ECLI:NL:PHR:2026:375

ECLI:NL:PHR:2026:375

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 06-04-2026
Zaaknummer 25/00546
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Middel klaagt o.a. over afwijzing aanhoudingsverzoek en slaagt. Nu niet is gebleken dat verdachte daadwerkelijk weet had van de zitting, had het hof een belangenafweging moeten maken. Nu het hof daartoe niet is overgegaan, is de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden arrest en tot terugwijzing.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/00546

Zitting 7 april 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 12 februari 2025 (parketnummer 22-002188-23) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2023 (parketnummer 10-240109-22). Bij dat vonnis is de verdachte wegens “mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is beslist op de vordering van de benadeelde partij en is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht bevat de klacht dat het hof een aanhoudingsverzoek op onbegrijpelijke gronden heeft afgewezen. De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, zodat het hof de verdachte op grond van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk heeft verklaard, niet begrijpelijk is.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2025 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

adres: [a-straat 1] , [postcode] [plaats] ,

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. R.I. van Haneghem, advocaat te Rotterdam, die mededeelt niet door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

Namens de [benadeelde] is ter terechtzitting aanwezig mr. G.J. de Jongste, advocaat te Rotterdam.

Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.

De raadsman voert hierop het woord als volgt:

Op verzoek van het hof heb ik de verdachte bijgestaan in de strafzaak bij dit gerechtshof met rolnummer 22-000953-23. In die zaak, die heeft geresulteerd in een verstekarrest van 8 oktober 2024, heb ik op verschillende manieren geprobeerd om met de verdachte in contact te komen. Dit bleek vruchteloos, totdat de verdachte in januari 2025 opeens contact met mij opnam over de genoemde strafzaak. Ik heb de verdachte toen ook gewezen op de ophanden onderhavige strafzaak, waarbij de verdachte aangaf gebruik te willen maken van mijn rechtsbijstand. Vervolgens belde de verdachte mij een week geleden, op een voor mij ongelegen moment waarop ik hem niet te woord kon staan, zodat ik hem heb gevraagd om op een later moment contact met mij op te nemen. Dat heeft hij niet gedaan. Sindsdien is het mij ondanks herhaalde pogingen van mijn kant niet gelukt om met hem in contact te komen, maar ik meen uit de omstandigheid dat de verdachte een week geleden telefonisch contact met mij heeft gezocht het vermoeden af te kunnen leiden dat hij gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht. Aanvullend over het contact dat ik afgelopen januari met de verdachte had: de verdachte heeft het toen (via Whatsapp) gehad over 'onderzoekswensen' en over dat hij lang in het buitenland is geweest. Op grond hiervan wordt thans verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de verdachte in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht.

De advocaat-generaal stelt zich hierop op het standpunt dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen.

De voorzitter onderbreekt hierop het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

Hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht is naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet ter onderbouwing van het vermoeden van de raadsman dat de verdachte gebruik zou willen maken van zijn aanwezigheidsrecht. Tegen die achtergrond wordt het verzoek om aanhouding van de behandeling afgewezen.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte.

De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de vordering voor. De advocaat-generaal vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep zal worden verklaard.

Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof – na beraad – terstond uitspraak.”

Het arrest van het hof houdt verder, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

In zijn recente uitspraak van 3 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:329, heeft de Hoge Raad uiteengezet hoe de rechter een aanhoudingsverzoek in een geval als dit moet beoordelen. Dat beoordelingskader luidt als volgt:

“2.3.1 Als de raadsman, zoals in deze zaak, voorafgaand aan de terechtzitting aangeeft dat hij geen contact kan krijgen met de verdachte en dat hij het mogelijk acht dat de verdachte geen weet heeft van de zitting, en om die reden een aanhoudingsverzoek doet met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in artikel 279 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bedoelde machtiging, is voor de beoordeling van zo’n verzoek – naast wat daarover is overwogen in onder meer HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737 – het volgende van belang.

De aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid dat de verdachte (mogelijk) geen weet heeft van de zitting, kan zonder meer als “niet aannemelijk” worden beoordeeld als de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting in persoon is betekend. Dan kan de rechter het verzoek al op deze grond afwijzen.

Als de dagvaarding of de oproeping niet in persoon is uitgereikt, maar wel op rechtsgeldige wijze – dat wil zeggen: in overeenstemming met de ter zake geldende wettelijke voorschriften (artikel 36a-36n Sv) alsmede de in de rechtspraak van de Hoge Raad tot uitdrukking gebrachte regels (vgl. in het bijzonder HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163) – is betekend, kan de rechter dat verzoek niet op die enkele grond afwijzen. Uit zo’n betekening volgt immers niet zonder meer dat de verdachte op de hoogte is van de zitting. In dat geval is een afwijzing van het aanhoudingsverzoek op de grond dat de aan dat verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, alleen mogelijk als op basis van andere omstandigheden kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting.

Als niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1158.)

Bij die belangenafweging kan betekenis toekomen aan de omstandigheid dat de dagvaarding of de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep op rechtsgeldige wijze, zij het niet in persoon, is betekend. Zoals tot uitdrukking is gebracht in HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.36-3.37, mag dan immers van de verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman – die uit eigen hoofde een afschrift van de appeldagvaarding ontvangt als hij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. Het kennelijk niet treffen door de verdachte van dergelijke in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen kan de rechter in hoger beroep – naast andere factoren die daarvoor van belang kunnen zijn, zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak – in de vereiste belangenafweging betrekken. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142.)”

De niet-gemachtigd raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een aanhoudingsverzoek gedaan. Hij heeft in dat verband naar voren gebracht dat hij in verband met een eerdere strafzaak op verschillende manieren tevergeefs contact heeft gezocht met de verdachte, totdat de verdachte in januari 2025 opeens contact met hem opnam. Daarbij heeft de raadsman de verdachte gewezen op onderhavige zaak, waarop de verdachte aangaf gebruik te willen maken van de rechtsbijstand van de raadsman. Verder heeft de verdachte het in contact met de raadsman in januari 2025 via Whatsapp gehad over onderzoekswensen en lang verblijf in het buitenland. Een week voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep nam de verdachte opnieuw contact op met de raadsman, maar verzocht de raadsman hem om op een later moment opnieuw contact op te nemen. Dit is niet gebeurd en ondanks herhaalde pogingen van de raadsman heeft nadien geen contact meer plaatsgevonden. De raadsman meent uit de omstandigheid dat de verdachte een week voorafgaand aan de zitting telefonisch contact met hem heeft gezocht het vermoeden af te kunnen leiden dat de verdachte gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht.

Het hof heeft vervolgens het verzoek tot aanhouding afgewezen en in dat verband geoordeeld dat hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet is ter onderbouwing van het vermoeden van de raadsman dat de verdachte gebruik zou willen maken van zijn aanwezigheidsrecht.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven geen contact (meer) te kunnen krijgen met de verdachte, maar uit een eerdere contactpoging van de verdachte af te kunnen leiden dat de verdachte vermoedelijk gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Onder deze en de overige uit het proces-verbaal ter terechtzitting af te leiden omstandigheden, in het bijzonder dat daaruit enkel volgt dat de raadsman de verdachte heeft gewezen op de onderhavige strafzaak, kan er naar mijn mening van worden uitgegaan dat de verdachte mogelijk geen weet heeft gehad van de zitting(sdatum). Nu de dagvaarding in hoger beroep niet in persoon is uitgereikt, maar wel op rechtsgeldige wijze is betekend, kan het aanhoudingsverzoek op de grond dat de aan dat verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid, inhoudende dat de verdachte (mogelijk) geen weet heeft van de zitting (en vermoedelijk gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht), niet aannemelijk is, enkel worden afgewezen als op basis van andere omstandigheden kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet had van de zitting. Nu daarvan niet is gebleken, had het hof een afweging moeten maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Nu het hof daartoe niet is overgegaan, is de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd. De eerste deelklacht slaagt.

Nu de eerste deelklacht slaagt, is bespreking van de tweede deelklacht niet nodig.

3. Afronding

Het middel slaagt.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?