PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02592
Zitting 21 april 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 27 juni 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-002140-23) wegens “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, begaan tegen zijn moeder” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd en een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het arrest omschreven.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Namens hem heeft de advocaat M. Berndsen twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft de advocaat A.Y. Bleeker één middel van cassatie voorgesteld.
De namens de verdachte voorgestelde middelen klagen over de verwerping van het beroep op noodweer en het gebruik van een ter terechtzitting afgelegde verklaring voor het bewijs. Het middel van de benadeelde partij richt zich tegen de gedeeltelijke afwijzing van de vordering tot immateriële schadevergoeding. Voordat ik aan de bespreking van de middelen toekom, geef ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen weer.
2. De bewezenverklaring en de bewijsmiddelen
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 7 mei 2023 te [plaats] , zijn moeder, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar (met kracht) tegen de borst en/of de buik te duwen (ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen), welk voren omschreven feit zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad te weten twee fracturen linker pols (scaphoid en pols) en een fractuur rechter pols.”
Deze bewezenverklaring steunt op een zevental in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting in eerste aanleg van 19 juli 2023. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik mijn moeder heb geduwd. Mijn moeder raakte mij als eerste aan. Ik kreeg een klap op mijn wangen. Vervolgens zette mijn moeder haar nagels in mijn bovenarm. Toen heb ik haar geduwd.
2. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2032101028-9, op 8 mei 2023 in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde bladzijden 5 tot en met 8 van het digitale politiedossier). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:
Op 7 mei 2023 was ik thuis in mijn woning aan de [a-straat] in [plaats] . Ik woon daar samen met mijn man [getuige] en met mijn twee kinderen [betrokkene 1] en [verdachte] . Er ontstond een discussie tussen mij en [verdachte] . Mijn man zat aan het ene uiteinde van onze hoekbank en [verdachte] zat aan het andere uiteinde. Ik stond recht voor [verdachte] . Opeens zag ik en voelde ik dat [verdachte] mij met zijn twee handen met kracht duwde ter hoogte van mijn borsten. Ik voelde dat ik viel en ik voelde dat ik met mijn achterhoofd tegen iets hards aanviel. Ik heb mijn twee handen gebruikt om me op te vangen. Ik schrok ontzettend omdat ik met mijn volle gewicht op mijn beide polsen terecht kwam. Ik voelde meteen een hevige pijn in mijn beide polsen.
3. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2032101028-9, op 8 mei 2023 in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde bladzijden 9 en 10). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [getuige]:
Op 7 mei 2023 daagde mijn zoon [verdachte] mijn vrouw uit. Toen ging mijn vrouw voor hem staan en zei: “Wat moet je nou”. Ik hoorde mijn zoon zeggen zo van ga weg en doe niet zo raar. Het uitdagen ging heen en weer, zoals je vaker hebt in een ruzie. Hierna heeft mijn zoon mijn vrouw een forse duw gegeven. Hij duwde met twee handen in haar buikstreek. Ik zag mijn vrouw vallen.
4. Een proces-verbaal van verhoor van 29 april 2024 van de raadsheer commissaris. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van de [getuige] :
Ik begrijp dat wij het gaan hebben over wat er op 7 mei 2023 in onze woning aan de [a-straat] in [plaats] is voorgevallen. U vraagt mij naar het postuur van mijn vrouw en mijn zoon, vorig jaar (het hof begrijpt: ten tijde van het ten laste gelegde). Ik zou mijn vrouw niet als de magerste omschrijven, maar ze kan vier of vijf keer in het postuur van [verdachte] die fors is en gezet.
5. Een geschrift, zijnde een deskundigenverslag, te weten een brief van 19 juni 2023 van [specialist 1], chirurg-traumatoloog, in Amsterdam UMC. Deze brief houdt in, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 19 juni 2023 verwees ik [slachtoffer] vanuit de polikliniek traumachirurgie in het Amsterdam UMC.
RVK 7 mei 2023
- scaphoid- en polsfactuur in linker pols
- fissuur radius in rechter pols
6. Een geschrift, zijnde een deskundigenverslag, te weten een brief van 18 augustus 2023 van [specialist 2], spoedeisendehulp-arts, in Amsterdam UMC. Deze brief houdt in, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer] is op 7 mei 2023 door mij gezien. Er zijn röntgenfoto’s van beide polsen gemaakt. Naar mijn stellige overtuiging was er op 7 mei 2023 sprake van breuken aan beide polsen.
7. De verklaring van [slachtoffer] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende:
Ik maak veel kosten voor fysiotherapie en medicatie. Ik kan nog steeds niet fietsen of autorijden. Ik heb vorig jaar een elektrische fiets gekocht, maar daar mag ik nog steeds niet op rijden. Ik kan mijn werk ook niet meer uitoefenen. Mijn werk was mijn leven, wat heb ik nu nog?”
3. Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel
Het middel bevat de klacht dat de verwerping van het beroep op noodweer blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2024 heeft de raadsvrouw haar pleidooi gevoerd overeenkomstig een aan het hof overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt met betrekking tot het beroep op noodweer het volgende in:
“4. De politierechter schrijft op in het vonnis dat er een forse duw is gegeven (p. 6) waardoor moeder ten val kwam. Noodweer wordt verworpen omdat “verdachte eerst is weggelopen en later weer is teruggekomen. Hij heeft zich hiermee dus aan de situatie kunnen onttrekken. Het enkele feit dat verdachte werd aangeraakt is onvoldoende om een geslaagd beroep op noodweer aan te nemen.”
5. Na de getuigenverklaring van vader bij de RHC staan m.i. de volgende punten (van relevantie) vast:
(i) Cliënt en zijn moeder hadden een woordenwisseling toen zijn moeder hem aansprak. Zij stonden letterlijk en figuurlijk lijnrecht over elkaar, (zie verklaring vader, moeder en cliënt)
(ii) Moeder raakt cliënt aan op de wang (zie verklaring moeder en cliënt).
(iii) Moeder en cliënt verklaren beiden dat moeder hem vervolgens opnieuw aanraakt. “Hij zei dat ik hem niet moest aanraken, ik zei als ik jou wil aanraken dan die ik dat, ik raakte hem aan en toen gaf hij mij een duw.”
(iv) Cliënt heeft zijn moeder (toen dus) geduwd waardoor zij ten val kwam.
(v) Cliënt heeft letsel op zijn rechterbovenarm, namelijk een snee. Hiervan maakt hij melding bij de politie tijdens verhoor (p. 11 en p. 17). Ook zaten er meerdere rode plekken op zijn arm. Het krabletsel is duidelijk zichtbaar op de foto’s.
6. De verdediging heeft twee grote bezwaren bij vonnis van de politierechter. Allereerst wordt voorbijgegaan aan het feit dat cliënt uit reactie heeft geduwd. M.i. bevestigt n.b. moeder zelf dat zij cliënt aanraakt. Cliënt heeft ook letsel. Dus een minimale aanraking is het niet geweest. Dat vader dit niet heeft gezien doet hier niets aan af. De snee (zie foto’s dossier p. 17) is er niet vanzelf gekomen, en biedt ondersteuning voor de lezing van cliënt. En de verwonding an sich biedt ook steun voor de proportionaliteit van de reactie – hier kom ik zo op terug.
7. Tweede punt is dat volgens de politierechter cliënt had moeten of kunnen weglopen. Maar ook hier gaat de politierechter voorbij aan het feit dat cliënt heel duidelijk aangeeft dat die mogelijkheid er niet was. Hij sprak zijn moeder aan op het feit dat hij wegwilde, maar zij hem blokkeerde. Zijn vader bevestigt dit ook in zijn eerste verklaring: “Ik hoorde mijn zoon zeggen zo van ga weg.” (p. 7) Cliënt heeft ook ter zitting verklaard dat hij sowieso langs moeder moest lopen om bij de deur te komen. Er was geen mogelijkheid om om te draaien en dan weg te lopen.
8. Gezien de geschetste gang van zaken – waarbij uw Hof kunt vaststellen dat één duw is gegeven – is de verdediging van mening dat voorwaardelijk opzet ontbreekt op die mishandeling. Niet elke duw levert een mishandeling op. Hier wordt geduwd uit reactie op provocerend gedrag van een ander en op een ongewenste aanraking die een snee en rode plekken hebben opgeleverd. Ik verwijs hiervoor opnieuw naar HR 13 december 2011 BT7123 of BQ3231.
9. Mocht u de verdediging niet volgen dan verzoek ik u cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer. De directe aanranding bestaat uit de ongewenste aanraking (die fysieke sporen heeft nagelaten) en de reactie bestaat uit het geven van die duw. Die reactie valt binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat cliënt een mogelijkheid had om anders te handelen volgt niet uit het dossier. Hij moest wel langs zijn moeder om de uitgang te kunnen bereiken en hij had haar meermalen gevraagd te stoppen. Ik verzoek om OVAR.
Het hof heeft dit standpunt van de raadsvrouw in zijn arrest als volgt samengevat en verworpen:
“Bespreking van verweren
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het aan hem tenlastegelegde feit. De verdachte heeft geen (voorwaardelijk) opzet gehad op de mishandeling. Hij heeft in reactie op het provocerende gedrag van zijn moeder en haar ongewenste aanraking die hem letsel heeft opgeleverd, zijn moeder een duw gegeven. Dit levert niet zonder meer opzet op mishandeling op.
Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De directe aanranding bestaat uit de ongewenste aanraking en de reactie bestaat uit het geven van die duw. Die reactie valt binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdachte had geen mogelijkheid om anders te handelen. Hij moest langs zijn moeder om de uitgang te kunnen bereiken en had haar meermalen gevraagd te stoppen.
Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.
(Voorwaardelijk) opzet
Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
De verdachte en zijn moeder hadden een woordenwisseling. De moeder heeft tijdens deze woordenwisseling de verdachte aangeraakt op zijn wang en hem vervolgens gekrabd op zijn arm. Hierop heeft de verdachte zijn moeder ter hoogte van haar borststreek en/of buik met twee handen een forse duw gegeven. Zij kwam daardoor ten val en heeft (breuk)letsel aan haar beide polsen opgelopen. Door aldus te duwen heeft de verdachte naar het oordeel van het hof willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zijn moeder letsel zou toebrengen. Daarbij weegt het hof mee dat de verdachte in omvang aanzienlijk groter is dan zijn moeder en dat de duw die hij zijn moeder gaf fors was. Daarmee had de verdachte (voorwaardelijk) opzet op de ten laste gelegde mishandeling van zijn moeder.
Noodweer
Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer slechts kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding.
Op grond van de gang van zaken tijdens het incident zoals hiervoor is geschetst bij de bespreking van het (voorwaardelijk) opzet is naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie voor de verdachte. Dat de verdachte daarbij meer letsel heeft opgelopen dan het krabletsel op zijn arm zoals door de verdediging is gesteld, acht het hof niet aannemelijk, mede gelet op het gegeven dat de verdachte zelf niet heeft verklaard dat dit letsel het gevolg is geweest van het handelen van zijn moeder. Het geven van een forse duw met twee handen waardoor zijn moeder ten val kwam (met ernstig letsel tot gevolg), acht het hof echter een disproportionele reactie daarop. Er was voor de verdachte een alternatief voorhanden, namelijk het met beide armen afhouden van zijn moeder. Met dit handelen heeft de verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden en komt hem geen beroep op noodweer toe.”
Het hof heeft – kort samengevat – geoordeeld dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond, maar dat het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel (het geven van één forse duw) een disproportionele reactie vormt op de (ernst van de) wederrechtelijke aanranding van de verdachte (het aanraken op de wang en het krabben op de arm). Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat er een alternatief voorhanden was voor de verdachte, namelijk het met beide armen afhouden van zijn moeder.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat niet valt in te zien waarom het door het hof genoemde alternatief – het afhouden met de armen – een afdoende reactie zou vormen op het krabben door de moeder van de verdachte. Dat alternatief houdt immers in dat de verdachte zijn beide armen richting en binnen bereik van zijn moeder zou houden. In dat licht is volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk waarom een duw disproportioneel zou zijn. Daarnaast wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat het geven van één forse duw in de gegeven omstandigheden een disproportionele reactie vormt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is.
Art. 41 lid 1 Sr luidt:
“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.”
In het overzichtsarrest over noodweer en noodweerexces van 22 maart 2016 heeft de Hoge Raad overwogen dat met de passage “geboden door de noodzakelijke verdediging” onder meer de zogenaamde proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht. Over die proportionaliteitseis heeft de Hoge Raad overwogen:
“De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.”
Het is daarbij niet de bedoeling van de Hoge Raad geweest dat de feitenrechter steeds de in het concrete geval gekozen manier van verdediging op een weegschaal legt en beoordeelt of de verdachte de meest optimale manier van verdedigen heeft gekozen. Dat blijkt uit de expliciete opmerking van de Hoge Raad dat de maatstaf tot terughoudendheid noopt, en ook uit de formulering van de maatstaf zelf. De vraag is niet of het verdedigingsmiddel in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding, maar of die verhouding niet onredelijk is. Dat is misschien een subtiel verschil, maar wel een verschil dat niet toevallig is en dat consequenties heeft. De Hullu schrijft hierover (de voetnoten heb ik weggelaten):
“Het gaat dus niet om een pure evenredigheidsbeoordeling, maar om een redelijkheidsoordeel waarbij ook andere factoren kunnen worden betrokken. Daarbij behoeft de precieze manier van verdedigen zeker niet optimaal te zijn. Zelfs lijkt niet uitgesloten dat een verdediging die duidelijk onevenredig is aan de aanranding toch nog toelaatbaar is (zoals onder omstandigheden wellicht dodelijk geweld kan zijn geboden tegen een verkrachting waarbij er niet tevens reëel gevaar voor het leven is).
De wetgever heeft mijns inziens inderdaad beoogd om ‘wanverhoudingen’ tussen doel en middel, disproportionaliteit buiten de noodweerbevoegdheid te houden. Het proportionaliteitsvereiste zou dan in ieder geval excessen eruit moeten zeven (zoals het doodsteken van iemand die bij een beroving minder dan één gram cocaïne en tien gulden heeft buitgemaakt) en voor een (niet te zwaar aangezette) redelijkheidstoetsing moeten zorgen. Een wat ruimhartiger toetsing van de proportionaliteit past ook bij het rechtsordehandhavingsaspect van noodweer en bij de tijdgeest in onze ‘veiligheidsmaatschappij’. Het doet bovendien recht aan de psychologische werkelijkheid van de burger ten tijde van de aanranding; ongevraagd, onverwacht en doorgaans ongeoefend heeft deze zich immers moeten verdedigen en dat kan tot een wat mildere beoordeling van de proportionaliteit leiden.”
De rechter moet dus voorzichtig en terughoudend zijn. De beoordeling van de proportionaliteit van het handelen van de verdachte in een noodweersituatie biedt vooral een veiligheidsklep voor gevallen waarin de verhouding tussen de ernst van de aanranding en de reactie van verdachte (zeer) wezenlijk uiteen lopen. Een voorbeeld daarvan is een arrest van 16 juni 2020. Het onmiddellijk en zonder aarzeling afvuren van meerdere kogels richting iemand die enkel een vuurwapen voorhanden heeft (in een milieu waarin dat niet ongebruikelijk is), terwijl een ander bovendien al bezig was die man te overmeesteren, is geen proportionele reactie. Het toebrengen van een potentieel fatale, diepe steekwond in de rug, terwijl de aanranding van de verdachte bestond uit het slaan met een blote hand dan wel een vuist, is dat evenmin. Zo’n reactie op een in ernst relatief beperkte aanranding rechtvaardigt geen straffeloosheid.
De hiervoor genoemde terughoudendheid bij de toepassing van de proportionaliteitseis kwam in twee arresten van 8 september 2009 en 5 maart 2013 in meer juridische termen aan de orde. In de eerstgenoemde zaak was het hof “niet overtuigd […] van de noodzaak dat de verdachte de aangever [betrokkene 1] met kracht met gebalde vuist op het gezicht moest slaan om zichzelf te ontzetten”. In de tweede zaak had het hof het beroep op noodweer onder verwijzing naar de proportionaliteit verworpen, omdat voor de verdachte andere, minder ingrijpende mogelijkheden open stonden om de aanranding te beëindigen dan het met zijn vuist in het gezicht van het slachtoffer slaan. De Hoge Raad oordeelde in beide zaken dat het hof onvoldoende inzicht had gegeven in zijn gedachtegang. Voor zover deze overwegingen zo moesten worden begrepen dat het hof heeft geoordeeld dat – naast de noodzaak van de verdediging als zodanig – ook de noodzaak van de gekozen wijze van de verdediging moet komen vast te staan, had het hof volgens de Hoge Raad een te strenge toets aangelegd. Deze voorbeelden illustreren nogmaals dat de verdachte niet de meest optimale manier van verdediging hoeft te hebben gekozen om een (geslaagd) beroep op noodweer te kunnen doen. Het gaat in dit verband immers om de vraag of – zoals hiervoor opgemerkt – de gedraging van de verdachte niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.
Een vergelijking met de onderhavige zaak dringt zich op. Het hof heeft geoordeeld dat het geven van een forse duw met twee handen een disproportionele reactie vormt op de aanranding van de verdachte en heeft daarbij niet meer overwogen dan dat er voor de verdachte een alternatief voorhanden was, namelijk het met beide armen afhouden van zijn moeder. Dat doet bij mij het vermoeden ontstaan dat het hof hier – net als in de twee in het vorige randnummer besproken arresten – heeft gemeend dat de reactie van de verdachte alleen al disproportioneel was omdat de verdachte een (volgens het hof kennelijk minder ingrijpend) alternatief voorhanden had. Voor zover de overweging van het hof inderdaad zo moet worden begrepen, getuigt de verwerping van het beroep op noodweer door het hof van een onjuiste rechtsopvatting door toepassing van een te strenge maatstaf.
Voor zover zou moeten worden aangenomen dat het hof wel de juiste maatstaf voor ogen heeft gehad en dus heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de door de verdachte gegeven duw niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding, is de vraag of het hof de verwerping van het beroep op noodweer toereikend heeft gemotiveerd.
Bij die motivering is in ieder geval van belang of de rechter de relevante feiten en omstandigheden die de verdediging heeft aangevoerd, kenbaar in zijn afweging heeft betrokken. In een arrest van 4 december 2018 had het hof geoordeeld dat de verdachte zich mocht verdedigen “tegen de aanval/de klappen” van de aangeefster, maar dat de verdachte daarbij niet aan de proportionaliteitseis had voldaan. Dat oordeel was volgens de Hoge Raad niet toereikend gemotiveerd, omdat het hof niet duidelijk had gemaakt dat en waarom kon worden voorbijgegaan aan de door de verdediging gestelde omstandigheid dat de aangeefster een mes in haar handen had en dat mes hem in zijn been heeft geraakt. Van een motiveringsgebrek was ook sprake in HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512. Daar had het hof vastgesteld dat de verdachte was geslagen en dat hij in reactie daarop de aangeefster met een keukenmes in zijn arm had gestoken. Dat vond het hof geen proportionele reactie. De verdediging had echter ook aangevoerd dat de aangever een grote en brede man was, en dat hij de verdachte meerdere malen met zijn vuist had geslagen en had gebeten en dat bij de aanval de tv en Playstation van de verdachte kapot waren gegaan, terwijl de verdachte geen kant op kon en letterlijk met zijn rug tegen de muur stond. Omdat het hof de juistheid van deze omstandigheden deels in het midden had gelaten, was het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk.
Andere zaken illustreren vooral dat de gekozen manier van verdedigen (en de beoordeling van de proportionaliteit daarvan) niet op zichzelf staat, maar in de context van de gehele situatie moet worden bezien en beoordeeld. Ik geef een aantal voorbeelden die mijns inziens goed vergelijkingsmateriaal opleveren voor de onderhavige zaak en die tegelijk laten zien dat de beoordeling van de proportionaliteit sterk afhangt van de specifieke omstandigheden van het geval.
In HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1685 had de verdachte – net als in de onderhavige zaak – met twee handen een harde duw gegeven tegen de borst van de aangever. Het hof oordeelde daarover dat die reactie buitenproportioneel was. De duw was – zo had het hof vastgesteld – een reactie op een “dreigend gevaar” voor een wederrechtelijke aanranding. De aangever was boos op de verdachte afgelopen, was zeer dicht op hem gaan staan en sprak hem schreeuwend aan, terwijl de verdachte klem stond tussen zijn auto en de aangever. Het op deze omstandigheden gebaseerde oordeel van het hof dat de duw niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de dreigende aanranding, achtte de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij nam de Hoge Raad expliciet in aanmerking dat de maatstaf – zoals hiervoor al aan de orde kwam – tot terughoudendheid noopt.
In twee andere zaken had de verdachte zichzelf tegen een aanranding verdedigd met zijn blote vuisten en bleef het proportionaliteitsoordeel van het hof in cassatie ook niet overeind. In HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1804 had de verdachte twee vuistslagen in het gezicht van de aangever gegeven, nadat hij door die aangever bij zijn haren was gepakt en met zijn hoofd naar beneden was getrokken, terwijl de aangever hem vervolgens in het gezicht had geslagen en hem zo een snee in zijn lip had toegebracht. Het oordeel van het hof dat het geven van twee vuistslagen niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van die aanrandingen, was niet zonder meer begrijpelijk. Datzelfde oordeel volgde in HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245, waarin het hof had vastgesteld dat de aangever de verdachte meermalen had geduwd en vervolgens had geslagen, waarna de verdachte een vuistslag tegen het hoofd van de aangever had gegeven.
In de drie hiervoor genoemde gevallen verschilt de gekozen manier van verdedigen steeds niet van de aard van de aanranding. Het gaat in de kern steeds om – in mijn woorden – een handgemeen, waarbij geen sprake is van het gebruik van wapens. Maar ook het gebruik van een mes tegen een aanval met blote handen kan onder omstandigheden nog steeds een verdediging zijn die niet in onredelijke verhouding staat tot die aanranding. In bijvoorbeeld HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434 had het hof geoordeeld dat het met een mes steken door de verdachte in de borststreek van het slachtoffer niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding omdat de verdachte niet eerst had geprobeerd een minder verstrekkend verdedigingsmiddel toe te passen. Dat oordeel was volgens de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij werd in aanmerking genomen dat de verdachte meermalen met het slachtoffer en een voor hem onbekende man werd geconfronteerd, dat de laatste confrontatie uitliep op een gevecht tussen de verdachte en de twee anderen waarbij de verdachte meermalen (waaronder met vuisten) op zijn hoofd is geslagen en letsel heeft opgelopen en dat de verdachte op het moment van de aanranding door het latere slachtoffer niet weg kon komen.
In de onderhavige zaak heeft de verdediging – verweven met het betoog dat voorwaardelijk opzet op mishandeling ontbreekt – het standpunt ingenomen dat de reactie van de verdachte op de aanranding door zijn moeder binnen de grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit valt. Daarbij heeft de verdediging onder meer aangevoerd dat niet is gebleken dat de verdachte een mogelijkheid had om anders te handelen en ook dat hij langs zijn moeder moest om de uitgang te bereiken.
Het hof heeft overwogen dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond toen hij door zijn moeder tijdens een woordenwisseling op zijn wang was aangeraakt en was gekrabd op zijn arm. Dat de verdachte zijn moeder daarop een forse duw met twee handen heeft gegeven waardoor zijn moeder ten val kwam (met ernstig letsel tot gevolg), acht het hof een disproportionele reactie daarop. Daarbij heeft het hof kennelijk en blijkens de motivering vooral in aanmerking genomen dat er volgens het hof voor de verdachte een alternatief voorhanden was, namelijk het met beide handen afhouden van zijn moeder.
Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat bij dit oordeel voor het hof heeft meegespeeld dat de duw van de verdachte ernstig letsel heeft veroorzaakt bij zijn moeder. Het hof noemt dat gegeven expliciet in zijn overweging. Het enkele feit dat de verdedigingshandeling van de verdachte in de concrete situatie ernstige gevolgen heeft gehad voor de moeder van de verdachte, maakt die verdedigingshandeling echter niet zonder meer disproportioneel. Waar het immers om gaat is of de gedraging zelf – als verdedigingsmiddel – niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.
In dat verband wijs ik erop dat de ernst van de aanranding in mijn ogen relatief beperkt is, maar dat wat mij betreft hetzelfde geldt voor het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel. Mede gelet op de tot terughoudendheid nopende maatstaf en tegen de achtergrond van de hiervoor gegeven voorbeelden uit de rechtspraak van de Hoge Raad, is mijns inziens geen sprake van een zodanige onbalans tussen het geven van een forse duw en de door het hof vastgestelde aanranding van de verdachte dat gezegd kan worden dat sprake is van een ‘disproportionele reactie’. Dat de verdachte volgens het hof een alternatief voorhanden had en dat zijn moeder als gevolg van die duw haar beide polsen heeft gebroken, maakt dat – zoals ik hiervoor heb opgemerkt – niet anders.
Tegen de achtergrond van het voorgaande is het oordeel van het hof dat de verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden en dat hem om die reden geen beroep op noodweer toekomt, niet zonder meer begrijpelijk. Voor zover het hof bij dit oordeel ook relevant heeft geacht dat de verdachte “fors is en gezet” en de moeder “vier of vijf keer in het postuur” van de verdachte past (zie bewijsmiddel 4), merk ik op dat dat het hof die omstandigheid – anders dan in de overweging over het voorwaardelijk opzet op mishandeling – niet kenbaar heeft betrokken in de verwerping van het beroep op noodweer. Verder neem ik in aanmerking dat het hof zich niet heeft uitgelaten over de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat de verdachte niet weg kon en langs zijn moeder moest om bij de uitgang te komen, terwijl dat in de context van het beroep op noodweer wel een relevante omstandigheid is.
Het middel is terecht voorgesteld.
4. Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte een ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring voor het bewijs heeft gebruikt.
De steller van het middel heeft met deze klacht het oog op bewijsmiddel 7. Dat bewijsmiddel luidt:
“7. De verklaring van [slachtoffer] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende:
Ik maak veel kosten voor fysiotherapie en medicatie. Ik kan nog steeds niet fietsen of autorijden. Ik heb vorig jaar een elektrische fiets gekocht, maar daar mag ik nog steeds niet op rijden. Ik kan mijn werk ook niet meer uitoefenen. Mijn werk was mijn leven, wat heb ik nu nog?”
Deze verklaring is afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2024. Het proces-verbaal van die terechtzitting luidt – voor zover van belang – als volgt:
“ [slachtoffer] wordt als slachtoffer in de gelegenheid gesteld van haar spreekrecht gebruik te maken. Mr. Bleeker voert namens haar het woord aan de hand van de op schrift gestelde slachtofferverklaring die aan het hof wordt overgelegd en in het dossier wordt gevoegd. In aanvulling daarop voert [slachtoffer] nog het volgende aan:
Ik heb mijn hele leven ingesteld op de verdachte. Hij was altijd het zorgenkindje. Hij heeft dingen gedaan die niet door de beugel konden, ook thuis, zoals dingen in de fik steken. Mijn halve woning is kapot, bijvoorbeeld deuren die hij kapot gemaakt heeft. Ik sloot me ’s nachts op in mijn slaapkamer. Hij trapte de deur gewoon in. Hij noemde me hoer, zei dat ik niets voorstelde en dat ik geen toegevoegde waarde had. Hij zei: “Waarom ga je niet dood”? Om mij pijn te doen zei hij dagelijks dingen zoals: “Ik ga je vader opgraven”, “Ik ga naar jouw baas toe”, “Wat een dikke reet”. Ook werd ik fysiek mishandeld, zoals slaan met flessen op mijn hoofd of mijn polsen vasthouden. Ik kon niet tegen de verdachte op. Ik had hem niet moeten krabben; dat siert me niet.
Ik moest achter de VU aangaan om de letselpapieren op orde te krijgen. Zij hadden fouten gemaakt en dat hebben zij nu erkend. Ik maak veel kosten voor fysiotherapie en medicatie. Ik kan nog steeds niet fietsen of autorijden. Ik heb vorig jaar een elektrische fiets gekocht, maar daar mag ik nog steeds niet op rijden. Ik kan mijn werk ook niet meer uitoefenen. Mijn werk was mijn leven, wat heb ik hu nog? Ik bezoek een psycholoog omdat ik zelfmoord wilde plegen. Mij is geadviseerd om aangifte te doen om hulp te kunnen krijgen. De verdachte is stronteigenwijs. Na één gesprek blokkeert hij die persoon. De Opvoedpoli heeft hij om zijn vinger gewonden. Jeugdzorg wilde helpen om hem naar begeleid wonen te krijgen, maar dat is niet gebeurd. En toen de verdachte 18 jaar werd, moest hij het zelf maar uitzoeken.”
Uit dit proces-verbaal blijkt dat de als bewijsmiddel 7 gebruikte verklaring van [slachtoffer] is afgelegd terwijl zij door het hof als slachtoffer in de gelegenheid was gesteld van haar spreekrecht gebruikt te maken.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een mondelinge slachtofferverklaring die ter terechtzitting wordt afgelegd, niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Met het gebruik van de door [slachtoffer] als slachtoffer afgelegde verklaring voor het bewijs, heeft het hof deze rechtsregel miskend. Het middel klaagt daarover terecht.
De vraag is of deze terechte klacht ook tot cassatie moet leiden. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zijn moeder heeft mishandeld, terwijl dat feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Het arrest bevat de volgende overweging over de vraag of het letsel van [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt:
“Zwaar lichamelijk letsel
Door de duw heeft de moeder in beide polsen een breuk/breuken opgelopen, zoals ook blijkt uit de overgelegde brief van de Spoedeisende Hulp arts van 18 augustus 2023. Gelet op de ernst van dit specifieke letsel en de duur van het herstel, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en de stukken in het dossier, acht het hof ook bewezen dat de moeder ten gevolge van de mishandeling zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.”
Over de vraag wanneer letsel kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel is veel jurisprudentie van de Hoge Raad voorhanden. In zijn recente arrest van 20 januari 2026 heeft de Hoge Raad nadere beschouwingen gewijd aan het begrip ‘zwaar lichamelijk letsel’. Het gaat daarbij steeds – kort gezegd – om een afweging tussen de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Een veelvoorkomende vorm van letsel waarbij regelmatig de vraag speelt of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zijn (bot)fracturen. De Hoge Raad heeft daarover overwogen dat als sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, de fractuur in de regel kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast is het uitzicht op herstel van belang. Daarover bevat het arrest van 20 januari 2026 de volgende overweging:
“Een ander mogelijk gezichtspunt betreft het uitzicht op herstel. Daarbij geldt – ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn als het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook als het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Verder kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. Daarom is bijvoorbeeld de enkele vaststelling dat sprake is van een (al dan niet zware) hersenschudding, niet toereikend voor de kwalificatie ‘zwaar lichamelijk letsel’; daarvoor zijn nadere vaststellingen noodzakelijk.
In voorkomende gevallen kan in de beoordeling verder worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meer littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.”
Naast het betwiste bewijsmiddel 7 blijkt uit de overige bewijsmiddelen over het letsel slechts dat door twee artsen is geconstateerd dat de moeder van de verdachte twee gebroken polsen had (bewijsmiddel 5 en 6). Uit die bewijsmiddelen blijkt niet dat naar aanleiding van die fracturen operatief ingrijpen was vereist. Ook blijkt uit bewijsmiddel 5 en 6 niets over het uitzicht op herstel. Juist bewijsmiddel 7 trekt het letsel in dit geval wat mij betreft over de bewijsrechtelijke streep van zwaar lichamelijk letsel. Daaruit blijkt immers dat de moeder van de verdachte – ruim een jaar na de mishandeling – veel kosten maakt voor fysiotherapie en medicatie, dat zij nog steeds niet kan fietsen en autorijden en ook haar werk niet kan uitoefenen.
Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de als bewijsmiddel 7 gebruikte verklaring van de moeder van de verdachte van zodanig ondergeschikte betekenis is dat de verklaring kan worden weggedacht uit de bewijsmotivering.
Het middel slaagt.
5. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
Het middel klaagt over de gedeeltelijke afwijzing van de vordering van de benadeelde partij voor zover deze betrekking heeft op immateriële schade.
Aangezien de middelen van de verdachte naar mijn oordeel terecht zijn voorgesteld en mijn conclusie zal zijn dat de uitspraak van het hof – inclusief de beslissing op de vordering van de benadeelde partij – moet worden vernietigd, behoeft het middel van de benadeelde partij in principe geen bespreking. Toch zie ik aanleiding om er een korte overweging aan te wijden. Ook dit middel is wat mij betreft namelijk terecht voorgesteld.
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade van € 5.000,00 toegewezen tot een bedrag van € 1.250,00 en de vordering voor het overige afgewezen. Uit het overzichtsarrest over de benadeelde partij van de Hoge Raad volgt dat de rechter een vordering van de benadeelde partij slechts kan afwijzen als de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan. Uit de overwegingen van het hof kan niet volgen dat de ongegrondheid van de vordering tot een bedrag van € 3.750,00 in voldoende mate is komen vast te staan. In dit geval had het hof de benadeelde partij ten aanzien van het afgewezen deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren, zodat die vordering later eventueel nog bij de civiele rechter aanhangig kan worden gemaakt.
6. Slotsom
Beide middelen van de verdachte slagen. Het middel van de benadeelde partij is ook terecht voorgesteld.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam , opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG