PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00635
Zitting 14 april 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 21 februari 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002553-22) wegens “witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Het hof heeft verder het inbeslaggenomen geldbedrag van € 39.990,- verbeurdverklaard en de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbende van een inbeslaggenomen geldbedrag van € 500,-.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
Het middel behelst de klacht dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, doordat het hof – kort gezegd – bewezen heeft verklaard dat de verdachte heeft gehandeld in strijd met art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Sr, terwijl de tenlastelegging was toegesneden op het handelen in strijd met art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 27 september 2016 te [plaats] , althans in Nederland, van een voorwerp, te weten enig geldbedrag (totaal ongeveer 40.490 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing, heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat, dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
Met betrekking tot deze tenlastelegging heeft het hof overwogen:
“De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.”
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 27 september 2016 te [plaats] , een voorwerp, te weten enig geldbedrag (totaal 39.990 euro) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als witwassen in de zin van art. 420bis Sr. Het eerste lid van artikel 420bis Sr luidt:
“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”
Het hof heeft de tenlastelegging die was toegesneden op art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr, waarin het witwassen bestaat uit onder meer het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats etc. van een voorwerp, blijkens de bewezenverklaring aldus verstaan dat daaronder mede is begrepen het voorhanden hebben van een voorwerp zoals is omschreven in art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Sr.
Vooropgesteld dient te worden dat de uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter. Het ligt op zijn weg om misslagen die in de tenlastelegging voorkomen te verbeteren, zolang de verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Een dergelijke verbeterde lezing betreft geen wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv, maar moet worden beschouwd als een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist.
In HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3047 heeft de Hoge Raad overwogen dat de toevoeging aan een (onder meer) op art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr toegesneden tenlastelegging van aan art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Sr ontleende bestanddelen niet als het herstel van een misslag kan worden gezien, maar een wijziging van de tenlastelegging oplevert die slechts op de voet van de art. 313 en 314 Sv kan plaatsvinden.
Van een dergelijke wijziging van de tenlastelegging blijkt in de onderhavige zaak niet. Daaruit volgt dat het hof de tenlastelegging (impliciet) op ontoelaatbare wijze heeft aangevuld.
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Het middel slaagt.
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in de cassatiefase, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, op 23 februari 2026 is overschreden. (Andere) gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G