3. Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Het middel heeft twee onderdelen. Onderdeel 1 klaagt over miskenning van art. 150 Rv indien het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] de bewijslast van haar in rov. 3.2 weergegeven stelling heeft. Onderdeel 2 bevat rechts- en motiveringsklachten gericht tegen rov. 3.5 en 3.12 en heeft twee subonderdelen. De klacht in het eerste subonderdeel is dat als het hof in rov. 3.5 heeft geoordeeld dat [eiseres] het bestaan van de door haar gestelde mondelinge afspraak had moeten staven met (bewijs)stukken om te worden toegelaten tot bewijslevering, dit onjuist en/of onbegrijpelijk is. Het tweede subonderdeel klaagt dat het oordeel uit rov. 3.12 dat de stelling van [eiseres] over de mondelinge afspraak in 2018/2019 onvoldoende onderbouwd is en daarom niet wordt toegekomen aan bewijslevering onjuist en/of onbegrijpelijk is.
Het hof heeft onmiskenbaar en uitgebreid gemotiveerd geoordeeld dat in het kader van de vordering van de curator uit hoofde van onverschuldigde betaling het verweer daartegen van [eiseres] , namelijk dat de (overigens in het zicht van het faillissement gedane) betalingen berusten op een mondelinge afspraak tussen broer en zus [betrokkene 1] stammend uit 2018/2019 en definitief geworden in 2019, onvoldoende handen en voeten heeft gekregen. Om die reden wordt niet toegekomen aan bewijslevering. Anders gezegd: de zaak blijft bij het hof steken in de stelplicht-/gemotiveerde betwistingsfase. Dat maakt meteen duidelijk dat de klachten tevergeefs zijn voorgesteld. Het hof heeft de (stelplicht en) bewijslast niet bij [eiseres] gelegd (waar onderdeel 1 op afketst). Ook gaat het niet om toelating tot (tegen)bewijslevering van de kant van [eiseres] of het ontoelaatbaar passeren van haar bewijsaanbod/onterecht niet toelaten tot tegenbewijslevering, omdat de zaak bij het hof al strandt in de stelplicht-/betwistingsfase en het hof vanwege de onvoldoende gemotiveerd geoordeelde betwisting van de onverschuldigdheid van de betaling door [eiseres] (het hof motiveert uitgebreid waarom de gestelde rechtsgrond, de mondelinge afspraak tussen broer en zus niet aannemelijk is geworden/ongeloofwaardig voorkomt) helemaal niet aan de bewijsfase toekomt (waar onderdeel 2 zijn Waterloo in vindt). Ik zou het hierbij kunnen laten, maar zal de klachten nu in meer detail bespreken.
Onderdeel 1: wie heeft de bewijslast?
Onderdeel 1 klaagt dat indien het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] de bewijslast heeft van haar stelling (rov. 3.2) dat [eiseres] in totaal € 30.592,38 van [A] betaald heeft gekregen op grond van een mondelinge afspraak uit 2018/2019 tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 1] , dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De curator heeft zijn vordering gebaseerd op onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) en heeft op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast van de afwezigheid van een rechtsgrond. [eiseres] heeft dus niet de bewijslast van de aanwezigheid van een rechtsgrond (de mondelinge afspraak).
De klacht neemt terecht tot uitgangspunt dat op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv degene die een vordering uit onverschuldigde betaling instelt (hier de curator) de stelplicht en bewijslast heeft van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor toepassing van art. 6:203 BW is voldaan. Het gaat in deze zaak om de voorwaarde dat de betaling ‘zonder rechtsgrond’ is gedaan. Dat heeft het hof ook niet miskend, zodat onderdeel 1 geen doel treft. De curator heeft onder meer gesteld dat [A] (1) zonder rechtsgrond (2) een goed heeft gegeven aan [eiseres] (zie rov. 4.7.1-4.7.2 vonnis) en beroept zich jegens [eiseres] op het rechtsgevolg uit art. 6:203 lid 2 BW: teruggave van een gelijk bedrag. Voorwaarde (1), dat dit bedrag zonder rechtsgrond aan [eiseres] is betaald, wordt betwist door [eiseres] (zie rov. 4.7.3 en 4.7.6 vonnis en rov. 3.2-3.3). [eiseres] heeft daar tegen in gebracht dat aan de betalingen een mondelinge afspraak uit 2018/2019 tussen [betrokkene 4] en zijn zus [betrokkene 1] ten grondslag ligt, die werd geconcretiseerd in 2019. Dat deze mondelinge afspraak is gemaakt, wordt gemotiveerd ontkracht door de curator (zie rov. 3.7.4 vonnis en rov. 3.4). Wij bevinden ons hier juridisch in de stelplicht (curator: er is sprake van onverschuldigde betaling, daar lag geen rechtsgrond aan ten grondslag)/gemotiveerde betwistingsfase ( [eiseres] : er was een mondelinge afspraak op grond waarvan is betaald).
Bij die stand van zaken is het dus in beginsel, op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv, aan de curator om te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen dat voor de gedane betalingen een rechtsgrond ontbreekt. [eiseres] voert daar een grondslagverweer tegen. Dat het hof de betwisting van de rechtsgrond door [eiseres] zou hebben beschouwd als een bevrijdend verweer, blijkt nergens uit. Een uitzondering op de hoofdregel van art. 150 Rv (‘tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit’) in de zin dat het hof zou zijn uitgegaan van een omkering van de bewijslast valt in het arrest al helemaal niet te lezen. Terzijde: dat in dit geval op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv op de curator de stelplicht en bewijslast rust, betekent niet dat de curator – als de stelplicht/betwistingsdrempel zou worden overschreden, wat in deze zaak dus juist niet zo is – een ‘negatief feit’ zou moeten bewijzen (dat de mondelinge afspraak niet is gemaakt), maar dat de curator bewijs van feiten en omstandigheden moet leveren waaruit moet worden afgeleid dat de gestelde mondelinge afspraak tussen broer en zus [betrokkene 1] niet is gemaakt. De bewijsopdracht aan de curator, zo daar aan toegekomen zou worden, wat zich, het zij herhaald, in deze zaak niet voordoet, zou dan in dat geval betrekking kunnen hebben op de facturen die door [eiseres] zijn verstuurd. Daarmee is de mondelinge afspraak immers door [eiseres] onderbouwd.
Uit het arrest blijkt waarom het hof niet aan de bewijsfase (en een bewijsopdracht aan de curator) is toegekomen. Het hof signaleert in rov. 3.9 de onvaste proceshouding van [eiseres] met betrekking tot de facturen. In eerste aanleg heeft [eiseres] gesteld dat is gefactureerd aan [A] vóór de overdracht van de aandelen in [eiseres] aan [betrokkene 4] op 27 september 2021, waarbij door [eiseres] werd benadrukt dat dat was vóórdat [betrokkene 4] bij [eiseres] was betrokken. In hoger beroep heeft [betrokkene 4] echter verklaard dat hij (althans zijn echtgenote) de facturen zélf namens [eiseres] heeft opgemaakt, waarbij het hof aantekent dat ten tijde van de factuurdata (23 september 2021) nog niet bestond (sic). Het hof heeft daar verder de onweersproken feiten bij betrokken dat de desbetreffende facturen niet zijn aangetroffen in de administratie van [A] , maar op verzoek van de curator pas op 14 februari 2022 door [eiseres] zijn verstrekt, waarna in rov. 3.9 wordt geoordeeld dat dit alles erop duidt dat de facturen achteraf (later dan zou moeten blijken uit de factuurdata) zijn opgemaakt en om die reden niet kunnen dienen als onderbouwing voor de gestelde mondelinge afspraak. Het hof heeft verder in rov. 3.5 (en rov. 3.8) overwogen dat die mondelinge afspraak verder op geen enkele wijze is gedocumenteerd, waarna het hof in rov. 3.12 gelet op alle omstandigheden heeft geoordeeld dat de mondelinge afspraak onvoldoende is onderbouwd en dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Procesrechtelijk betekent dit: de zaak blijft naar het gemotiveerde oordeel van het hof steken in de stelplicht-/betwistingsfase. Aangezien de betwisting in de vorm van de gestelde mondelinge afspraak tussen broer en zus [betrokkene 1] van jaren terug verder nergens uit blijkt en de curator heeft gewezen op feiten en omstandigheden die onvoldoende zijn weersproken door [eiseres] die temeer aanwijzingen vormen tegen het bestaan van de gestelde afspraak, is hier geen sprake van zodanig toereikende gemotiveerde betwisting noodzakelijk om in de bewijsleveringsfase terecht te komen. Van miskenning van de bewijslastverdeling, in de zin dat het hof de bewijslast ten onrechte op [eiseres] zou hebben gelegd, vanuit welke veronderstelling onderdeel 1 vertrekt, is dan ook geen sprake. Daar strandt onderdeel 1 al op.
Anders gezegd: het hof neemt in de stelplicht-/betwistingsfase in deze zaak een ‘verzwaarde betwistplicht’ aan voor [eiseres] en dat is goed te volgen. Volgens rov. 3.5 mocht van [eiseres] worden verlangd dat zij de door haar aangevoerde mondelinge afspraak op enige (indirecte) wijze had gestaafd, wat zij heeft nagelaten, zoals concretisering naar tijd, plaats en/of overige feitelijke omstandigheden (anders dan het te algemene ‘in 2018/2019’), of overlegging van enige correspondentie met de Belastingdienst of een aantekening in de administratie van [A] of [B] B.V. Dus dat de bewijslast ter zake onverschuldigde betaling hier op de curator rust, laat naar het oordeel van het hof onverlet dat het in de omstandigheden van dit geval op de weg van [eiseres] lag om in het kader van haar betwisting zodanige feitelijke gegevens te verstrekken dat zij de curator aanknopingspunten verschaft voor de onderbouwing van zijn stelling, nu de desbetreffende gegevens over de eventuele rechtsgrond zich bevinden in het domein van [eiseres] en de curator daar (afgezien van de administratie van [A] ) geen toegang toe heeft. Indien de curator immers zou moeten bewijzen dat de betalingen zonder rechtsgrond zijn verricht (en dus in de bewijsfase terechtgekomen zou worden, anders dan het geval is in concreto hier), terwijl [eiseres] ter betwisting aanvoert dat wel een rechtsgrond aanwezig was in de vorm van een mondelinge afspraak tussen [betrokkene 4] en zijn zus, mag op zijn minst van [eiseres] worden verwacht dat zij concrete feitelijke aanknopingspunten voor het bestaan van die afspraak aanvoert – anders dan het algemene ‘in 2018/2019’. Ook uit rov. 3.12 volgt dat het hof een verzwaarde betwistplicht van [eiseres] heeft aangenomen: gelet op alle feiten en omstandigheden acht het hof de desbetreffende stelling van [eiseres] ‘onvoldoende onderbouwd’, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.
Het aannemen van een dergelijke verzwaarde betwistplicht op grond van de ‘domeinleer’ is geheel volgens het boekje. Ik citeer uit het proefschrift van Thoe Schwartzenberg:
‘Komt verweerder ingeval eiser een vordering uit onverschuldigde betaling instelt met een rechtsgrond en voldoet eiser aan zijn (nadere) stelplicht en weerspreekt hij gemotiveerd dat ten tijde van de betaling een rechtsgrond bestond waaruit een verbintenis zou voorvloeien, dan kan in sommige gevallen een verzwaarde motiveringsplicht voor verweerder worden aangenomen. Hierbij wordt de ‘domein’ gedachte toegepast: de wetenschap omtrent wat is voorgevallen, berust naar het oordeel van de rechter (kennelijk) bij verweerder; na de uitgewisselde stukken acht de rechter het aannemelijk dat eiser daarvan niet of in beperkte mate op de hoogte is en dat het juist verweerder is die over relevante (bewijs)stukken beschikt om de rechtsgrond in relatie met eiser aan te tonen. Verweerder heeft dan een aangescherpte motiveringsplicht ten aanzien van feiten waarover hij zich naar de aard der zaak gemakkelijker kan uitlaten. Voor het aannemen van een rechtsgrond voor betaling dient te blijken van een daartoe gemaakte rechtsgeldige verbintenisscheppende overeenkomst. Indien onvoldoende gegevens worden verschaft ter onderbouwing van de betwisting, kan dit ertoe leiden dat de door eiser gestelde feiten als niet of onvoldoende betwist en daarmee als vaststaand worden beschouwd (art. 149 Rv), zonder dat de aangesproken partij in de gelegenheid wordt gesteld tegenbewijs te leveren.’ (voetnoot niet overgenomen, A-G)
Onderdeel 2: werd niet toegekomen aan bewijslevering? (rov. 3.5 en 3.12)
Subonderdeel 2.1 klaagt dat indien het hof in rov. 3.5, eerste en tweede zin, geoordeeld heeft dat [eiseres] het bestaan van de door haar gestelde mondelinge afspraak had moeten documenteren of op enige (indirecte) manier had moeten staven om toegelaten te worden tot bewijslevering, dit oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk is. Het hof heeft dan miskend dat een partij haar stelling niet, althans niet in beginsel, op enigerlei wijze aannemelijk behoeft te maken om toegelaten te worden tot bewijslevering. Dit geldt in dit geval temeer omdat de curator de bewijslast heeft (zie onderdeel 1) en het bij bewijslevering door [eiseres] daarom gaat om tegenbewijs.
Over deze klacht kan ik na de vorige bespreking kort zijn: dit kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, omdat het hof op juiste en goed te volgen gronden niet is toegekomen aan bewijslevering. Vanwege de ontoereikend geoordeelde betwisting door [eiseres] , is de kwestie over wel of geen rechtsgrond niet uit de stelplicht-/betwistingsfase gekomen. Van op de in de klacht veronderstelde gronden niet toelaten tot bewijslevering is dus geen sprake.
Subonderdeel 2.2 richt een klacht tegen rov. 3.12, waarin is miskend dat [eiseres] de stelling van de curator (rov. 2.7) dat er geen rechtsgrond zou zijn voor de betalingen van € 30.592,38 voldoende heeft betwist met wat zij blijkens rov. 3.2 en 3.3 heeft aangevoerd. Deze stelling van [eiseres] betreft de kern van het partijdebat en in zo’n geval mag een bewijsaanbod in beginsel niet worden gepasseerd op de grond dat de ten bewijze aangeboden stelling onvoldoende onderbouwd zou zijn. [eiseres] heeft aangeboden haar stelling te bewijzen door [betrokkene 4] , [betrokkene 1] en de [boekhouder] als getuigen te horen. Verder wordt opnieuw aangevoerd dat geen hoge eisen mogen worden gesteld aan de stelplicht van [eiseres] omdat het bij bewijslevering door haar gaat om tegenbewijs. Het verhoor van getuigen tot het leveren van tegenbewijs, voordat een definitieve waardering van de bewijsmiddelen gegeven wordt, staat tenslotte vrij (art. 151 lid 2 Rv). Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, is rov. 3.12 zonder toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
Over deze klacht kan ik nog korter zijn: vanwege de op goede gronden aangenomen ‘verzwaarde betwistplicht’ voor [eiseres] , waar naar het oordeel van het hof niet aan is voldaan, is in deze zaak niet aan bewijslevering toegekomen. Het hof kon bij gebreke van de aldus als niet toereikend gemotiveerd beoordeelde betwisting de stelling van de curator dat voor de gewraakte betalingen geen rechtsgrond bestaat op grond van art. 149 lid 1 Rv als vaststaand aannemen. Dan wordt aan (tegen)bewijslevering niet toegekomen. Dat is onjuist noch onbegrijpelijk en daarop stuit ook deze klacht af. Onderdeel 2 kan dus ook niet tot cassatie leiden.
4. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep en geef de Hoge Raad in overweging dat te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G