PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02781
Zitting 21 april 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 17 juli 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002116-23) wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 (oud) Sr) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat P. van de Kerkhof heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. De bewezenverklaring en bewijsvoering
Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 18 maart 2023 te [plaats] door een andere feitelijkheid, te weten door in een lift dicht bij [aangeefster] te staan en vervolgens onverhoeds naar de bovenkant van het topje van die [aangeefster] te grijpen, die [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het vastpakken van het topje ter hoogte van haar borst en het aanraken van haar bovenlichaam.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 27 maart 2023, dossierpagina 26 tot en met 28, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Informatie over het gesprek
Informatief gesprek met: [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 1997 te [plaats]
Rol gesprekspartner: aangeefster
Feiten en omstandigheden
Wat is er globaal gebeurd:
[aangeefster] wilde een informatief gesprek zeden omdat zij op 18 maart 2023 zou zijn aangerand door een voor haar onbekend persoon.
[aangeefster] vertelde dat zij op 18 maart 2023, omstreeks 22.30/23.00 uur thuiskwam. Zij woont aan de [a-straat] in [plaats] waar alleen studenten woonachtig zijn. [aangeefster] woont op de 8e verdieping van een appartementencomplex. Bij thuiskomst zette zij haar fiets in de fietsenstalling op -1 waarna zij de lift pakte om naar haar appartement te gaan. Toen zij in de lift stapte stond daar een voor haar onbekende man in.
Toen de lift op 0 aankwam en de deuren open gingen stapte de man niet uit.
Toen de liftdeuren dichtgingen en de lift omhoog (het hof begrijpt: ging) begon de man tegen [aangeefster] te praten. Hij zei tegen [aangeefster] dat ze er mooi uitzag.
De man pakte [aangeefster] vervolgens bij haar zwartje truitje ongeveer ter hoogte van haar borsten. [aangeefster] had op dat moment haar armen over elkaar ter hoogte van haar borst. [aangeefster] voelde zich bang. Ook het feit dat ze in een dichte lift stond en niet weg kon, durfde ze haast niet te bewegen.
2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 27 maart 2023, dossierpagina 29 tot en met 32, voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :
V: Vraag verbalisanten
A: Antwoord aangeefster
V: Waar kom je aangifte van doen?
A: Aanranding.
V: Wanneer is dat gebeurd?
A: Op 18 maart 2023. Omstreeks 22.30 uur.
V: Waar is dat gebeurd?
A: In de lift van het appartementencomplex waar ik woon. Het appartementencomplex betreft [a-straat] in [plaats] .
V: Vertel ons eens chronologisch wat er precies is gebeurd?
A: 18 maart 2023, kwam ik rond 22.30 uur thuis. Ik woon aan de [a-straat] in [plaats] . Dit is een appartementencomplex waar enkel studenten wonen. (...)
Ik woon op 8 hoog en meestal ga ik met de lift naar boven. Zo ook deze keer. Toen de ene lift aan kwam en ik kon instappen zag ik dat er al een man in de lift stond. (...) Toen de lift op 0 stopte bleef de man in de lift staan. Hierna ging de lift verder naar verdieping 8. (...)
Hij zei: “Je ziet er mooi uit.”(...)
De man zei: “Zwart staat je goed.” De man ging toen met zijn hand richting de bovenkant van mijn topje. Hij raakte hierbij het topje aan. Ik had op dat moment een jas aan die ik open had hangen, een zwart topje eronder en een spijkerbroek. Mijn armen had ik op dat moment over elkaar. Toen de man mij aanraakte bevroor ik. Ik was bang en omdat ik in de lift stond kon ik niet weg.
V: Kun je de lift omschrijven?
A: Het is een kleine lift.
V: Hoe groot was de afstond tussen jullie?
A: Hij kwam daarna dichter bij mij staan toen hij die opmerkingen ging maken.
V: De man raakte jou dan aan. Wat kun je daar over vertellen?
A: Hij zei: “Zwart staat je goed.” Hij pakte eigenlijk gewoon de bovenkant van mijn topje vast en hij trok er een beetje aan.
V: Hoe lang duurt dat dan?
A: Een aantal seconden.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 april 2023, dossierpagina 34, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 3] :
Naar aanleiding van een aanranding, gepleegd op 18 maart 2023 in de lift van de [a-straat] , heb ik de camerabeelden aangeleverd door [a-straat] bekeken.
Ik herken de man op desbetreffende camerabeelden als dezelfde man op de foto van de ID-staat van [verdachte] .
Op de aangeleverde beelden is als datum 18-03-2023 te zien. Om 22.57.33 zie ik [verdachte] een lege lift instappen. Kort hierna stapt een vrouw in de lift.
De vrouw heeft een beige lange jas aan, een zwart shirt, een lichte broek. Ik zie dat [verdachte] tegen de vrouw praat. Ik zie dat de vrouw haar armen over elkaar heeft en dat [verdachte] met zijn linkerhand de vrouw op haar kleding betast boven haar linkerarm. Ze heeft haar armen nog steeds over elkaar gesloten voor haar lichaam.
4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 april 2023, dossierpagina 53 tot en met 59, voor zover inhoudende ais verklaring van [verdachte] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
O: Opmerking verbalisant
(pagina 56)
V: Er is aangifte gedaan van aanranding tegen jou dat volgens aangever gepleegd zou zijn op 18 maart 2023 omstreeks 22.30 uur in de [a-straat] in [plaats] . Wat kan je daar over verklaren?
A: Wat ik daarover kan verklaren is dat ik inderdaad wel eens contact heb gezocht met studenten zeg maar.
O: Ik toon nu foto’s die zijn gemaakt in de lift van de [a-straat] . Wat je zie je op deze foto’s?
A: Ja, dit klopt en dat ben ik. (...) Ja ik kan me dit herinneren en haar kan ik ook herinneren. (...) Ik ben ook een mens en heb ook mijn behoeftes enzo zeg maar. Dat ik haar zo snel aanraak zou ik normaal ook niet doen eigenlijk snap je. Dit is voor mij ook geen normale gang van zaken.
(pagina 57)
V: Wat was hiervan jouw intentie?
A: Waarschijnlijk heb ik meer tijd genomen om te kijken of ik haar kon versieren.
V: Hoe probeerde je haar te versieren dan?
A: Aardig en vriendelijk proberen het gesprek aan te gaan en inderdaad voor mij ook te snel haar aangeraakt.
V: Je zegt dat je behoeften hebt, wat was jouw behoefte op dat moment? Het moment wat je op de foto’s ziet.
A: Waarschijnlijk iets meer als gezelschap. Liefde en lust zeg maar.
5. Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, zesde meervoudige kamer voor strafzaken, van 3 juli 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] :
Ik heb inderdaad met haar in de lift gestaan. (...) Ik heb haar ook aangesproken. (...) Ik geef toe dat ik een versierpoging heb gedaan. Ik maakte een move en ik merkte dat ze deze afwees. Zij kende mij niet. Misschien alleen van gezicht.”
Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof het volgende overwogen:
“Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is - op gronden zoals nader in de pleitnotities verwoord - in de kern aangevoerd dat de verdachte betwist dat hij de hand van aangeefster heeft vastgepakt en aan haar topje heeft getrokken. Bovendien is geen sprake geweest van dwang; er is geen sprake van een situatie waarin de aangeefster zich door onverhoeds handelen van de verdachte niet heeft kunnen verzetten of eraan heeft kunnen onttrekken. Daarnaast zijn de tenlastegelegde handelingen geen handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. In zoverre is dus ook geen sprake van ontuchtige handelingen.
Het hof overweegt als volgt.
[aangeefster] heeft verklaard dat zij met haar armen over elkaar in de lift stond toen de verdachte met zijn hand richting de bovenkant van haar topje ging. Hij pakte de bovenkant van haar topje vast ter hoogte van haar borsten en trok er een beetje aan. Deze verklaring van [aangeefster] vindt steun in de camerabeelden van het incident, welke beelden door [verbalisant 3] zijn beschreven in een proces-verbaal van bevindingen. In het proces-verbaal van bevindingen is beschreven dat [aangeefster] haar armen over elkaar heeft en de verdachte [aangeefster] met zijn linkerhand op haar kleding betast boven haar linkerarm. De verdachte heeft in zijn verklaring bij de politie erkend dat hij haar heeft aangeraakt.
Naar het oordeel van het hof kan op basis van voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachte het topje van [aangeefster] ter hoogte van haar borst heeft vastgepakt en gezien de camerabeelden en de verklaring van de verdachte, dat hij (daarbij) haar bovenlichaam heeft aangeraakt.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de handelingen die door de verdachte zijn verricht, zijn aan te merken als ontuchtige handelingen.
Het hof stelt bij de beantwoording van die vraag voorop dat van een ontuchtige handeling als bedoeld in artikel 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) sprake is indien het een handeling betreft van seksuele aard die in strijd is met de thans geldende sociaal-ethische norm. Of een handeling als ontuchtig moet worden aangemerkt hangt af van de aard van de handeling en de omstandigheden waaronder die handeling is verricht. Factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn onder meer de verhouding tussen de betrokkenen, alsook de context waarin de handeling zich voltrok. De wijze van aanraking en het lichaamsdeel dat is aangeraakt kunnen daarbij relevant zijn. De seksuele intentie van de verdachte is niet zonder meer bepalend, maar kan dat onder omstandigheden wel zijn. Dit kan het geval zijn wanneer de seksuele strekking van de handeling niet direct blijkt uit de uiterlijke verschijningsvorm.
De verdachte, een volwassen man, heeft ’s avonds laat in de gesloten lift van een appartementencomplex voor studenten, [aangeefster] - een hem onbekende vrouw - aangesproken en gezegd dat zij er mooi uitzag en dat zwart haar goed stond (zij droeg een zwart topje). Terwijl de verdachte deze opmerkingen maakte, is hij dichter bij [aangeefster] gaan staan. Vervolgens heeft hij de bovenkant van haar topje ter hoogte van haar borst vastgepakt en daarbij haar bovenlichaam aangeraakt.
De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het zijn intentie was om haar te versieren. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij ook “zijn behoeftes” heeft. Op de vraag wat zijn behoefte op dat moment was, heeft de verdachte verklaard dat dat waarschijnlijk iets meer was dan gezelschap, “lust en liefde zeg maar”.
Het hof is van oordeel dat gelet op aard van de handelingen, de context waarin deze zijn verricht, de opmerkingen die de verdachte voorafgaand aan de handelingen heeft geuit jegens [aangeefster] en de intenties die de verdachte daar blijkens zijn eigen verklaring bij had - in onderling verband en samenhang bezien - sprake is van ontuchtige handelingen in de zin van artikel 246 (oud) Sr. Door het onverhoedse karakter van de handelingen en door de setting in de gesloten lift waar geen ontsnappen mogelijk was, werd [aangeefster] bovendien gedwongen deze ontuchtige handelingen te dulden.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
3. Het eerste middel
Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat de bewezenverklaring ontoereikend, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd.
Het middel valt in twee deelklachten uiteen. De eerste deelklacht luidt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte aangeefster ook fysiek heeft aangeraakt, terwijl de strafbaarstelling van art. 246 (oud) Sr er juist toe strekt(e) de lichamelijke integriteit van personen te beschermen. De tweede deelklacht luidt dat het oordeel van het hof dat sprake is van ontuchtige handelingen getuigt van een te ruime/onjuiste uitleg van art. 246 (oud) Sr, nu de aard van de bewezenverklaarde handeling – het aanraken van het topje van aangeefster – niet zonder meer als ontuchtig zou kunnen worden aangemerkt.
Juridisch kader
Ten tijde van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde handeling luidde art. 246 (oud) Sr als volgt:
“Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het doel van de desbetreffende zedelijkheidswetgeving is “het beschermen van de seksuele integriteit van personen, die daartoe zelf, op een bepaald moment, dan wel in het algemeen, niet in staat zijn.” Het gaat in dit verband dus niet alleen om personen die bijvoorbeeld vanwege hun jeugdige leeftijd of vanwege een ernstige stoornis of handicap in geen geval in staat moeten worden geacht hun seksuele zelfbeschikkingsrecht uit te oefenen, maar ook om personen die daartoe in een concrete situatie niet in staat zijn. In dat laatste geval zijn er bepaalde omstandigheden – bijvoorbeeld het gebruik van geweld – die maken dat deze persoon op het relevante moment niet over dat recht kan beschikken.
Een lichamelijk aanraking is voor (het dwingen tot) het plegen of dulden van ontuchtige handelingen als zodanig niet nodig: uit de jurisprudentie blijkt dat van ontuchtige handelingen in de zin van art. 246 (oud) Sr in ook sprake kan zijn als geen lichamelijke aanraking heeft plaatsgevonden, zolang er voor het plegen of dulden relevante interactie tussen de verdachte en aangeefster/aangever heeft plaatsgevonden. Ook in dat geval moet het gaan om een handeling waarvan het plegen of dulden als ontuchtig is aan te merken. Van ontuchtige handelingen is sprake als het gaat om handelingen gericht op seksueel contact, althans contact van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm. Een meervoud van gedragingen is niet vereist.
De eerste deelklacht
De eerste deelklacht luidt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte aangeefster ook fysiek heeft aangeraakt.
Blijkens het als bewijsmiddel 2 gebruikte proces-verbaal van aangifte van 27 maart 2023 heeft aangeefster verklaard: “Toen de man mij aanraakte bevroor ik”. Uit het derde bewijsmiddel volgt dat op de camerabeelden zichtbaar is “dat [verdachte] met zijn linkerhand de vrouw op haar kleding betast boven haar linkerarm.” Daarnaast heeft de verdachte ook zelf verklaard dat hij aangeefster heeft aangeraakt (bewijsmiddel 4). Het hof heeft vastgesteld dat verdachte aangeefster daadwerkelijk bij haar bovenlichaam heeft aangeraakt en verwijst daarbij expliciet naar de camerabeelden en de verklaring van verdachte zelf.
Gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht ik de vaststelling van het hof dat sprake was van aanraking van het bovenlichaam van aangeefster in de onderhavige zaak niet onbegrijpelijk.
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
De tweede deelklacht borduurt voort op de eerste en strekt ten betoge dat het oordeel van het hof getuigt van een te ruime/onjuiste uitleg van art. 246 (oud) Sr, nu de aard van de handeling – het aanraken van het topje van aangeefster – niet zonder meer als ontuchtig kan worden aangemerkt. De enkele aanraking van de bovenkleding vormt immers geen handeling van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm, aldus de steller van het middel.
In dat kader verdient allereerst opmerking dat het hof niet slechts bewezenverklaard heeft dat verdachte het topje van aangeefster heeft aangeraakt. Bewezenverklaard is ook dat verdachte haar bovenlichaam heeft aangeraakt.
Ik breng daarbij in herinnering dat de zedelijkheidswetgeving strekt tot bescherming van de seksuele integriteit. Dat brengt onder meer met zich – zoals ook uit de jurisprudentie volgt – dat ook sprake kan zijn van ontuchtige handelingen zonder lichamelijke aanraking. Weliswaar is dan nodig dat voor het plegen of dulden van de (ontuchtige) handelingen relevante interactie tussen verdachte en aangeefster heeft plaatsgevonden, maar uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen – en meer in het bijzonder de bewijsmiddelen 1, 2, 4 en 5 – volgt dat van een dergelijke interactie in dit geval sprake was.
Dat het hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval, gelet op de aard van de handelingen, de context waarin deze zijn verricht, de opmerkingen die de verdachte voorafgaand aan de handelingen heeft geuit jegens aangeefster en de intenties die de verdachte daar blijkens zijn eigen verklaring bij had, mede gezien de door verdachte afgelegde verklaring, sprake was van ontuchtige handelingen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk.
De tweede deelklacht faalt.
4. Het tweede middel
Het tweede cassatiemiddel klaagt over de gedeeltelijke toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Bij de stukken van het geding bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij [aangeefster] van 26 juni 2023 met bijlagen. Dit formulier houdt onder meer in:
“3.1 Hoe is uw schade ontstaan? art. 246 Sr art. 284 lid 1 Sr
(…)
4B Immateriële schade (smartengeld)
(…)
Omschrijving immateriële schade
Zie schadeonderbouwingsformulier Bijlage 1 t/m 3
(…)
Totaal immateriële schade € 950,00”
De bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde bijlage 1 houdt onder meer het volgende in:
“Letsel en gevolgen
Lichamelijk letsel
Er is geen sprake van lichamelijk letsel.
Psychische gevolgen
Benadeelde schrok van wat verdachte deed. Zij verstijfde en wist niet goed wat zij moest doen. Zij probeerde zichzelf te beschermen door haar armen voor zich te houden. Omdat het in de lift gebeurde, kon zij geen kant op. In een flits dacht benadeelde er nog aan om verdachte van zich af te slaan, maar zij durfde dit niet uit angst dat verdachte haar dan nog meer aan zou doen. Zij was opgelucht dat zij ongeschonden de lift uit kon stappen en is snel naar haar woning gegaan. Pas bij haar woning kwam zij erachter dat verdachte achter haar aan was gekomen en zij was bang dat verdachte haar nog wat aan zou doen. Zij kon gelukkig voorkomen dat verdachte met haar de woning in ging. Binnen heeft benadeelde de gordijnen gesloten en durfde zij een half uur lang niet te kijken of verdachte al was vertrokken. Zij wist op dat moment niet wat zij moest doen en heeft in paniek haar zus gebeld.
De eerste week na het incident sliep benadeelde slecht. Zij kwam moeilijk in slaap en had last van nachtmerries. Zij droomde dat er iemand in haar woning was en hier schrok benadeelde midden in de nacht van wakker. Dit maakte dat zij overdag niet lekker in haar vel zat en moeite had om zich te concentreren. Hierdoor heeft benadeelde zich een aantal dagen ziek moeten melden op haar stage. Ook durfde zij die week 's avonds niet alleen over straat, uit angst om verdachte tegen te komen of dat haar nog een keer zoiets zou overkomen.
Benadeelde vindt het vervelend dat dit is gebeurd in het wooncomplex waar zij woont, maar ook dat verdachte haar naar haar huis is achtervolgd. Een plek waar je jezelf bij uitstek veilig zou moeten voelen. Benadeelde voelt zich niet meer prettig in haar eigen huis en zou het liefst willen verhuizen. Zij gaat vaak met een gestrest gevoel de deur uit of terug naar huis. Benadeelde is op haar hoede als zij ongure personen tegenkomt. Zij is zich er nu bewust van dat iedereen iets naars kan overkomen en dat gevoel zal zij voorlopig nog wel met zich meedragen. Als benadeelde de lift bij haar wooncomplex in wil stappen en er staat al iemand in waar zij een naar gevoel bij krijgt, dan gaat zij liever met de andere lift. De eerste week na het incident wilde zij helemaal niet bij iemand in de lift stappen of vroeg zij een vriendin om met haar mee naar haar woning te lopen.
(…)
Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde partij gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen in billijkheid is te stellen op € 950,00 en thans opeisbaar is.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2024 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De voorzitter stelt, aan de hand van de mededeling van de deurwaarder, vast dat de benadeelde partij [aangeefster] niet ter terechtzitting is verschenen.
(…)
De voorzitter houdt kort de inhoud voor van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] , die schriftelijk heeft medegedeeld dat zij haar vordering in hoger beroep handhaaft.”
Het hof heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van € 300,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen:
“Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]
De benadeelde partij [aangeefster] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.106,00, bestaande uit een bedrag van € 156,00 aan materiële schade en een bedrag van € 950,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de vordering betwist en heeft in dat verband aangevoerd dat ten aanzien van de materiële schade het causale verband onvoldoende duidelijk is, de noodzaak van verdere behandeling niet is onderbouwd en tevens vergoeding wordt gevorderd voor toekomstige schade die thans nog niet geleden is. De raadsman heeft het hof verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.
De benadeelde partij is in de lift behorende bij het appartementencomplex waar zij woonachtig is ‘s avonds laat aangerand door een haar onbekende man, de verdachte. Toen zij de lift vervolgens verliet op de verdieping waar zij woonachtig is, is de verdachte haar gevolgd tot aan haar voordeur.
Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat reeds daarom een aantasting in persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen.
In de toelichting op de vordering tot schadevergoeding is bovendien naar voren gebracht dat de benadeelde partij de eerste weken na het incident slecht sliep en moeilijk in slaap kwam door nachtmerries. Ook durfde zij ‘s avonds niet alleen over straat, uit angst om de verdachte tegen te komen of dat haar nog een keer zoiets zou overkomen. Doordat het incident heeft plaatsgevonden in het appartementencomplex waar zij woonachtig is, voelt zij zich niet meer prettig in haar eigen huis.
Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, gelet op alle omstandigheden van het geval, alsmede gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, naar billijkheid op een bedrag van € 300,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige wordt de vordering tot immateriële schadevergoeding afgewezen.
(…)
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof een totaalbedrag van € 300,00 aan schadevergoeding zal toewijzen.
Het toe te wijzen bedrag van € 300,00 zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.”
Het arrest van het hof houdt verder onder meer het volgende in:
“Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (kort gezegd) aanranding. De verdachte heeft ’s avonds laat, in een lift behorende bij een appartementencomplex voor studenten, het hem onbekende slachtoffer aangesproken en vervolgens het topje van het slachtoffer ter hoogte van haar borst vastgepakt en haar bovenlichaam aangeraakt. Als het slachtoffer vervolgens de lift verlaat op de verdieping waar zij woonachtig is, volgt de verdachte haar tot aan haar voordeur. Het slachtoffer slaagt erin snel haar woning binnen te gaan en de voordeur te sluiten.
Het hof kan zich indenken dat een en ander zeer beangstigend is geweest voor het slachtoffer - hetgeen ook blijkt uit de toelichting op haar vordering tot schadevergoeding - te meer nu een en ander zich heeft afgespeeld in de lift in het appartementencomplex waar zij woonachtig is en er op dat moment weinig opties voor haar over waren dan te dulden wat er gebeurde en te hopen dat het niet erger zou worden.
Door te handelen zoals bewezen is verklaard, heeft de verdachte in strijd gehandeld met de seksueel-ethische normen en heeft hij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. De verdachte heeft zich daar geen rekenschap van gegeven en heeft kennelijk uitsluitend laten leiden door zijn eigen lustgevoelens.”
Het oordeel van het hof dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de door de benadeelde partij ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat sprake is van aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106 aanhef en onder b BW, is volgens het tweede middel niet zonder meer onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de benadeelde partij fysiek is aangeraakt. Daarnaast volstaat als onderbouwing van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgens het middel niet dat de benadeelde partij te kennen heeft gegeven dat zij, kort samengevat, slecht slaapt en angstig is sinds het incident.
Voor zover het middel berust op het standpunt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de benadeelde partij fysiek is aangeraakt, faalt het. Zie daartoe de bespreking van het eerste middel.
Daarmee resteert de klacht dat voor het toewijzen van schadevergoeding in de zin van art. 6:106 aanhef en onder b BW niet volstaat dat de benadeelde partij te kennen heeft gegeven dat ze sinds het incident slecht slaapt en angstig is.
Juridisch kader
Artikel 6:106 aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek luidt:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
(…)
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast; (...).”
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van de in art. 6:106 aanhef en onder b BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Zoals mijn ambtgenoot Van Wees in een recente conclusie uitgebreid heeft besproken, wijzen de door de Hoge Raad in zijn jurisprudentie gekozen bewoordingen erop dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zonder dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld, een uitzonderingsgeval betreft. Voor dergelijke uitzonderingsgevallen geldt dat de benadeelde partij met concrete gegevens dient te onderbouwen waarom, ondanks het ontbreken van vastgesteld geestelijk letsel, toch sprake is van een toewijsbare vordering tot vergoeding van immateriële schade. Alleen als de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, kan die onderbouwing achterwege blijven. Gegeven het feit dat het in dit laatste geval gaat om een uitzondering op de uitzondering, zal die situatie zich in de optiek van de Hoge Raad niet snel (kunnen) voordoen. In alle gevallen waarin de Hoge Raad het oordeel daaromtrent in stand liet, ging het – zo laat de conclusie van Van Wees zien – om zware inbreuken op fundamentele rechten, waarbij de grote gevolgen evident zijn.
De bespreking van het tweede middel
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte de benadeelde partij [aangeefster] (kort gezegd) in de lift heeft aangerand door haar topje ter hoogte van haar borst vast te pakken en haar bovenlichaam aan te raken. Het hof heeft vastgesteld dat dit ’s avonds laat heeft plaatsgevonden in de lift van het appartementencomplex waar de benadeelde partij woonachtig is en dat de verdachte haar vervolgens is gevolgd tot aan haar voordeur.
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat reeds daarom sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 aanhef en onder b BW. Dat oordeel is in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. Daaruit blijkt immers dat onder deze categorie slechts (zeer) uitzonderlijke gevallen kunnen worden geschaard, die zich kenmerken door zware inbreuken op fundamentele rechten, waarbij de grote gevolgen evident zijn. Zonder af te willen doen aan de gevolgen van het bewezenverklaarde voor de benadeelde, meen ik dat die categorie hier niet aan de orde is. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.
Het voorgaande hoeft in dit geval naar ik meen echter niet tot cassatie te leiden. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit het vervolg van de overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ ook kan worden aangenomen op basis van de – hiervoor onder 4.3 weergegeven – onderbouwing door de benadeelde. Het hof wijst in zijn overweging op hetgeen in de toelichting op de vordering tot schadevergoeding bovendien naar voren is gebracht door de benadeelde partij. Het woord “bovendien” duidt erop dat er naar het oordeel van het hof een tweede reden is waarom een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. De eerder aangehaalde bewoordingen “reeds daarom” ondersteunen deze lezing. In de overwegingen van het hof ligt naar mijn oordeel besloten dat een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ ook voldoende met concrete gegevens is onderbouwd. Dat kennelijke oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Ik licht dat hieronder toe.
In verband met de aard en de ernst van de normschending is het relevant dat het hof in het bestreden arrest onder meer heeft vastgesteld dat de verdachte in strijd heeft gehandeld met seksueel-ethische normen en de lichamelijke integriteit van de benadeelde heeft geschonden. Daar komt bij dat het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden toen de benadeelde ’s avonds laat in de lift stond van het appartementencomplex waar zij woont. In de strafmotivering heeft het hof overwogen dat “er op dat moment weinig opties voor haar over waren dan te dulden wat er gebeurde en te hopen dat het niet erger zou worden”. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de benadeelde na het incident tot aan haar voordeur is gevolgd.
Met betrekking tot de aard en de ernst van de gevolgen van de normschending voor de benadeelde, merk ik op dat het hof zijn oordeel aan de hand van de benadeelde partij aangedragen gegevens heeft gemotiveerd. Het hof heeft onder meer overwogen dat in de toelichting op de vordering tot schadevergoeding naar voren is gebracht dat de benadeelde de eerste weken na het incident slecht sliep en moeilijk in slaap kwam door nachtmerries, dat zij ’s avonds niet meer alleen over straat durfde uit angst om de verdachte tegen te komen of dat haar nog een keer zoiets zou overkomen, en dat zij zich door het incident niet meer prettig voelt in haar eigen huis. Ook heeft het hof overwogen dat uit de toelichting op haar vordering blijkt dat het incident “zeer beangstigend” voor de benadeelde is geweest, te meer omdat het zich heeft afgespeeld in de lift van het appartementencomplex waar zij woont.
Al met al meen ik dat het hof op grond van deze vaststellingen over de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan en de door het hof aangehaalde onderbouwing door de benadeelde kon oordelen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
Het middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.
5. Slotsom
Het eerste middel faalt. Aangezien dit middel betrekking heeft op de bewezenverklaring van een feit waarvoor de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt een afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG