ECLI:NL:PHR:2026:426

ECLI:NL:PHR:2026:426

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer 22/04601
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen aanwezig hebben harddrugs in verschillende panden. Falend middel dat klaagt over medeplegen en opzet. Slagend middel i.v.m. overschrijding redelijke inzendtermijn in cassatie. AG ambtshalve: redelijke termijn van berechting in cassatie overschreden en onder 6 bewezenverklaarde is ten dele verjaard. De conclusie strekt tot vernietiging van uitspraak hof t.a.v. het onder 6 bewezenverklaarde voorhanden hebben van munitie van categorie III en duur opgelegde gevangenisstraf, tot niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging feit 6 v.z.v. het betreft het voorhanden hebben van munitie van categorie III, tot vermindering van duur opgelegde gevangenisstraf vanwege schending redelijke termijn en tot verwerping voor het overige. Samenhang met 22/04549, 22/04578, 22/04598 en 22/04640.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/04601

Zitting 12 mei 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 december 2022 het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017 – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – bevestigd met uitzondering van de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde en de kwalificaties van het onder 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde en de opgelegde hoofdstraf. Het hof heeft de verdachte wegens 1A. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 1B. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2A. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3. “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet”, 4. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, 5. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd” en 6. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

Er bestaat samenhang met de zaken 22/04549 ( [medeverdachte 1] ), 22/04598 ( [medeverdachte 2] ), 22/04578 ( [medeverdachte 3] ) en 22/04640 ( [medeverdachte 4] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

Namens de verdachte heeft H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

Het middel klaagt met betrekking tot het onder 4 bewezenverklaarde dat het medeplegen en het opzet niet zonder meer uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid.

Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat hij:

“op 19 november 2013 in [plaats] en in [plaats] en in de [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- in een pand aan de [a-straat 1] te [plaats] , 878,5 gram heroïne en 70,55 gram cocaïne en

- in een pand aan de [b-straat 1] te [plaats] , ongeveer 510 gram heroïne en ongeveer 422 gram heroïne en ongeveer 19 gram cocaïne en

- in een pand aan de [c-straat 1] te [geboorteplaats] , ongeveer 3151 gram heroïne en ongeveer 139 gram cocaïne,

zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”

Met betrekking tot het onder 4 bewezenverklaarde bevat de aanvulling op het arrest de volgende bewijsoverwegingen (met weglating van voetnoten):

“Onder feit 4 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 19 november 2013, samen met een of meer anderen, dan wel alleen, opzettelijk heroïne en cocaïne aanwezig heeft gehad op een drietal plaatsen in Nederland.

Het hof dient aldus te bewijzen dat er opzettelijk harddrugs aanwezig waren en dat de verdachte strafrechtelijk hiervoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Om die strafrechtelijke verantwoordelijkheid te bewijzen moet er met betrekking tot de aangetroffen harddrugs sprake zijn van:

a) wetenschap bij de verdachte en

b) beschikkingsmacht door de verdachte.

Het hof acht, onder verwijzing naar de hierboven opgenomen bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte op 19 november 2013 samen met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- in het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] : 878,6 gram heroïne en 70,55 gram cocaïne;

- in het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] : 510 gram heroïne, 422 gram heroïne en 19 gram cocaïne;

- in het pand aan de [c-straat 1] te [geboorteplaats] : 3151 gram heroïne en 139 gram cocaïne.

In het pand aan de [a-straat 1] in [plaats] verbleef [betrokkene 1] . In het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] werd niemand aangetroffen. [betrokkene 2] werd op 19 november 2013 in het pand aan de [c-straat 1] in [geboorteplaats] aangetroffen. De verdovende middelen zijn dus niet direct onder de verdachte aangetroffen. Toch meent het hof dat de verdachte strafrechtelijk mede verantwoordelijk gehouden kan worden voor het aanwezig hebben van deze middelen. Dit vloeit voort uit het zojuist omschreven samenwerkingsverband gericht op de drugshandel en de uitvoer van drugs, zoals onder de feiten 1 en 2 bewezen is verklaard. Om in verdovende middelen te kunnen handelen is naar het oordeel van het hof vereist dat die verdovende middelen op voorraad zijn. Hieruit volgt dat de deelnemers aan het samenwerkingsverband ook nauw en bewust hebben samen gewerkt ten aanzien van het tenlastegelegde aanwezig hebben van handelsvoorraden, aangezien de handel anders niet kan functioneren. Dat deze verdovende middelen verdeeld over verschillende stashlocaties lagen, doet hier niets aan af. De relatie tussen de drie panden volgt ook uit het volgende:

- aan een sleutelbos met vier sleutels die aangetroffen werd in het pand aan de [d-straat 1] te [plaats] zaten, naast een sleutel die toegang gaf tot het pand aan de [d-straat] , een sleutel die paste op de deur van het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] en een sleutel die paste op de deur van het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] . Daarnaast werd in het pand aan de [d-straat 1] in [plaats] nog een sleutel gevonden die toegang gaf tot het pand aan de [e-straat 1] te [plaats] ;

- in het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] werden in de woonkamer twee sleutels aangetroffen. Een van de sleutels paste op het slot van het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] . In het voordeurslot van het pand aan de [a-straat] stak ook een sleutel aan een sleutelbos. Naast dus de sleutel die toegang gaf tot de [a-straat] zat er ook een sleutel aan die toegang gaf tot het pand [e-straat 1] te [plaats] ;

- in het pand aan de [c-straat 1] te [geboorteplaats] werden in een zwarte jas in de woonkamer drie sleutelbossen aangetroffen. Van een sleutelbos met drie sleutels paste er een sleutel op de deur van het pand [e-straat 1] te [plaats] ;

- in een het pand aan de [f-straat 1] te [plaats] werd een sleutelbos aangetroffen. Een van de zes sleutels aan die bos paste op het slot van de [g-straat 1] te [plaats] . Een andere sleutel paste op het slot van het [h-straat 1] te [plaats] ;

- er werden nog vier setjes sleutels aangetroffen die met elkaar overeenkwamen. Een van de setjes is aangetroffen bij de doorzoeking aan de [f-straat 1] te [plaats] , twee zijn aangetroffen in een kluis in het pand aan de [g-straat 1] te [plaats] en het vierde setje werd aangetroffen op de [i-straat 1] in [plaats] ;

- [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij meer verbleef bij zijn moeder op het adres [c-straat 1] in [geboorteplaats] , dan op het adres in [plaats] waar hij staat ingeschreven.

Het hof heeft ook bij haar overweging betrokken de hiërarchie binnen de groep Seville 1. Zij dicht aan de verdachte een rol toe, die gezien kan worden als op zijn minst direct onder of wellicht wel naast die van [betrokkene 3] staand. [verdachte] houdt zich wat meer op de achtergrond dan [betrokkene 3] . Uit de aangehaalde tapgesprekken blijkt dat [verdachte] zich niet alleen bezighield met de verkooptransacties, maar ook met de aanwezige voorraden en de kwaliteit daarvan.

Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte, als lid van de groep Seville 1, wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de voorraden. Onder die voorraden vallen ook de aangetroffen verdovende middelen op de verschillende stashlocaties. Daarmee is bewezen dat de verdachte samen met ten minste [betrokkene 3] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] opzettelijk harddrugs aanwezig heeft gehad.”

Het hof heeft over de rol van de verdachte in het samenwerkingsverband gericht op drugshandel in de aanvulling op het arrest het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

“[verdachte] (verdachte)

[verdachte] had eveneens een belangrijke rol in de organisatie. Uit tapgesprekken en verklaringen van kopers blijkt bijvoorbeeld dat hij de bestellijn beheerde, nieuwe klanten lokte en de aanschaf van nieuwe telefoons en (huur)auto‘s regelde. Daarnaast overlegde hij met [betrokkene 3] over diverse (personeels)zaken en zorgde hij voor de bevoorrading. Ook gaf hij opdrachten aan personen die lager op de hiërarchische ladder stonden. In voorkomende gevallen verstrekte hij drugs aan kopers. In een telefoongesprek met een koper in 2013 zegt [verdachte] zelf dat hij en die koper al zes jaar samenwerken. Dit plaatst [verdachte] , evenals [betrokkene 3] , aan het begin van de tenlastegelegde periode: op 1 januari 2008 handelde hij kennelijk al in verdovende middelen. Uit de telefoongesprekken die hij met [betrokkene 3] voerde blijkt ook een zekere gelijkwaardigheid tussen deze twee personen. Ze overleggen over zaken op managementniveau: de voorraad, de door de organisatie te gebruiken auto’s, personeelszaken en over de geldverdeling. Typerend voor die samenwerking is ook een gesprek over hoe de klantenkring tussen hen beiden is verdeeld. Concluderend dicht het hof [verdachte] een sleutelrol in de organisatie toe van 1 januari 2008 tot en met het einde op 19 november 2013.”

Van ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in art. 2 aanhef en onder C Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Dit aanwezig hebben geldt als misdrijf wanneer wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op het aanwezig hebben.

Met mijn voormalig ambtgenoot Hofstee meen ik dat voldoende is dat de uit de bewijsmiddelen direct blijkende feiten en omstandigheden grond bieden voor het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat zijn medeverdachte of medeverdachten op de hoogte was of waren van de aanwezigheid van de verdovende middelen op een bepaalde plek, zodat het benodigde ‘samenwerkingsopzet’ middels een bewijsredenering kan worden vastgesteld.

Zoals al aangegeven, klaagt het middel dat met betrekking tot het onder 4 bewezenverklaarde het medeplegen en het opzet niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Daartoe voert de steller van het middel aan dat uit de bewijsconstructie geen enkele ‘directe’ link tussen de verdachte en de aangetroffen hoeveelheid drugs volgt en de drugs goed verborgen waren. Ook wordt in dat verband aangevoerd dat het hof niet heeft vastgesteld wie het heeft gekocht, hoe en door wie het in de woning is beland, hoe lang het er al lag, of de verdachte daarvan wist en of hij er enige zeggenschap over had. Tot slot wordt aangevoerd dat het hof alles wat is aangetroffen in de door (leden van) de organisatie gebruikte locaties, mede toerekent aan de verdachte en dat dit ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof niet heeft vastgesteld dat die locaties uitsluitend voor de organisatie werden gebruikt en het daarmee de mogelijkheid open heeft gelaten dat leden van de organisatie ook hun eigen handel erop nahielden, buiten de organisatie om, terwijl uit de vaststellingen blijkt dat de verdachte en [betrokkene 3] weliswaar samenwerkten, maar ook dat zij ieder voor eigen rekening handelden.

De klachten dat uit de bewijsconstructie geen enkele ‘directe’ link tussen de verdachte en de aangetroffen hoeveelheid drugs volgt en dat niet is vastgesteld wie de verdovende middelen heeft gekocht, hoe en door wie het in de woning is beland, hoe lang het er al lag, of de verdachte daarvan wist en of hij er enige zeggenschap over had, gaan eraan voorbij dat het hof heeft overwogen dat de verdovende middelen niet ‘direct’ onder de verdachte aangetroffen, maar dat hij voor het aanwezig hebben van deze middelen toch strafrechtelijk mede verantwoordelijk gehouden kan worden, omdat dit voortvloeit uit het eerder omschreven samenwerkingsverband gericht op de drugshandel en de uitvoer van drugs, zoals onder de feiten 1 en 2 bewezen is verklaard. Daarbij heeft het hof overwogen dat voor het handelen in verdovende middelen vereist is dat die verdovende middelen op voorraad zijn en dat daaruit volgt dat de deelnemers aan het samenwerkingsverband ook nauw en bewust hebben samen gewerkt ten aanzien van het tenlastegelegde aanwezig hebben van handelsvoorraden, aangezien de handel anders niet kan functioneren, terwijl daar niet aan afdoet dat deze verdovende middelen verdeeld over verschillende stashlocaties lagen. Met betrekking tot de rol van de verdachte heeft het hof vastgesteld dat hij een sleutelrol had in de organisatie die was gericht op drugshandel, welke rol er onder meer uit bestond dat hij de bestellijn beheerde en zorgde voor de bevoorrading. Ook gaf hij opdrachten aan personen die lager op de hiërarchische ladder stonden en verstrekte hij (in voorkomende gevallen) drugs aan kopers. Mede nu de wetenschap van de verdachte van de aangetroffen harddrugs in hoger beroep niet gemotiveerd is betwist, kon het hof op basis van het voorgaande zonder nadere motivering tot het oordeel komen dat de verdachte van de aanwezigheid van de harddrugs wist en daarover zeggenschap had.

Verder acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs op verschillende locaties, niet onbegrijpelijk. Het hof heeft daarbij de onderlinge relaties tussen de panden waar de harddrugs lagen opgeslagen betrokken. Daaraan doet niet af dat het hof niet heeft vastgesteld dat die locaties ‘uitsluitend’ voor de organisatie werden gebruikt.

Het middel faalt.

3. Het tweede middel

Het middel klaagt terecht over de schending van de redelijke termijn van inzending in de cassatiefase.

De akte cassatie vermeldt dat op 8 december 2022 cassatie is ingesteld tegen het arrest van het hof. Op 27 juni 2025 zijn de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat het hof niet binnen acht maanden na het instellen van het beroep in cassatie de stukken aan de Hoge Raad heeft doen toekomen en de redelijke inzendingstermijn in de cassatiefase (fors) is overschreden.

Ambtshalve wijs ik er verder op dat de Hoge Raad meer dan twee jaren na het instellen van beroep in cassatie arrest zal wijzen, zodat om die reden de redelijke termijn van berechting in de cassatiefase zal worden overschreden.

Het voorgaande dient te leiden tot strafvermindering.

4. Ambtshalve

Aan de verdachte is onder 6 tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 19 november 2013, in de [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in een woning aan de [j-straat 1] , een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (Glock) en/of munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad.”

Het onder 6 (impliciet cumulatief) tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III is bij art. 26 lid 1 in samenhang met art. 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden is gesteld.

Op grond van art. 70 lid 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met art. 72 lid 2 Sr beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes en dus (cumulatief) twaalf jaren. Gelet op art. 71 Sr is de verjaringstermijn in dit geval aangevangen op de dag na die waarop het feit is gepleegd.

Het voorgaande brengt mee dat het recht tot strafvordering voor zover het betreft het tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III in november 2025 wegens verjaring is vervallen. De termijn van verjaring is vervuld na de indiening van de schriftuur op 22 september 2025, zodat ik ervan uitga dat de Hoge Raad op dit punt ambtshalve zal willen ingrijpen.

De Hoge Raad kan ermee volstaan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging voor wat het betreft het onder 6 (impliciet cumulatief) tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III. Ik meen dat voor het verminderen van de opgelegde straf vanwege deze partiële niet-ontvankelijkverklaring onvoldoende aanleiding bestaat, nu de aard en de ernst van wat overigens onder 6 ten laste van de verdachte is bewezenverklaard (het voorhanden hebben van het vuurwapen) daardoor niet wordt aangetast.

5. Slotsom

Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

Ambtshalve heb ik – naast hetgeen in randnummer 3.3 en onder 4 is opgemerkt – geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III, tot vermindering van de duur van de gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand