ECLI:NL:PHR:2026:427

ECLI:NL:PHR:2026:427

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer 22/04578
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen uitvoer van verdovende middelen. Falend middel over motivering medeplegen. Slagend middel over overschrijding redelijke termijn. De conclusie strekt tot vernietiging van uitspraak hof t.a.v. duur opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping voor het overige. Samenhang met 22/04549, 22/04598, 22/4601 en 22/04640.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/04578

Zitting 12 mei 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 december 2022 de verdachte wegens 1A. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 1B. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2A. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3. “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet” en 5. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden met aftrek van voorarrest. Het hof heeft tevens beslist over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

Er bestaat samenhang met de zaken 22/04549 ( [medeverdachte 1] ), 22/04601 ( [medeverdachte 2] ), 22/04598 ( [medeverdachte 3] ) en 22/04640 ( [medeverdachte 4] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

Het eerste middel keert zich tegen (de motivering van) het onder 1A en 2A bewezenverklaarde, omdat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan volgen dat de verdachte deze feiten heeft medegepleegd.

Ten laste van de verdachte is onder 1A en 2A bewezenverklaard dat hij:

“1.A.meermalen in de periode van 1 juni 2013 en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en/of cocaïne, met bestemming Frankrijk en/of België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en/of cocaïne werd verkocht aan Belgische en/of Franse klanten;

[…]

2.A.meermalen in de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk die hennep en hasjiesj met bestemming Frankrijk en/of België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en/of hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en/of Franse klanten.”

Het hof heeft met betrekking tot het bewezenverklaarde in de aanvulling op het arrest overwogen (met weglating van voetnoten):

Slotoverweging

[verdachte] komt op het hof in de afgeluisterde telefoongesprekken over als de spreekwoordelijke goede verstaander die aan een half woord genoeg heeft. Zonder te vragen naar het hoe, het waarom en het wat, voert hij, gelet op de met deze gevoerde ruggenspraak in kennelijke ondergeschiktheid aan [medeverdachte 5] , zijn taken binnen de binnenlandse verdovende middelenhandel uit. Hij haalt, maakt, verpakt, brengt weg, verkoopt, etc.

Hij heeft daarbij echter ook contacten met niet-Nederlandstalige klanten: de Duitse klant op 23 juli 2013 en de Franstalige klant op 19 oktober 2013. En op 16 oktober 2013 moet [verdachte] kennelijk drugs pakken uit een opslagplek en die direct naar [medeverdachte 5] brengen omdat de klant over drie uur arriveert. [verdachte] moet er ook wat bij doen voor onderweg. [verdachte] vraagt er daarbij niet naar wat daarmee bedoeld wordt. De goede verstaander dus die weet wat de organisatie vaker doet bij buitenlandse klanten, namelijk het meegeven van een kleine hoeveelheid soft drugs die al op de weg terug gebruikt kan worden.

Wanneer dit alles in ogenschouw wordt genomen en er ook bij wordt betrokken dat [verdachte] in ieder geval vanaf medio juni 2013 meedraait in de telefooncarrousel van de organisatie, dan kan het niet anders zijn geweest dan dat, zo hij al zelf geen Franse en Belgische klanten heeft bediend, [verdachte] wist dat [medeverdachte 5] en de anderen dat wel deden en dat zijn activiteiten daarbij van wezenlijk belang waren.

Het was, zoals hierboven beschreven een gebruik binnen de organisatie om aan buitenlandse klanten ook cadeautjes mee te geven. Cadeautjes die soms bestonden uit hoeveelheden softdrugs. Het kan, om redenen zoals zo-even weergegeven, niet anders zijn dan dat [verdachte] hiermee bekend was. Het hof betrekt hierbij ook dat [verdachte] reeds in een telefoongesprek met [medeverdachte 5] van 4 juni 2013 aangeeft dat hij, [verdachte] , wiet kan halen in [plaats] .

Onder de feiten 1 en 2 wordt [verdachte] , kort samengevat, verweten dat hij samen met anderen opzettelijk in harddrugs en softdrugs heeft gehandeld en zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van harddrugs.

Uit de tussenconclusie en de hierboven weergegeven bewijsmiddelen volgt reeds dat het hof bewezen acht dat de [groepsnaam] zich schuldig maakte aan de handel in harddrugs en de uitvoer van harddrugs en softdrugs.

Uit de vorenomschreven feitelijke rol die het hof aan [verdachte] toedicht, blijkt dat hij deel uitmaakte van de [groepsnaam] . Hij hield zich in [groepsnaam] bezig met diverse taken binnen de handel in verdovende middelen. [verdachte] bedient niet alleen klanten, maar moet ook halen, maken en verpakken en voorraden aanvullen en daarvoor (zie onder andere de hierboven weergegeven, op 16 oktober 2013 gevoerde tapgesprekken) naar Zuid Limburg komen. Het hof begrijpt daarbij dat, hoewel het woord drugs (bijna) nooit valt, het hierbij altijd om drugs ging. De inhoud van de gesprekken kan ondanks het deels versluierde taalgebruik moeilijk anders worden begrepen. De afnemers hebben verklaringen afgelegd dat ze drugs hebben afgenomen. Op de stashplekken zijn drugs aangetroffen.

Medeplegen

Onder de feiten 1 en 2 wordt verdachte verweten dat hij dit samen met anderen heeft gedaan. Medeplegen heet dit in juridische termen. Die andere personen staan genoemd in de tenlastelegging en zijn tevens aangemerkt als medeverdachten.

Het juridisch kader

Voor medeplegen in juridische zin is vereist dat er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met anderen bij het begaan van de hiervoor genoemde handelingen.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen of hulpmiddelen), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen ook vóór of na het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Om te beoordelen of de verdachte inderdaad nauw en bewust met zijn medeverdachten heeft samengewerkt in het kader van de tenlastegelegde drugshandel, zal het hof eerst kort de verscheidene rollen schetsen die zij op grond van de bewijsmiddelen in het dossier aan de verdachten toedicht.

[…]

[verdachte] (verdachte)

Uit verschillende tapgesprekken leidt het hof af dat [verdachte] , in een min of meer ondergeschikte positie aan [medeverdachte 5] , zich bezighoudt met diverse taken binnen de (internationale) handel in verdovende middelen. Hij bedient niet alleen klanten, maar moet ook halen, maken en verpakken en voorraden aanvullen en daarvoor naar Zuid Limburg komen.

Conclusie

Ten aanzien van de verdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [verdachte] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] is het hof van oordeel dat er sprake was van een samenwerkingsverband gericht op de handel in harddrugs en softdrugs dat voldoet aan de vereisten voor medeplegen. Dit oordeel is gebaseerd op de hiervoor omschreven rollen en de daaruit vloeiende bijdrage aan de tenlastegelegde drugshandel. Dezelfde conclusie wordt getrokken voor de uitvoer van harddrugs.

Naar het oordeel van het hof heeft [verdachte] gedurende de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 deel uitgemaakt van dit samenwerkingsverband. Zoals al werd opgemerkt, was hij de goede verstaander die aan een half woord genoeg had en die, hoewel het hier om drugs ging, wist hij waar Abraham de mosterd haalde. Zijn hiervoor beschreven was zijn aandeel in de activiteiten daarbij ook van groot belang. Mede door hem kon de (internationale) drugshandel door blijven gaan. Hij wist daarbij ook dat cadeautjes werden meegegeven en moet hebben geweten dat die cadeautjes soms uit softdrugs bestonden. Het hof acht dan ook bewezen dat [verdachte] medepleger is geweest van de uitvoer van hard en softdrugs en voor de handel in harddrugs in de periode die begint op 1 juni 2013 en eindigt op 19 november 2013.”

Het middel keert zich, zoals al aangegeven, tegen het onder 1A en 2 bewezenverklaarde met de klacht dat het medeplegen niet uit de bewijsvoering kan blijken.

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de kwalificatie medeplegen alleen dan gerechtvaardigd is, als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Voor de bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist is dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s).

Het hof heeft vastgesteld dat de [groepsnaam] zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs en de uitvoer van hard- en softdrugs. In dat verband heeft het hof vastgesteld dat de verdachte deel uitmaakte van die groep en zich daarin bezighield met diverse taken. Zo is vastgesteld dat hij klanten bediende en met betrekking tot de handel in verdovende middelen ook moest ‘halen’, ‘maken’ en ‘verpakken’ alsmede voorraden moest aanvullen en ter verwezenlijking van voormelde rol naar Zuid Limburg moest komen, waarbij het volgens het hof – gelet op de niet anders te begrijpen telefoongesprekken – altijd om drugs ging. Daarbij heeft het hof betrokken dat de afnemers hebben verklaard dat ze drugs hebben afgenomen en dat op de stashplekken drugs zijn aangetroffen.

Het hof heeft op basis van zijn vaststellingen over de rol van de verdachte en de daaruit voortvloeiende bijdrage aan de tenlastegelegde drugshandel en de uitvoer van drugs, geoordeeld dat sprake was van een samenwerkingsverband tussen de verdachte en zijn medeverdachten gericht op de handel in hard- en softdrugs dat voldoet aan de vereisten voor medeplegen. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte van dit samenwerkingsverband deel uitmaakte en hij in dat verband ‘de goede verstaander [was] die aan een half woord genoeg had’ en die, hoewel het hier om drugs ging, ‘wist waar Abraham de mosterd haalde’. Daarbij overwoog het hof dat mede door de verdachte de (internationale) drugshandel door kon blijven gaan en hij in dat verband wist dat ‘cadeautjes’ werden meegegeven aan buitenlandse afnemers van drugs en hij moet hebben geweten dat die cadeautjes soms uit softdrugs bestonden.

Gelet op het voorgaande heeft het hof tot het oordeel kunnen komen dat de verdachte, gelet op zijn rol, een bijdrage van voldoende gewicht aan de uitvoer van drugs heeft geleverd en dat hij daaraan als medepleger heeft deelgenomen. Daarbij betrek ik in het bijzonder dat uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte zich kennelijk tweemaal in de aanwezigheid van een buitenlandse afnemer heeft bevonden, terwijl uit het telefoongesprek dat hij ten tijde van die aanwezigheid met [medeverdachte 5] voerde, bleek dat het ging om een drugsdeal met die buitenlandse afnemers.

Ik volg de stellers van het middel niet in de klacht dat ‘onvoldoende helder is of de door het hof gebruikte bewijsmiddelen nu zien op het onder 1A of het onder 1B of 2 bewezenverklaarde’. Ik meen dat het hof in de aanvulling bewijsmiddelen per feit voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe en op grond van welke bewijsmiddelen het tot een bewezenverklaring is gekomen. Ik zie ook niet in dat ‘niet uitgesloten’ zou zijn dat de bewijsmiddelen alleen gebruikt zijn ten behoeve van het bewezenverklaarde deelnemen aan een criminele organisatie.

Met betrekking tot de klacht dat niet begrijpelijk is dat met betrekking tot het onder 1 en 2 bewezenverklaarde onder meer is opgenomen dat het medeplegen van uitvoer mede heeft bestaan uit het ‘doen vervoeren’ van verdovende middelen met bestemming Frankrijk en/of België, het volgende. Met het opnemen in de bewezenverklaring van het ‘doen vervoeren’ van de verdovende middelen heeft het hof niet onbegrijpelijk tot uitdrukking willen brengen dat het handelen van de verdachte in samenwerking met zijn mededaders eruit heeft bestaan dat Franse en/of Belgische afnemers verdovende middelen hebben ontvangen van de verdachte(n) en die afnemers vervolgens die verdovende middelen mee hebben genomen naar Frankrijk en/of België. Aldus heeft het hof het ‘doen vervoeren’ niet willen bezigen als deelnemingsvorm die betrekking heeft op een niet strafbare mededader. Bij die lezing mist het middel feitelijke grondslag.

Het middel faalt.

3. Het tweede middel

Het middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.

De akte cassatie vermeldt dat op 6 december 2022 cassatie is ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 december 2022. Op 27 juni 2025 zijn de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat het hof niet binnen acht maanden na het instellen van het beroep in cassatie de stukken aan de Hoge Raad heeft doen toekomen, zodat de redelijke inzendingstermijn in de cassatiefase is overschreden.

Daarnaast zal de Hoge Raad inderdaad meer dan twee jaren na het instellen van beroep in cassatie uitspraak doen.

Het middel is aldus terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de duur van de opgelegde gevangenisstraf zelf kunnen verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.

4. Slotsom

Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

Ambtshalve heb ik geen andere grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand