PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04598
Zitting 12 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 december 2022 de verdachte wegens 1A. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 1B. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2A. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3. “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet”, 4. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 5. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest. Het hof heeft tevens beslist over de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/04549 ( [medeverdachte 1] ), 22/04601 ( [medeverdachte 2] ), 22/04578 ( [medeverdachte 3] ) en 22/04640 ( [medeverdachte 4] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het middel keert zich met verschillende bewijs- en motiveringsklachten tegen het onder 4 bewezenverklaarde.
Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat hij:
“op 19 november 2013 in [plaats] en in [plaats] en in [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- in een pand aan de [a-straat 1] te [plaats] , 878,5 gram heroïne en 70,55 gram cocaïne en
- in een pand aan de [b-straat 1] te [plaats] , ongeveer 510 gram heroïne en ongeveer 422 gram heroïne en ongeveer 19 gram cocaïne,
zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
Met betrekking tot het onder 4 bewezenverklaarde heeft het hof overwogen:
“Het hof stelt voorop dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, onder C van de Opiumwet, op grond van bestendige jurisprudentie vereist is dat: a) de drugs zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevinden en, b) dat de verdachte op de hoogte is van de aanwezigheid van de drugs. Voor wat betreft het eerste vereiste geldt dat om te kunnen aannemen dat verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden, uit feiten en omstandigheden - al dan niet in hun onderlinge samenhang beschouwd - dient te kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat de verdachte geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Daarbij is niet doorslaggevend aan wie die drugs toebehoren. Er hoeft daarnaast ook geen sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van die drugs. Voor wat betreft het tweede vereiste geldt dat die wetenschap/het opzet ook kan worden ingevuld in de vorm van voorwaardelijk opzet, waarbij de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het aanwezig zijn van de drugs (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985; HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR: 1986:AC4312 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696).
Naar het oordeel van het hof is uit het dossier onvoldoende gebleken dat de verdachte op (of omstreeks) 19 november 2013 wetenschap c.q. beschikkingsmacht had van de aangetroffen heroïne en cocaïne in het pand in de [c-straat 1] te [plaats] . Dat de verdachte wel zal worden veroordeeld ter zake van deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 20 september 2013 tot en met 19 november 2013 maakt dit niet anders.
Het hof is van oordeel dat wat betreft de panden aan de [b-straat 1] te [plaats] en aan de [a-straat 1] te [plaats] wel een bewezenverklaring kan volgen en verwijst hiertoe naar de uit de bewijsmiddelen voortkomende feiten en omstandigheden.”
Het onder 4 bewezenverklaarde berust mede op de in de bewijsvoering opgenomen verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, die onder meer inhoudt:
“U houdt mij voor dat onder mij twee sleutels zijn aangetroffen toen ik werd aangehouden, en dat die sleutels hoorden bij panden aan de [a-straat 1] te [plaats] en de [b-straat 2] te [plaats] . Ik had toegang tot die panden en ik wist dat in die panden de voorraden werden bewaard.”
Het middel klaagt in de eerste plaats dat de verklaring van de verdachte over het aanwezig hebben van harddrugs ziet op het pand [b-straat 2] , terwijl bewezenverklaard is dat de verdachte de drugs in vereniging aanwezig heeft gehad in het pand [b-straat 1] zodat de verklaring van de verdachte niet redengevend is voor de bewezenverklaring. De steller van het middel meent dat dit geen kennelijke verschrijving is, nu ook verder in de aanvulling bewijsmiddelen het adres [b-straat 2] meermaals voorkomt. Daartoe wijst hij op de bronvermelding bij diverse DNA-sporen op pagina 13 (van de aanvulling bewijsmiddelen) en de voetnoten 313, 327 en 330 daarbij.
De pagina’s 11-13 van de aanvulling bewijsmiddelen houden – voor zover hier van belang – in (zonder weergave van voetnoten):
“[b-straat 1] [plaats]
Op deze zoekingslocatie werden geen personen aangetroffen of aangehouden.
In dit pand bleken wel verdovende middelen aanwezig, te weten:
Plafond woonkamer
- plak van bruto 390 gram heroïne;
- plak van bruto 60 gram heroïne;
- plak van bruto 60 gram heroïne;
Kluis woonkamer
- zakje met bruto 19 gram cocaïne;
- zak met bruto 422 gram heroïne
[…]
Overzicht van de DNA-sporen:
[…]
Bron: Rapportage NFI DNA-onderzoek, pvnr 30-528556, bladzijde 1146 Bron: PVFO DZK [b-straat 2] , ovnr. 30-525413, bladzijde 1138.
[…]
Dat [betrokkene 1] in de woning [b-straat 1] in [plaats] is geweest blijkt ook uit het volgende: Op 19 november 2013 is bij de doorzoeking van het pand [b-straat 1] [plaats] in een vuilnisbak in de woonkamer een sigarettenpeuk (SINnr. AAFP3350NL) aangetroffen en in beslag genomen.313
Dat [betrokkene 2] in de woning [b-straat 1] in [plaats] is geweest blijkt ook uit het feit dat op 19 november 2013 bij de doorzoeking van het pand [b-straat 1] in [plaats] in een vuilnisbak in de woonkamer een sigarettenpeuk (SINnr. AAFP3321NL) werd aangetroffen en in beslag genomen.327
Hetzelfde kan worden gezegd van [betrokkene 3] . Ook van hem werd in de woning [b-straat 1] in [plaats] een sigarettenpeuk (SINnr. AAFP3345NL) aangetroffen en in beslag genomen.330
[…]
Uit voorgaande trekt het hof ten aanzien van het functioneren van de [groepsnaam] de volgende conclusies:
[…]
Van de kopers [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] wordt ook DNA aangetroffen op een sigarettenpeuk in de woonkamer van het pand [b-straat 1] in [plaats] .
[…]
[verdachte] is op 19 november 2013 aangehouden in bungalow [nummer] van bungalowpark [naam] aan [d-straat 1] in [plaats] . […]. Ook lagen er onder andere op de tafel in de woonkamer sleutels van andere panden van de organisatie, namelijk [b-straat 1] in [plaats] en [a-straat 1] in [plaats] .”
Voormelde voetnoten 313, 327 en 330, waarop de steller van het middel een beroep doet, houden in:
“313. Het proces-verbaal forensische opsporing - doorzoeking woning [b-straat 2] te [plaats] ( […] ), d.d. 27 januari 2014, [groepsnaam] AD-BSG, Map 3, pagina’s 3 1138 en 1139. Kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 19 november 2013, [groepsnaam] AD-BSG, Map 3, pagina’s 1117 en 1118.
327. Het proces-verbaal forensische opsporing - doorzoeking woning [b-straat 2] te [plaats] ( […] ), d.d. 27 januari 2014, [groepsnaam] AD-BSG, Map 3, pagina’s 1138 en 1139 Kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 19 november 2013, [groepsnaam] AD-BSG, Map 3, pagina’s 1117 en 1118.
330. Het proces-verbaal forensische opsporing - doorzoeking woning [b-straat 2] te [plaats] ( […] ), d.d. 27 januari 2014, [groepsnaam] AD-BSG, Map 3, pagina’s 3 1138 en 1139. Kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 19 november 2013, [groepsnaam] AD-BSG, Map 3, pagina’s 1117 en 1118.”
Wat betreft de verklaring van de verdachte wijs ik erop dat uit de bewijsvoering (pagina 11 en 17) volgt dat er in de [plaats] één pand is doorzocht en wel het pand gelegen aan de [b-straat 1] en dat aldaar de hoeveelheden verdovende middelen zijn aangetroffen zoals onder 4 zijn bewezenverklaard. Verder blijkt uit de bewijsvoering dat de doorzoeking aldaar is verricht nadat er in het pand [d-straat 1] te [plaats] , bungalow […] – waar de verdachte is aangehouden – sleutels zijn aangetroffen voor het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] . Dat als verklaring van de verdachte is opgenomen dat hij toegang had tot het pand aan de [b-straat 2] te [plaats] valt tegen die achtergrond dan ook aan te merken als een kennelijke verschrijving van het hof, die verbeterd kan worden gelezen.
De steller van het middel merkt terecht op dat op verschillende plaatsen in de aanvulling bewijsmiddelen het adres [b-straat 2] wordt genoemd. Anders dan de steller van het middel meen ik dat dit eveneens steeds berust op een kennelijke verschrijving. Daartoe wijs ik erop dat de hoofdtekst van het voor de bewijsvoering gebruikte proces-verbaal telkens verwijst naar het pand [b-straat 1] te [plaats] , waaruit volgt dat het hof is uitgegaan van dat adres. Dat het hof desalniettemin de voetnoten van het proces-verbaal waarin [b-straat 2] wordt vermeld, voor de bewijsvoering heeft gebruikt, maakt dat niet anders, nu het proces-verbaal die kennelijke misslag bevat en het hof dit kennelijk niet heeft onderkend. Tot slot wordt in de ‘conclusie’ op pagina 59 van de aanvulling bewijsmiddelen in de bewijsoverwegingen met betrekking tot de DNA-sporen expliciet vermeld dat van de kopers [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] DNA is aangetroffen op een sigarettenpeuk in de woonkamer van het pand [b-straat 1] in [plaats] .
Het kennelijke oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte mede betrekking heeft op het pand gelegen aan [b-straat 1] te [plaats] acht ik gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk. Het middel faalt in zoverre.
Het middel klaagt naar ik begrijp verder dat de omstandigheden dat de verdachte toegang had tot het pand waarin de drugs werden aangetroffen en daarvan wist, nog niet zonder meer met zich brengt dat de verdachte de in de bewezenverklaring opgenomen precieze hoeveelheden drugs ‘opzettelijk aanwezig’ had. Voorts wordt aangevoerd dat het hof alles wat in de locaties die door (leden van) de organisatie werden gebruikt is aangetroffen, mede toerekent aan de verdachte en dat dit ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof niet heeft vastgesteld dat die locaties uitsluitend voor de organisatie werden gebruikt en het daarmee de mogelijkheid open heeft gelaten dat leden van de organisatie ook hun eigen handel erop nahielden, buiten de organisatie om. Daarbij wijst de steller van het middel erop dat de drugs goed waren verborgen (in kluizen) en dat niet blijkt hoe de kluizen geopend konden worden en wie ze kon openen. Tot slot klaagt het middel dat het hof niet heeft vastgesteld wie de drugs heeft gekocht, hoe en door wie het in de woning is gelegd, hoe lang het er al lag, of de verdachte daarvan wist en of hij er enige zeggenschap over had.
Met betrekking tot de in het middel verwoorde klacht dat de omstandigheden dat de verdachte toegang had tot het pand waarin de drugs lag en hij wist dat daar de voorraden werden bewaard nog niet meebrengt dat de verdachte de in de bewezenverklaring ‘specifieke’ hoeveelheden drugs die zijn aangetroffen aanwezig heeft gehad, wijs ik erop dat de verdachte heeft verklaard dat hij toegang had tot de panden en wist dat daar de ‘voorraden’ werden bewaard. Het hof heeft in dit verband gerefereerd aan het leerstuk voorwaardelijk opzet en verwezen naar de bewijsmiddelen. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de verdachte – die toegang had tot de panden en wist dat daarin voorraden drugs werden bewaard – voorwaardelijk opzet heeft gehad op de ‘specifieke’ hoeveelheden drugs die zich in die panden bevonden. Dat kennelijke oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.
De klachten dat het hof de mogelijkheid open heeft gelaten dat andere leden van de organisatie ook hun eigen handel erop nahielden en het hof niet heeft vastgesteld wie de drugs heeft gekocht, hoe en door wie het in de woning is gelegd, hoe lang het er al lag, of de verdachte daarvan wist en of hij er enige zeggenschap over had, gaan aan hetgeen het hof heeft vastgesteld en overwogen voorbij. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat onder de verdachte twee sleutels zijn aangetroffen van de panden aan de [a-straat 1] te [plaats] en (verbeterd gelezen) de [b-straat 1] te [plaats] , alsmede dat de verdachte heeft verklaard dat hij toegang had tot die panden en wist dat er in die panden drugs(voorraden) werden bewaard. Op basis van die vaststellingen heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte de in deze panden aangetroffen verdovende middelen in vereniging opzettelijk aanwezig heeft gehad. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, behoefde daarbij niet te worden vastgesteld welke specifieke verdovende middelen aan de verdachte toebehoorden. Dat de drugs goed waren verborgen (in kluizen) en niet blijkt hoe de kluizen geopend konden worden en wie ze kon openen, doet aan het vorenstaande gelet op hetgeen de verdachte heeft verklaard over zijn wetenschap van de aanwezigheid van de drugs in die woningen, niet af.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
3. Het tweede middel
Het middel klaagt over schending van de redelijke termijn van inzending in de cassatiefase.
De akte cassatie vermeldt dat op 8 december 2022 cassatie is ingesteld tegen het arrest van het hof. Op 27 juni 2025 zijn de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat het hof niet binnen acht maanden na het instellen van het beroep in cassatie de stukken aan de Hoge Raad heeft doen toekomen, zodat de redelijke inzendingstermijn in de cassatiefase is overschreden. Het middel is aldus terecht voorgesteld.
Ambtshalve wijs ik er verder op dat de Hoge Raad meer dan twee jaren na het instellen van beroep in cassatie arrest zal wijzen, zodat om die reden de redelijke termijn van berechting in de cassatiefase zal worden overschreden.
De Hoge Raad zal de duur van de opgelegde gevangenisstraf zelf kunnen verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.
4. Slotsom
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
Ambtshalve heb ik – naast hetgeen in randnummer 3.3 is opgemerkt – geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de straf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG