PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02398
Zitting 21 april 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 11 juni 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-002205-23) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep dat was ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2023. In dat vonnis was de verdachte wegens – kort gezegd – het voorhanden hebben en gebruik maken van een vals identiteitsbewijs (namelijk: een Frans paspoort) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat N. Roos heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, niet zonder meer begrijpelijk is.
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevinden zich onder meer:
(i) een akte instellen hoger beroep van 19 juli 2023 waarin is vermeld dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft en dat de verdachte [a-straat 1] te [plaats] als domicilie kiest;
(ii) een aan de akte instellen hoger beroep gehechte bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep van de raadsman van de verdachte, waarop als bezoekadres van de raadsman het adres [a-straat 1] te [plaats] vermeld. Dit is ook het in de volmacht opgegeven adres voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv;
(iii) een dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, aangemaakt op 17 april 2024, waarin de verdachte wordt gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep op 11 juni 2024;
(iv) een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2024, ingevuld op 8 mei 2024, waarop als adres is vermeld “ [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] ” en waaruit blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt aan N. Roos. Onder “Opm. bezorger” is “(advocaat)” genoteerd.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2024 houdt het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] ,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig [advocaat] , advocaat te Rotterdam, die mededeelt niet door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
De voorzitter deelt mede:
Volgens de op 28 mei 2024 aan de SKDB ontleende gegevens is de verdachte niet gedetineerd en niet als ingezetene in Nederland ingeschreven, terwijl er ook overigens geen woon- of verblijfplaats van de verdachte bekend is.
Bij instelling van het rechtsmiddel op 19 juli 2023 heeft de verdachte domicilie gekozen ten kantore van haar raadsman op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Blijkens de akte van uitreiking is de dagvaarding om heden ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen op 8 mei 2024 betekend door uitreiking aan een ander die zich op het adres [a-straat 1] te [plaats] bevond.
Blijkens het proces-verbaal van de KMAR PL27WZ/23-002892 vermeldt haar op 9 januari 2020 afgegeven Franse paspoort, waarvan de authenticiteit niet vaststaat, als adres [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] , Frankrijk. Gelet op de aard en datum van dit gegeven en de daarvan afwijkende adresopgaven sindsdien lijkt dat geen adres dat is te beschouwen als bekende woon- of verblijfplaats in het buitenland, terwijl dit adres voorts geen afschriftverplichting oproept omdat het niet in Nederland is gelegen. Derhalve kan buiten beschouwing blijven wat er de consequentie van behoort te zijn dat het openbaar ministerie ten aanzien van dit adres heeft volstaan met toezending van een afschrift van de dagvaarding op 18 april 2024 met als adres " [postcode 2] [plaats] Frankrijk".
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.”
Het hof heeft de verdachte vervolgens bij arrest van 11 juni 2024 op grond van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
De steller van het middel voert aan dat de verdachte niet was ingeschreven in de BRP, niet was gedetineerd en van haar ook geen feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was. Omdat uit de stukken van het geding niet blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, is het in de uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend, volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk.
De betekening van gerechtelijke stukken, zoals de dagvaarding in hoger beroep, is geregeld in art. 36e Sv. Die bepaling luidt – voor zover van belang – als volgt:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1° aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2° indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.”
Voorafgaand aan de inhoudelijke bespreking van het middel is van belang dat de Hoge Raad in een arrest van 12 maart 2002 heeft geoordeeld dat in cassatie niet kan worden geklaagd over de wijze waarop de dagvaarding is betekend indien de raadsman van de verdachte in de gelegenheid is geweest om die klacht aan de feitenrechter voor te leggen en hij dat heeft nagelaten. Nu de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van 11 juni 2024 heeft medegedeeld dat hij niet uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigd is om de verdediging te voeren en evenmin blijkt dat hij desondanks door het hof in de gelegenheid is gesteld om te klagen over die betekening, kan hierover in cassatie worden geklaagd.
Verder is nog van belang dat het hof blijkens voornoemd proces-verbaal van de terechtzitting op 11 juni 2024 over het op het Franse paspoort van verdachte vermelde adres in Frankrijk heeft overwogen dat dit adres – “gelet op de aard en datum van dit gegeven en de daarvan afwijkende adresopgaven sindsdien” – niet te beschouwen is als bekende woon- of verblijfplaats in het buitenland. Die vaststelling wordt in cassatie niet bestreden. Ook wordt in cassatie niet betoogd dat van de verdachte anderszins een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was. In cassatie moet daarom als vaststaand worden aangenomen dat de verdachte op het desbetreffende moment niet was ingeschreven in de BRP en van haar ook anderszins geen feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was.
Dan kom ik nu toe aan de inhoud van het middel. De steller van het middel voert aan dat uit de stukken van het geding niet blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en dat het in de uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend daarom niet zonder meer begrijpelijk is.
Op grond van art. 36e lid 2 onder b jo. art. 36e lid 1 onder b Sv moet de dagvaarding worden uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan, indien de (niet-gedetineerde) verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP en van hem of haar evenmin een feitelijke woon- of verblijfplaats (in Nederland) bekend is. Bij zo’n feitelijke woon- of verblijfplaats kan het bijvoorbeeld gaan om een adres dat de verdachte bij een politieverhoor heeft opgegeven of om een adres dat de verdachte heeft doen opnemen in de akte hoger beroep.
In de onderhavige zaak is in de akte hoger beroep een adres vermeld, namelijk het adres [a-straat 1] te [plaats] . Uit de stukken van het geding blijkt dat dit het kantooradres van de raadsman van de verdachte betreft. Deze adresopgave in de akte hoger beroep houdt verband met de uit art. 450 lid 3 Sv voortvloeiende eisen voor het instellen van hoger beroep via een schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker. In die schriftelijke bijzondere volmacht moet de verdachte op grond van art. 450 lid 3 Sv instemmen met het direct in ontvangst nemen door de griffiemedewerker van de oproeping voor de terechtzitting en moet de verdachte tevens een adres opgeven voor toezending van een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep. Art. 450 lid 5 Sv bepaalt vervolgens dat een afschrift van de dagvaarding aan het door of namens de verdachte opgegeven adres wordt toegezonden, hetgeen ook het kantooradres van de advocaat van de verdachte mag zijn.
De opgave van het adres van het kantoor van de raadsman in de akte hoger beroep is dus alleen van belang voor het in art. 450 lid 3 Sv bedoelde geval waarin de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep direct na het instellen van hoger beroep aan de griffiemedewerker wordt uitgereikt. Die opgave van het kantooradres van de advocaat kan niet worden gelijkgesteld met een woon- of verblijfplaats zoals bedoeld in art. 36e lid 1 onder b Sv.
In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte niet was gedetineerd, niet als ingezetene in Nederland was ingeschreven en er ook overigens geen woon- of verblijfplaats van de verdachte bekend was. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de verdachte bij instelling van het rechtsmiddel op 19 juli 2023 “domicilie heeft gekozen ten kantore van haar raadsman op het adres [a-straat 1] te [plaats] ” en dat de dagvaarding in hoger beroep op dat adres is betekend. Kennelijk heeft het hof op grond hiervan geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, waarna het hof verstek heeft verleend tegen de niet-verschenen verdachte.
Gelet op hetgeen ik hiervoor heb vooropgesteld, is het in de akte hoger beroep opgenomen adres “ [a-straat 1] te [plaats] ” een adresopgave zoals bedoeld in art. 450 lid 3 Sv. De uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep op dat adres is daarom – anders dan het hof kennelijk heeft verondersteld – niet van belang voor de vraag of de dagvaarding op grond van art. 36e lid 1 onder b Sv rechtsgeldig is betekend. Voor die vraag is daarentegen wel van belang of uit de stukken van het geding kan worden afgeleid dat de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Dat is op grond van art. 36e lid 2 onder b jo. art. 36e lid 1 onder b Sv immers de manier om de dagvaarding rechtsgeldig te betekenen indien – zoals het hof hier heeft vastgesteld – de verdachte niet was ingeschreven in de BRP en van haar ook overigens geen woon- of verblijfplaats bekend was.
De enige akte van uitreiking die zich bij de stukken van het geding bevindt en ziet op de dagvaarding in hoger beroep heeft betrekking op de hiervoor genoemde betekening op het adres van het kantoor van de raadsman. Uit de stukken van het geding kan niet worden afgeleid dat de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie. Het kennelijke oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, is daarom niet zonder meer begrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht.
Ik heb me afgevraagd of dit verzuim ook tot cassatie moet leiden. Voordat ik aan die vraag toekom, merk ik op dat het middel niet klaagt over schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Ter terechtzitting in hoger beroep is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2024 ook niet om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting verzocht met het oog op de effectuering van dat recht. Het middel klaagt uitsluitend over het ten onrechte niet uitreiken van de dagvaarding in hoger beroep aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Het gaat hierna dan ook uitsluitend om de vraag of de verdachte bij die klacht enig rechtens te respecteren belang bij heeft.
Buiten kijf staat dat een verdachte er belang bij heeft de dagvaarding te (kunnen) ontvangen. Alleen zo kan de verdachte immers het aanwezigheidsrecht effectueren. De betekeningsvoorschriften strekken ertoe zoveel mogelijk te voorkomen dat een verdachte buiten zijn of haar schuld onbekend blijft met het feit dat een tegen hem of haar lopende strafzaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, dientengevolge niet verschijnt en daardoor in zijn verdediging kan worden benadeeld. Daarom is voor mij de relevante vraag of het voor een rechtsgeldige betekening vereiste uitgangspunt dat de dagvaarding aan een medewerker van het openbaar ministerie had moeten worden uitgereikt, in de onderhavige zaak dat belang ook daadwerkelijk had kunnen dienen.
Het belang van de verdachte bij de uitreiking van de dagvaarding aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan, zoals bedoeld in art. 36e lid 2 onder b Sv, is er – in gevallen waarin van de verdachte een BRP-adres heeft en waarin dat adres tenminste vijf dagen na de poging tot uitreiking nog steeds geldig is – vooral in gelegen dat die uitreiking vervolgens aanleiding dient te geven tot het versturen van een afschrift van de dagvaarding naar dat adres. Dat versturen van een afschrift maakt weliswaar geen deel uit van de betekening zelf, maar kan er wel alsnog toe leiden dat de verdachte op die manier op de hoogte raakt van de dagvaarding. In zo’n geval, waarin de verdachte een bekend BRP-adres heeft, herbergt de uitreiking van de dagvaarding aan de autoriteit waarvan zij is uitgegaan dus een zeker belang voor de verdachte. Verder is een ander mogelijk belang voor de verdachte bij de in de wet voorgeschreven procedure dat de uitvaardigende autoriteit door de uitreiking aan de uitvaardigende autoriteit zelf wordt ingescherpt dat de dagvaarding de verdachte bij de eerste poging(en) nog niet heeft bereikt, hetgeen aanleiding kan zijn om op een later moment nogmaals te trachten de dagvaarding uit te reiken op een – al dan niet later bekend geworden – adres van de verdachte.
In een zaak waarin de Hoge Raad op 1 februari 2022 uitspraak deed, was een van de hiervoor genoemde belangen aan de orde. Van de verdachte was een BRP-adres bekend, maar het lukte niet om de oproeping voor de terechtzitting op dat adres uit te reiken. Uit de akte van uitreiking bleek vervolgens niet dat de oproeping daadwerkelijk aan een medewerker van het openbaar ministerie was uitgereikt en evenmin dat en wanneer een afschrift van die oproeping naar het BRP-adres was verzonden. Volgens AG Paridaens had het hof daarom ten onrechte geoordeeld dat de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep rechtsgeldig was betekend. De Hoge Raad verklaarde de betekening van de oproeping vervolgens nietig onder verwijzing naar haar conclusie.
In de onderhavige zaak speelt zo’n belang naar mijn oordeel niet. Van de verdachte is – zoals het hof heeft vastgesteld – in de hele fase van het hoger beroep een BRP-adres noch een woon- of verblijfplaats bekend geweest. Dat blijkt ook uit de SKDB-bevraging in cassatie, waaruit volgt dat de verdachte pas vanaf 13 juli 2025 over een BVV-adres (Basisvoorziening Vreemdelingen) beschikt en dat zij eerst vanaf 21 januari 2026 is ingeschreven in de BRP. Aangezien de verdachte gedurende de fase van het hoger beroep niet was ingeschreven in de BRP, had de uitreiking aan het openbaar ministerie daarom in dit geval niet geleid tot het op grond van art. 36e lid 2 onder b Sv versturen van een afschrift van de dagvaarding naar enig adres. Nu de verdachte gedurende het hoger beroep niet in de BRP ingeschreven was en er ook anderszins geen woon- of verblijfplaats van haar bekend is geworden, had de uitreiking aan het openbaar ministerie ook nooit geleid tot een nieuwe poging om de dagvaarding alsnog aan de verdachte uit te reiken.
Bij die stand van zaken meen ik dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij de klacht dat is verzuimd de dagvaarding uit te reiken aan een medewerker van het openbaar ministerie.
3. Slotsom
Het middel faalt bij gebrek aan belang.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG