PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01449
Zitting 14 april 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 2 april 2024 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, wegens 1. subsidiair "medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel", 2. subsidiair en 3. subsidiair “medeplichtigheid aan diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft tevens een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Nu de middelen beide klagen over het ‘dubbel opzet’ in verband met de bewezenverklaarde medeplichtigheid bij de diefstallen, lenen deze zich voor een gezamenlijke bespreking.
2. Het eerste en tweede middel
De middelen keren zich tegen de onder 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezenverklaarde medeplichtigheid aan diefstal van elektriciteit en water en klagen beide dat het ‘dubbel opzet’ daarop niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is onder 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezenverklaard:
“2. subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen in de periode van 1 september 2022 tot en met 30 december 2022 te [plaats] , een hoeveelheid elektriciteit, die aan Enexis toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl zijn mededader(s) dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking, bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 september 2022 tot en met 30 december 2022 te [plaats] , opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door het pand alwaar zich voornoemd elektriciteitsnetwerk bevond voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
3. subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen in de periode van 1 september 2022 tot en met 30 december 2022 te [plaats] , een hoeveelheid water, die aan Brabant Water toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl zijn mededader(s) dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking, bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 september 2022 tot en met 30 december 2022 te [plaats] , opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door het pand alwaar zich voornoemde watermeter bevond voor de teelt en/of het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.”
De bewezenverklaring rust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 december 2022 (pagina’s 5 en 6 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
Op vrijdag 30 januari 2022 (het hof begrijpt: vrijdag 30 december 2022) ging ik naar het adres [a-straat 1] te [plaats] . Op dit adres staat ingeschreven [verdachte] van [geboortedatum] -1981 (het hof begrijpt: de verdachte). Ik belde hierna samen met mijn collega aan bij omwonenden of zij wellicht de bewoner hadden gezien.
Ik kreeg het telefoonnummer (het hof begrijpt: van de verdachte) van een van de omwonenden en belde dit op. Toen ik belde werd er opgenomen door iemand die zich voorstelde als " [voornaam verdachte] ".
Ik vertelde hem het volgende: "Wij hebben een melding gekregen van een hennepkwekerij (het hof begrijpt: op het adres [a-straat 1] te [plaats] ) en willen graag even controleren of dit inderdaad zo is,” waarbij ik ook de verdachte de cautie mededeelde. De verdachte reageerde als volgt: "Uhm ja, ik denk wel dat er iets zit". Ik herhaalde het antwoord van de verdachte en vroeg aan hem: "Dus je geeft toe dat er een kwekerij zit". Hierop hoorde ik dat de verdachte zei: "Uhh, ja dat denk ik wel”.
In de woning trof ik op de eerste verdieping een grote kamer aan met daarin een inmiddels geruimde hennepkwekerij. Ik zag dat er 21 lampen hingen, een aantal zakken met hennepafval stonden en vele potten met potgrond. Tevens zag ik dat er travo's, klimaatkasten, luchtslangen en koolstoffilters hingen. Daarnaast hoorde ik een gezoem vanaf de zolder komen. Op zolder trof ik een henneptent aan met daarin volgroeide hennepplanten en 3 lampen aan. Deze kweektent was in bedrijf.
Binnen zat ten tijde van de ontmanteling de verdachte. Hij vertelde mij dat hij baalde van de controle, maar dat dit het risico was dat hij zelf had genomen. Hij vertelde mij tevens en ongevraagd dat hij er slechts 1.000 euro aan over had gehouden en dat iemand anders de kwekerij runde. Hij was er af en toe om de post te halen of te slapen als hij ruzie met zijn vriendin had.
2. Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 31 december 2022 (pagina’s 10 tot en met 15 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :
Op 30 november 2022 stelde ik een onderzoek in op het adres [a-straat 1] , [plaats] . In voornoemde woning werd op 30 december 2022 binnengetreden.
Kweekruimte 1
Na het binnentreden zag ik het volgende: betreft een slaapkamer. De wanden en het plafond van waren voorzien van zilveren isolatiefolie. Aan het plafond hingen twee OptiClimate Water Cooled Climate Systems. Deze waren aangesloten met een waterslang in de badkamer op de kraan van de douche. In de kwekerij hingen 21 assimilatielampen van 600 watt. Alle potten stonden aan de zijkant opgestapeld en de hennepplanten waren geoogst. In de potten zat potgrond met perlietkorrels. Er stonden 3 zwarte vuilniszakken met hierin knipafval, verdroogde takken en bladeren die overblijven na het knippen van de hennepplanten. Aan de wand hingen 21 transformators. Er lagen 4 witte droogrekken met hennepresten. Er hing 1 koolstoffilter aan het plafond. Er was 1 thermometer aanwezig en er hingen 5 ventilatoren. De hennepplanten kregen water en voeding door middel van een watervat dat in de badkamer stond met een dompelpomp met hieraan een waterslang met spuit. De kweekruimte was geïsoleerd. De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie. Er werd gebruik gemaakt van CO2 toevoeging.
Kweekruimte 2
Na het binnentreden zag ik het volgende: betreft de zolder. Op de zolder stond een henneptent. Er stonden in de henneptent 50 oogstrijpe planten. In de henneptent hingen 1 ventilator en 3 assimilatielampen. Er hing 1 koolstoffilter aan het plafond. Op de grond lag vijverfolie. De potten waren voorzien van potgrond met perlietkorrels. Op de grond naast de tent lagen 3 transformatoren. Ook lagen er 13 droogtrekken met hennepresten. Ik trof een vuilniszak aan met natte plantenresten. De planten werden voorzien van water door middel van een waterslang die aan de kraan bij de CV-ketel was aangesloten. De luchtverversing en luchtafvoer werden geregeld door een aan- en afzuiginstallatie.
Kweekruimte 3
Na het binnentreden zag ik het volgende: betreft de badkamer naast kweekruimte 1. De waterslang van de opticlimate was aangesloten op de kraan van de douche.
Voedingsmiddelen
In de verschillende kweekruimtes werden in totaal 5 lege voedingskannen aangetroffen:
- 1x 1 liter Calmag 2.0 BAC
- 1x 1 liter Basic Terra van Elixer
- 1x 1 liter Bloomstimulator van Elixer
- 1x 5 liter PK 13-14 van Plagron
- 1x 10 liter HY-Pro Terra Groei & Boei
Daarnaast warden er nog enkel volle voedingskannen aangetroffen zoals:
- 1 liter Leafspray
- 1 liter Pokon
- 1 liter PK 14-15 Bloombastic van Atami
- 1 liter Pokon tegen insecten
Vaststelling hennep
Ik constateerde op grond van mijn kennis en ervaring dat het hennepplanten waren.
Elektriciteitsvoorziening
De elektriciteitsvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht. Hierbij werd geconstateerd dat de elektriciteitsvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek dat er vanuit de meterkast een illegale aftakking was gemaakt die leidde naar de kwekerij. Deze ging buiten de meter om.
Watervoorziening
De watervoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht. Hierbij werd geconstateerd dat de watervoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek dat de watermeter in de kruipruimte was omgedraaid. Dus deze registreerde niet correct het waterverbruik.
3. Het proces-verbaal van verdenking d.d. 3 januari 2023 (pagina 17 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :
In het opsporingsonderzoek contra de verdachte:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1981
Op 30 december 2022 troffen we in de woning (het hof begrijpt: op het adres [a-straat 1] te [plaats] ) een hennepkwekerij aan op zolder met 50 oogstrijpe planten in een henneptent en een lege hennepkwekerij op de eerste verdieping, waar de planten net geknipt en gedroogd waren. Hier hadden zo'n 360 hennepplanten gestaan.
4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. (pagina’s van het politiedossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van de [verdachte] :
V = vraag verbalisant
A = antwoord verdachte
O = opmerking verbalisant
V: Waar woon je?
A: [a-straat 1] in [plaats] .
V: Met wie woon je op het genoemde adres?
A: Ik woonde daar alleen.
V: Wat bedroeg de huursom?
A: 700 euro ongeveer
V: Wie hadden er allemaal een sleutel van de woning?
A: Ik, achterbuurvrouw. En degene die in mijn huis is geweest.
V: Wie bedoelt u?
A: Degene die het er neer heeft gezet.
V: Sinds wanneer zijn de goederen (het hof begrijpt: ten behoeve van de hennepteelt) in het pand aanwezig?
A: Sinds september.
V: Wanneer is deze kweekruimte geïnstalleerd en daadwerkelijk in bedrijf gekomen op de slaapkamer?
A: Omstreeks september 2022.
V: Wanneer is deze kweekruimte geïnstalleerd en daadwerkelijk in bedrijf gekomen op de zolder?
A: Ook september 2022.
V: Hoeveel maal is er geoogst?
A: 1 keer.
V: In de woning zei u tegen onze collega dat u 1000 euro zou krijgen.
A: Klopt, ik zou 1000 euro per maand ontvangen om de vaste lasten te betalen.
V: Wie is als verbruiker geregistreerd bij het betreffende energiebedrijf?
A: Ik.
V: Wie is als verbruiker geregistreerd bij het betreffende waterbedrijf?
A: Ik.
5. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 339, eerste lid onder sub 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een aangifte van [aangever 1] namens Enexis Netbeheer B.V. (pagina’s 41 tot en met 54 van het politiedossier):
Op 30 december 2022 werd diefstal energie aangetroffen in het pand op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Bij controle van de netcomponenten en de installaties in de meterkast van het genoemde pand heeft de monteur vastgesteld dat er sprake is van diefstal elektriciteit. Uit onderzoek bleek dat er een illegale elektriciteitskabel was aangelegd die buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de elektrische installatie en die de aangesloten installatie voorzag van elektriciteit. Om deze aftakking te kunnen realiseren, is het noodzakelijk geweest dat het door Enexis Netbeheer verzegelde deksel van de hoofdaansluitkast gedemonteerd is of is geweest. Hiervoor heeft Enexis Netbeheer geen toestemming verleend.
6. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 339, eerste lid onder sub 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een specificatie netverlies elektriciteit, als bijlage gevoegd bij de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Enexis B.V.
Dossier 5144HB00122: [a-straat 1] , [postcode] [plaats]
Berekend verbruik voor de aangetroffen teelt
Ruimte 2 zolder: 2.411,640 kWh
Berekend verbruik voor voorgaande teelt
Ruimte 1: 13.546,680 kWh
Totaal berekend verbruik plantage: 15.958,320 kWh
Totaal ruimte 1: € 5.668,20
Totaal ruimte 2: € 1.009,03
7. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 339, eerste lid onder sub 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een aangifte van [aangever 2] namens Brabant Water N.V. (doorgenummerde pagina’s 56 tot en met 61 van het politiedossier met daartussen ongenummerde pagina’s):
Ik, [aangever 2] , ben in mijn hoedanigheid van Groepsleider Klant Support bij drinkwaterbedrijf Brabant Water N.V. gerechtigd tot het doen van aangifte van strafbare feiten die worden gepleegd ten nadeel van genoemd bedrijf.
Brabant Water N.V. transporteert en distribueert drinkwater naar particulieren en bedrijven, waaronder naar de contractant/eigenaar van pand [a-straat 1] in te [plaats] . Op 30 december 2022 is tijdens de binnentreding in dit pand een hennepkwekerij aangetroffen.
Uit onze administratie blijkt dat [verdachte] in elk geval op het moment van binnentreden de contractant is van genoemd perceel.
Door diefstal van het drinkwater werd aan Brabant Water N.V. schade toegebracht. Mede aan de hand van de periode waarover dat dit plaatsvond, van 9 weken en de aangetroffen apparatuur in het pand werd een berekening gemaakt van de hoeveelheid gestolen drinkwater.
Voor een nadere uitleg van de berekening verwijs ik u naar bijgevoegde toelichting rapport bevindingen inclusief indicatoren en foto's en de berekening drinkwaterverbruik.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van de voormelde feiten.
Bijlage 1 - rapport bevindingen
De monteur in dienst van Brabant N.V. meldt dat het onderstaande is waargenomen.
Op datum: 30 december 2020
Op het adres: [a-straat 1]
Plaats: [plaats]
Aan de drinkwaterinstallatie tot en met de watermeter (eigendom van Brabant Water N.V.) is waargenomen: de watermeter is gemanipuleerd, de keerklep is verwijderd. De watermeter is in normale stroomrichting aangetroffen. Dit betekent dat hier sprake is van diefstal van drinkwater.
Bijlage 3 - berekening drinkwaterverbruik in kuubs (M3)
Opticlimate 6000 Pro 3/3B/4: 990x630x505
Aantal kasten: 2
Waterverbruik klimaatkasten 725,76
Waterverbruik planten 0,74
Totaal waterverbruik (m3) 726,50”
Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten het volgende overwogen:
“Feiten en omstandigheden
Het hof stelt op basis van het politiedossier vast dat in verschillende ruimtes van de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] apparatuur, afval en sporen zijn aangetroffen die in verband worden gebracht met hennepteelt. De politie trof in de woning twee kweekruimtes aan, waarvan nog één ruimte op het moment van aantreffen in bedrijf was. In deze kweekruimte werden 50 oogstrijpe hennepplanten gevonden. Door de politie is berekend dat in de andere kweekruimte ongeveer 360 hennepplanten hebben gestaan. Volgens de verdachte zijn beide kweekruimtes in september 2022 geïnstalleerd en in bedrijf getreden en is er eenmaal geoogst. De verdachte was de huurder van de woning, waarvan de huursom € 700,- per maand bedroeg. De verdachte heeft verklaard dat hij de woning voor hennepteelt beschikbaar heeft gesteld aan een ander en dat hij als vergoeding voor de vaste lasten van de woning een bedrag van € 1000,- per maand zou ontvangen. Deze andere persoon beschikte net als de verdachte over een sleutel van de woning. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij af en toe in de woning kwam om de post te halen of om te slapen wanneer hij ruzie had met zijn vriendin.
Medeplichtigheid
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit ten aanzien van het door de politierechter onder 2 en 3 bewezenverklaarde. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte - die weliswaar zijn woning beschikbaar stelde voor de hennepteelt - in de tenlastegelegde periode aanwezig is geweest op de locatie waar de hennepkwekerij is aangetroffen en dat hij wist wat daar precies plaatsvond. Onder verwijzing naar jurisprudentie heeft de verdediging betoogd dat het enkele feit dat een persoon wetenschap heeft van de aanwezigheid van een hennepkwekerij en daarbij de rol van medeplichtige vervult, niet direct meebrengt dat iemand ook medeplichtig is aan diefstal van elektriciteit en/of water ten behoeve van die hennepkwekerij. De verdediging stelt zich op het standpunt dat in het procesdossier redengevende bewijsmiddelen ontbreken op grond waarvan kan worden gesteld dat de verdachte wetenschap van die diefstal had.
Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2° Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict).
Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte wist van de hennepkwekerij en dat hij daarover kon beschikken.
Het hof kan niet vaststellen dat de verdachte zelf hennep teelde (feit 1 primair), dan wel met anderen teelde of deed telen. Evenmin kan het hof vaststellen dat de verdachte zelf de elektriciteit (feit 2 primair) en het water (feit 3 primair) gestolen heeft door middel van verbreking. De verdachte zal in zoverre van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Wel staat vast dat elektriciteit en water is gestolen en dat degene die dat gedaan heeft toegang had tot het pand waarin zich, behalve de woning van de verdachte, ook de meterkast en watermeter bevond.
Het hof houdt de verdachte aan zijn verklaring dat hij aan een ander een sleutel van het pand waarin zich de elektriciteits- en watermeter bevonden ter beschikking heeft gesteld, maar dat hij ook zelf over een sleutel beschikte en nog af en toe in de woning kwam.
Het is een algemeen bekend gegeven dat henneptelers voor hun kwekerijen illegaal stroom en water afnemen. Wie, zoals de verdachte, een sleutel van zijn woning aan een ander ter beschikking stelt ten behoeve van de hennepteelt door die ander, wil bewust of aanvaardt tenminste bewust de aanmerkelijke kans dat ten behoeve van die kwekerij illegaal stroom en water wordt afgenomen en dat daartoe in de woning aanwezige aansluitingen worden gemanipuleerd. Het hof neemt hierbij nog in aanmerking dat de verdachte heeft verklaard dat hij van degene die de hennep zou telen 1000 euro per maand zou ontvangen om de vaste lasten te betalen, terwijl alleen al de huur van de woning volgens verdachtes verklaring ongeveer 700 euro per maand bedroeg en de vergoeding nooit voldoende zou zijn om de voor de kwekerij extra benodigde elektriciteit en het water op legale wijze te kunnen afnemen.
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte zowel opzet heeft gehad op behulpzaam zijn/verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen als (voorwaardelijk) opzet op - kort gezegd - het wegnemen van elektriciteit en water.”
Ik stel voorop dat in gevallen – zoals in de onderhavige zaak – waarin het aantreffen van een hennepkwekerij gepaard gaat met het aantreffen van aanwijzingen dat er ten behoeve van de kwekerij elektriciteit en water illegaal (‘buiten de meter om’) wordt afgenomen en de verdachte op die grond (ook) de diefstal van elektriciteit en water wordt verweten, die diefstal zelfstandige aandacht verdient in de bewijsvoering. De betrokkenheid van de verdachte bij de teelt van hennep brengt immers op zichzelf nog niet mee dat hij zich ook schuldig maakt aan het opzettelijk wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit. Dat als algemeen uitgangspunt kan gelden dat een rechthebbende weet wat zich in zijn pand bevindt dan wel wat zich daar afspeelt, volstaat doorgaans niet voor het bewijs van het opzettelijk wegnemen van de elektriciteit. Wel kunnen concrete gedragingen van de verdachte waaruit zijn betrokkenheid bij die teelt blijkt en de omstandigheden waaronder die teelt plaatsvond, meebrengen dat (het niet anders kan zijn dan dat) de verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan het wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit. Dat een verdachte de huurder is van een pand waarin hennep wordt gekweekt, weet heeft van de kwekerij en weet dat elektriciteit wordt gestolen, is – zonder nadere concretisering van de door de verdachte verrichte handelingen – ontoereikend voor een bewezenverklaring van diefstal van elektriciteit.
Deze rechtspraak heeft vooral betrekking op gevallen waarin de verdachte wordt verweten dat hij zich als (mede)pleger schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep en tevens vervolgd wordt voor het (mede)plegen van diefstal van elektriciteit en/of water. Evenwel heeft deze rechtspraak naar mijn mening ook betekenis voor gevallen als onderhavige waarin de verdachte vervolgd wordt voor medeplichtigheid bij/tot hennepteelt én voor medeplichtigheid bij/tot diefstal van elektriciteit en water. Zowel bij (mede)plegen als bij medeplichtigheid dient immers opzet te bestaan op het stelen van de elektriciteit en het water. Voor medeplichtigheid is daarbij vereist dat de verdachte zogenoemd ‘dubbel opzet’ heeft, dus zowel op zijn medeplichtigheidshandelingen als op het begaan van het grondfeit door de pleger. Met betrekking tot de medeplichtigheidshandelingen gaat het erom dat dat de medeplichtige het door een ander begaan misdrijf daadwerkelijk heeft bevorderd en/of heeft vergemakkelijkt. Het opzet op het grondfeit – waaronder voorwaardelijk opzet is begrepen – dient aanwezig te zijn op het moment dat de medeplichtige het desbetreffende misdrijf bevordert.
Over het door het hof aanwezig geachte voorwaardelijk opzet merk ik nog het volgende op. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Onder een ‘aanmerkelijke kans’ op een bepaald gevolg verstaat de Hoge Raad: een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat dit gevolg zal intreden. Met ‘aanmerkelijke kans’ wordt naar het oordeel van de Hoge Raad geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’.
Het middel klaagt dat ten aanzien van het onder 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde de medeplichtigheid niet uit de bewijsvoering kan volgen. Daartoe wordt aangevoerd dat:
(i.) de bewijsvoering geen zelfstandige bewijsmiddelen inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat verzoeker op de hoogte was of moet zijn geweest van de manipulatie van de elektriciteitsaansluiting en de illegale afname daarvan, dan wel dat verzoeker óók opzettelijk gelegenheid heeft geboden om elektriciteit te stelen door (enkel) zijn woning beschikbaar te stellen aan een ander voor een hennepkwekerij en
(ii.) de algemene veronderstelling van het hof dat de verdachte, door een sleutel van zijn woning aan een ander beschikbaar te stellen, daarmee automatisch ten minste bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat illegaal stroom wordt afgenomen ten behoeve van een hennepkwekerij, daarvoor ontoereikend is.
Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte de huurder was van een pand dat hij onderverhuurde aan personen die daar – met zijn wetenschap – een hennepkwekerij hadden opgebouwd en exploiteerden. Verder volgt daaruit dat de elektriciteits- en watervoorziening in dat pand gemanipuleerd waren, de verdachte degene was die elektriciteit en water betaalde, hij een vergoeding van € 1.000 ontving voor betaling van de ‘vaste lasten’ en verdachte bij tijd en wijle in dat pand kwam om post op te halen of te slapen als hij ruzie had met zijn vriendin.
Het hof heeft overwogen dat het een algemeen bekend gegeven is dat henneptelers voor hun kwekerijen illegaal stroom en water afnemen en dat degene die een sleutel van zijn woning aan een ander ter beschikking stelt ten behoeve van de hennepteelt door die ander, bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat ten behoeve van die kwekerij illegaal stroom en water wordt afgenomen en dat daartoe in de woning aanwezige aansluitingen worden gemanipuleerd. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte heeft verklaard dat hij van degene die de hennep zou telen € 1.000 per maand zou ontvangen om de vaste lasten te betalen, terwijl alleen al de huur van de woning volgens verdachtes verklaring ongeveer € 700 per maand bedroeg en de vergoeding nooit voldoende zou zijn om de voor de kwekerij extra benodigde elektriciteit en het water op legale wijze te kunnen afnemen.
Als de bewijsoverweging van het hof wordt bezien in het licht van de hiervoor weergegeven rechtspraak, dan blijkt dat de diefstallen zelfstandig aandacht hebben gekregen in de bewijsvoering. Daarbij lijkt het hof met de verwijzing naar ‘een algemeen bekend gegeven’ en naar de ontoereikendheid van de vergoeding voor elektriciteit en water, te onderbouwen dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat de hennepteelt gepaard zou gaan met deze diefstallen. De aanvaarding van deze kans, leidt het hof kennelijk af uit de omstandigheid dat de verdachte ondanks deze kennis zijn woning ter beschikking heeft gesteld voor de hennepteelt.
Voor zover het hof met ‘een algemeen bekend gegeven’ doelt op een feit van algemene bekendheid, kan ik het hof daarin niet volgen. Niet gezegd kan worden dat bij ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen, dus zowel binnen als buiten de kring van de justitiële autoriteiten, geacht moet worden bekend te zijn dat hennepteelt op zodanige wijze gepaard gaat met de illegale afname van stroom dat in de wetenschap van het bestaan van een hennepkwekerij de bewustheid besloten ligt dat een aanmerkelijk kans bestaat dat daadwerkelijk stroom wordt gestolen. Voor de diefstal van water geldt dit in nog sterkere mate.
Het hof noemt verder bijvoorbeeld geen concrete gedragingen van de verdachte waaruit zijn betrokkenheid bij die teelt blijkt in combinatie met de omstandigheden waaronder die teelt plaatsvond. Zo heeft het hof wel de verklaring van de verdachte bij de bewijsmiddelen opgenomen dat hij af en toe in de woning verbleef, maar heeft het dit gegeven niet verbonden met betrokkenheid bij de kwekerij zelf of met bijvoorbeeld de zichtbaarheid in de woning van de illegale afname van elektriciteit en water.
Dat het hof wel ‘in aanmerking heeft genomen’ dat de verdachte een vergoeding van € 1.000 ontving van de eigenaar van de kwekerij voor betaling van de vaste lasten, terwijl de huur alleen al € 700 was en die vergoeding nooit voldoende zou zijn om op legale wijze elektriciteit voor de kwekerij af te nemen, maakt wat mij betreft niet dat het hof het opzet wel bewezen kon verklaren. Mij wordt uit de overwegingen van het hof namelijk niet duidelijk of het dit aanmerkt als een omstandigheid waarvan het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest. Dat de verdachte een vergoeding voor de ‘vaste lasten’ ontving die de huur te boven ging, kan immers op zichzelf worden gezien als een aanwijzing dat de elektriciteit en het water legaal worden afgenomen. Dit is slechts anders als de verdachte daadwerkelijk een inschatting heeft gemaakt (en kon maken) dat dit bedrag daarvoor onvoldoende zou zijn.
Het oordeel van het hof dat het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde is bewezen, acht ik dan ook niet zonder meer begrijpelijk, zodat beide middelen terecht zijn voorgesteld.
3. Afronding
Beide middelen slagen.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaren nadat op 15 april 2024 beroep in cassatie is ingesteld. In het geval de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigt en de zaak terugwijst naar het hof, kan de schending van de redelijke termijn in cassatie tijdens die behandeling aan bod komen. Indien dat niet het geval is, dan dient, afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn overschreden wordt, deze overschrijding van de redelijke termijn in cassatie te leiden tot constatering van die overschrijding of tot strafvermindering.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof, maar uitsluitend wat betreft de bewezenverklaringen van het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezenverklaarde en de straf, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG