rond kerst 2019 ongeveer een week in de woning gelogeerd. In die week waren [verdachte] en zijn partner op vakantie naar Oostenrijk. Ik heb geen mensen rondom de schuur gezien. [verdachte] en zijn partner hadden twee honden. Eén hond hadden ze meegenomen op vakantie. De andere hond bleef achter. Dat was een rottweiler. Ik weet dat die altijd bij de schuur ligt. Op het perceel was aanwezig [getuige 4] . Hij verbleef in een deel van de B&B.
9. Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 29 juni 2021, afzonderlijk in het dossier gevoegd, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
Het bedrijf van [verdachte] is mijn werkgever. Ik kom op het bedrijventerrein van [verdachte] . Achter de schuur is mijn werfje. Ik kom wel eens in de schuur maar alleen als ik door weersomstandigheden geen stratenmaakwerkzaamheden kan doen. Dat komt voor als het sneeuwt, dus in de winter. Er zijn mij voor december 2019 nooit werkzaamheden in of rond de schuur opgevallen. Rond kerst 2019 ben ik opgenomen in het ziekenhuis. U houdt mij voor dat de [verdachte] heeft verklaard dat hij de schuur in december 2019 had verhuurd. Hij heeft mij daar niets over verteld en ook niets over gezegd. De deur van de schuur zat altijd op slot. Ikzelf had geen sleutel en mijn collega ook niet. [verdachte] had volgens mij een sleutel. Het klopt dat er een hond bij de schuur lag. Die lag altijd tegen de deur aan. De hond heette “ [naam] ”.
10. Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 23 juli 2021, afzonderlijk in het dossier gevoegd, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :
Ik ken geen [verdachte] . Ik ben nooit in [geboorteplaats] geweest. Het klopt niet dat ik een handel wilde opzetten in scooters en fietsen. U toont mij een kopie van een ID-bewijs. Dat is inderdaad een kopie van mijn rijbewijs. Ik heb het nooit aan [verdachte] gegeven. U toont mij een huurcontract. Ik weet niks van dit huurcontract. Ik heb nooit iets gehuurd van [verdachte] . Ik ben weleens een ID-bewijs kwijtgeraakt.”
8. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte de schuur op zijn perceel heeft verhuurd aan een derde, te weten [getuige 3] . De hennepkwekerij zou door [getuige 3] opgebouwd moeten zijn in december 2019, toen de verdachte en zijn partner op vakantie waren. Deze verklaring van de verdachte vindt ondersteuning in diverse getuigenverklaringen en het scenario kan daarom niet als hoogst onwaarschijnlijk terzijde worden geschoven. Uit niets is gebleken dat de verdachte enige wetenschap van, dan wel beschikkingsmacht had over de in de kelder onder de schuur aangetroffen hennepkwekerij. Er zijn geen bewijsmiddelen in het dossier waaruit kan worden vastgesteld dat de verdachte (actieve) betrokkenheid had bij de teelt van de hennep. Uit het enkele feit dat de getuigen geen andere personen dan de verdachte nabij de schuur hebben waargenomen, kan niet worden afgeleid dat de verdachte de persoon moet zijn geweest die verantwoordelijk is voor het telen van de hennep.
Dat de verdachte zich bewust was, of had moeten zijn, van de diefstal van water en elektriciteit is ook niet gebleken nu de stroom ondergronds was afgetapt en het T-stuk voor de meter niet zichtbaar was, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat op 4 februari 2020 een brand is uitgebroken in de schuur op het perceel aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] . Bij aankomst van de brandweer en de politie werd geconstateerd dat in de kelder van de schuur een hennepkwekerij met twee kweekruimtes aanwezig was. In de eerste kweekruimte stonden 328 hennepplanten en in de tweede kweekruimte stonden minimaal 300 hennepplanten. Door de fraude-inspecteur van netwerkbeheerder [A] B.V. werd geconstateerd dat de elektriciteitsvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen doordat in de hoofdwoning onderin de meterkast een aansluiting gemaakt was voor de meter langs. Door de inspecteur kwaliteitsbewaking van [B] werd geconstateerd dat et voor de Watermeter een T-stuk was geplaatst waardoor het water dat werd afgenomen door de watermeter niet correct werd waargenomen.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk telen van ongeveer 628 hennepplanten in de kelder onder de schuur op het perceel aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] en of de verdachte illegaal (hoeveelheden) elektriciteit en water heeft weggenomen, zoals de verdachte onder feit 1, feit 2 en feit 3 wordt verweten. Naar het oordeel van het hof luidt het antwoord op deze vragen bevestigend en daartoe overweegt het hof als volgt. De verdachte heeft tijdens zijn verhoren bij de politie op 4 en 5 februari 2020 telkens een beroep op zijn zwijgrecht gedaan.
Ongeveer drie maanden na het aantreffen van de hennepkwekerij heeft de verdachte een verklaring op schrift gesteld waarin hij verklaart dat hij de schuur op zijn perceel vanaf 16 december 2019 aan [getuige 3] heeft verhuurd en dat deze persoon de hennepkwekerij moet hebben opgebouwd. Daarbij heeft de verdachte een huurovereenkomst van de betreffende schuur d.d. 13 december 2019 overgelegd. Ter terechtzitting bij de rechtbank heeft de verdachte verklaard dat hij op 13 december 2019 in zijn woning te [geboorteplaats] de huurovereenkomst met [getuige 3] heeft ondertekend, waarbij de verdachte tevens in zijn woning een kopie van het identiteitsbewijs van [getuige 3] heeft gemaakt. Op de terechtzitting bij de rechtbank werd de verdachte door de officier van justitie geconfronteerd met het feit dat op de kopie van het identiteitsbewijs van [getuige 3] als afgiftedatum 8 januari 2020 stond vermeld, terwijl de huurovereenkomst met daarbij de kopie van het identiteitsbewijs zouden zijn getekend op 13 december 2019. De verdachte kon daar in eerste aanleg geen redelijke verklaring voor geven. Op de terechtzitting in hoger beroep verklaarde de verdachte echter zeker te weten dat hij het identiteitsbewijs van [getuige 3] later in zijn brievenbus gestopt heeft gekregen.
[getuige 3] is op verzoek van de verdachte bij de rechter-commissaris als getuige gehoord en heeft iedere betrokkenheid bij de hennepplantage en/of de huur van de schuur ontkend. Hij heeft ook verklaard zijn identiteitsbewijs wel eens te zijn kwijtgeraakt.
Op de huurovereenkomst staat als naam van de huurder opgenomen: [getuige 3-a] , in plaats van [getuige 3] .
De verdachte heeft verklaard dat [getuige 3] tijdens de vakantie van de verdachte in Oostenrijk van 20 december 2019 tot 28 december 2019 de hennepkwekerij in de kelder moet hebben opgebouwd.
[getuige 1] , gehoord bij de rechter-commissaris, heeft verklaard dat zij tijdens die vakantie in de woning van de verdachte verbleef. Zij heeft geen mensen rondom de schuur gezien. Er lag een hond bij de schuur in een hok en dat was ook in de vakantie van de verdachte zo. Het personeel van de verdachte heeft zij niet gezien in die week. Zij heeft wel een keer gebeld naar de verdachte omdat zij op één avond gestommel hoorde. Zij hoorde een auto of een autobus draaien op de parkeerplaats en stemmen, ze had het idee dat er mensen aan het werk waren. De vrouw van de verdachte heeft haar toen verteld dat dit waarschijnlijk werknemers waren die nog aan het werk waren. Die week heeft zij alleen [getuige 4] gezien die in de Bed & Breakfast verbleef en twee begeleiders van hem.
[getuige 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij vijf jaar voor de verdachte werkt en dat hij achter de schuur zijn werfje heeft. Hij kwam elke dag achter de schuur om stenen en materiaal te laden. De verdachte heeft echter tegen hem niets verteld over de verhuur van de schuur, zo verklaarde [getuige 2] . Het klopt dat er een hond genaamd " [naam] " bij de schuur lag, die lag altijd tegen de deur aan.
[getuige 4] heeft, gehoord bij de rechter-commissaris, verklaard dat hij bij de verdachte verbleef in de Bed & Breakfast. Er is hem nooit iets opgevallen van onbekende auto’s of onbekende mensen op het terrein. Tijdens de vakantie van de verdachte heeft hij geen bedrijvigheid gezien. Hij heeft nooit gehoord dat de schuur verhuurd was.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte pas laat heeft verklaard over de huurovereenkomst van de schuur en daarbij wisselend heeft verklaard, met name over het kopiëren van het identiteitsbewijs in de woning. Het hof overweegt voorts dat de verklaring van de verdachte dat [getuige 3] in december 2019 de hennepkwekerij zou hebben opgebouwd terwijl de verdachte en zijn partner op vakantie waren, en dat derhalve de hennepkwekerij slechts anderhalve maand voor de ontdekking daarvan zou zijn opgebouwd, zich niet verenigt met alle indicatoren welke zijn aangetroffen waaronder onder andere de hoeveelheden algen, schimmel, stof en kalk en de productiedata die zijn aangetroffen op materialen in de kweekruimtes. Die indicatoren wijzen erop dat de hennepkwekerij langer in bedrijf is geweest. Voorts kan uit de verklaringen van de getuigen die aanwezig waren op het terrein tijdens de vakantie van de verdachte niet worden afgeleid dat toen de kwekerij moet zijn ingericht. Daartoe acht het hof die verklaringen onvoldoende doorslaggevend, met name acht het hof de verklaring van [getuige 1] dat ze op één avond gestommel heeft gehoord en stemmen en dacht dat er mensen aan het werk waren, onvoldoende concreet.
Voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, brengen het hof tot de conclusie dat de huurovereenkomst die door de verdachte is overgelegd niet overeenkomstig de werkelijkheid is. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij de schuur had verhuurd dan ook ongeloofwaardig en stelt deze terzijde.
Daarmee komt het hof bij de vraag of het dossier voor het overige voldoende bewijs bevat dat het de verdachte moet zijn geweest die verantwoordelijk gehouden kan worden voor het telen van de hennepplanten in de kelder van zijn schuur. Waarbij het hof vooropstelt dat, zonder aanwijzingen van het tegendeel, als uitgangspunt mag gelden dat een eigenaar en/of bewoner en/of gebruiker van een perceel waarop een schuur staat waaronder zich een hennepplantage bevindt, daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden.
Het hof stelt verder vast dat de verdachte in 2013 een haalbaarheidstoets heeft aangevraagd voor het bouwen van een schuur op zijn perceel. Deze aanvraag betrof een schuur zonder kelder. De bouw van de schuur bleek volgens de gemeente uiteindelijk vergunningsvrij. Uit een luchtfoto uit 2014 blijkt dat de betonnen plaat van de kelder er al lag, terwijl de schuur er nog niet stond. Die betonnen plaat met de kelder eronder is derhalve voorafgaand aan de bouw van de schuur gemaakt en voor die kelder heeft de verdachte geen vergunningsaanvraag gedaan. De verdachte heeft verklaard dat hij de schuur met de kelder heeft gebouwd om daar PVC-buizen en ander materiaal in op te slaan. Het hof acht het onaannemelijk dat voor de opslag van materialen een kelder wordt gebouwd, zonder die kelder mee te nemen in de vergunningsaanvraag bij de gemeente. De verdachte heeft daarvoor desgevraagd ook geen begrijpelijke verklaring kunnen geven. Voorts acht het hof het niet geloofwaardig dat de kelder, die slechts bereikbaar was via een luik van geringe omvang ten opzichte van de omvang van de kelder, voor de opslag van PVC-buizen was bedoeld. Van enige opslag van PVC-buizen in de kelder is ook niet gebleken. Het hof overweegt dat vorenstaande feiten en omstandigheden erop duidden dat de kelder enkel is gebouwd met als doel daarin een hennepkwekerij te bouwen. Dat wordt te meer ondersteund in het feit dat de verdachte een rottweiler bezit die, zoals de verdachte heeft verklaard, mede diende ter bewaking van zijn perceel, welke rottweiler altijd bij de betreffende schuur lag.
De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 4] hebben bij de rechter-commissaris verklaard dat zij geen personen in of rondom de betreffende schuur hebben gezien. Zij hebben ook nooit werkzaamheden in of rondom de schuur waargenomen.
[getuige 4] verklaarde daarnaast bij de rechter-commissaris dat de elektriciteit wekelijks uitviel en dat de verdachte dan telkens ervoor zorgde dat de elektriciteit weer aan ging. Het hof overweegt in dit verband dat er een illegale kabel is aangesloten in de meterkast in de hoofdwoning van het perceel, te weten de woning van de verdachte.
In het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] is gerelateerd dat toen de politie op 4 februari 2020 ter plaatse kwam de bevelvoerder van de brandweer aangaf dat zijn manschappen een luik hadden ontdekt en een buis hadden gezien welke zij herkenden als een afzuigsysteem van een hennepkwekerij. Ook hadden ze in de schuur een afgebrande kliko aangetroffen met daarin potgrond. De bevelvoerder vertelde dat de eigenaar van de schuur in de weg liep, erg nerveus over kwam en meerdere malen zei dat er niks onder de schuur zat.
Ook de politie relateert dat de verdachte zich vooral bezig hield met hetgeen er zich rondom het luik in de schuur afspeelde en niet echt luisterde naar de verbalisanten. Ook tegen de verbalisanten heeft hij gezegd dat er niets onder de schuur zat wat er niet hoorde. Over een eventuele huurder van de schuur heeft de verdachte toen niets gezegd.
Daarnaast heeft [verbalisant 1] de verdachte op 6 februari 2020 tegen de fraude- inspecteur van [A] horen zeggen dat hij wist van de aanwezigheid van de hennepkwekerij. Daarnaast heeft de verdachte bij die gelegenheid aan [verbalisant 1] gevraagd: ‘Wat nou als ik bij de rechter verklaar dat dit tweedehands producten betroffen?’. De verdachte heeft ontkend een en ander gezegd te hebben, doch het is bij deze blote ontkenning gebleven terwijl een en ander door [verbalisant 1] is vastgelegd in een proces-verbaal van bevindingen.
Gelet op het geheel aan voormelde feiten en omstandigheden en daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier op geen enkele wijze is gebleken van de betrokkenheid van (een) (of meer) ander(e) perso(o)n(en) bij het tenlastegelegde, trekt het hof de conclusie dat het de verdachte is geweest die in de tenlastegelegde periode ongeveer 628 hennepplanten heeft geteeld en ten behoeve daarvan illegaal elektriciteit en water heeft afgenomen. Daarmee heeft de verdachte naar het oordeel van het hof tevens wetenschap gehad van en beschikkingsmacht gehad over de hennepkwekerij.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Ten slotte overweegt het hof dat uit de omstandigheden dat de hennep ondergronds in meerdere ruimtes werd gekweekt, de hoeveelheid planten en de wijze waarop de hennepkwekerij was ingericht – te weten met gebruik van onder meer een opticlimate, een CO2-generator en een ‘eb en vloed systeem’ – valt af te leiden dat de hennepactiviteiten een professioneel karakter hadden. Het hof acht daarom bewezen dat door de verdachte is gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het bewijsmiddel betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
Een nadere omschrijving van de klachten
9. Volgens de stellers van het middel is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. Zij betogen dat de verdachte een alternatief scenario heeft gepresenteerd waarin de huurder van de schuur verantwoordelijk is geweest voor de hennepkwekerij en voor de diefstal van elektriciteit en water. Die hennepkwekerij moet zijn ingericht tijdens verdachte’s vakantie. Voor dit scenario is steun te vinden in het dossier, aldus de stellers van het middel. De verdachte was van 20 tot 28 december 2019 inderdaad op vakantie. [getuige 1] heeft verklaard dat zij, terwijl zij tijdens de vakantie op zijn huis paste, op een avond stemmen en gestommel heeft gehoord en dacht dat er mensen aan het werk waren. De enkele verwerping van dit alternatieve scenario dwingt niet tot de conclusie dat de verdachte zelf voor de hennepteelt verantwoordelijk is geweest.
Het juridisch kader
10. Uit rechtspraak van de Hoge Raad valt af te leiden dat een eigenaar (of huurder) van een pand waarin een hennepkwekerij is aangetroffen ook zonder direct bewijs voor telen van hennep kan worden veroordeeld indien het redelijkerwijze niet anders kan zijn dan dat hij degene is geweest die de kwekerij heeft geëxploiteerd. Dat is het geval als de eigenaar (of huurder) geen (aannemelijke) verklaring geeft voor hem belastende feiten en omstandigheden, en er geen contra-indicaties zijn voor zijn daderschap, zoals mogelijke betrokkenheid van derden. Het enkele feit dat derden in het dossier of zelfs in de bewijsvoering als betrokkenen voorkomen belet niet dat de eigenaar (of huurder) van het pand als zelfstandig pleger wordt aangemerkt.Een en ander is afhankelijk van (de consistentie en nauwgezetheid van) de bewijsconstructie van het hof.
De bespreking van het middel
11. De verdachte stelt dat [getuige 3] als huurder van zijn schuur verantwoordelijk is geweest voor de in kelder daarvan aangetroffen hennepkwekerij en dat hij deze tijdens verdachtes vakantie heeft opgebouwd. Het hof heeft deze lezing als ongeloofwaardig terzijde gesteld. Daarbij heeft het onder meer betrokken dat de verdachte het alternatieve scenario op een laat moment in de procedure heeft gepresenteerd, dat hij daarover op onderdelen wisselend heeft verklaard en dat [getuige 3] heeft ontkend de schuur überhaupt te hebben gehuurd. Over de stelling dat de hennepkwekerij tijdens verdachtes vakantie is opgebouwd heeft het hof overwogen dat deze stelling zich niet laat verenigen met de aangetroffen indicatoren dat de kwekerij langer in bedrijf is geweest en dat het de getuigenverklaringen daartoe onvoldoende doorslaggevend acht. Onder de vooropstelling dat de eigenaar van een perceel waarop een hennepkwekerij wordt aangetroffen daarvoor in beginsel verantwoordelijk kan worden gehouden, heeft het hof vervolgens geoordeeld dat het de verdachte is geweest die hennep heeft geteeld en op illegale wijze elektriciteit en water heeft afgenomen. Bij dat oordeel heeft het onder meer acht geslagen op het feit dat de verdachte de kelder van de schuur in de vergunningaanvraag onvermeld heeft gelaten, dat een illegale stroomkabel voor de hennepkwekerij was aangesloten in de meterkast in de door de verdachte bewoonde hoofdwoning van het perceel en “dat op geen enkele wijze is gebleken van de betrokkenheid van (een) (of meer) ander(e) perso(o)n(en) bij het tenlastegelegde”.
12. Anders dan de stellers van het middel betogen, ligt aan de bewezenverklaring niet enkel ten grondslag dat het onaannemelijk is dat [getuige 3] het ten laste gelegde heeft begaan. Het hof heeft uiteengezet dat en waarom de verdachte als enige verantwoordelijk was voor de exploitatie van de hennepkwekerij. Dit oordeel en de motivering ervan komen mij niet onbegrijpelijk voor. Daarmee is het kennelijke oordeel van het hof dat het redelijkerwijze niet anders kan dan dat het ook de verdachte is geweest die ten behoeve van de hennepteelt illegaal elektriciteit en water heeft weggenomen, eveneens toereikend gemotiveerd.
Slotsom
13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
14. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. Dat hoort te leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.
15. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG