PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02864 B
Zitting 21 april 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 9 juli 2024 (raadkamernummer 24-004534) het klaagschrift ex art. 552a Sv van de klager, strekkende tot teruggave van een (op 3 februari 2024) inbeslaggenomen auto, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. De advocaten S.A.H. Vromen en J.S. Nan hebben een middel van cassatie voorgesteld waarin wordt geklaagd dat de rechtbank bij haar oordeel dat de latere verbeurdverklaring van de auto door de strafrechter niet hoogst onwaarschijnlijk is, de voorwaarden had moeten betrekken die art. 33a lid 2 Sr stelt aan de verbeurdverklaring van voorwerpen die niet toebehoren aan de veroordeelde.
2. De beschikking van de rechtbank
De beschikking van de rechtbank houdt het volgende in.
“Inleiding
Het beklag strekt tot teruggave van een auto van het merk Audi, type A3 sportback, met Duits [kenteken] .
Tegen de klager is de verdenking gerezen dat hij meermalen heeft gereden zonder geldig (kenteken)bewijs en zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 36 van het Wegenverkeerswet 1994.
(…)
Het standpunt van klager
De klager heeft verzocht om teruggave van de auto, omdat hij rechtmatig gebruiker is van de auto. Namens klager is naar voren gebracht dat hij voor de auto motorrijtuigenbelasting betaalt en kort na de inbeslagname een aanslag BPM heeft ontvangen, die klager inmiddels heeft voldaan. Hij kan het kenteken van de auto niet omzetten, omdat de auto wordt geleased. Derhalve voldoet klager aan de wettelijke voorwaarden om met een buitenlands kenteken in Nederland te mogen rijden.
(…)
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Niet gevergd kan worden dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden. Indien het beklag zich richt tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van hel beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich onder andere tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter (a) beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, (b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat. Bij die belangen kan het gaan om het aan de dag brengen van de waarheid - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het belang van strafvordering vordert ook het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank is van oordeel dat een strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag op het voertuig. Op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden en het verhandelde in raadkamer stelt de rechtbank vast dat tegen klager de verdenking is gerezen dat hij op 28 november 2023, 4 december 2023 en 6 januari 2024 zonder geldig kenteken heeft gereden. Dat klager inmiddels BPM-aangifte heeft gedaan en belasting zou betalen, maakt niet dat geconcludeerd kan worden dat de auto momenteel is voorzien van een juiste registratie en geschikt wordt geacht om deel te nemen aan het verkeer.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de auto zal bevelen. Een en ander kan anders zijn indien het beslag als disproportioneel zou moeten worden beoordeeld, maar hiervan is niet gebleken.”
De klager en zijn raadsman hebben, voor zover van belang, bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer het volgende aangevoerd.
“De advocaat van de klager voert het woord:
Het gaat om een inbeslaggenomen leaseauto. In 2019 heeft cliënt contact gehad met de leasemaatschappij met de vraag of hij de auto mag omzetten. Zij hebben aangegeven dat het kenteken niet omgezet mag worden, zolang de afbetaling van de auto nog loopt. De RDW heeft de auto gekeurd en de BPM is vastgesteld. De belasting heeft ook bevestigd dat het onderzoek is uitgevoerd. Er worden twee wettelijke eisen gesteld, namelijk de BPM en belasting en dat heeft cliënt ook gedaan. Aan alle wettelijke eisen is voldaan zodat cliënt met de auto mag rijden. Hij mag het kenteken niet omzetten van de leasemaatschappij. Ter onderbouwing van mijn standpunt, wil ik graag stukken per mail overleggen (als bijlage gehecht aan dit proces-verbaal). Die stukken zijn in het Duits en het gaat specifiek om pagina 10. Ik stel mij primair op het standpunt dat cliënt aan alle wettelijke vereisten heeft voldaan om met de auto te mogen rijden. Subsidiair, indien u van oordeel bent dat niet aan alle wettelijke vereisten is voldaan, merk ik op dat cliënt vooralsnog maandelijks betaalt voor de leaseauto en dat hij in dat geval de auto wenst terug te geven aan de leasemaatschappij.
(…)
De klager verklaart daartoe:
Zoals mijn advocaat ook heeft aangegeven heb ik gevraagd of ik het kenteken mocht omzetten. Ik heb contact gezocht met de leasemaatschappij en de belastingdienst. Vanaf het begin heb ik wegenbelasting betaald en vanaf dit jaar is ook de BPM bepaald. Ik kreeg steeds verschillende informatie. Ik heb verschillende keren aangegeven dat ik een boete zou krijgen en ze zeiden dat ze dat zouden natrekken. Dit is zo door gegaan totdat mijn auto in beslag werd genomen. Toen begreep ik pas waarom dit allemaal was.”
3. Juridisch kader
Artikel 33a leden 1 en 2 Sr luiden als volgt:
“1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;
b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;
c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
d. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd;
e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd;
f. z<em>aem>kelijke rechten op of persoonlijke rechten ten <em>aem><em>aem>nzien v<em>aem>n de onder <em>aem> tot en met e bedoelde voorwerpen.
2. Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien:
a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of
b. niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.”
Op grond van art. 33a lid 2 onder a Sr is de verbeurdverklaring van voorwerpen die toebehoren aan een ander dan de veroordeelde onder bepaalde voorwaarden mogelijk. Die ander moet er dan mee bekend zijn dat het voorwerp dat hem toebehoort was verkregen door een strafbaar feit, of bekend zijn met het gebruik of de bestemming in verband daarmee, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs hebben kunnen vermoeden. De beklagrechter die meent dat de latere verbeurdverklaring van een voorwerp dat toebehoort aan een ander dan de verdachte niet hoogst onwaarschijnlijk is, zal daarom bij zijn beoordeling moeten betrekken of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende stafrechter tot het oordeel zal komen dat aan deze wettelijke voorwaarden is voldaan. Dat is niet anders indien het de verdachte zelf is die als beslagene op de voet van art. 552a Sv klaagt over het onder hem gelegde beslag op een voorwerp dat een ander toebehoort.
4. Bespreking van het middel
Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de auto zal verbeurdverklaren. Aangevoerd wordt dat door de klager en zijn raadsman in raadkamer is gesteld dat het om een leaseauto gaat en de afbetaling nog loopt – en de auto volgens de stellers van het middel derhalve eigendom is van de leasemaatschappij – en dat de rechtbank, gelet daarop, blijk had moeten geven van een beoordeling of voldaan is aan de voorwaarden die art. 33a lid 2 Sr stelt aan de verbeurdverklaring van voorwerpen die niet aan de veroordeelde toebehoren.
Het cassatiemiddel is mijns inziens terecht voorgesteld. Niet onvermeld mag blijven dat het klaagschrift van de klager vermeldt dat de klager eigenaar is van de auto. Maar blijkens het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer heeft de raadsman aldaar aangevoerd dat de auto een leaseauto betreft, de klager vooralsnog maandelijks betaalt aan de leasemaatschappij en de leasemaatschappij heeft aangegeven dat het kenteken van de auto niet omgezet mag worden zolang de afbetaling nog loopt. Het subsidiaire standpunt van de verdediging houdt verder het verzoek in de auto ‘terug te geven’ aan de leasemaatschappij. Bovendien heeft de rechtbank, blijkens de weergave van het standpunt van de klager in haar beschikking, dat standpunt aldus opgevat dat de klager de teruggave van de auto verzoekt omdat hij ‘rechtmatig gebruiker’ is van de leaseauto - en, zo begrijp ik, dus kennelijk niet de eigenaar.
Gelet op dit voorgaande moet worden aangenomen dat de klager - ook in de ogen van de rechtbank - in raadkamer is teruggekomen op de stelling in het klaagschrift dat hij eigenaar is van de auto en het standpunt heeft ingenomen dat hij slechts ‘rechtmatig gebruiker’ is van de leaseauto. In dat licht is de beschikking van de rechtbank ontoereikend gemotiveerd. Indien de rechtbank heeft geoordeeld dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter niettemin zal oordelen dat de inbeslaggenomen auto toebehoort aan de klager, behoeft dat oordeel in het licht van hetgeen door en namens de klager is aangevoerd nadere motivering. Indien de rechtbank heeft geoordeeld dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de stafrechter zal oordelen dat de auto toebehoort aan de leasemaatschappij en de auto zal verbeurdverklaren, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd in het licht van de eisen die art. 33a lid 2 Sr in dat geval stelt aan de verbeurdverklaring.
5. Slotsom
Het middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG