ECLI:NL:PHR:2026:38

ECLI:NL:PHR:2026:38

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer 23/04809
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Tardief appel. Het in M1 ingenomen standpunt dat de verdachte op het moment van betekening van de dgv in h.b. in PI Nieuwegein zat mist feitelijke grondslag. Het hof kon oordelen dat de overeenkomstig art. 36e lid 1 onder b jo. lid 2 onder b Sv uitgereikte dgv op juiste wijze is betekend en overigens dat zich i.c. geen situatie voordoet waarin aan de stukken duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat er reden is om het o.t.tz. te schorsen. ’s Hofs oordeel dat het h.b. te laat is ingesteld is niet onbegrijpelijk in het licht van de daaraan ten grondslag gelegde vaststellingen, die steun vinden in de processtukken. De in M2 neergelegde klacht dat de in het vonnis opgelegde gvs in strijd met art. 6:1:16 Sv en art. 6 EVRM reeds ten uitvoer is gelegd kan onbesproken blijven, omdat deze klacht niet voldoet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen. M1: art. 81.1 RO. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04809

Zitting 10 maart 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 12 juli 2023 (parketnr. 21-002362-22) de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 maart 2022 (parketnr. 18-179001-21, 18-325979-21 en 21-307672-21) waarbij de verdachte voor zover van belang wegens – kort gezegd – handelen in strijd met art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie en diefstal is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.A. Dooijeweerd, advocaat in Zutphen, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

De verdachte is door het hof niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep omdat het hoger beroep niet is ingesteld binnen veertien dagen na de dag waarop uitspraak is gedaan. In cassatie wordt in de eerste plaats opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze is betekend en de daarmee verband houdende beslissing tot verstekverlening. De als tweede middel aangeduide klacht houdt in dat de in het vonnis opgelegde gevangenisstraf in strijd met art. 6:1:16 Sv en art. 6 EVRM reeds ten uitvoer is gelegd.

Volgens deze conclusie faalt het eerste middel en moet de als tweede middel gepresenteerde klacht onbesproken blijven.

3. Het eerste middel

Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze is betekend en de daarmee verband houdende beslissing tot verstekverlening en de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2023 houdt voor zover van belang het volgende in:

“Het hof doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte genaamd:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,

is niet verschenen.

De voorzitter deelt mede:

Er is getracht de dagvaarding in hoger beroep op 24 mei jl. uit te reiken op het inschrijvingsadres van verdachte, te weten: [a-straat 1] te [plaats] . Omdat de dagvaarding vervolgens niet is afgehaald op de afhaallocatie, is deze op 6 juni 2023 door het Openbaar Ministerie als gewone brief verzonden naar voormeld adres. De dagvaarding is aldus op juiste wijze betekend.

Hierop verleent de voorzitter op vordering van de advocaat-generaal verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, nu het hoger beroep te laat is ingesteld.

De voorzitter brengt het volgende naar voren:

De inleidende dagvaardingen om in de zaken 18-179001-21, 18-307672-21 en 18-325979-21 om op 18 maart 2022 ter zitting van de politierechter te verschijnen zijn respectievelijk op 22 oktober 2021,13 november 2021 en 4 december 2021 in persoon uitgereikt. Dit betekent dat verdachte op grond van artikel 408, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering binnen veertien dagen na de uitspraak hoger beroep had dienen in te stellen. Het hoger beroep is eerst op 7 juni 2022 ingesteld, zijnde na het verstrijken van die termijn. Dit betekent dat verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en doet direct uitspraak.”

Het in het onder 3.2 vermelde proces-verbaal van de terechtzitting aangetekende mondeling arrest houdt het volgende in:

“BESLISSING

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.”

Het (losse exemplaar van het) mondeling arrest houdt verder nog het volgende in:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen

hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verdachte blijkens een reclasseringsrapport van 28 april 2023 op 24 mei 2023 – de dag waarop is gepoogd de dagvaarding op het adres [a-straat 1] te [plaats] aan de verdachte uit te reiken – in de PI […] verbleef. Volgens de steller van het middel behoorde dit gegeven bij het hof bekend te zijn en had de werkelijke verblijfplaats van de verdachte onderzocht moeten worden. Ook zou uit de overwegingen van het hof niet blijken dat en op welke wijze de (OM-)betekening heeft plaatsgevonden. De enkele vermelding dat op 6 juni 2023 de dagvaarding als ‘gewone brief’ naar het adres in [plaats] is verzonden houdt volgens de steller van het middel geen (rechtsgeldige) wijze van betekening in, maar enkel een (in deze) niet aangewezen wijze van kennisgeving.

Bij de gedingstukken bevinden zich, voor zover van belang:

- een akte van uitreiking van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2023, die inhoudt dat op 24 mei 2023 is gepoogd om de dagvaarding uit te reiken op het adres [a-straat 1] [plaats], maar dat dit niet is gelukt omdat er niemand aanwezig was c.q. bereid was om de dagvaarding aan te nemen, waarop de dagvaarding op 1 juni 2023 is teruggezonden aan het openbaar ministerie;

- een akte van uitreiking die inhoudt dat de dagvaarding op 6 juni 2023 is uitgereikt aan het openbaar ministerie en dat op die dag ook een afschrift van de dagvaarding is verzonden aan het adres [a-straat 1] [plaats] ;

- Informatiestaten SKDB van 4 mei 2023, 19 juni 2023 en 7 juli 2023, die onder meer inhouden dat de verdachte niet is gedetineerd, dat de verdachte vanaf 23 februari 2023 als ingezetene is ingeschreven op het adres [a-straat 1] [plaats] , dat dit adres op 29 maart 2023 als laatste woon-of verblijfplaats van de verdachte is opgegeven en dat bij het historische detentie adres “P.I. […] ” als einddatum 25 april 2023 is vermeld.

In het als productie 2 bij de schriftuur gevoegde reclasseringsrapport van 28 april 2023 – dat zich ook bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv toegezonden stukken bevindt – is de volgende passage opgenomen:

“9. Verantwoording

De cliënt is gesproken op 20-04-2023.

Medewerking betrokkene

De reclassering heeft telefonisch contact gezocht met [verdachte] omdat de opdracht in Drenthe werd neergelegd, maar betrokkene in […] in de PI zat. Omdat betrokkene bij voorkeur face to face contact wenste, hebben wij een collega reclasseringswerkers uit de regio van […] bereid gevonden om [verdachte] te bezoeken in de PI. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 20 april 2023.”

Art. 36e Sv houdt voor zover van belang het volgende in:

“1 De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

[…]

2 Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,

[…]

b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de

autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.

[…]”

Vooropgesteld moet worden dat indien de verdachte in Nederland is gedetineerd in verband met de strafzaak waarop de dagvaarding betrekking heeft, de dagvaarding aan hem in persoon moet worden uitgereikt (art. 36e lid 1 onder a Sv). Niet-naleving van dit voorschrift leidt tot nietigheid van de dagvaarding. Indien de verdachte in Nederland dan wel in het buitenland uit anderen hoofde is gedetineerd, behoeft de dagvaarding niet aan hem in persoon te worden betekend maar gelden wel de overige vereisten van art. 36e Sv. Verder geldt in verband met het aanwezigheidsrecht van de verdachte dat wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, behoort te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben in het geval dat op de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd. In een dergelijk geval dient het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst opdat het desbetreffende verzuim wordt hersteld, dan wel de gedetineerde verdachte alsnog in de gelegenheid wordt gesteld op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn.

Het hof heeft vastgesteld dat op 24 mei 2023 is gepoogd de dagvaarding in hoger beroep uit te reiken op het inschrijvingsadres van verdachte, te weten: [a-straat 1] te [plaats] . Ook heeft het hof vastgesteld dat de dagvaarding vervolgens niet is afgehaald op de afhaallocatie en dat deze op 6 juni 2023 door het openbaar ministerie als gewone brief is verzonden naar voormeld adres. Het hof heeft op grond van deze vaststellingen geoordeeld dat de dagvaarding op juiste wijze is betekend. Volgens de steller van het middel is dit oordeel onjuist omdat de verdachte toen – zoals zou blijken uit het reclasseringsrapport van 28 april 2023 betreffende de verdachte – in de PI […] verbleef.

Ik volg de steller van het middel niet in het door hem ingenomen standpunt. Uit de onder 3.7 weergegeven passage uit het reclasseringsrapport van 28 april 2023 volgt immers niet meer dan dat de verdachte op 20 april 2023 in PI […] zat. Eerst meer dan een maand later op 24 mei 2023 is gepoogd de dagvaarding uit te reiken op het BRP-adres van de verdachte, terwijl uit de onder 3.6 vermelde SKDB-overzichten blijkt dat bij het historische detentie adres “P.I. […] ” als einddatum 25 april 2023 is vermeld. Tegen deze achtergrond kon het hof oordelen dat de overeenkomstig het bepaalde in art. 36e lid 1 onder b jo. lid 2 onder b Sv uitgereikte dagvaarding op juiste wijze is betekend en overigens dat zich hier evenmin de onder 3.9 genoemde situatie voordoet waarin aan de stukken duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat er reden is om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen. Daarop stuit het middel mijns inziens af.

Hoewel niet wordt toegelicht waarom de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep ten onrechte zou zijn genomen, merk ik nog op dat het oordeel van het hof dat het hoger beroep te laat is ingesteld niet onbegrijpelijk is in het licht van de daaraan ten grondslag gelegde vaststellingen (zie onder 3.2), die steun vinden in de processtukken.

Het middel faalt.

4. Het tweede middel

De als middel gepresenteerde klacht houdt in dat de in het vonnis opgelegde gevangenisstraf in strijd met art. 6:1:16 Sv en art. 6 EVRM reeds ten uitvoer is gelegd.

Om als cassatiemiddel in de zin van de wet te worden geaccepteerd moet het gaan om een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De onderhavige klacht stuit af op het vereiste dat het cassatiemiddel zich moet keren tegen rechtsschennis of vormverzuim door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De klacht heeft immers betrekking op de (wijze van) executie van de in eerste aanleg opgelegde straf en daarmee klaagt deze niet over een handeling c.q. beslissing van de rechter maar van het openbaar ministerie.

Gelet hierop moet deze als middel aangeduide klacht onbesproken blijven.

5. Afronding

Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. De als tweede middel gepresenteerde klacht kan onbesproken blijven.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?