ECLI:NL:PHR:2026:41

ECLI:NL:PHR:2026:41, Parket bij de Hoge Raad, 13-01-2026, 23/03049

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 15-01-2026
Zaaknummer 23/03049
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben cocaïne. Art. 2 Opiumwet. Falend middel over afwijzing van voorwaardelijk verzoek tot horen van verbalisant. Tevens falend middel met bewijs- en motiveringsklachten m.b.t. medeplegen alsmede wetenschap van- en opzet op aanwezig hebben cocaïne. Tot slot falend middel over strafoplegging. Ambtshalve: overschrijding redelijke termijn. De conclusie strekt tot partiële vernietiging van de uitspraak en strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn en verwerping voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/03049

Zitting 13 januari 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 augustus 2023 het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 juni 2022, waarbij de verdachte wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld, bevestigd met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Omwille van de chronologie zal ik de middelen bespreken in een iets andere volgorde dan waarin deze zijn voorgesteld. Ik begin met de bespreking van het eerste en derde middel, nu deze middelen beide klagen over de bewezenverklaring. Het tweede middel zal ik als laatste bespreken, nu dat klaagt over de strafoplegging.

2. Het eerste middel

Het middel klaagt over de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [verbalisant 1] .

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 29 augustus 2020 tot en met 30 augustus 2020 te [plaats] , tezamen

en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne.”

De bewezenverklaring is gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:

Verklaring van de verdachte ter terechtzitting

De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 3 juni 2022 heeft afgelegd, houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in.

Ik had in het hotel een kamer voor mezelf gehuurd. Ik heb ook voor mijn zoon een kamer gehuurd. De geldtelmachine uit de hotelkamer had ik meegenomen. Ik ben samen met mijn zoon in de witte Mercedes Vito bestelbus met [kenteken 1] naar België geweest. Ik was de bestuurder. [medeverdachte 1] is een neef. Ik heb misschien een oranje broek aan gehad. Ik ben met de bus teruggereden naar het hotel. Mijn zoon en ik zijn daar samen aangekomen. [betrokkene 1] is mijn ex.

Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] (dossierpagina’s 76 e.v.). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 31 augustus 2020 door de [medeverdachte 2] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Hoelang zat je al in het hotel?

A: paar weken

(…)

A: kamer […] is van mij

(...)

V: Wie verblijven er in die hotelkamers?

A: Mijn vriendin (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 2]) komt af en toe langs.

V: Die was er gisteren ook?

A: Ja.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 123 e.v.). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisanten dan wel een van hen:

Op 30 augustus 2020 omstreeks, 14.45 uur kregen wij de melding om te gaan naar de [a-straat 1] in [plaats] . Daar op de parkeerplaats van het [A] Hotel zou een witte Mercedes Vito staan voorzien van [kenteken 1] . De melder zag dat het busje af en toe bewoog. Omstreeks 14.50 uur waren wij ter plaatse en zagen wij de genoemde Mercedes daar staan op de parkeerplaats van het [A] Hotel.

Ik, [verbalisant 2] , liep naar de achterzijde van het busje. Ik zag dat het busjes twee deuren aan de achterzijde had zitten welke geopend konden worden. Ik trok aan de deurhendel en zag dat rechter deur gewoon open ging. Hierop keek ik in de laadruimte en zag ik een persoon gehurkt zitten links achterin. Dit bleek later te zijn verdachte:

[medeverdachte 2] )

Geboren [geboortedatum] -2001 (19) te [geboorteplaats] (Nederland)

Geslacht: man.

Hierna te noemen: [verdachte] .

Hierop kwam ik, [verbalisant 3] , bij [verbalisant 2] staan. Wij zagen dat het busje vol stond met verhuisdozen en vuilniszakken. Hierop vroeg ik, [verbalisant 2] , wat [medeverdachte 2] aan het doen was. Wij hoorden [medeverdachte 2] antwoorden: "Ik ben spullen aan het inpakken". Wij zagen dat [medeverdachte 2] zweetdruppels over zijn armen en op zijn neus had en dat hij trillende handen had. Het was op dat moment niet extreem warm of koud. Wij zagen dat [medeverdachte 2] een oranje t-shirt, zwart broekje en badslippers aanhad. [medeverdachte 2] zat in het, busje met in zijn rechterhand een rood klein voorwerp. Achterbleef bleek dit om een stanleymes te gaan. Wij zagen dat er pakketten ter grootte van A5 papier pakketten gewikkeld in doorzichtig folie in de verhuisdozen lagen. Wij zagen dat er vuilniszakken in hef busje lagen met veel stukken kapotgetrokken duct tape. Wij zagen dat deze stukken duct tape de grootte en de vorm hadden van de pakketten die in de verhuisdozen lagen. Het is ons ambtshalve bekend dat diverse drugs vaak op deze manier verpakt en vervoerd worden.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 130 e.v.). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisanten dan wel een van hen:

Op 30 augustus 2020 hebben wij de in beslag genomen drugs gewogen op een digitale weegschaal.

Totaalgewicht van de pakketten: 195,5 negen kilogram.

De 170 pakketten waren verpakt in negen verhuisdozen.

Een proces-verbaal Van forensisch onderzoek plaats delict met fotobijlage (dossierpagina’s 137 e.v.). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisant:

Ik kreeg een pakket overhandigd dat afkomstig was uit het voertuig waarin [medeverdachte 2] was aangehouden. De vorm en de verpakkingswijze van het pakket, namelijk

- vacuüm verpakt in folie;

- met een vermoedelijk netto gewicht van ongeveer één kilogram (gewogen bruto gewicht op een niet geijkte weegschaal 1.16 kilogram);

- met afmetingen van ongeveer 22,5 centimeter bij 14,5 centimeter,

herkende ik ambtshalve als zijnde de wijze waarop cocaïne verpakt wordt.

Ik heb de verpakking met een scalpelmesje opengesneden. Ik zag dat de inhoud van het pakket wit poeder betrof. Met gebruik van de indicatieve drugtest MMC cocaïne/cracktest heb ik een bemonstering van de poeder getest. De test gaf een positieve uitslag op cocaïne.

Een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen (dossierpagina’s 142 e.v.). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisanten dan wel een van hen:

De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:

Goednummer; PL1100-2020185815-1181667

SIN: AAJE1240NL

Relatie met SIN: AALE3681NL, AALE3682NL, AALE3683NL, AALE3684NL, AALE3685NL, AALE3686NL, AALE3687NL, AALE3688NL, AALE3689NL, AALE3724NL, AALE3725NL, AALE3726NL, AALE3727NL, AALE3728NL, AALE3729NL, AALE3730NL, AALE373INL, AALE3732NL, AALE3715NL, AALE3716NL, AALE3717NL, AALE3718NL, AALE3719NL, AALE3720NL, AALE372INL, AALE3722NL, AALE3723NL,

Object: Verdovend middel (cocaïne/crack)

Kleur: Wit

Inhoud: Samengeperste poeder

Bijzonderheden: 170 blokken a 1,1-1,2 kg p.s. totaal bruto 195,35 kg

Omschrijving: Pakket met samengeperst witte poeder, verpakt in meerdere lagen en typen verpakkingsmateriaal (tape, folie, rubber).

Gewicht netto: 170000 gram (170 kilogram).

Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat elk pakket waaruit bemonsterd is een afgerond netto gewicht heeft van 1 kilogram.

Aantal monsters: 27.

Monsters A t/m Z en nr. 27 (allemaal positief voor cocaïne)

Opmerking rechtbank:

In het dossier bevinden zich 27 rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut. De conclusie is dat alle monsters met de voornoemde SIN-nummers AALE368INL tot en met AALE3689 en AALE3715NL tot en met AALE3732NL cocaïne bevatten. (Zie de 27 NFI-rapporten, zaaknummer 2020.09.01.013, aanvragen 001 tot en met 027, dossierpagina’s 153-179).

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 303 e.v.). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisant:

Volgens het RDW staat genoemde Mercedes Vito, voorzien van [kenteken 1] , sinds 5 juni 2020 op naam Van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1975.

Middels de Gemeentelijke Basis Administratie heb ik gezocht naar de relatie tussen de verdachte [medeverdachte 2] en de eigenaresse van de Mercedes Vito, [betrokkene 1] . Uit dit onderzoek werd bekend dat de vader van verdachte [medeverdachte 2] , genaamd [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , GBA-adres ZVWOVP en [betrokkene 1] gezamenlijk de ouders zijn van twee kinderen genaamd: [dochter 1 verdachte] en [dochter 2 verdachte] .

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 199 e.v.). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisanten dan wel één van hen:

Op 30 augustus 2020 had ik, [verbalisant 2] (samen met [verbalisant 3] , hoofdagent van politie) een hoeveelheid drugs aangetroffen in een busje dat geparkeerd stond voor het [A] hotel aan de [a-straat 1] te [plaats] .

In de laadruimte van dit busje werd een grote hoeveelheid drugs en een verdachte aangetroffen. Deze is door [verbalisant 3] en mij aangehouden. In zijn fouillering werd een pasje aangetroffen die meer dan vermoedelijk als sleutel diende voor een hotelkamer (de rechtbank begrijpt: een keycard). Ik, [verbalisant 4] , kreeg vervolgens de opdracht te gaan naar dit hotel en een onderzoek in te stellen naar de herkomst van dit pasje en of de verdachte in het hotel ook een kamer had geboekt.

Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] , zijn samen naar het voornoemde hotel gegaan en hebben daar de receptioniste aangesproken.

Wij hebben gevraagd of er iemand ingecheckt was met de achternaam [medeverdachte 2] . Ze is vervolgens gaan kijken in het systeem en gaf aan dat er twee kamers geboekt waren door dezelfde man, namelijk " [verdachte] ". Het zou gaan om de kamernummers […] en […] . De kamers waren gehuurd vanaf mei 2020.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen en fotobijlage (dossierpagina’s 209 e.v.). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisanten dan wel één van hen:

Op 30 augustus 2020, omstreeks 18:41 uur, werd binnengetreden in hotelkamer […] van het [A] Hotel [plaats] . Tijdens deze doorzoeking werden de volgende goederen in beslag genomen: een afschrift van een huurcontract van een unit bij [B] op naam van [verdachte] , een vliegticket vanuit Suriname op naam van ‘ [verdachte] ’, een geldtelmachine, twee bekers, een vork, een tandenborstel en drie dactyloscopische sporen. Van een aantal andere goederen werden foto’s gemaakt: een factuur van autoverhuurbedrijf DIKS voor voertuig met [kenteken 2] (op naam van [verdachte] ), diverse bonnen en facturen (waarvan twee van een apotheek op naam van [verdachte] ), diverse kladbriefjes, een label van een sleutel, diverse ING-brieven (op naam van [verdachte] ) en een betaalpas van Good Vibes.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (bevattende afbeeldingen) (Documentcode: 20200917.1540.7420) (dossierpagina's 310 e.v.). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisant:

Betreft: Camerabeelden [A] hotel

Ik heb de beschikbare bewakingsbeelden bekeken. Hierbij heb ik de volgende waarnemingen gedaan:

Zaterdag 29 augustus 2020

12.27: [medeverdachte 2] verlaat de hotelkamer en loopt naar de lift.

12.28: [medeverdachte 2] komt de lift uit en loopt door de receptie naar buiten het parkeerterrein op.

12.28: [medeverdachte 2] loopt richting een grijze Mazda CX-30 voorzien van [kenteken 3] .

12.28: [medeverdachte 2] stapt in de Mazda voorzien van [kenteken 3] en rijdt achteruit het parkeerterrein af.

12.29: [medeverdachte 2] rijdt weg in de richting van de [b-straat 1] .

Witte Mercedes Vito voorzien van [kenteken 1] komt aanrijden vanuit de richting [b-straat 1] te [plaats] . Bus wordt achteruit ingeparkeerd nabij de ingang van het hotel.

21.44: Uit de bus stappen twee mannelijke personen en gaan de ingang van het hotel binnen. Mannen zijn beide gekleed in oranje werkkleding. De bestuurder draagt een baseball pet (de rechtbank begrijpt: de verdachte). De bijrijder van de bus is [medeverdachte 2] .

(...)

21.45: Beide mannen nemen de lift naar de 5e etage.

(…)

21.47: Mannen komen aan op de 5e etage en gaan allebei naar een afzonderlijke kamer. (Opmerking rechtbank: op de bijbehorende afbeelding is te zien dat de verdachte een oranje werkbroek aan heeft).

21.53: Bestuurder van de bus komt zijn kamer uiten loopt naar de kamer van [medeverdachte 2] en klopt aan en gaat de kamer binnen.

(...)

Beide mannen komen uit de kamer en lopen richting de lift. [medeverdachte 2] heeft zich omgekleed. 21.55: Beide mannen lopen via de receptie naar buiten. Buiten gaat de bestuurder van de bus staan bellen voor de deur van het hotel. [medeverdachte 2] wacht tot het gesprek klaar is.

22.03: Mannen lopen het parkeerterrein africhting de [b-straat 1] en lopen het beeld uit. De bestelbus blijft achter op het parkeerterrein van het [A] hotel.

Zondag 30 augustus

03.55: Donkerkleurige Mazda voorzien van [kenteken 3] komt het parkeerterrein op rijden vanuit de richting van de [b-straat 1] .

03.56: [medeverdachte 2] stapt uit als bestuurder en haalt twee rood witte paaltjes weg van een parkeerplaats direct naast de ingang van het hotel en parkeert de auto achteruit in.

[medeverdachte 2] ontgrendelt de Mazda en opent de kofferbak van de Mazda.

11.45: [medeverdachte 2] heeft een aantal uit elkaar gevouwen verhuisdozen uit de Mazda gepakt en loopt richting de Mercedes Vito bus en zet de dozen tegen de bestuurderszijde van de Vito bus.

11.46: [medeverdachte 2] stapt achter het stuur van de Vito bus en rijdt de bus een stukje naar voren.

11.47: [medeverdachte 2] stapt uit, stapt uit het bestuurdersportier, pakt de dozen beet en stapt achter in de bestelbus.

14.51: Politievoertuig rijdt parkeerterrein op van [A] hotel.

14.55: Na onderzoek in de cabine wordt het achterportier van de Vito geopend en word [medeverdachte 2] aangehouden.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 361 e.v.). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisant:

Betreft: aanvullend pv, parkeren Mercedes-Benz Vito bij hotel

Op 29 augustus 2020, omstreeks 21:42 uur, werd de Mercedes-Benz Vito, [kenteken 1] geparkeerd in een parkeervak, nabij de ingang van het [A] hotel aan de [a-straat 1] in [plaats] . Dit is op camerabeelden van het hotel te zien.

(…)

De Mercedes-Benz Vito, [kenteken 1] , beschikt over een dubbele cabine, toegankelijk via beide voorportieren en een schuifdeur aan de rechterkant. De laadruimte is afgeschermd van de cabineruimte. In het tussenschot tussen cabine en laadruimte zit wel een raam over bijna de hele breedte. De laadruimte is bereikbaar via 2 openslaande deuren aan de achterzijde van het voertuig. Op de camerabeelden van het hotel is te zien dat de Mercedes-Benz Vito achteruit in een parkeervak nabij de hotelingang wordt geparkeerd. De achteruitrijlampen van de auto branden. Hierdoor is te zien dat aan de achterzijde van het parkeervak een paal staat met een behoorlijk breed bord met een "P" erop. Deze paal steekt naar ruwe schatting van de camerabeelden ongeveer 1 meter omhoog. [medeverdachte 2] loopt op 30 augustus 2020 met verhuisdozen naar de Mercedes-Benz.

[medeverdachte 2] lijkt te controleren hoe hij in de auto kan komen. Op onderstaand beeld (Opmerking rechtbank: afbeelding op dossierpagina 364) is te zien dat de achterzijde van de Mercedes-Benz dicht tegen de achterliggende auto staat. Het verkeerspaaltje staat hier dus nog tussen. Het is hierdoor onmogelijk om de achterdeuren te openen en de laadruimte van de Mercedes-Benz te betreden. [medeverdachte 2] zet de dozen tegen de Mercedes-Benz aan, stapt in en rijdt een stukje naar voren. De Mercedes-Benz is ver genoeg naar voren gereden. [medeverdachte 2] kan nu wel de achterdeuren openen en in de laadruimte van de Mercedes-Benz komen.

Een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 367 e.v.). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisant:

Uit de camerabeelden van het [A] hotel is te zien dat de bestelbus, de Mercedes Vito, voorzien van [kenteken 1] , op zaterdag 29 augustus 2020 omstreeks 21.40 uur wordt geparkeerd op het parkeerterrein van het hotel. De bestelbus wordt vanaf dat moment niet meer verplaatst, (zie proces verbaal beelden 20200917.1540.7420). [medeverdachte 2] wordt de volgende middag in de laadruimte van deze bestelbus aangetroffen samen met een grote hoeveelheid verdovende middelen.

De foto van deze man is vergeleken met de een foto welke afkomstig is uit de politiesystemen van 2016. Het betreft hier een persoonsfoto van de vader van [medeverdachte 2] genaamd [verdachte] .

De man die als bestuurder optreedt van de bestelbus die avond toont grote gelijkenis met de vader van [medeverdachte 2] , genaamd [verdachte] geboren [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] .

Zo is te zien dat het oorsieraad grote gelijkenis toont, beide hetzelfde gezicht hebben en een klein oor hebben.

Een ‘navolgend proces-verbaal’ van de Federale gerechtelijke politie - Provincie Antwerpen - 7314 (503869/2021 -09-02-2021) (los in het dossier). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisant:

[verdachte] - [geboortedatum] -1975 - Nationaliteit: Nederlands

[medeverdachte 2] - [geboortedatum] -2001 - Nationaliteit: Nederlands

[medeverdachte 1] - [geboortedatum] -1980 - Nationaliteit: Nederlands

Uitvoering Europees onderzoeksbevel (EOB):

Wij maken u de volgende zaken over in aanvulling tot eerder gestuurd EOB. Dit op vraag van de Nederlandse autoriteiten. Er worden meerdere onderzoeksdaden gevraagd:

(...)

- ‘Bevestiging van de informatie dat de oranje werkplunje en de werkboots die de betrokkenen [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] op 29 augustus 2020 op de [c-straat] in regio [plaats] en dat ambtshalve bekend is dat middels deze methode drugs wordt uitgehaald.’ (De rechtbank begrijpt: Bevestiging van de informatie dat de oranje werkplunje en de werkboots die de betrokkenen [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] op 29 augustus 2020 op de [c-straat] in regio [plaats] droegen, gelijkend zijn op de werkkleding van de havenarbeiders in de haven van [plaats] en dat ambtshalve bekend is dat middels deze methode drugs wordt uitgehaald),

- Onderzoek te doen naar de uithaling van cocaïne (…), waarbij hieronder genoemde personen gebruik hebben gemaakt van de volgende voertuigen:

- Mazda met [kenteken 3]

- Mercedes Vito met [kenteken 1]

(…)

Vaststellingen:

Tijdens een toezicht drugsverkoop/dealen wordt er een voertuig Mazda met Nederlands [kenteken 3] opgemerkt dat zich parkeert op [c-straat] naast andere geparkeerde voertuigen, enkel de bestuurder, van donkere huidskleur, is in het voertuig. Er wordt naast de andere voertuigen nog een voertuig Mercedes Vito met Nederlands [kenteken 1] opgemerkt, ook hier is enkel de bestuurder, van donkere huidskleur, aanwezig in het voertuig.

Gezien de verdachte situatie wordt besloten om beide voertuigen in observatie te nemen. Er wordt gezien dat de bestuurder van de Mercedes Vito zich naar de koffer van het voertuig Mazda begeeft, er worden handelingen gedaan maar deze kunnen niet waargenomen worden. De bestuurder van de Mercedes Vito neemt vervolgens plaats in de Mazda naast de bestuurder. Er wordt even gepraat, waarbij de bestuurder van de Mercedes Vito uitstapt en terug instapt in zijn voertuig (Mercedes Vito), vervolgens stapt de bestuurder van de Mazda uit en stapt in naast de bestuurder van de Mercedes Vito. Deze persoon is gekleed in een oranje werkplunje met beige hoge werkboots. Zij praten even, vervolgens stapt de bestuurder van de Mazda uit en neemt terug plaats in zijn voertuig (Mazda). Beide voertuigen rijden verder, via de [d-straat] in de richting van [plaats] , waarbij ze zich een 100 meters verder terug parkeren langsheen de rijbaan. Opstellers nemen positie in op de parking van het nabij gelegen winkelcentrum en beide voertuigen worden terug onder observatie genomen, tijdens een 56-tal minuten gebeurt er niks, tot het voertuig MAZDA de parking van het winkelcentrum komt opgereden en zich parkeert. Er wordt na een tijd besloten om over te gaan tot controle.

De bestuurder wordt geïdentificeerd als: [medeverdachte 1] ° [geboortedatum] /1980 - Nat Nederland. Betrokkene, is gekleed in de oranje werkplunje en grijze hoge werkboots, die eruit zien alsof ze uit de verpakking komen.

Tijdens de controle wandelt de bestuurder van de Mercedes Vito voorbij alsof hij van niks weet en geen aandacht schenkt aan het gebeuren. Betrokken wordt ook geïdentificeerd als: [verdachte] ° [geboortedatum] /1975 - Surinaamse nationaliteit. (Opmerking rechtbank: zie afbeelding van het kennelijk door de verdachte gepresenteerde identiteitsdocument). Betrokkene is op dezelfde wijze gekleed (ook oranje werkplunje en grijze hoge werkboots alsof ze uit de verpakking komen). Op de vraag of zij elkaar kennen, ontkennen zij, waarop de opstellers zeggen dat ze wel gezien hebben dat ze elkaar daarjuist ontmoet hebben, waarop ze vervolgens antwoorden dat dit dan zou kunnen dat ze mogelijks elkaar kennen.

Bij de fouillering van het voertuig MAZDA ( [kenteken 3] ) wordt in de koffer een cuttermes en een aantal dozen alsmede een manbag aangetroffen met daarin een NL paspoort op naam van [medeverdachte 2] (° [geboortedatum] /2001 ) - Surinaamse nationaliteit. Op de vraag wie deze persoon is van de paspoort, antwoordt [medeverdachte 1] dat dit zijn neef is.

Bij de fouillering van het voertuig Mercedes Vito ( [kenteken 1] ) wordt op de achterbank een derde verdachte persoon aangetroffen van donkere huidskleur en eveneens gekleed in dezelfde oranje werkplunje en grijze werkboots, eveneens een splinter nieuwe outfit. Betrokkene blijkt de persoon ( [medeverdachte 2] ° [geboortedatum] /2001) te zijn van wie het aangetroffen paspoort in de manbag gevonden is in de koffer van de Mazda.

Opmerkingen vaststellers:

- Betrokkenen zijn zeer zenuwachtig en blijven maar zeggen elkaar niet goed te kennen en weigeren te antwoorden op de vragen van opstellers.

(…)

- Op het voertuig Mercedes Vito is er wel een magneetbord gekleefd met de vermelding "wegverkeer".

- Op de bijkomende vraag waar zich naar toe begeven wordt er van de drie personen ontwijkend geantwoord.

- Gezien deze situatie en manier van kledij zouden dit mogelijks uithalers van drugs uit de haven kunnen zijn.

Noot. Opsteller huidige akte: de werkkledij zoals deze beschreven wordt in de vaststelling zijn te vergelijken met deze van de werkkledij dewelke gedragen wordt door dokwerkers die tewerkgesteld zijn aan de haven van [plaats] . Dit zou bovenstaande personen de kans geven om onopvallend de kaai te betreden.”

Het hof heeft in zijn arrest met betrekking tot het voorwaardelijke verzoek tot het horen van onder meer [verbalisant 1] overwogen:

“De raadsman heeft, indien de verdachte niet wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde, verzocht [verbalisant 1] en [medeverdachte 1] als getuigen te horen. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman aangevoerd dat hij het hele proces-verbaal waarin de situatie in [plaats] is beschreven wenst te toetsen aangezien de verdachte het met bepaalde waarnemingen en conclusies van de verbalisant niet eens is. Zo betreft de oranje outfit van verdachte geen werkkleding maar een modieuze outfit, zijn er geen verdovende middelen in de bus van de verdachte gevonden en heeft de verdachte geen contact gemaakt met de man in de Mazda. Aangezien in dit proces-verbaal ook het nodige over [medeverdachte 1] wordt gezegd wenst de raadsman voor de volledigheid ook deze te horen.

Het hof overweegt als volgt.

[verbalisant 1] heeft in zijn hoedanigheid als rechercheur bij de politie [plaats] naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel een proces-verbaal opgemaakt. In dat proces-verbaal zijn bevindingen van de Antwerpse politie met betrekking tot een controle van (onder anderen) de verdachte op 29 augustus 2020 opgenomen. Het overgrote en voor de strafzaak relevante deel van deze bevindingen wordt door de verdachte zelf bevestigd of door de overige inhoud van het dossier ondersteund. Zo heeft de verdachte zelf verklaard dat hij die dag met de medeverdachte in [plaats] was, blijkt uit de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s van identiteitsbewijzen dat de verdachte met de medeverdachte en [medeverdachte 1] is gecontroleerd, blijkt uit het proces-verbaal van de verbalisant dat in [plaats] daadwerkelijk geen verdovende middelen in de bus van de verdachte zijn aangetroffen en is op foto’s van het hotel in [plaats] te zien dat de verdachte en de medeverdachte ongeveer twee uur na de controle in [plaats] oranje pakken met reflecterende strepen, welke kenmerkend zijn voor werkkleding, droegen. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat het verzoek tot het horen van [verbalisant 1] onvoldoende is onderbouwd en dat de noodzaak tot het horen van deze getuige onvoldoende is gebleken.

Het hof acht het evenmin noodzakelijk om [medeverdachte 1] als getuige te horen, nu [medeverdachte 1] niet als getuige is gehoord en aldus geen verklaring heeft afgelegd die voor het bewijs is of kan worden gebruikt.

Naar het oordeel van het hof voldoet de procedure in haar geheel na die beslissingen nog steeds aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

De voorwaardelijke verzoeken worden dan ook afgewezen.”

In cassatie gaat om de afwijzing van een voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige als bedoeld in art. 315 in verbinding met art. 328 Sv, waarop het hof ex art. 330 in verbinding met 415 Sv dient te beslissen. Uit het arrest dat de Hoge Raad op 20 april 2021 wees naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin tegen Nederland volgt onder meer dat de rechter een verzoek tot het horen van een getuige kan afwijzen, als hij tot het oordeel komt dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben (“manifestly irrelevant or redundant”). Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Voor het oordeel dat zich de situatie voordoet dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, zijn onder meer van belang de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals de verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging.

Het middel bevat de klacht dat het hof het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [verbalisant 1] heeft afgewezen op daartoe ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden. Voorts zou het hof hebben verzuimd om na de afwijzing van het verzoek op begrijpelijke en/of (toereikend) gemotiveerde wijze na te gaan of het proces als geheel nog voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat:

(i.) het oordeel van het hof dat het belang van het horen van de getuige niet genoegzaam is onderbouwd onbegrijpelijk is;

(ii.) voor zover het hof heeft geoordeeld dat het verhoor van geen enkel belang of toegevoegde waarde zal zijn, dat oordeel onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd;

(iii.) dat in de afwijzende beslissing van het hof besloten ligt dat wanneer een belastende verklaring door ander bewijsmateriaal wordt ondersteund, de Keskin rechtspraak niet opgaat en dat onjuist is;

(iv.) dat het oordeel van het hof dat de procedure in haar geheel na de afwijzende beslissingen ‘nog steeds aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces’ voldoet, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is en

(v.) het hof het gebruik tot bewijs van de verklaring van een niet-ondervraagde getuige, onvoldoende met redenen heeft omkleed en/of het oordeel dat die verklaring tot bewijs kan worden gebezigd onbegrijpelijk is.

Door de raadsman is aan het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuige [verbalisant 1] ten grondslag gelegd dat hij het hele proces-verbaal waarin de situatie in [plaats] is beschreven wenst te toetsen aangezien de verdachte ‘het met bepaalde waarnemingen en conclusies van de verbalisant niet eens is’. Zo zou de oranje outfit van verdachte geen werkkleding maar een modieuze outfit betreffen, zijn er geen verdovende middelen in de bus van de verdachte gevonden en heeft de verdachte geen contact gemaakt met de man in de Mazda.

Het hof heeft overwogen dat [verbalisant 1] in zijn hoedanigheid als rechercheur bij de politie [plaats] naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel een proces-verbaal heeft opgemaakt, waarin bevindingen van de Antwerpse politie met betrekking tot een controle van (onder andere) de verdachte op 29 augustus 2020 opgenomen. Het hof heeft geoordeeld dat ‘het overgrote en voor de strafzaak relevante deel van deze bevindingen door de verdachte zelf wordt bevestigd of door de overige inhoud van het dossier wordt ondersteund’. Daarbij heeft het hof erop gewezen dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij die dag met de medeverdachte in [plaats] was, dat uit de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s van identiteitsbewijzen blijkt dat de verdachte samen met de medeverdachte en [medeverdachte 1] is gecontroleerd, dat uit het proces-verbaal van de verbalisant blijkt dat in [plaats] daadwerkelijk geen verdovende middelen in de bus van de verdachte zijn aangetroffen en op foto’s van het hotel in [plaats] te zien is dat de verdachte en de medeverdachte ongeveer twee uur na de controle in [plaats] oranje pakken met reflecterende strepen, welke kenmerkend zijn voor werkkleding, droegen. Het hof is ‘tegen die achtergrond’ van oordeel geweest dat het verzoek tot het horen van [verbalisant 1] onvoldoende is onderbouwd en de noodzaak tot het horen van deze getuige onvoldoende is gebleken. Het hof heeft het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [verbalisant 1] dan ook afgewezen.

De eerste deelklacht berust op de veronderstelling dat het hof het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuige [verbalisant 1] heeft afgewezen op de enkele grond dat het verzoek niet voldoende is onderbouwd. Ik lees de overwegingen van het hof echter anders. Het hof heeft naar mijn oordeel met zijn overwegingen tot uitdrukking beoogd te brengen dat de afwijzing berust op de grond dat het horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Het hof heeft immers vooraleerst overwogen dat het overgrote en voor de strafzaak relevante deel van deze bevindingen door de verdachte zelf wordt bevestigd of door de overige inhoud van het dossier wordt ondersteund. Het hof heeft overwogen dat het ‘tegen die achtergrond’ van oordeel is dat het verzoek tot het horen van [verbalisant 1] onvoldoende is onderbouwd en de noodzaak tot het horen van deze getuige onvoldoende is gebleken. Bij die lezing berust de deelklacht op een onjuiste lezing van het arrest, zodat deze feitelijke grondslag mist.

In het vervolg van de eerste deelklacht meen ik dat het oordeel van het hof dat het horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, evenmin onbegrijpelijk is. Dat oordeel van het hof berust immers op de vaststelling dat ‘het overgrote en voor de strafzaak relevante’ deel van de bevindingen van [verbalisant 1] door de verdachte zelf wordt bevestigd of door de overige inhoud van het dossier wordt ondersteund. Het hof heeft daarbij gewezen op (i) de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij die dag met de medeverdachte in [plaats] was, (ii) dat uit de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s van identiteitsbewijzen blijkt dat de verdachte samen met de medeverdachte en [medeverdachte 1] is gecontroleerd, (iii) dat uit het proces-verbaal van de verbalisant blijkt dat in [plaats] daadwerkelijk geen verdovende middelen in de bus van de verdachte zijn aangetroffen en (iv) op foto’s van het hotel in [plaats] te zien is dat de verdachte en de medeverdachte ongeveer twee uur na de controle in [plaats] oranje pakken met reflecterende strepen, welke kenmerkend zijn voor werkkleding, droegen. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het slechts die gegevens – die door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn vast komen te staan – relevant acht voor de strafzaak en een verhoor van de getuige op dát gebied voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Daarbij betrek ik dat bewezenverklaard is dat de verdachte samen met de medeverdachte in [plaats] verdovende middelen voorhanden heeft gehad.

De derde deelklacht berust op de onjuiste veronderstelling dat in de afwijzende beslissing van het hof besloten ligt dat wanneer een belastende verklaring door ander bewijsmateriaal wordt ondersteund, de Keskin-rechtspraak niet opgaat. Het hof heeft immers met zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat het verzoek tot het horen van een getuige kan worden afgewezen op de grond dat het horen van die getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, omdat die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. In de overwegingen van het hof ligt geenszins besloten dat het hof van oordeel is dat wanneer een belastende verklaring door ander bewijsmaterieel wordt ondersteund, de Keskin-rechtspraak niet opgaat. Met zijn overweging heeft het hof juist aangeknoopt bij de Keskin-rechtspraak. De deelklacht berust dan ook op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

Het op deze overwegingen voortbordurende oordeel van het hof dat de verklaring van de niet-ondervraagde getuige [verbalisant 1] tot het bewijs kan worden gebezigd en de procedure in haar geheel na onder meer de afwijzende beslissing op het verzoek tot het horen van [verbalisant 1] , nog steeds aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende met redenen omkleed.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3. Het derde middel

Het middel klaagt over de bewijsvoering en bevat de klacht dat de bewijsvoering niet redengevend is voor de bewezenverklaring en het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat niet alleen de medeverdachte, maar ook de verdachte wist van de cocaïne in de laadruimte van de bestelbus en daarover beschikkingsmacht had onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed is.

Voor de bewezenverklaring en bewijsmiddelen verwijs ik naar de randnummers 2.2 en 2.3.

De door het hof bevestigde bewijsoverwegingen van de rechtbank luiden:

“Op 30 augustus 2020 is de zoon van de verdachte, de medeverdachte, op een parkeerplaats van een hotel in [plaats] in de laadruimte van een witte Mercedes bestelbus door de politie aangetroffen tussen dozen met daarin pakketten gevuld met netto (ongeveer) 170 kilogram cocaïne. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat deze partij cocaïne in de bestelbus aanwezig was op het moment dat de verdachte de bestelbus op 29 augustus 2020, de dag voor het aantreffen van de cocaïne, bij het hotel parkeerde met medeverdachte als bijrijder. De verdachte en de medeverdachte zijn het busje uitgestapt en het hotel ingegaan. Daarna is niemand meer bij de bestelbus geweest, totdat de medeverdachte de volgende ochtend de laadruimte van het busje is binnengegaan, alwaar hij vervolgens door de politie met de cocaïne is aangetroffen en is aangehouden.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de medeverdachte eerder op de dag van parkeren bij het hotel, op 29 augustus 2020, met diezelfde bestelbus op en neer naar [plaats] zijn gereisd. De verdachte en de medeverdachte zijn door de politie in België geobserveerd. Zij waren in aanwezigheid van een familielid, die gebruik maakte van een grijze Mazda. De Mazda is ook te zien op de camerabeelden van het hotel van 29 en 30 augustus 2020. De verdachte was ook in België de bestuurder van de bestelbus. Door de politie in België is gezien dat hij handelingen heeft verricht bij de kofferbak van de Mazda. Nadat beide voertuigen 56 minuten lang stilstonden zonder dat er verder iets gebeurde, is de politie tot een controle overgegaan. In de kofferbak van de Mazda zijn onder meer een mes en dozen aangetroffen. Volgens de Belgische politie was op de bestelbus een magneetbord bevestigd met daarop vermeld “wegverkeer”. De drie mannen hadden allen nieuwe (alsof deze uit de verpakking kwamen) oranje werkkleding en grijze hoge werkschoenen aan, gelijkend op de kleding die wordt gedragen door havenarbeiders in de haven van [plaats] . Het is een feit van algemene bekendheid dat in de haven van [plaats] op grote schaal cocaïne wordt ingevoerd. Blijkens de informatie van de Belgische politie gedroegen de drie mannen zich bovendien zeer zenuwachtig, verklaarden zij elkaar niet (goed) te kennen en weigerden zij antwoord te geven op nadere vragen van de politie. Op vragen naar hun bestemming werd ontwijkend geantwoord. Op camerabeelden van het hotel is te zien dat de medeverdachte op 30 augustus 2020 (de dag na de reis naar België en de dag van het aantreffen van de cocaïne) lege plat opgevouwen dozen uit de Mazda meeneemt naar de witte bestelbus, alwaar hij tussen dozen met cocaïne is aangehouden.

Uit de bewijsmiddelen volgt tot slot dat de verdachte en zijn medeverdachte voorafgaand aan het aantreffen van de cocaïne bij het hotel maandenlang in twee afzonderlijke kamers van het hotel zijn verbleven, welke kamers sinds mei 2020 werden gehuurd door de verdachte. In de hotelkamer van de verdachte is verborgen in een bank onder meer een geldtelmachine aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke machines worden gebruikt bij het tellen van contant geld bij onder meer drugstransacties.

Uit de voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat niet alleen de medeverdachte, maar ook de verdachte wist, van de cocaïne in de laadruimte van de bestelbus en daarover de beschikkingsmacht had. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de inhoud van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen bovendien dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de beide verdachten, dat het aan de verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigen kan worden bewezen.

De verdachte heeft ter terechtzitting nog verklaard dat hij de witte bestelbus op 29 augustus 2020 weliswaar heeft bestuurd, maar dat hij niets van de daarin aangetroffen cocaïne afwist en zijn zoon enkel vergezelde bij het ophalen van een bank in België. Deze verklaring, die de medeverdachte ter zitting in de zaak van de verdachte als, getuige heeft bevestigd, acht de rechtbank echter ongeloofwaardig. Nog los van het late moment waarop deze verklaring is afgelegd, pas tijdens de inhoudelijke zitting na herhaaldelijk zwijgen en nadat hef einddossier gereed was, heeft de verdachte desgevraagd geen nadere, details kunnen geven over de ophaal locatie van de bank en evenmin antwoord gegeven op de vraag waarom de bank uit [plaats] moest komen, een plaats die relatief ver van [plaats] verwijderd ligt. Ook de getuige heeft geen details kunnen geven over de plek waar de bank zou moeten worden opgehaald, behalve dat het om een Turkse winkel zou gaan. Voor de aanwezigheid van een familielid in de Mazda heeft de verdachte bovendien geen enkele verklaring gegeven. De rechtbank acht het door de verdachte gestelde reisdoel niet aannemelijk geworden en komt tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte deze verklaring heeft afgelegd om de werkelijke reden van de reis met de bestelbus, te weten het vervoeren van cocaïne, te bemantelen. Daarbij is mede van belang dat de verdachte ten overstaan van de Belgische politie in strijd met de waarheid heeft verklaard zijn medereizigers niet te kennen en (ook) toen ontwijkend heeft geantwoord over vragen naar hun bestemming. De verklaring van de verdachte wordt, gelet op de overige inhoud van de bewijsmiddelen, dan ook terzijde geschoven.”

Zoals al aangegeven, klaagt het middel over de bewijsvoering. In het bijzonder wordt geklaagd dat:

(i.) het hof het medeplegen in de kern heeft aangenomen op grond van de omstandigheid dat de verdachte de bus waarin cocaïne is aangetroffen op 29 augustus 2020 heeft geparkeerd, terwijl daarna niemand meer bij de bestelbus is geweest totdat de medeverdachte de volgende ochtend de laadruimte van de bestelbus binnen is gegaan alweer hij met de cocaïne is aangetroffen;

(ii.) de door het hof beschreven vermoedens en omstandigheden niet redengevend zijn;

(iii.) dat uit de bewijsvoering niet (op begrijpelijke wijze) kan volgen dat de verdachte bekend was met de aanwezigheid van cocaïne in de auto;

(iv.) dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte de Mercedes op de avond van 29 augustus 2020 (als bestuurder) heeft geparkeerd;

(v.) dat de vereiste ‘machtssfeer’ en/of het bewezenverklaarde opzet op het aanwezig hebben van de cocaïne niet genoegzaam uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen;

(vi.) dat het hof heeft verzuimd nadere vaststellingen te doen over of de cocaïne waargenomen kan worden door het raam van de bestelbus en het hof niet vastgesteld heeft aan wie de auto toebehoort en dit evenmin uit de bewijsmiddelen zou kunnen volgen. Dit zou maken dat het bewezenverklaarde medeplegen, meer in het bijzonder het daarvoor vereiste opzet van de verdachte op de aanwezigheid van de verdovende middelen, onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.

Het middel berust in de eerste plaats op de veronderstelling dat het hof het medeplegen in de kern heeft aangenomen op grond van de omstandigheid dat de verdachte de bus waarin cocaïne is aangetroffen op 29 augustus 2020 heeft geparkeerd, terwijl daarna niemand meer bij de bestelbus is geweest totdat de medeverdachte de volgende ochtend de laadruimte van de bestelbus binnen is gegaan alwaar hij met de cocaïne is aangetroffen. Die veronderstelling berust echter op een te beperkte lezing van het arrest, zodat de klacht feitelijke grondslag mist. Dat geldt ook voor de klacht dat ‘niet duidelijk is waar het hof de bewezenverklaring op baseert’ en het geen ‘ondubbelzinnige conclusie’ heeft verbonden aan bepaalde feitelijke vaststellingen.

Aan zijn oordeel dat de verdachte het feit heeft medegepleegd heeft het hof immers ook ten grondslag gelegd dat:(i.) de verdachte en medeverdachte eerder op de dag van het parkeren bij het hotel in [plaats] , op 29 augustus 2020, met diezelfde bestelbus op en neer naar [plaats] zijn gereisd;(ii.) zij in [plaats] waren in aanwezigheid van een familielid, die gebruik maakte van een grijze Mazda, welke Mazda ook te zien is op de camerabeelden van het hotel van 29 en 30 augustus 2020; (iii.) de verdachte ook in België de bestuurder van de bestelbus was;(iv.) door de politie in België is gezien dat de verdachte handelingen heeft verricht bij de kofferbak van de Mazda, nadat beide voertuigen 56 minuten lang stilstonden zonder dat er verder iets gebeurde;(v.) in de kofferbak van de Mazda onder meer een mes en dozen aangetroffen zijn en op de bestelbus een magneetbord zat bevestigd met daarop vermeld “wegverkeer”; (vi.) de drie mannen allen nieuwe (alsof deze uit de verpakking kwamen) oranje werkkleding en grijze hoge werkschoenen aan hadden, gelijkend op de kleding die wordt gedragen door havenarbeiders in de haven van [plaats] ; (vii.) het een feit van algemene bekendheid is dat in de haven van [plaats] op grote schaal cocaïne wordt ingevoerd; (viii.) de drie mannen zich bovendien zeer zenuwachtig gedroegen, verklaarden elkaar niet (goed) te kennen, weigerden zij antwoord te geven op nadere vragen van de politie en op vragen naar hun bestemming ontwijkend werd geantwoord;(ix.) op camerabeelden van het hotel te zien is dat de medeverdachte op 30 augustus 2020 (de dag na de reis naar België en de dag van het aantreffen van de cocaïne) lege plat opgevouwen dozen uit de Mazda meeneemt naar de witte bestelbus, alwaar hij later die dag tussen dozen met cocaïne is aangehouden;(x.) de verdachte en zijn medeverdachte voorafgaand aan het aantreffen van de cocaïne bij het hotel maandenlang in twee afzonderlijke kamers van het hotel zijn verbleven, welke kamers sinds mei 2020 werden gehuurd door de verdachte en(xi.) in de hotelkamer van de verdachte verborgen in een bank onder meer een geldtelmachine is aangetroffen, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat dergelijke machines worden gebruikt bij het tellen van contant geld bij onder meer drugstransacties.

Van “aanwezig hebben” als bedoeld in art. 2, aanhef en onder C, Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het “aanwezig hebben” hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Met betrekking tot het medeplegen van aanwezig hebben van verdovende middelen heeft te gelden dat daarvan sprake is als één of meer anderen over de aanwezige verdovende middelen feitelijke macht konden uitoefenen, in die zin dat zij daarover konden beschikking doordat zij toegang hadden tot de plaats waar de drugs aanwezig waren; zij wetenschap droegen van de aanwezigheid van de verdovende middelen op die plaats en de verdachte ook de wetenschap had dat de ander(en) wist(en) van de aanwezigheid van de verdovende middelen op die plaats.

Volgens mijn voormalig ambtgenoot Hofstee is voldoende dat de uit de bewijsmiddelen direct blijkende feiten en omstandigheden grond bieden voor het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat zijn medeverdachte of medeverdachten op de hoogte was of waren van de aanwezigheid van de verdovende middelen op een bepaalde plek, zodat het benodigde samenwerkingsopzet middels een bewijsredenering kan worden vastgesteld.

Op basis van de door mij weergegeven vaststellingen heeft het hof zijn oordeel gebaseerd op de redenering dat het niet anders kan zijn dan dat niet alleen de medeverdachte, maar ook de verdachte wist, van de cocaïne in de laadruimte van de bestelbus en daarover de beschikkingsmacht had en er sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de beide verdachten. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Dat het hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over of de cocaïne waargenomen kan worden door het raam van de bestelbus en het hof niet vastgesteld zou hebben aan wie de auto toebehoort en dit evenmin uit de bewijsmiddelen zou kunnen volgen, doet daaraan niet af. Het hof heeft immers geoordeeld dat de verdachte wist van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de laadruimte van de bestelbus, die hij ten tijde van de tenlastegelegde periode samen met zijn zoon gebruikte, nog los van de vraag of deze zichtbaar waren vanaf de buitenkant.

De klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte de Mercedes op de avond van 29 augustus 2020 (als bestuurder) heeft geparkeerd, mist feitelijke grondslag. Uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden van het Hydepark Hotel volgt immers dat op 29 augustus 2020 om 21:42 uur de witte Mercedes Vito-bus wordt geparkeerd, uit de bus twee personen stappen die zijn gekleed in oranje werkkleding en de ingang van het hotel binnengaan. Uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen volgt dat de bestuurder van de bestelbus grote gelijkenis vertoont met de verdachte.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4. Het tweede middel

Het middel keert zich tegen de strafoplegging. Het klaagt dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zonder daarvoor in het bijzonder de redenen op te geven. Tevens klaagt het middel dat het hof ten onrechte is uitgegaan van de LOVS-oriëntatiepunten met betrekking tot ‘organisatie’, terwijl niet kan blijken van een ‘organisatie’ als bedoeld in de oriëntatiepunten. Tot slot klaagt het middel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met als motivering dat het LOVS-oriëntatiepunt bij het aanwezig hebben van 20.000 gram harddrugs 48 maanden gevangenisstraf vermeldt, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed is.

Het hof heeft met betrekking tot de strafoplegging onder meer overwogen:

“De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden en de rol van de verdachte en, gelet hierop, geen gevangenisstraf op te leggen die in duur langer is dan de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 170 kilogram cocaïne. De hoeveelheid, die een straatwaarde van miljoenen vertegenwoordigt, is van zodanige omvang dat deze bestemd moet zijn geweest voor de handel. De verspreiding van harddrugs - en als afgeleide: het gebruik ervan - vormt een bedreiging voor de volksgezondheid, brengt onrust in de samenleving met zich mee en leidt veelal - direct en indirect - tot diverse vormen van (zeer gewelddadige) criminaliteit. Met zijn handelen heeft de verdachte hieraan een bijdrage geleverd.

Het hof heeft verder gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarbij neemt het hof, mede gelet op de aangetroffen hoeveelheid, als uitgangspunt de oriëntatiepunten voor een organisatie. In die oriëntatiepunten wordt voor het aanwezig hebben van meer dan 20 kilogram cocaïne, dus een aanzienlijk kleinere hoeveelheid van in de onderhavige zaak, een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden of langer genoemd. In de door de raadsman aangevoerde omstandigheden heeft het hof geen enkel aanknopingspunt gevonden om van voornoemd oriëntatiepunt af te wijken. Anders dan door de advocaat-generaal gevorderd ziet het hof evenwel geen reden om naast die langdurige gevangenisstraf een geldboete op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende en rekening houdend met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.”

Het middel klaagt, zoals weergegeven, in de eerste plaats dat het hof is afgeweken van ‘een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ zonder daarvoor in het bijzonder de redenen op te geven. De schriftuur bevat geen concrete verwijzing naar enig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, zodat niet duidelijk is op welk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt het middel betrekking heeft.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2023 vermeldt dat de raadsman van de verdachte met betrekking tot de straftoemeting het volgende heeft aangevoerd:

“Ik verzoek mijn cliënt geen straf op te leggen die in duur langer is dan de door rechtbank opgelegde straf. Daarnaast is er geen enkele reden om mijn cliënt ook een geldboete op te leggen. Mijn cliënt heeft geen grote rol gehad en is niet eerder veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet. Door deze zaak heeft hij zijn bedrijf kapot zien gaan, kon hij niet naar de begrafenissen van overleden familieleden en staat zijn relatie onder druk. Dat is een zware periode geweest. Het openbaar ministerie heeft geen hoger beroep ingesteld. Een hogere straf is dan niet passend. De door rechtbank opgelegde straf is, gelet op een aantal andere zaken, niet laag (onder meer ECLI:NL:GHDHA:2015:3262 en ECLI:NL:RBROT:2018:7965).”

Het hof heeft hetgeen de raadsman heeft aangevoerd kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de straftoemeting, dat acht ik niet onbegrijpelijk. Dat standpunt houdt immers in de kern niet meer in dan een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Verder klaagt het middel dat het hof ten onrechte is uitgegaan van de LOVS-oriëntatiepunten met betrekking tot ‘organisatie’, terwijl niet kan blijken van een ‘organisatie’ als bedoeld in de oriëntatiepunten. Tot slot klaagt het middel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met als motivering dat het LOVS-oriëntatiepunt bij het aanwezig hebben van 20.000 gram harddrugs 48 maanden gevangenisstraf vermeld, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed is.

Met betrekking tot de straftoemeting stel ik voorop dat dat hoewel de feitenrechter niet is gebonden aan de LOVS-oriëntatiepunten en de uitleg hiervan aan hem is voorbehouden, in gevallen waarin hij die oriëntatiepunten uitlegt en/of toepast in cassatie kan worden getoetst of die uitleg en toepassing door de rechter onbegrijpelijk is. Die toetsing heeft, gelet op de rechterlijke straftoemetingsvrijheid en de aard van die oriëntatiepunten, een beperkt karakter. Daarbij geldt dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.

De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (verder: LOVS) geven voor het aanwezig hebben van harddrugs met een gewicht van boven de 20.000 gram (ofwel 20 kilogram) een uitgangspunt van ‘> 36 maanden’ onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Indien sprake is van een ‘organisatie’ is het uitgangspunt ‘> 48 maanden’ onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het begrip ‘organisatie’ wordt in de oriëntatiepunten niet nader gedefinieerd.

Het hof heeft bij de straftoemeting gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS en daarbij als uitgangspunt de oriëntatiepunten voor een ‘organisatie’ genomen. Aan die keuze ligt ‘mede’ ten grondslag dat er bij de verdachten een grote hoeveelheid (ruim 195 kilogram) harddrugs is aangetroffen.

De eerste deelklacht is gebaseerd op de veronderstelling dat het hof van oordeel is geweest dat er sprake is geweest van een ‘organisatie’ als bedoeld in de oriëntatiepunten. Die veronderstelling is echter onjuist, nu het hof enkel de oriëntatiepunten voor een ‘organisatie’ als uitgangspunt heeft genomen mede gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs. De klacht berust dan ook op een onjuiste lezing van het arrest en mist daarom feitelijke grondslag.

Ook de tweede deelklacht berust op een onjuiste lezing van het arrest, waar aangevoerd wordt dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met als motivering dat het LOVS-oriëntatiepunt bij het aanwezig hebben van 20.000 gram harddrugs 48 maanden gevangenisstraf vermeldt, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed is. Het hof heeft de oplegging van de straf – anders dan waarvan het middel kennelijk uitgaat – immers niet enkel daar op doen berusten.

Voor zover de klacht zo moet worden gelezen dat beoogd wordt te klagen over de toepassing van het hof van het oriëntatiepunt, meen ik dat die toepassing niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is. Blijkens zijn overwegingen heeft het hof aan de hoogte van de straf de hoeveelheid harddrugs ten grondslag gelegd en dat – in het licht van het vrijblijvende karakter van de oriëntatiepunten – afgezet tegen de oriëntatiepunten voor een ‘organisatie’.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5. Slotsom

De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 4 augustus 2023. Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Dat zal moeten leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?