ECLI:NL:PHR:2026:387

ECLI:NL:PHR:2026:387

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer 23/03375
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie A-G. Veroordeling en strafoplegging wegens (feit 3) het medeplegen van het telen van een grote hoeveelheid hennep en strafbepaling o.g.v. art. 423 lid 4 Sv voor het door de rechtbank bewezenverklaarde (feit 5) medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van 747 gram hennep, art. 3 onder B en C Opiumwet. Middel klaagt over de begrijpelijkheid van de door het hof o.g.v. art. 423 lid 4 Sv bepaalde straf. A-G: in aanmerking genomen dat de rechtbank voor feiten 3 en 5 zes maanden gevangenisstraf heeft opgelegd, is het onbegrijpelijk dat het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf toeschrijft aan feit 3 en vervolgens de door de rechtbank opgelegde straf voor feit 5 bepaalt op vijf weken gevangenisstraf. Strekt tot vernietiging m.b.t. de opgelegde en bepaalde gevangenisstraf en terugwijzing.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/03375

Zitting 14 april 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 17 augustus 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnummer 20-001011-21) wegens het als feit 3 bewezenverklaarde "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel", veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de straf voor het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, in haar vonnis van 2 april 2021 (parketnummer 03/866100-17) als feit 5 bewezenverklaarde “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod” bepaald op vijf weken gevangenisstraf.

Er bestaat samenhang met de zaak 23/03377 P, de ontnemingszaak tegen de verdachte. Deze zaak is door de Hoge Raad reeds afgedaan met zijn arrest van 7 oktober 2025.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L. Bien, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. De zaak

Voor de beoordeling van de zaak is het volgende van belang. De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden wegens:

- (feit 3) het in de periode van 20 december 2016 tot en met 28 februari 2017 in [plaats] medeplegen van het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennepplanten, en

- (feit 5) het op 8 maart 2017 in [plaats] medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 747 gram hennep (feit 5).

Het tegen het vonnis van de rechtbank aanvankelijk onbeperkt ingestelde hoger beroep is later ingetrokken wat betreft de feiten 1 (nietigheid tenlastelegging), 4 (vrijspraak) en 5. Het hoger beroep was daardoor beperkt tot het onder 3 ten laste gelegde feit. Het hof had dus uitsluitend te oordelen over dat feit, met dien verstande dat het hof daarnaast de door de rechtbank voor feit 5 opgelegde straf moest bepalen zoals dat is voorgeschreven in art. 423 lid 4 Sv.

3. Het middel

Het middel klaagt over de motivering door het hof van de beslissing de door de rechtbank voor feit 5 opgelegde straf op grond van art. 423 lid 4 Sv te bepalen op vijf weken gevangenisstraf.

Ten aanzien van de op te leggen en te bepalen straf heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:

“Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De advocaat-generaal heeft voor de hennepteelt een gevangenisstraf gevorderd van 6 maanden met aftrek van voorarrest. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat met een taakstraf in combinatie met een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. De verdediging heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat verdachte enkel hennepstekken aanwezig heeft gehad en geen hennep heeft geteeld. Verder heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met het tijdsverloop en rechtvaardigen ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte; hij heeft nieuwe relatie en begint mogelijk met een beroepsopleiding en heeft geen nieuwe strafbare feiten gepleegd een andersoortige sanctie.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging voor wat betreft de hennepteelt het navolgende overwogen (p. 7 vonnis):

‘De verdachte heeft zich samen met zijn broer schuldig gemaakt aan de grootschalige teelt van hennep. In de woning aan de [a-straat] zijn in een kweekruimte 3901 hennepstekken aangetroffen. Daarnaast waren er nog twee andere kweekruimtes aanwezig. De verdachte heeft door het telen van hennep een bijdrage geleverd aan de handel in hennep. Hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving schade wordt berokkend. Afgezien van het feit dat hennepteelt verboden is, kan het ook gevaarlijke situaties zoals brandgevaar opleveren. De verdachte heeft de belangen van de maatschappij aan zijn laars gelapt voor zijn eigen financiële gewin.’

(..)…

De rechtbank heeft voor de straftoemeting gekeken naar de voor soortgelijke strafbare feiten, gebruikelijke straffen zoals opgenomen in de oriëntatiepunten voor straftoemeting, gepubliceerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De oriëntatiepunten zijn niet helemaal passend voor deze zaak. Voor het telen van 500 tot 1000 hennepplanten wordt een taakstraf van 180 uur en 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt genomen maar het gaat in deze zaak om een veel groter aantal aangetroffen stekken, waarbij stekken voor de strafmaat niet precies gelijk te stellen zijn aan hennepplanten.

(..)..

De rechtbank acht strafverzwarend dat de verdachte de feiten in vereniging heeft gepleegd. Ook is sprake van moederplanten die in de woning aan de [a-straat] zijn geteeld. Op basis van de inhoud van het dossier heeft de rechtbank de indruk bekomen dat de verdachte en zijn broer, gelet op de omvang van de kwekerijen alsmede de duur van de periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden, moeten worden gezien als een belangrijk onderdeel van de georganiseerde hennepteelt.

Uit de documentatie blijkt dat de verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet’

Het hof heeft geen reden anders te overwegen dan de rechtbank heeft gedaan, neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

De rechtbank is - met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn - gekomen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, zonder daarbij echter aan te geven welke gevangenisstraf het voor verdiscontering van de overschrijding van de redelijke termijn tot uitgangspunt heeft genomen. Het hof neemt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden tot uitgangspunt.

Met de rechtbank stelt het hof vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in eerste aanleg is overschreden. Met de rechtbank stelt het hof de aanvang van die termijn op de datum van het eerste verhoor van verdachte op 9 maart 2017. Het vonnis van de rechtbank is van 2 april 2021 waardoor de redelijke termijn die voor deze fase doorgaans op 2 jaren wordt gesteld, met meer dan twee jaar is overschreden.

In de fase van het hoger beroep is de redelijke termijn aangevangen op 16 april 2021 zijnde de datum waarop door verdachte hoger beroep is ingesteld. De termijn is geëindigd met het arrest van dit hof van 17 augustus 2023. Daarmee is de redelijke termijn die voor deze fase doorgaans eveneens op twee jaren wordt gesteld met vier maanden overschreden. Het hof ziet in vorenstaande overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden op te leggen.

Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding een andersoortige straf op te leggen. Verder is het hof gekomen tot een bewezenverklaring van hennepteelt en niet enkel het aanwezig hebben van hennep, zodat ook hierin voor het hof geen aanleiding is gelegen de verdediging te volgen in de voorgestelde strafmodaliteit.

Strafbepaling op de voet van artikel 423 lid 4 Wetboek van Strafvordering

Gelet op het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof een straf bepalen ten aanzien van het niet inhoudelijk aan zijn oordeel onderworpen door de rechtbank bewezenverklaarde feit 5 (het aanwezig hebben van 747 gram hennep). Voor dat feit bepaalt het hof als uitgangspunt een gevangenisstraf van 6 weken maar zal [het] gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, deze straf bepalen op een gevangenisstraf van 5 weken. Het hof ziet geen reden - zoals door de advocaat-generaal is gevorderd - om toepassing te geven aan artikel 9a Sr en aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen.”

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 augustus 2023 houdt onder meer in:

“De advocaat-generaal spreekt het requisitoir uit en deelt mede:

De rechtbank heeft een goed vonnis gewezen. Ook de overwegingen die de rechtbank aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd volg ik.

Dan de strafmaat. Daarvoor is van belang dat verdachte het hoger beroep ten aanzien van een aantal feiten partieel heeft ingetrokken. Dit betekent dat het hof - op de voet van het bepaalde in artikel 423 lid 4 Sv - straf zal moeten bepalen voor feit 5. Dit feit is door verdachte eerder bekend en betreft het medeplegen van het aanwezig hebben van 747 gram hennep. Daarbij valt op dat de rechtbank in de zaak van verdachte en in de zaak van de [medeverdachte] - ondanks het verschil in bewezenverklaarde feiten - eenzelfde straf heeft opgelegd, te weten een gevangenisstraf van 6 maanden. Dit betekent dat zowel bij verdachte als de medeverdachte het bewezenverklaarde feit van het medeplegen van hennepteelt de straf heeft bepaald. Ik stel me op het standpunt dat die straf voor dat feit passend is en verzoek u ten aanzien van feit 5 toepassing te geven aan artikel 9a Sr en aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen.

(…)

De raadsman spreekt het pleidooi uit en deelt mede:

(...)Wanneer het hof toch tot een bewezenverklaring van feit 3 komt dan kan met een taakstraf in combinatie met een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf worden volstaan. Bij de strafoplegging dient het tijdsverloop te worden betrokken en de omstandigheid dat cliënt in zijn leven een stap in de goede richting heeft gezet. Zo heeft hij een nieuwe relatie die stabiliteit biedt en begint hij mogelijk met een beroepsopleiding. Evenmin heeft cliënt na de onderhavige feiten nieuwe strafbare feiten gepleegd. Voor wat betreft de duur van de op te leggen taakstraf refereer ik me aan het oordeel van het hof.”

Art. 423 lid 4 Sv luidt:

“Indien bij samenloop van meerdere feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en het hooger beroep slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.”

Art. 423 lid 4 Sv betekent volgens de Hoge Raad dat “het hof moet beslissen welk gedeelte van de hoofdstraf en/of bijkomende straf(fen) en/of maatregel(en) geacht moet(en) worden door de eerste rechter te zijn opgelegd ter zake van het feit dat of de feiten die niet aan het oordeel van het Hof is/zijn onderworpen”. Bij het bepalen van de straf in de zin van art. 423 lid 4 Sv is geen sprake van strafoplegging als bedoeld in art. 359 lid 5 en 6 Sv. Dat betekent dat de in de leden 2, 5 en 6 van art. 359 Sv neergelegde motiveringsvoorschriften niet gelden. De wet bevat geen specifieke motiveringsvoorschriften in verband met art. 423 lid 4 Sv, maar de beslissing van het hof zal wel begrijpelijk moeten zijn.

Het middel klaagt zoals gezegd dat het hof onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd op grond van art. 423 lid 4 Sv de straf voor feit 5 heeft bepaald op een gevangenisstraf van 5 weken. In de toelichting wordt daartoe aangevoerd dat de door het hof bepaalde straf afwijkt van de vordering van de advocaat-generaal en dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het van zijn (uitdrukkelijk onderbouwde) standpunt is afgeweken. Hieraan wordt toegevoegd dat een opgave van de redenen die tot de bepaalde straf hebben geleid geheel ontbreekt.

Wat betreft de vordering van de advocaat-generaal en de manier waarop de bepaalde straf zich daartoe verhoudt, staat voorop dat namens de verdachte in cassatie niet met succes kan worden geklaagd over de afwijking door het hof van een standpunt dat niet door of namens de verdachte is ingenomen. Weliswaar wordt in cassatie opgemerkt dat de verdediging zich met het standpunt van de advocaat-generaal heeft vereenzelvigd en daarom geen verweer heeft gevoerd, maar uit het proces-verbaal dat van de terechtzitting is opgemaakt (zoals weergegeven onder randnummer 3.3) volgt dat niet. Ten overvloede merk ik op dat het hof heeft overwogen geen reden te zien om toepassing te geven aan art. 9a Sr. De klacht dat het hof “deze afwijking op geen enkele wijze gemotiveerd” heeft en de klacht dat een opgave van redenen geheel ontbreekt, missen daarom feitelijke grondslag.

Verder wordt in de toelichting aangevoerd dat de door het hof bepaalde straf niet te begrijpen is in het licht (van de motivering) van de door het hof opgelegde straf, waarbij het hof duidelijk aansluiting heeft gezocht bij de strafoplegging door de rechtbank.

Het hof heeft bij de strafoplegging voor feit 3 overwogen (reeds weergegeven onder randnummer 3.2, maar hier voor het lezersgemak herhaald):

“De rechtbank is - met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn - gekomen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, zonder daarbij echter aan te geven welke gevangenisstraf het voor verdiscontering van de overschrijding van de redelijke termijn tot uitgangspunt heeft genomen. Het hof neemt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden tot uitgangspunt.”

Die overweging is bezwaarlijk anders te lezen dan dat de rechtbank volgens het hof feit 3 heeft bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden. Deze overweging staat immers onder het kopje ‘Op te leggen sanctie’, alwaar het hof de strafoplegging voor feit 3 motiveert en een groot deel van de overwegingen van de rechtbank “voor wat betreft de hennepteelt” tot de zijne maakt. Deze overweging staat los van het bepalen van de straf voor feit 5 waarop het hof vervolgens ingaat in een afzonderlijke alinea onder het kopje “Strafbepaling op de voet van artikel 423 lid 4 Wetboek van Strafvordering”. In aanmerking genomen dat de door de rechtbank voor de feiten 3 en 5 opgelegde gevangenisstraf in totaal zes maanden bedroeg, is het mijns inziens onbegrijpelijk dat het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf eerst (volledig) toeschrijft aan feit 3 en vervolgens de door de rechtbank opgelegde straf voor feit 5 bepaalt op een gevangenisstraf van 5 weken. Voor zover het middel daarover klaagt, is het mijns inziens terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Het middel slaagt.

Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie op 31 augustus 2025 is overschreden. Voor het overige heb ik geen ambtshalve gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging en strafbepaling op grond van art. 423 lid 4 Sv, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?