PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04267
Zitting 17 april 2026
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
Stichting Veritas Vertegenwoordiging (Veritas)advocaat: M.S. van der Keur
tegen
[Rechthebbende]
niet verschenen
1. Inleiding
Deze zaak gaat over de vraag of Veritas als professionele beschermingsbewindvoerder aanspraak kan maken op de forfaitaire verhuisvergoeding zoals bedoeld in art. 3 lid 5, onder b, van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de Beloningsregeling). Veritas heeft ter onderbouwing van dit verzoek aangevoerd dat zij in het kader van de verhuizing van Rechthebbende administratieve werkzaamheden heeft verricht.
Zowel de kantonrechter als het hof hebben het verzoek afgewezen. Volgens het hof heeft Veritas niet onderbouwd waaruit de door haar verrichte werkzaamheden (administratieve werkzaamheden of andere werkzaamheden) ten behoeve van de verhuizing hebben bestaan. Administratieve werkzaamheden behoren in beginsel tot de normale taak van de bewindvoerder, aldus het hof.
De tegen deze beslissing gerichte cassatieklachten slagen m.i. niet.
Wel is op te merken dat voor de aanspraak van een bewindvoerder op de forfaitaire verhuisvergoeding m.i. niet beslissend is of er administratieve dan wel feitelijke werkzaamheden zijn verricht in het kader van een verhuizing van de rechthebbende. Het gaat erom of de verrichte werkzaamheden al dan niet tot het reguliere takenpakket van de bewindvoerder behoren. Dat is het geval als sprake is van werkzaamheden die verband houden met vermogensrechtelijke belangenbehartiging; dat zijn werkzaamheden die de bewindvoerder sowieso verricht. Maar het ligt anders als de bewindvoerder in het kader van een verhuizing werkzaamheden verricht die samenhangen met het takenpakket van een mentor. Het gaat dan om niet-vermogensrechtelijke belangenbehartiging op het gebied van verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Dergelijke werkzaamheden behoren niet tot het reguliere takenpakket van een bewindvoerder. Voor het verrichten van dergelijke werkzaamheden in het kader van een verhuizing kan een bewindvoerder aanspraak maken op de verhuisvergoeding. Waarbij dan uiteraard steeds als voorwaarde geldt dat er geen mentor is en dat de rechthebbende zelf niet in staat is de werkzaamheden te verrichten (zie uitvoerig onder 3.38-3.41).
De kantonrechter in de rechtbank Limburg heeft over de vraag wanneer de bewindvoerder aanspraak kan maken op de forfaitaire verhuisvergoeding prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. In mijn conclusie van 13 maart 2026 heb ik de Hoge Raad in overweging gegeven deze vragen nog niet in behandeling te nemen, maar de zaak eerst terug te wijzen naar de rechtbank Limburg teneinde de rechthebbende als belanghebbende op te roepen en hem in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over zowel het voornemen om prejudiciële vragen te stellen als over de inhoud van die vragen.
2. Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan de beschikking van gerechtshof ’s-Hertogenbosch, rov. 3.1-3.2.
Bij beschikking van 2 mei 2017 heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam over de goederen die aan Rechthebbende (zullen) toebehoren met ingang van 4 mei 2017 een bewind ingesteld, met benoeming van Stichting De Rotonde te Rotterdam tot bewindvoerder. Het bewind is ingesteld vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van Rechthebbende. De kantonrechter heeft daarbij bepaald dat inschrijving van het bewind in het daartoe bestemde register dient plaats te vinden.
Bij beschikking van 30 maart 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam met ingang van 1 april 2018 Stichting De Rotonde op eigen verzoek als bewindvoerder ontslagen en met ingang van die datum Veritas tot opvolgend bewindvoerder benoemd.
Bij verzoekschrift van 21 respectievelijk 28 november 2024 heeft Veritas de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant verzocht om toestemming om voor ondersteunende werkzaamheden bij de verhuizing van Rechthebbende een extra beloning conform art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling van € 388,- exclusief btw in rekening te mogen brengen. In de onderbouwing van het verzoek heeft Veritas vermeld, ook nadat de kantonrechter had gevraagd of er mogelijk nog andere werkzaamheden waren verricht, dat er enkel administratieve werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van de verhuizing.
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Bij beschikking van 3 december 2024 heeft de kantonrechter het verzoek afgewezen. De kantonrechter overwoog daarbij dat de door Veritas genoemde administratieve werkzaamheden vallen onder de standaardtaken van een bewindvoerder. Het uitgangspunt van de Beloningsregeling is dat de regeling een forfaitair karakter heeft. De beloning geldt als een gemiddelde en het systeem gaat uit van de solidariteitsgedachte dat de eenvoudige bewinden mede de lasten van ingewikkelder bewinden dragen, zo overweegt de kantonrechter.
Veritas heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 3 december 2024 bij het hof ’s-Hertogenbosch. Onder aanvoering van één grief heeft Veritas verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en alsnog aan het verzoek tegemoet te komen in die zin dat, samengevat, voor recht wordt verklaard dat in voorkomende gevallen bij een verhuizing en daarmee gepaard gaande (administratieve) werkzaamheden de bewindvoerder op grond van art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling aanspraak heeft op de forfaitaire verhuisvergoeding en/of dat aan Veritas in het dossier van Rechthebbende een bedrag van € 388,- aan verhuisvergoeding wordt toegekend.
Rechthebbende heeft geen verweerschrift ingediend.
Op 8 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Veritas is verschenen. Rechthebbende is opgeroepen voor de mondelinge behandeling, maar is niet verschenen. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft Veritas per brief het hof verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Dit verzoek is tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht. Er is proces-verbaal opgemaakt van de mondelinge behandeling.
Het hof heeft bij beschikking van 28 augustus 2025 de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 3 december 2024 bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen. Daartoe heeft het hof, samengevat, als volgt overwogen.
Het hof wijst het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad af. Naar het oordeel van het hof is, kort gezegd, niet voldaan aan het vereiste van ‘talrijk’ zoals bedoeld in art. 392 lid 1 Rv. Het hof voegt hieraan toe dat het in deze zaak ook zonder het stellen van rechtsvragen aan de Hoge Raad, op basis van de toepasselijke wet- en regelgeving, een beslissing kan nemen op het verzoek van Veritas (rov. 3.7.1-3.7.3).
Daarna zet het hof eerst het juridisch kader uiteen ten aanzien van de verzochte forfaitaire verhuisvergoeding (rov. 3.7.7-3.7.8, zie ook het juridisch kader hierna onder 3). Vervolgens overweegt het hof dat vaststaat dat Rechthebbende is verhuisd en dat er geen mentor aanwezig is die hem bij de verhuizing heeft kunnen ondersteunen. Het hof is echter van oordeel dat Veritas het verzoek om een extra beloning ter zake van de verhuizing van Rechthebbende niet voldoende noch met stukken heeft onderbouwd. Zo heeft Veritas op geen enkele wijze onderbouwd waaruit de door haar verrichte werkzaamheden (administratieve werkzaamheden of andere werkzaamheden) ten behoeve van de verhuizing van Rechthebbende hebben bestaan. In de inleidende verzoeken heeft Veritas slechts aangegeven dat zij administratieve werkzaamheden rondom de verhuizing van Rechthebbende heeft uitgevoerd en dat er geen meerdere werkzaamheden zijn verricht. Uit de toelichting op art. 3 lid 5 Beloningsregeling en uit de Aanbevelingen (zie daarvoor onder 3 hierna) volgt naar het oordeel van het hof dat de door Veritas genoemde administratieve werkzaamheden in beginsel tot de normale taak van de bewindvoerder behoren. Derhalve is niet gesteld of gebleken dat Veritas naast administratieve werkzaamheden nog andere werkzaamheden ten behoeve van de verhuizing van Rechthebbende heeft verricht. Genoemde feiten en omstandigheden maken dat – naar het oordeel van het hof – geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een extra beloning van Veritas in verband met de verhuizing van Rechthebbende rechtvaardigen (rov. 3.7.9).
Veritas heeft tijdig cassatieberoep ingesteld van de beschikking van het hof van 28 augustus 2025. Rechthebbende heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Juridisch kader
Deze zaak gaat over de uitleg van art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling, waarin de aanspraak van een professionele beschermingsbewindvoerder op een extra beloning is geregeld in het geval de rechthebbende verhuist en er geen mentor is. Deze beloning wordt ook wel aangeduid als de forfaitaire verhuisvergoeding.
Deze uitlegvraag speelt zich af in bewindszaken. Het aantal bewindszaken is groot. In het jaarverslag van de Raad voor de rechtspraak over 2024 is te lezen dat er in 2024 531.000 familiezaken binnen kanton waren en dat dit aantal vrijwel volledig bewindshandelingen betrof. Uit cijfers van de Raad voor de rechtspraak blijkt dat per 1 januari 2022 ongeveer 273.000 burgers onder beschermingsbewind stonden, waarvan 209.500 een toestandsbewind betroffen en 63.500 een schuldenbewind. In het merendeel van de ingestelde bewinden gaat het dus om toestandsbewind.
Niet in alle bewindszaken zal de hiervoor genoemde uitlegvraag spelen. In de procesinleiding wordt vermeld dat Veritas zo’n 150 tot 180 verhuizingen van rechthebbenden op jaarbasis kent. De kantonrechter die de in de inleiding genoemde prejudiciële vragen heeft gesteld, wijst op de grote hoeveelheid verzoeken van bewindsvoerders tot het toekennen van een verhuisvergoeding; ten tijde van het stellen van de prejudiciële vragen aan de Hoge Raad had deze kantonrechter drieënnegentig verzoeken liggen. Voor zover ik heb kunnen nagaan, zijn geen exacte cijfers over het aantal verzoeken tot een forfaitaire verhuisvergoeding bekend, maar het zal in ieder geval, gelet op het voorgaande, om een groot aantal verzoeken gaan.
In de procesinleiding wordt er daarnaast op gewezen dat in de feitenrechtspraak verschillend wordt omgegaan met toekenning van voornoemde verhuisvergoeding, wat leidt tot rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid. Ook wordt gewezen op het belang van duidelijkheid voor de gehele branche. Veritas wordt in deze procedure dan ook gesteund door Aegis, de maatschappelijk georiënteerde branchevereniging voor professionele bewindvoerders, mentoren, curatoren en inkomensbeheerders, zo valt te lezen in de procesinleiding. Ook de kantonrechter die de prejudiciële vragen heeft gesteld, wijst erop dat door rechters tegenstrijdige beslissingen worden genomen en dat de daarmee gepaard gaande rechtsonzekerheid onwenselijk is. Een richtinggevende uitspraak van de Hoge Raad over de uitleg van art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling is dus van belang.
In dit juridisch kader wordt eerst ingegaan op de taken van de bewindvoerder en de mentor. Daarna wordt ingegaan op de beloning van de bewindvoerder waarbij in het bijzonder stil wordt gestaan bij art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling en op de wisselende feitenrechtspraak over de uitleg van deze bepaling.
(1) De taken van de bewindvoerder en de mentor
In de voorliggende zaak is door de kantonrechter bewind ingesteld over de goederen van Rechthebbende zoals bedoeld in art. 1:431 BW. Onderbewindstelling is net als curatele en mentorschap een beschermingsmaatregel, bedoeld om kwetsbare volwassenen die niet goed in staat zijn voor zichzelf op te komen, te beschermen door de benoeming van een wettelijke vertegenwoordiger die hun belangen behartigt.Met de per 1 januari 2014 ingevoerde Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap zijn de verschillende beschermingsmaatregelen gestroomlijnd.
Curatele is de meest verstrekkende beschermingsmaatregel. Het leidt tot een nagenoeg totaal verlies van handelingsbekwaamheid van de onder curatele gestelde en geldt als een ultimum remedium.Curatele beoogt bescherming van een meerderjarige die, al dan niet tijdelijk, zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van hun lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel gewoonte van drank- of drugsmisbruik (art. 1:378 BW). De curator behartigt zowel de vermogensrechtelijke als de niet-vermogensrechtelijke belangen van de onder curatele gestelde.
(1a) De bewindvoerder
Beschermingsbewind is bedoeld voor de meerderjarige die niet in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand (art. 1:431 lid 1, onder a, BW) of ten gevolge van verkwisting of het hebben van problematische schulden (art. 1:431 lid 1, onder b, BW). Het eerste type beschermingsbewind wordt toestandsbewind genoemd. Het tweede type wordt ook wel aangeduid als schuldenbewind. Het ingestelde bewind moet niet verder gaan dan ter bescherming van de meerderjarige nodig is. Dit kan betekenen dat de omvang van het bewind beperkt blijft tot één of meer goederen, bijvoorbeeld een woning of een spaarrekening. Beschermingsbewind leidt niet tot handelingsonbekwaamheid van de rechthebbende, maar tot onbevoegdheid tot beheer (art. 1:438 lid 1 BW) en een beperkte bevoegdheid tot beschikking (art. 1:438 lid 2 BW). Beschermingsbewind wordt wel eens aangeduid als een lichtere vorm van curatele, maar juridisch gezien zijn de rechtsfiguren verschillend. Bij curatele is het immers de persoon die onder curatele wordt gesteld, met als gevolg zijn handelingsonbekwaamheid.
De bewindvoerder wordt door de kantonrechter benoemd (art. 1:435 lid 1 BW). Er kan onderscheid worden gemaakt tussen professionele bewindvoerders en niet-professionele bewindvoerders (zoals partners of familieleden van de rechthebbende).
Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen toe aan de bewindvoerder (art. 1:438 lid 1 BW). De bewindvoerder vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen (art. 1:441 lid 1 BW). Ondanks de hiervoor genoemde bevoegdheid tot vertegenwoordiging, heeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, een machtiging nodig van de kantonrechter voor een aantal in de wet genoemde handelingen (art. 1:441 lid 2 BW).
De vertegenwoordigingsbevoegdheid in en buiten rechte is nadrukkelijk gekoppeld aan de vervulling van de taak van de bewindvoerder. Dit brengt mee, aldus de Hoge Raad in een beschikking van 17 maart 2023, dat de vraag of een rechthebbende in een procedure bevoegd is om zelf als formele procespartij op te treden, ervan af hangt of de desbetreffende procedure tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort. Het bewind tast dus niet de bevoegdheid aan van de rechthebbende om zelfstandig in rechte op te treden en evenmin zijn of haar bevoegdheid om zelfstandig rechtsmiddelen aan te wenden, tenzij uit het bewind een beperking op die procesbevoegdheden voortvloeit. Een dergelijke beperking kan voortvloeien uit art. 1:438 lid 1 (onbevoegdheid tot beheer) of lid 2 (beperkte bevoegdheid tot beschikking) BW, aldus de Hoge Raad.
Elke bewindvoerder moet in beginsel jaarlijks en aan het eind van het bewind rekening en verantwoording afleggen aan de rechthebbende (ten overstaan van de kantonrechter) of aan de kantonrechter als, onder meer, de rechthebbende niet in staat is om de rekening op te nemen (art. 1:445 BW).
(1b) De mentor
Mentorschap kan als een beschermingsmaatregel worden ingesteld indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand, al dan niet tijdelijk, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen (art. 1:450 BW). Het mentorschap is in de jaren negentig ingevoerd als extra beschermingsmaatregel naast curatele en beschermingsbewind, omdat behoefte bestond aan een beschermingsmaatregel die voorziet in behartiging van specifieke belangen op het persoonlijke vlak voor geheel of in belangrijke mate onbekwame meerderjarigen. In de memorie van toelichting wordt gewezen op personen die veelal in een afhankelijke situatie verkeren en onvoldoende in staat zijn om op te komen voor hun niet-vermogensrechtelijke, persoonlijke belangen, met name in de sfeer van verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Het is vooral ten aanzien van deze aangelegenheden dat behoefte bestaat aan de mogelijkheid van optreden door een ander. Ook wordt in de memorie van toelichting opgemerkt dat organisaties vanuit de praktijk de wenselijkheid van een dergelijke beschermingsmaatregel onderkennen waarbij zij vooral het oog hebben op concrete zaken als de opstelling van een behandelingsplan, (over)plaatsing in een voorziening of toestemming voor ingrijpende medische ingrepen.
De mentor wordt door de kantonrechter benoemd (art. 1:452 lid 1 BW). Er kan onderscheid worden gemaakt tussen professionele mentoren en niet-professionele mentoren (zoals partners of familieleden van de betrokkene).
Tijdens het mentorschap is de betrokkene (de persoon voor wie het mentorschap is ingesteld) in beginsel onbevoegd rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding (art. 1:453 lid 1 BW). Voor wat betreft verzorging kan gedacht worden aan voeding, kleding en onderdak. Met betrekking tot deze aangelegenheden treedt de mentor in beginsel op als vertegenwoordiger in en buiten rechte. De mentor kan de betrokkene toestemming verlenen deze rechtshandelingen zelf te verrichten (art. 1:453 lid 2 BW). Ten aanzien van andere handelingen (dus niet rechtshandelingen) die zien op verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding, treedt de mentor in beginsel plaatsvervangend op (art. 1:453 lid 3 BW). In de parlementaire geschiedenis zijn hierbij inzage in een dossier of de keuze van dieetvoeding als voorbeelden genoemd. De mentor heeft daarnaast tot taak de betrokkene raad te geven betreffende alle aangelegenheden van niet-vermogensrechtelijke aard (dus niet alleen beperkt tot aangelegenheden betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding) en over diens belangen ter zake te waken (vgl. art. 1:453 lid 4 BW). In de parlementaire geschiedenis zijn hierbij het aanspannen van een echtscheidingsprocedure of het erkennen van een kind als voorbeelden genoemd. De mentor dient de betrokkene zo veel mogelijk bij de vervulling van zijn taak te betrekken; hij bevordert dat de betrokkene rechtshandelingen en andere handelingen zelf verricht, indien de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht (art. 1:454 lid 1 BW).
Elke mentor doet desgevraagd van zijn werkzaamheden verslag aan de kantonrechter (art. 1:459 lid 1 BW). Daarnaast moet in beginsel telkens na verloop van vijf jaren verslag worden gedaan aan de kantonrechter over het verloop van het mentorschap waarbij de mentor zich met name dient uit te laten over de vraag of het mentorschap dient voort te duren dan wel of een minder ver, of een verder strekkende voorziening is aangewezen (art. 1:459 lid 3 BW).
(1c) Overlap beschermingsbewind en mentorschap
Mentorschap en beschermingsbewind kunnen naast elkaar bestaan. Mentorschap ziet immers op de bescherming van niet-vermogensrechtelijke belangen van de betrokkene en beschermingsbewind op de bescherming van vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende.
Dat betekent ten eerste dat een beschermingsbewind niet altijd gepaard hoeft te gaan met een mentorschap en een mentorschap niet altijd met een beschermingsbewind. In de parlementaire geschiedenis wordt als voorbeeld genoemd dat personen die niet (meer) adequaat met grotere vermogens kunnen omgaan, zoals het beheer van onroerend goed of een effectenportefeuille, nog wel in staat kunnen zijn om zelf een beslissing te nemen over het al dan niet ondergaan van medische verrichtingen. In een dergelijk geval kan dus worden volstaan met een beschermingsbewind (over bepaalde goederen).
Het betekent ten tweede dat beschermingsbewind en mentorschap gelijktijdig als beschermingsmaatregel van toepassing kunnen zijn. Als gezegd vertegenwoordigt een mentor, in beginsel, de betrokkene zowel in als buiten rechte bij alle rechtshandelingen in aangelegenheden van verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding (art. 1:453 lid 2 BW). Omdat de hier bedoelde rechtshandelingen ook vermogensrechtelijke aspecten kunnen hebben – die in beginsel tot het domein van een bewindvoerder behoren – geeft art. 1:458 BW een samenloopbepaling voor het geval de betrokkene/rechthebbende zowel een mentor als een bewindvoerder heeft. Deze regel luidt dat indien mentorschap en beschermingsbewind naast elkaar bestaan, de bewindvoerder indien hij niet tevens mentor is, niet tot optreden bevoegd is ten aanzien van aangelegenheden betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Voornoemde aangelegenheden behoren immers tot het takenpakket van de mentor. In de wetsgeschiedenis is vermeld dat deze bepaling is opgenomen om mogelijke conflicten tussen mentor en bewindvoerder te voorkomen. Indien de in art. 1:453 lid 1 BW genoemde aangelegenheden vermogensrechtelijke aspecten hebben, komen de bevoegdheden van de bewindvoerder dus toe aan de mentor. Als voorbeeld wordt genoemd een beslissing tot opname van de betrokkene in een verpleeginrichting, waarbij een eigen bijdrage moet worden betaald of aan een beslissing tot ad hoc-uitgaven zoals die voor een therapeutische stoel. In lijn hiermee is ook in de literatuur te lezen dat als er zowel een mentor als een bewindvoerder is, de bewindvoerder (indien hij niet tevens mentor is), niet tot optreden bevoegd is ten aanzien van aangelegenheden die tot het takenpakket van de mentor behoren. Het is dan de mentor die de bevoegde persoon is.
(2) De beloning van de bewindvoerder
Met ingang van 1 januari 2015 bepaalt art. 1:447 lid 1 BW dat de bewindvoerder aanspraak heeft op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. Deze vaststelling is gebeurd in de Beloningsregeling die eveneens per 1 januari 2015 in werking is getreden.
Tot 1 januari 2015 bepaalde art. 1:447 lid 1 BW, samengevat, dat tenzij de beloning bij de instelling van het bewind anders is geregeld, de bewindvoerder als beloning 5% van de netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen ontvangt. In bijzondere omstandigheden kon hiervan worden afgeweken.
Deze zogenoemde 5%-regeling bleek in de praktijk ontoereikend of zelfs ‘volstrekt onvoldoende’. In de praktijk werden daarom minimum bedragen gehanteerd, vastgesteld in de door de kantonrechters gehanteerde aanbevelingen meerderjarigenbewind. Het bezwaar hiertegen was, zo valt te lezen in de memorie van toelichting van de Wet tot wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap, dat de aanbevelingen niet bindend waren voor de individuele kantonrechter. Vertegenwoordigers die aan meer dan een kantonrechter rekening en verantwoording schuldig zijn konden daardoor ondanks de aanbevelingen met verschillende normen voor de beloning worden geconfronteerd. Daarom werd het nodig geacht om eenduidige, bindende regels te stellen voor de beloning. Dit resulteerde uiteindelijk in de Beloningsregeling.
In een uitspraak over de Beloningsregeling uit 2023 vatte de Hoge Raad de bedoeling van de regeling als volgt samen: (a) de regeling is als bindend instrument ingevoerd om de rechtsverscheidenheid terug te dringen die tot dan toe gold; (b) uitgangspunt van de regeling is dat de bewindvoerder adequaat wordt beloond voor de uitoefening van zijn taken; (c) aan de regeling ligt een forfaitair systeem ten grondslag, waarbij de beloning geldt als een gemiddelde, met als doel de administratieve afhandeling te vereenvoudigen en de regeldruk voor bewindvoerders en de rechterlijke macht te verminderen.
Overigens wordt ook onder de huidige Beloningsregeling kritiek geuit op de hoogte van de beloning. Zo wordt in een wetsevaluatie uit 2018 opgemerkt dat bewindvoerders de verstrekte vergoedingen te karig vinden en/of per saldo te laag voor het werk dat zij verrichten. In een onderzoeksrapport van SEO uit 2022, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, wordt eveneens opgemerkt dat bewindvoerders in gesprekken aangeven dat de beloning voor bewindvoering niet toereikend is, vooral voor cliënten met de grondslag problematische schulden en verkwisting. Opgemerkt wordt dat vooral bewindvoerderskantoren die veel aan schuldenbewind doen het moeilijk hebben en dat rechters dit beeld bevestigen.
De beloning van de bewindvoerder en die van de mentor, dus ook de forfaitaire verhuisvergoeding, moet door de rechthebbende/betrokkene zelf worden betaald. Indien de rechthebbende/betrokkene de kosten van de beloning niet zelf kan dragen, komen die kosten in aanmerking voor vergoeding uit de bijzondere bijstand.
(2a) De jaarbeloning
De professionele bewindvoerder heeft in beginsel aanspraak op een forfaitaire jaarbeloning (art. 3 lid 1-4 Beloningsregeling). Ook de professionele mentor heeft in beginsel aanspraak op een forfaitaire jaarbeloning (art. 4 lid 1-4 Beloningsregeling).
In de nota van toelichting valt te lezen dat de Beloningsregeling voortbouwt op de systematiek van de (toenmalige) aanbevelingen; er wordt uitgegaan van een forfaitaire jaarbeloning op basis van het aantal uren waarin de werkzaamheden jaarlijks worden uitgeoefend, inclusief een onkostenvergoeding. Het uitgangspunt is dat de bewindvoerder en de mentor (en ook de curator) adequaat worden beloond voor de uitoefening van hun taken.
De forfaitaire jaarbeloning geldt als een gemiddelde. Hierover is in de nota van toelichting het volgende opgemerkt:
“Het ene mentorschap of bewind zal meer tijd vergen dan het andere. Het zal ook voorkomen dat gedurende een aantal jaren veel uren aan een betrokkene worden besteed en de volgende jaren minder dan het gemiddelde aantal uren waarop de forfaitaire jaarbeloning is gebaseerd. Het voordeel van het hanteren van een forfaitaire beloning is dat de administratieve afhandeling relatief eenvoudig is. Daarmee wordt beoogd de regeldruk voor de vertegenwoordigers en de rechterlijke macht te verminderen.”
Bij de artikelsgewijze toelichting van de forfaitaire jaarbeloning van de professionele bewindvoerder (art. 3 lid 2 Beloningsregeling) valt het volgende te lezen over de werkzaamheden van de bewindvoerder:
“Onder de wettelijke taak van een bewindvoerder wordt onder meer begrepen: het beheren van het vermogen, het regelen van de financiële huishouding, regelmatig contact met rechthebbende, contact met mentor, contact met instanties (gemeente, belastingdienst, UWV, CJIB), het bijwonen van zittingen van de kantonrechter, verstrekken van een maandelijks mutatieoverzicht, belastingaangifte over afgelopen kalenderjaar, het treffen van enkele afbetalingsregelingen, het opmaken en afleggen van rekening en verantwoording.”
Bij de artikelsgewijze toelichting op de forfaitaire jaarbeloning van de mentor (art. 4 lid 2 Beloningsregeling) valt het volgende te lezen over de werkzaamheden van de mentor:
“Het mentorschap betreft niet-vermogensrechtelijke belangenwaarneming (art. 450, eerste lid, Boek 1 BW). De mentor heeft een regievoerende en raadgevende taak (vgl. art. 453, vierde lid, Boek 1 BW). De mentor draagt verantwoordelijkheid voor het opbouwen en in stand houden van een adequaat hulpverleningsnetwerk rond de betrokkene en dient ten minste tweemaandelijks contact met hem te hebben (zie art. 5, derde lid, Besluit kwaliteitseisen).”
(2b) De forfaitaire verhuisvergoeding
Naast de jaarbeloning kan de kantonrechter de professionele bewindvoerder in voorkomende gevallen een aanvullende forfaitaire vergoeding toekennen. Zie art. 3 lid 5 Beloningsregeling (onderstreping toegevoegd A-G):
“Artikel 3
(…)
5. Naast de jaarbeloning kent de kantonrechter in voorkomende gevallen de volgende beloningen toe:
a. voor aanvangswerkzaamheden € 767, of € 574 indien de bewindvoerder voorafgaand aan het bewind budgetbeheer heeft gevoerd;
b. voor de verkoop of ontruiming van een woning, of in geval er geen mentor is, een verhuizing € 478;
c. voor het beheren van een persoonsgebonden budget € 718;
d. voor het opmaken van een eindrekening en -verantwoording € 288.”
Art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling bepaalt dus dat de bewindvoerder aanspraak kan maken op een beloning van € 478,- (bedrag per 1 januari 2026) in het geval van een verhuizing van rechthebbende mits er geen mentor is.
De verhuisvergoeding voor de mentor is geregeld in art. 4 lid 4, onder b Beloningsregeling. Op grond van die bepaling kan een mentor in het geval van een verhuizing aanspraak maken op een beloning van € 325,- (bedrag per 1 januari 2026). Dit forfaitaire bedrag is, net als het bedrag voor de bewindvoerder, berekend op basis van vijf uur werk. In de nota van toelichting op de Beloningsregeling is niet nader toegelicht wat voor werkzaamheden worden gezien als werkzaamheden die de mentor verricht in het geval van een verhuizing van een betrokkene.
In een eerder concept van de Beloningsregeling was geen vergoeding voor de bewindvoerder opgenomen in geval van een verhuizing. De verhuisvergoeding voor een mentor stond wel in dat eerdere concept. De Raad voor de rechtspraak, die in 2014 een advies uitbracht over het concept, merkte in zijn advies op dat een verhuizing ook aan art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling kon worden toegevoegd, omdat in sommige gevallen de bewindvoerder de verhuizing regelt, bijvoorbeeld omdat de rechthebbende dat zelf niet kan en er geen mentor is die de verhuizing van de rechthebbende kan regelen. Het lijkt erop dat de beloning van de bewindvoerder in verband met een verhuizing, wanneer er geen mentor is, naar aanleiding van dit advies van de Raad voor de rechtspraak in de Beloningsregeling is opgenomen.
De verhuisvergoeding voor de bewindvoerder is dus geënt op de verhuisvergoeding voor de mentor, en komt in beeld als de rechthebbende geen mentor heeft.
Bij de in art. 3 lid 5 Beloningsregeling genoemde beloningen gaat het, net als bij de jaarbeloning, om forfaitaire bedragen. Alleen bij de beloning voor een verhuizing staat als voorwaarde vermeld dat er geen mentor is. In de nota van toelichting is hierover het volgende opgemerkt (onderstreping toegevoegd A-G):
“De beloning voor werkzaamheden in verband met de verkoop of ontruiming van de woning van rechthebbende, of in geval er geen mentor is, de verhuizing van de rechthebbende, bedraagt (5 uren * € 65 =) € 325.
De werkzaamheden in het kader van een verhuizing vallen in beginsel onder de taak van de mentor. Daarom dient een beloning voor werkzaamheden in het kader van een verhuizing alleen te worden toegekend indien de rechthebbende daartoe zelf niet in staat is en er geen mentor is die de verhuizing kan regelen.”
Tot slot kan nog worden opgemerkt dat voor zowel de bewindvoerder als de mentor geldt dat de kantonrechter in geval van ‘uitzonderlijke omstandigheden’ de beloning van de bewindvoerder of de mentor op andere wijze kan vaststellen (art. 3 lid 6 en art. 4 lid 5 Beloningsregeling). In de toelichting wordt hierover het volgende vermeld:
“Met deze regeling wordt beoogd het overgrote deel van de gevallen van curatele, bewind en mentorschap te bestrijken. Niet uit te sluiten is echter dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, waarop deze regeling niet onverkort kan worden toegepast. De kantonrechter wordt daarom de ruimte gelaten om vanwege uitzonderlijke omstandigheden in het specifieke geval de beloning van de vertegenwoordiger op andere wijze vast te stellen. (…)
Wat onder uitzonderlijke omstandigheden wordt verstaan, kan niet in een limitatieve opsomming in deze regeling worden vastgesteld. Deze omstandigheden zijn immers toegesneden op de omstandigheden die zich in een specifiek geval kunnen voordoen en zijn naar hun aard niet alle voorzienbaar. Als voorbeeld noem ik extra werkzaamheden vanwege het feit dat de betrokkene is vertrokken naar het buitenland en de vertegenwoordiger allerlei extra inspanningen moet doen om hem naar Nederland te laten brengen. Wat in geen geval onder uitzonderlijke omstandigheden kan worden verstaan zijn de werkzaamheden die blijkens de toelichting vallen onder de verschillende voor professionele vertegenwoordigers onderscheiden categorieën werkzaamheden (zie voor een omschrijving van deze werkzaamheden de toelichting bij (…) art. 3, tweede lid, en art. 4, tweede lid). Van belang is om te benadrukken dat het dient te gaan om incidentele extra werkzaamheden.”
Tussenconclusie
Uit het voorgaande valt af te leiden dat het verrichten van werkzaamheden “in het kader van een verhuizing” in beginsel niet tot de taak van de bewindvoerder, maar tot de taak van de mentor behoort. Dat is ook begrijpelijk, omdat het bij een verhuizing niet gaat om het behartigen van (enkel) vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende, maar om werkzaamheden die betrekking hebben op de verzorging van de rechthebbende. Dergelijke werkzaamheden vallen onder de taken van een mentor (aangenomen dat de rechthebbende deze niet zelf kan verrichten), zie hiervoor onder 3.15. Van belang daarbij is, zoals hiervoor al is vermeld onder 3.19, dat de mentor bevoegd is om rechtshandelingen te verrichten op het gebied van de verzorging van de rechthebbende. De mentor vertegenwoordigt de rechthebbende dan in beginsel in en buiten rechte. Dat geldt ook wanneer de hier bedoelde rechtshandelingen vermogensrechtelijke aspecten hebben en er een bewindvoerder is benoemd. In een dergelijk geval is, op grond van art. 1:458 BW, de mentor en niet de bewindvoerder bevoegd.
Dit betekent m.i. dat naast meer ‘feitelijke’ werkzaamheden zoals contact onderhouden met een schoonmaakbedrijf, ook meer ‘administratieve’ werkzaamheden zoals het omzetten of afsluiten van energie- en internetcontracten tot het takenpakket van een mentor (kunnen) behoren in geval van een verhuizing. Het zijn dit soort werkzaamheden waarvoor een bewindvoerder op grond van art. 3 lid 5 onder b Beloningsregeling de forfaitaire verhuisvergoeding kan verzoeken als er geen mentor is. Dit kunnen dus zowel ‘feitelijke’ als ‘administratieve’ werkzaamheden zijn.
Een verhuizing van de rechthebbende kan echter ook leiden tot (extra) administratieve werkzaamheden voor de bewindvoerder die, ongeacht de aanwezigheid van een mentor, door de bewindvoerder zullen (moeten) worden verricht. Dergelijke werkzaamheden komen m.i. niet voor vergoeding op grond van art. 3 lid 5 onder b Beloningsregeling in aanmerking. Het is moeilijk om op voorhand uitputtend op te sommen welke werkzaamheden allemaal behoren tot enerzijds deze (extra) administratieve werkzaamheden voor de bewindvoerder, en anderzijds de administratieve werkzaamheden die normaliter door een mentor zouden worden verricht. Wel kan worden opgemerkt dat nu het onderhouden van contacten met instanties ook tot het takenpakket van de bewindvoerder behoort (zie onder 3.29), het aannemelijk is dat bijvoorbeeld het doorgeven van een adreswijziging van de rechthebbende aan dergelijke instanties tot de (administratieve) werkzaamheden van de bewindvoerder behoort. Hieruit zou ik willen afleiden dat het enkel doorgeven van adreswijzigingen aan derden onvoldoende is om te spreken over “werkzaamheden in het kader van een verhuizing” als bedoeld in de toelichting op de Beloningsregeling, zoals hiervoor geciteerd. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor aanpassen van een begroting of het opnieuw aanvragen van bijzondere bijstand als de rechthebbende naar een andere gemeente verhuist. Dergelijke werkzaamheden die zien op de financiële huishouding van rechthebbende vallen onder de reguliere werkzaamheden van een bewindvoerder en worden geacht te zijn inbegrepen in de jaarbeloning (zie ook onder 3.28 en 3.29). Dat geldt m.i. ook als ze opnieuw moeten worden verricht in verband met de verhuizing van een rechthebbende.
Uit het voorgaande volgt ook dat niet kan worden gezegd dat álle administratieve werkzaamheden die een bewindvoerder verricht in het kader van een verhuizing van de rechthebbende per definitie behoren tot het normale takenpakket van een bewindvoerder en daarom nooit tot toekenning van een verhuisvergoeding kunnen leiden. Voor die opvatting is onvoldoende steun te vinden in de tekst van of de toelichting op art. 3 lid 5 van de Beloningsregeling. Als het gaat om administratieve werkzaamheden in het kader van een verhuizing die samenhangen met de taken van een mentor (niet-vermogensrechtelijke belangenbehartiging, zie nader onder 3.15) en niet door de rechthebbende kunnen worden uitgevoerd, kan de bewindvoerder, als er geen mentor is, aanspraak maken op een vergoeding voor die werkzaamheden. In het verzoek om de verhuisvergoeding zal dan wel duidelijk moeten worden onderbouwd dat sprake is geweest van dergelijke werkzaamheden. Met andere woorden: beslissend voor een aanspraak op de verhuisvergoeding is niet zozeer of het gaat om administratieve handelingen of feitelijke handelingen, maar of de werkzaamheden sowieso al tot het takenpakket van de bewindvoerder behoren (omdat zij samenhangen met vermogensrechtelijke belangenbehartiging) of dat het veeleer gaat om handelingen die samenhangen met het takenpakket van de mentor (niet-vermogensrechtelijke belangenbehartiging op het gebied van verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding). Waarbij dan uiteraard steeds als voorwaarde geldt dat er geen mentor is en dat de rechthebbende zelf niet in staat is de werkzaamheden te verrichten. In het verzoek om de verhuisvergoeding zal dit alles duidelijk moeten worden onderbouwd.
(3) Wisselende feitenrechtspraak over de uitleg van art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling
Het Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht (LOVT) heeft aanbevelingen opgesteld voor kantonrechters die belast zijn met de behandelingen van zaken met betrekking tot beschermingsbewind, mentorschap en curatele (hierna: de Aanbevelingen). Deze Aanbevelingen zijn niet bindend; ze gelden in alle rechtbanken tot uitgangspunt voor beslissingen over en toezicht op de uitvoering van bewind, mentorschap en curatele.
Ook over het verzoek tot het toekennen van een forfaitaire verhuisvergoeding is een aanbeveling opgenomen. In de meest recente versie van 3 april 2025 valt daarover het volgende te lezen:
“B.H8 De administratieve werkzaamheden vanwege een verhuizing horen in beginsel tot de normale taak van een bewindvoerder. De extra beloning in verband met verhuizen [waarmee wordt bedoeld de beloning genoemd in art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling, toevoeging A-G] is bedoeld voor extra werkzaamheden die een bewindvoerder moet verrichten ten aanzien van de feitelijke verhuizing van betrokkene. Daarbij kan gedacht worden aan omzetten van het energie- of internetcontracten, een verhuisbedrijf inschakelen, een schoonmaakploeg inhuren en dergelijke, omdat betrokkene en zijn sociale omgeving of mentor dit niet zelf kunnen regelen. De bewindvoerder moet vermelden waarom betrokkene dit niet zelf kan. (…)”
In de Aanbeveling zoals hierboven geciteerd wordt tot uitgangspunt genomen dat administratieve werkzaamheden vanwege een verhuizing in beginsel behoren tot de normale taak van een bewindvoerder. Dit is op zich geen onjuist uitgangspunt; zoals hiervoor al is opgemerkt zal een verhuizing in de regel administratieve werkzaamheden meebrengen voor de bewindvoerder die tot zijn normale taak behoren (zie onder 3.38). Daarna wordt in de Aanbeveling opgemerkt dat voor de verhuisvergoeding noodzakelijk is dat de bewindvoerder extra werkzaamheden verricht ten aanzien van de feitelijke verhuizing van de betrokkene. Er staat dus niet dat de bewindvoerder feitelijke werkzaamheden moet verrichten. Het gaat om extra werkzaamheden ten aanzien van de feitelijke verhuizing. Dat kunnen blijkens het gegeven voorbeeld van het omzetten van energie- of internetcontracten ook administratieve werkzaamheden zijn. Hiervoor is al toegelicht dat dergelijke werkzaamheden van meer vermogensrechtelijke aard gelet op de samenloopbepaling van art. 1:458 BW in een geval van de aanwezigheid van een mentor én een bewindvoerder, tot het takenpakket van de mentor behoren (zie onder 3.37). Zoals hiervoor al is toegelicht, is voor de vraag of aanspraak bestaat op de verhuisvergoeding niet zozeer beslissend of het gaat om administratieve handelingen dan wel om feitelijke handelingen, maar of de werkzaamheden sowieso al tot het takenpakket van de bewindvoerder behoren (omdat zij samenhangen met vermogensrechtelijke belangenbehartiging), dan wel dat het veeleer gaat om handelingen die samenhangen met het takenpakket van de mentor. M.i. sluit deze benadering aan bij de hierboven geciteerde Aanbeveling.
In de feitenrechtspraak lijkt echter een andere uitleg van de hiervoor weergegeven Aanbeveling te worden aangehouden. Recentelijk zijn er twee lijnen in de rechtspraak ontstaan. De eerste lijn, die lijkt te worden aangehouden door kantonrechters, houdt kort gezegd in dat een verzoek tot het toekennen van de forfaitaire verhuisvergoeding alleen kan worden toegekend als er geen mentor is en de bewindvoerder andere werkzaamheden dan administratieve werkzaamheden heeft verricht. De tweede lijn, die lijkt te worden aangehouden door een deel van de hoven, houdt kort gezegd in dat wanneer er geen mentor is en de bewindvoerder administratieve werkzaamheden verricht die verband houden met de verhuizing, aanspraak bestaat op de forfaitaire verhuisvergoeding. Zowel in de eerste als tweede lijn lijkt er vanuit te worden gegaan dat de Aanbevelingen een onderscheid maken tussen administratieve en feitelijke werkzaamheden waarbij de kantonrechters veelal op de lijn lijken te zitten dat sprake moet zijn van feitelijke werkzaamheden en de hoven op de lijn dat alle administratieve werkzaamheden in het kader van een verhuizing op grond van art. 3 lid 5 onder b Beloningsregeling voor vergoeding aanmerking komen. M.i. berustten beide lijnen echter op een verkeerde lezing van de Aanbevelingen. Ik ga hierna kort in op deze twee lijnen, te beginnen met de relatief recentelijk ontstane tweede lijn.
De tweede lijn
Deze tweede lijn lijkt te zijn begonnen met een beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 4 februari 2025, waarin het hof een verzoek van een bewindvoerder tot toekenning van de forfaitaire verhuisvergoeding op grond van art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling heeft toegewezen. De bewindvoerder had ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat rechthebbende was verhuisd en er geen mentor was die de werkzaamheden die de verhuizing met zich bracht had kunnen verrichten. De bewindvoerder voerde ook aan dat alle administratieve handelingen in verband met de verhuizing voor haar rekening en risico komen omdat deze handelingen van vermogensrechtelijke aard zijn. De kantonrechter had in eerste aanleg het verzoek afgewezen. Het hof vernietigde de beschikking van de kantonrechter en wees het verzoek alsnog toe. Het hof overwoog daarbij als volgt:
“5.5. [Rechthebbende] is in november 2023 verhuisd naar een zelfstandige woonruimte. In het beroepschrift van 24 mei 2024 heeft de bewindvoerder omschreven welke werkzaamheden zij in het kader van de verhuizing heeft moeten verrichten. Dat deze werkzaamheden tot de reguliere taken van de bewindvoerder behoren, verdraagt zich niet met de in de Regeling vermelde mogelijkheid tot toekenning van een extra beloning voor een verhuizing. De kantonrechter heeft overwogen dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, waardoor de extra beloning niet zal worden toegekend. In de Regeling staat echter niet dat sprake zou moeten zijn van uitzonderlijke omstandigheden, maar slechts van een voorkomend geval, waarvan hier naar het oordeel van het hof sprake is. Er is in casu sprake van een verhuizing en [Rechthebbende] heeft geen mentor die hem bij de verhuizing kon ondersteunen. In dit geval is de bewindvoerder de aangewezen persoon om betrokkene bij de verhuizing te ondersteunen, waarvoor overeenkomstig artikel 3, vijfde lid, onder b van de Regeling een beloning van € 388,00 wordt toegekend.”
Enkele maanden later wees hetzelfde hof Arnhem-Leeuwarden een beschikking waarin het opnieuw, anders dan de kantonrechter, een verzoek tot het toekennen van een forfaitaire verhuisvergoeding toewees. In deze beschikking valt te lezen dat de bewindvoerder heeft verzocht tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Vermeld wordt dat ‘in den lande’ onrust is ontstaan doordat de Expertgroep CBM van het LOVT het niet eens is met de hiervoor genoemde beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 4 februari 2025. Het hof voegt hier aan toe dat ook het hof (ambtshalve) is gebleken dat de kwestie de gemoederen niet onberoerd laat. Het hof wijst erop dat het hof een verzoek tot toelating tot de mondelinge behandeling van een vertegenwoordiger van een brancheorganisatie heeft afgewezen en dat het hof van een kantonrechter het welgemeende maar ongevraagde verzoek heeft gekregen om prejudiciële vragen te stellen.
Ook het hof heeft kennis genomen van een brief die de Expertgroep CBM op 4 april 2025 aan de branchevereniging van bewindvoerders heeft verzonden naar aanleiding van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 4 februari 2025. In deze brief wordt vermeld dat de kantonrechters in de Expertgroep CBM hebben afgesproken dat een verzoek tot het toekennen van een beloning voor werkzaamheden voor een verhuizing van de betrokkene moet worden onderbouwd met de feitelijke werkzaamheden die zijn verricht. Als die onderbouwing achterwege blijft of als uit de onderbouwing volgt dat het alleen gaat om administratieve handelingen, zal het verzoek in beginsel worden afgewezen. Kortom, de Expertgroep houdt de uitleg aan zoals eerder uitgezet in de Aanbevelingen.
Het hof overweegt naar aanleiding van het voorgaande dat het zich kan voorstellen dat een en ander tot onrust leidt bij bewindvoerders. Professionele bewindvoerders zijn, zo vervolgt het hof, immers voor de uitoefening van hun beroep afhankelijk van hun benoeming door de kantonrechters. De kans dat die afhankelijkheid hen noopt dan maar geen extra beloning aan te vragen ook al is er geen mentor en is de rechthebbende zelf niet in staat om zijn verhuizing te regelen, of tegen een afwijzing van een dergelijke aanvraag geen hoger beroep in te stellen, komt het hof alleszins groot voor. Het hof zag echter geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, waartoe is overwogen dat het hof ook zonder de beantwoording van de voorgestelde vragen op het verzoek van de bewindvoerder kan beslissen.
Ten aanzien van de verzochte beloning voor de verhuizing overweegt het hof, met verwijzing naar de toelichting op de Beloningsregeling (zie daarvoor onder 3.26 e.v. hiervoor), dat het door de Aanbevelingen voorgestane toetsingskader zich slechts beperkt lijkt te verenigen met de strekking en het forfaitaire systeem van de Regeling. Naar het oordeel van het hof benoemt de Beloningsregeling in art. 3 lid 5 welke voorkomende werkzaamheden recht geven op een beloning en ‘daarmee is de kous af’. Uit de Beloningsregeling en de toelichting daarop zou bovendien niet blijken dat de administratieve werkzaamheden bij een verhuizing behoren tot de werkzaamheden waarop de jaarbeloning ziet. Daarnaast zou, aldus nog steeds het hof, de uitleg gegeven in de Aanbevelingen de regeldruk weer naar de rechterlijke macht toe trekken.
Overigens wijst het hof erop dat zelfs als het hof zou toetsen aan de door de Aanbevelingen voorgestane uitleg, het verzoek voor toewijzing in aanmerking komt. De bewindvoerder heeft namelijk werkzaamheden verricht, zoals het inschakelen van een schoonmaakbedrijf, die op grond van de Aanbevelingen wel voor vergoeding in aanmerking komen.
Na deze beschikking van het hof heeft de Expertgroep CBM het onderwerp opnieuw besproken. Besloten is om kantonrechters aan te bevelen de lijn van het hof Arnhem-Leeuwarden te volgen. Dit is per e-mail van 11 september 2025 aan de branchevereniging van bewindvoerders meegedeeld.
Hierna heeft het hof Den Haag in zijn beschikking van 8 oktober 2025 nagenoeg met dezelfde motivering als het hof Arnhem-Leeuwarden, zoals hiervoor weergegeven in 3.46, weergegeven een verzoek tot de forfaitaire verhuisvergoeding toegewezen.
De eerste lijn
Waar verschillende hoven op de hiervoor in 3.45 geschetste tweede lijn zitten, zitten veel kantonrechters op de geschetste eerste lijn, ook na de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 4 februari 2025.
Zo oordeelt de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant vrij recentelijk in een beschikking van 13 februari 2026 dat een bewindvoerder niet altijd recht heeft op de verhuisvergoeding in het geval rechthebbende geen mentor heeft en/of zelf in staat is de verhuizing te regelen. De kantonrechter onderkent dat een verhuizing in veel gevallen wel extra werk betekent voor de bewindvoerder. De kantonrechter overweegt:
“Zo moet hij adressenlijsten aanpassen, adreswijzigingen de deur uitdoen, in een voorkomend geval een nieuwe aanvraag doen voor bijzondere bijstand, een nieuwe begroting maken et cetera. Gelet op de inhoud van de Regeling en de toelichting daarop heeft de wetgever blijkbaar beoogd dat voor deze extra - administratieve - werkzaamheden de standaard jaarbeloning een adequate beloning is waarbij de wetgever uitdrukkelijk heeft overwogen dat meeruren in het ene dossier in een jaar worden gecompenseerd door minderuren in andere dossiers en/of andere jaren.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het niet de bedoeling van de wetgever geweest om een beloning voor enkel de administratieve werkzaamheden in het kader van een verhuizing toe te kennen als er geen mentor is en/of betrokkene niet zelf in staat is de verhuizing te regelen.
In de Nota van Toelichting bij de Regeling staat immers dat een beloning in het kader van een verhuizing alleen wordt toegekend als er geen mentor is en/of indien de rechthebbende (betrokkene) daartoe zelf niet in staat is. De crux zit hem in deze toevoegingen. Immers: wat doet de mentor of betrokkene zelf bij een verhuizing? Het gaat dan niet om de administratieve afhandeling, maar om de niet-administratieve verhuiswerkzaamheden (denk daarbij aan een verhuizer inhuren, busje huren et cetera). Als er niemand is om die feitelijke verhuiswerkzaamheden te regelen en de bewindvoerder dat op zich moet nemen, heeft de bewindvoerder recht op de vergoeding die normaliter de mentor toekomt. Een mentor heeft immers ook alleen recht op de verhuisvergoeding indien hij of zij daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht in verband met de verhuizing van betrokkene, zo blijkt uit de toelichting bij artikel 4 lid 4 onderdeel b van de Regeling. Het mag duidelijk zijn dat dat niet de administratieve werkzaamheden betreffen. Die zijn immers voorbehouden aan de bewindvoerder.”
Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat enkel aanspraak op de forfaitaire verhuisvergoeding indien werkzaamheden zijn verricht in het kader van een verhuizing die niet onder de standaard jaarbeloning vallen. Oftewel: er moeten andere werkzaamheden zijn verricht dan administratieve werkzaamheden.
In andere beschikkingen van (dezelfde) kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant wordt op dezelfde wijze geoordeeld over de forfaitaire verhuisvergoeding. Dit geldt ook voor beschikkingen van kantonrechters in de rechtbanken Limburg, Den Haag, Noord-Holland en Zeeland-West-Brabant.
Daarbij valt op dat in veel zaken de verrichte werkzaamheden door de bewindvoerders niet nader zijn onderbouwd, althans dit blijkt niet uit de desbetreffende beschikkingen. Er zijn verschillende voorbeelden te vinden waarin slechts melding wordt gemaakt van ‘administratieve werkzaamheden’. In een enkele beschikking wordt wel duidelijk gemaakt welke werkzaamheden zijn verricht. Zo wordt in een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Limburg de volgende taken van een bewindvoerder vermeld in het kader van een verhuizing: “adressen intern aangepast, instelling op de hoogte gebracht/communicatie met hen afgerond, kostgeldberekening gemaakt, situatie met nieuwe partner afgestemd, adreswijziging doorgegeven bij de betrokken instanties, bijzondere bijstand aangevraagd in nieuwe gemeente en nieuwe begroting gemaakt.” In een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant worden de volgende werkzaamheden opgesomd: “berekenen betaalbaarheid nieuwe huur inclusief proefberekening toeslagen, beoordelen huurcontract, wijzigen energiecontract, wijzigen internet/TV en begroting verhuiskosten maken.” In een andere beschikking van de kantonrechter in dezelfde rechtbank valt het volgende te lezen over de verrichte werkzaamheden: “internet en tv abonnement verhuisd, adreswijzigingen doorgeven, inboedelverzekering verhuisd, huurtoeslag gewijzigd, aan- en afmelden gas, elektra en water.”
Zoals hiervoor al is vermeld (zie onder 3.41), is het m.i. van belang dat de bewindvoerder zo duidelijk mogelijk maakt in een verzoek tot toekennen van de verhuisvergoeding welke werkzaamheden zijn verricht. De enkele vermelding dat administratieve werkzaamheden zijn verricht, volstaat m.i. niet.
Tot slot is nog op te merken dat in feitenrechtspraak over de verhuisvergoeding voor bewindvoerders soms ook wordt verwezen naar Aanbeveling BH.4, waarin het volgende staat:
“B.H4. Het uitgangspunt van de Regeling beloning is, dat de regeling een forfaitair karakter heeft. Extra beloning is alleen mogelijk in geval van uitzonderlijke werkzaamheden. Verzoeken om extra beloning zullen worden getoetst aan dit criterium.”
Voor zover hiermee bedoeld zou zijn dat – in zijn algemeenheid – voor het toekennen van een verhuisvergoeding op de voet van art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling als eis geldt dat sprake is van ‘uitzonderlijke werkzaamheden’, dan is dat niet juist. Dat volgt niet uit Aanbeveling B.H8, die een eigen toetsingskader geeft voor toekenning van de verhuisvergoeding. Daarin wordt niet gesproken over de aanwezigheid van uitzonderlijke omstandigheden. Het is aannemelijk dat Aanbeveling B.H4 slechts herhaalt wat ook is neergelegd in art. 3 lid 6 Beloningsregeling: in afwijking van het eerste lid kan de kantonrechter in geval een bewind niet alle goederen betreft of wegens uitzonderlijke omstandigheden de beloning van de bewindvoerder, bedoeld in het eerste lid, op andere wijze vaststellen. Voor de curator en de mentor bevat de Beloningsregeling vergelijkbare bepalingen.
Slotsom
Uit het voorgaande volgt dat beslissend voor een aanspraak op de verhuisvergoeding niet zozeer is of het gaat om administratieve handelingen dan wel om feitelijke handelingen. Het gaat erom of de werkzaamheden sowieso al tot het takenpakket van de bewindvoerder behoren (omdat zij samenhangen met vermogensrechtelijke belangenbehartiging), of dat het veeleer gaat om handelingen die samenhangen met het takenpakket van de mentor (niet-vermogensrechtelijke belangenbehartiging op het gebied van verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding). Waarbij dan uiteraard steeds als voorwaarde geldt dat er geen mentor is en dat de rechthebbende zelf niet in staat is de werkzaamheden te verrichten. In het verzoek om de verhuisvergoeding zal dit alles duidelijk moeten worden onderbouwd. De tweedeling die in de feitenrechtspraak lijkt te zijn ontstaan waarbij of alle administratieve werkzaamheden een aanspraak op de forfaitaire verhuisvergoeding geven (de tweede lijn) of waarbij administratieve werkzaamheden in het geheel geen aanspraak op voornoemde vergoeding geven (de eerste lijn) gaan m.i. dus beide uit van het verkeerde onderscheid.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
Alle klachten van het middel zijn gericht tegen rov. 3.7.9 waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
“Vast staat dat [Rechthebbende] verhuisd is. Ook staat vast dat er geen mentor aanwezig is die [Rechthebbende] bij de verhuizing heeft kunnen ondersteunen. Het hof is echter van oordeel dat Veritas het verzoek om een extra beloning ter zake van de verhuizing van [Rechthebbende] niet voldoende noch met stukken heeft onderbouwd. Zo heeft Veritas op geen enkele wijze onderbouwd waaruit de door haar verrichte werkzaamheden (administratieve werkzaamheden of andere werkzaamheden) ten behoeve van de verhuizing van [Rechthebbende] hebben bestaan. In de inleidende verzoeken heeft Veritas slechts aangegeven dat zij administratieve werkzaamheden rondom de verhuizing van [Rechthebbende] heeft uitgevoerd en dat er geen meerdere werkzaamheden zijn verricht. Uit de toelichting op art. 3, vijfde lid, onder b van de Regeling en uit de Aanbevelingen volgt dat genoemde administratieve werkzaamheden in beginsel tot de normale taak van de bewindvoerder behoren. Derhalve is niet gesteld of gebleken dat Veritas naast administratieve werkzaamheden nog andere werkzaamheden ten behoeve van de verhuizing van [Rechthebbende] heeft verricht. Genoemde feiten en omstandigheden maken dat - naar het oordeel van het hof - geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een extra beloning van Veritas in verband met de verhuizing van [Rechthebbende] rechtvaardigen. Het hof wijst ook het subsidiaire verzoek van de bewindvoerder af. Grief 1 faalt derhalve.”
De procesinleiding bevat onder 6.1 allereerst de klacht dat het hof ten onrechte overweegt dat wanneer – in geval de rechthebbende is verhuisd en er geen mentor is – een professionele bewindvoerder die uitsluitend administratieve werkzaamheden rondom de verhuizing heeft verricht, géén aanspraak maakt op de forfaitaire verhuisvergoeding van art. 3 lid 5, onder b, Beloningsregeling.
Ter toelichting wordt daaraan toegevoegd dat uit de wet, de Beloningsregeling en de toelichting op de Beloningsregeling niet volgt dat administratieve werkzaamheden die een bewindvoerder verricht bij een verhuizing behoren tot de standaardwerkzaamheden waar de jaarbeloning reeds een adequate beloning voor vormt. Er is sprake van éxtra werkzaamheden veroorzaakt door de verhuizing van de cliënt (zie procesinleiding onder 6.2). Ook wordt ter toelichting aangevoerd dat het feit dat een bewindvoerder géén aanspraak maakt op de verhuisvergoeding wanneer er een mentor is, geen reden is om aan te nemen dat alle administratieve werkzaamheden die een bewindvoerder bij een verhuizing verricht – dus – vallen onder diens standaardwerkzaamheden (zie procesinleiding onder 6.3).
Zoals hiervoor al is vermeld (zie 3.38-3.41), kan niet gezegd worden dat administratieve werkzaamheden in het kader van een verhuizing nooit tot toekenning van de verhuisvergoeding kunnen leiden. Beslissend is niet of er administratieve of feitelijke werkzaamheden zijn verricht, maar of de verrichte werkzaamheden al dan niet tot het reguliere takenpakket van de bewindvoerder behoren. Als het gaat om werkzaamheden die verband houden met vermogensrechtelijke belangenbehartiging is dat het geval; dat zijn werkzaamheden die de bewindvoerder sowieso verricht. Maar als het gaat om werkzaamheden die samenhangen met het takenpakket van de mentor, dus om niet-vermogensrechtelijke belangenbehartiging op het gebied van verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding, gaat het om werkzaamheden die níet tot het reguliere takenpakket van een bewindvoerder behoren en kan een bewindvoerder voor het verrichten van die werkzaamheden aanspraak maken op de verhuisvergoeding. Waarbij dan uiteraard steeds als voorwaarde geldt dat er geen mentor is en dat de rechthebbende zelf niet in staat is de werkzaamheden te verrichten. In het verzoek om de verhuisvergoeding zal dit alles duidelijk moeten worden onderbouwd.
Uit de bestreden overweging blijkt echter niet dat het hof van een andere opvatting is uitgegaan. Het hof overweegt immers slechts dat de bewindvoerder administratieve werkzaamheden rondom de verhuizing van Rechthebbende heeft uitgevoerd; dat er niet andere werkzaamheden zijn verricht; en dat uit de toelichting op art. 3, vijfde lid, onder b van de Regeling en uit de Aanbevelingen volgt dat ‘genoemde administratieve werkzaamheden’ in beginsel tot de normale taak van de bewindvoerder behoren. Daarmee faalt de klacht. Hiermee houdt het hof – terecht – de mogelijkheid open dat er ‘andere administratieve werkzaamheden’ zijn die mogelijk wél tot een aanspraak op de verhuisvergoeding kunnen leiden.
De klacht slaagt dan ook niet.
Hierbij is nog aan te tekenen dat Veritas zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geen nadere onderbouwing van op toelichting op de verrichte administratieve werkzaamheden heeft gegeven. Zij heeft enkel gesteld, ook nadat de kantonrechter had gevraagd of er nog andere werkzaamheden zijn verricht (zie onder 2.3 hiervoor), dat er administratieve werkzaamheden zijn verricht. In cassatie staat dit ook onbestreden vast. Zoals uit het voorgaande al is gebleken, is het enkel stellen dat administratieve werkzaamheden zijn verricht, onvoldoende om aanspraak te kunnen maken op de forfaitaire verhuisvergoeding.
Daarnaast bevat de procesinleiding onder 6.4 de klacht dat voor zover het hof het verzoek tot toekenning van een verhuisvergoeding heeft afgewezen, omdat niet zou zijn gesteld of gebleken dat Rechthebbende (of diens eigen sociale netwerk) niet zelf in staat was zijn verhuizing te regelen, is dat oordeel onjuist en onvoldoende gemotiveerd.
Deze klacht faalt reeds omdat het hof niet heeft geoordeeld dat niet zou zijn gesteld of gebleken dat Rechthebbende (of diens eigen sociale netwerk) niet zelf in staat was zijn verhuizing te regelen. Het hof heeft geoordeeld dat de door Veritas genoemde administratieve werkzaamheden in beginsel tot de normale taak van de bewindvoerder behoren en dat andere werkzaamheden niet zijn gesteld zodat daarom geen vergoeding op grond van art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling wordt toegekend.
Onder 6.5 wordt geklaagd dat de slotoverweging van het hof dat er geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een extra beloning van Veritas in verband met de verhuizing van Rechthebbende rechtvaardigen onjuist is. Het verrichten van (administratieve) werkzaamheden door een bewindvoerder voor een verhuizing zónder dat een mentor in beeld is, is immers één van de “voorkomende gevallen” die valt onder art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling, aldus het middel.
De klacht faalt. Het hof toetst met de desbetreffende slotoverweging namelijk niet of is voldaan aan art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling, zoals de klacht tot uitgangspunt neemt, maar of voldaan is aan de uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld in art. 3 lid 6 Beloningsregeling (zie onder 3.37). Het hof heeft immers in de twee volzinnen voorafgaand aan de slotoverweging het beroep op art. 3 lid 5, onder b Beloningsregeling afgewezen. Daarna oordeelt het hof volledigheidshalve of nog op grond van art. 3 lid 6 Beloningsregeling een extra vergoeding kan worden toegewezen. Deze mogelijke grondslag heeft het hof ook daarvoor in het slot van rov. 3.7.6 (onder de beschrijving van het toepasselijke juridische kader) benoemd.
Tot slot wordt onder 6.6 van de procesinleiding geklaagd dat voor zover het hof met zijn oordeel par. B.H4 en B.H8 van de Aanbevelingen (2025) heeft willen volgen, het hof miskent dat de Aanbevelingen niet bindend zijn en in strijd met de (opzet van) de wel bindende Beloningsregeling en dat die Beloningsregeling prevaleert.
Ook deze klacht faalt. Uit de bestreden beschikking volgt geenszins dat het hof de Aanbevelingen heeft willen volgen. Het hof heeft een eigen oordeel gegeven over de toewijsbaarheid van de verzochte vergoeding.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G