ECLI:NL:PHR:2026:423

ECLI:NL:PHR:2026:423

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 25/00781
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Economische zaak. Wet Dieren. Ambtshalve overwegingen over ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Cassatieberoep tijdig ingesteld? De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/00781 E

Zitting 21 april 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 29 januari 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

- in de zaak met parketnummer 08-994518-16 wegens 1 en 3 “het misdrijf: zich gedragen in strijd met het voorschrift gesteld bij artikel 1.7 aanhef en onder d van het Besluit houders van dieren, opzettelijk begaan, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden”,

- in de zaak met parketnummer 08-994518-16 wegens 2 “het misdrijf: zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd”,

- in de zaak met parketnummer 08-994518-16 wegens 3 “het misdrijf: zich gedragen in strijd met een voorschrift gesteld bij artikel 1.7 aanhef en onder d van het Besluit houders van dieren, opzettelijk begaan, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden”,

- in de zaak met parketnummer 08-994518-16 wegens 4 “het misdrijf: zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren”,

- in de zaak met parketnummer 08-994517-17 wegens 1 “het misdrijf: zich gedragen in strijd met artikel 1.6 en 1.7 aanhef en onder e en d van het Besluit houders van dieren, opzettelijk begaan, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden, meermalen gepleegd”,

- in de zaak met parketnummer 08-994517-17 wegens 2 “het misdrijf: zich gedragen in strijd met het voorschrift gesteld bij artikel 1.7 aanhef en onder e van het Besluit houders van dieren, opzettelijk begaan, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden”,

- in de zaak met parketnummer 08-994517-17 wegens 4 “het misdrijf: zich gedragen in strijd met het voorschrift gesteld bij artikel 1.7 aanhef en onder d en e van het Besluit houders van dieren, opzettelijk begaan, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden, meermalen gepleegd” en

- in de zaak met parketnummer 08-994517-17 wegens 5 primair “het misdrijf: zich gedragen in strijd met het voorschrift gesteld bij artikel 2.7 Besluit houders van dieren, opzettelijk begaan”

veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Als bijkomende straf is de stillegging van de onderneming van de verdachte waarin het economisch delict is gepleegd, bevolen voor de duur van 1 jaar, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Verder is de verdachte bij voornoemd arrest in de zaak met parketnummer 08-994517-17 wegens 3 “de overtreding: zich gedragen in strijd met het voorschrift gesteld bij artikel 1.7 aanhef en onder d en f van het Besluit houders van dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 1.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte heeft D. Greven, advocaat in Borne, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

De steller van het middel gaat niet in op de vraag naar de ontvankelijkheid van de verdachte in het beroep in cassatie. Nu het cassatieberoep niet is ingesteld binnen veertien dagen na de uitspraak van het hof, zie ik mij genoodzaakt hier eerst bij stil te staan.

Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep is het volgende van belang:

i) een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 oktober 2024 waaruit volgt dat de verdachte niet is verschenen. Op deze terechtzitting heeft het hof tegen de verdachte verstek verleend en het onderzoek – naar aanleiding van een brief van de verdachte – voor onbepaalde tijd geschorst;

ii) een informatiestaat SKDB van 7 november 2024, waarop onder “Huidig BRP-adres” wordt vermeld: [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] ;

iii) een oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2025 die blijkens een akte van uitreiking op 19 november 2024 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, nadat het op 14 november 2024 niet was gelukt de oproeping uit te reiken op het adres [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] , omdat de geadresseerde niet (meer) op het vermelde adres woont. Op de akte van uitreiking is vermeld dat 19 november 2024 tevens een afschrift van de oproeping is verzonden naar het betreffende adres;

iv) een informatiestaat SKDB van 27 december 2024, waarop onder “Huidig BRP-adres” wordt vermeld: [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] ;

v) een oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van 15 januari 2024 die blijkens een akte van uitreiking op 27 december 2025 [ik ga er hier en hierna van uit dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat het jaartal moet worden gelezen als: 2024, D.P.] op het adres [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] is aangeboden en waarop staat vermeld “ontvanger heeft brief gelezen maar gaf deze terug wilde hem niet hebben”;

vi) een brief van de verdachte van 7 januari 2025 gericht aan het hof waarin staat vermeld dat hij “onlangs kennis [heeft] genomen van de poging van het Hof, om te komen tot het plannen van een nieuwe zittingsdatum in deze zaak, kennelijk 15 januari 2025” en dat hij “de ontvangst van dit schrijven heeft geweigerd”;

vii) een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2025 waaruit volgt dat de verdachte niet is verschenen en tegen de verdachte verstek wordt verleend;

viii) een arrest van 29 januari 2025 van het hof waarbij de verdachte bij verstek is veroordeeld;

ix) een akte cassatie, waaruit blijkt dat op 28 februari 2025 ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden door een administratief ambtenaar bij dit hof, als bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde van de verdachte, beroep in cassatie is ingesteld tegen het arrest van 29 januari 2025.

Ingevolge art. 432 lid 1 Sv moet binnen veertien dagen na de einduitspraak in hoger beroep het cassatieberoep worden ingesteld indien a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend, b. de verdachte op de terechtzitting is verschenen, c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was of d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte hoger beroep is ingesteld, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend en in hoger beroep geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur dan zes maanden meebrengt.

Voor een geldige betekening van een dagvaarding in persoon is vereist dat de dagvaarding daadwerkelijk aan de verdachte is overhandigd. Als de dagvaarding door de verdachte in ontvangst is genomen, al is dit maar voor een korte tijd, dan is sprake van een rechtsgeldige betekening in persoon. Niet is vereist dat de verdachte heeft getekend voor ontvangst. Het door de verdachte weigeren om de dagvaarding in ontvangst te nemen, kan niet worden gelijkgesteld aan een uitreiking van de dagvaarding in persoon. Als de verdachte niet alleen heeft geweigerd te tekenen voor ontvangst, maar ook heeft geweigerd de dagvaarding in ontvangst te nemen, dan moet de rechter nagaan of zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting aan de verdachte tevoren bekend was. Is daarvan geen sprake, dan blijft het bij een ‘poging tot uitreiking’ en begint de appeltermijn niet te lopen op de dag van de uitspraak.

In de onderhavige zaak blijkt uit de onder 2.2 (v) weergegeven akte van uitreiking in combinatie met de onder 2.2 (vi) weergegeven brief van de verdachte dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2025 op 27 december 2024 aan de verdachte is uitgereikt. De verdachte heeft de oproeping in ontvangst genomen, de inhoud daarvan gelezen en die oproeping daarna weer teruggegeven. Gelet op het vorenstaande heeft de uitreiking aldus in persoon plaatsgevonden, zodat de cassatietermijn van veertien dagen overeenkomstig art. 432 lid 1 sub a Sv op 29 januari 2025 is aangevangen. Het cassatieberoep is daarmee (op 28 februari 2025) te laat ingesteld. Het voorgaande brengt mee dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarbij merk ik nog op dat zelfs als er niet van wordt uitgegaan dat het de verdachte zelf is geweest die de oproeping voor de zitting van 15 januari 2025 op 27 december 2024 in ontvangst heeft genomen, tot het oordeel moet worden gekomen dat het cassatieberoep te laat is ingesteld, nu zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was als bedoeld in art. 432 lid 1 sub c Sv. Uit de onder 2.2 (vi) weergegeven brief van de verdachte gedateerd van 7 januari 2025 valt immers af te leiden dat de verdachte vooraf bekend was met de geplande zitting van 15 januari 2025.

3. Slotsom

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JM 2026/83 met annotatie van mr. S. Pieters
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand