PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04549
Zitting 12 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 december 2022 het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017 – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – bevestigd met uitzondering van het onder 3 bewezenverklaarde, de kwalificaties van het onder 1A, 1B en 3 bewezenverklaarde en de straf. Het hof heeft de verdachte wegens 1A. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 1B. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2A “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet”, 4. “medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd”, 5. “medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, meermalen gepleegd” en 6. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/04578 ( [medeverdachte 1] ), 22/04598 ( [medeverdachte 2] ), 22/04601 ( [medeverdachte 3] ) en 22/04640 ( [medeverdachte 4] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft Th.J. Kelder, advocaat in Rotterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het middel klaagt over het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2022, op welke terechtzitting het bestreden arrest is uitgesproken.
Door de steller van het middel is conform art. 4.3.6.3 van het Procesreglement van de Hoge Raad een verzoek om aanvulling van de processtukken ingediend bij de rolraadsheer. Daarop is een schrijven van 5 november 2025 ontvangen van de voorzitter van de strafkamer die het arrest heeft gewezen, luidend als volgt:
“In antwoord op uw e-mails, laatstelijk op 4 november 2025 van mw. medewerker dossierbehandeling waarin u de uitspraak processen-verbaal opvraagt in de cassatiezaak van het onderzoek Seville d.d. 1 december 2022, verklaar ik als volgt.
Indien de uitspraken processen-verbaal zich niet in het dossier bevinden dat ten behoeve van het beroep in cassatie naar de Hoge Raad is verzonden, zijn deze stukken helaas kennelijk in het ongerede geraakt.
Zelf was ik de voorzitter in de zaak Seville. De uitspraak is door mijzelf gedaan op 1 december 2022. Het was een omvangrijke zaak, waarvan niet alle verdachten in cassatie zijn gegaan van de arresten van het hof. De samenstelling van de kamer bij de uitspraak die op 1 december zitting had, was: mr. [betrokkene 1] , voorzitter, mr. [betrokkene 2] en mr. [betrokkene 3] , raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. [betrokkene 4] en mr. [betrokkene 5] , griffiers.
De uitspraken zijn op 1 december gedaan door de kamer die de arresten hebben gewezen.
De beide griffiers zijn thans niet meer op het hof werkzaam.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep bevindt zich – ondanks het verzoek daartoe – niet in het cassatiedossier. Als gevolg van het bovenstaande kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat aan het in art. 362 lid 1 Sv op straffe van nietigheid voorgeschreven vereiste van openbaarheid is voldaan, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet het geval is. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.
Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden, nu de Hoge Raad het verzuim kan herstellen door het arrest alsnog in het openbaar uit te spreken.
De steller van het middel meent dat daarmee niet kan worden volstaan. Daartoe voert hij in de eerste plaats aan dat door het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting geen enkele controle bestaat op de terechtzitting waarop het arrest wordt uitgesproken, terwijl kortgezegd ‘denkbaar’ is dat er zich dan nog procesincidenten voordoen. In de tweede plaats voert hij aan dat het niet sanctioneren van voormeld verzuim het risico in zich bergt dat rechters op grotere schaal processen-verbaal van de uitspraak achterwege gaan laten. In de derde en laatste plaats wordt aangevoerd dat niet begrijpelijk is dat vormverzuimen die uit het proces-verbaal van de uitspraak kunnen worden afgeleid wel tot cassatie aanleiding kunnen geven, maar het geheel ontbreken van een proces-verbaal van uitspraak niet.
Anders dan de steller van het middel zie ik niet in dat en waarom in de voorliggende zaak niet kan worden volstaan met het herstel van het verzuim door de Hoge Raad. Om te beginnen merk ik op dat in cassatie weliswaar incidenteel blijkt van het ontbreken van een uitspraak-proces-verbaal, maar dat mij niet is gebleken dat sprake is van een meer structureel verschijnsel dat om die reden bijsturing behoeft. Verder stel ik vast dat in cassatie niet wordt aangevoerd dat zich op de uitspraakzitting daadwerkelijk een procesincident heeft voorgedaan of dat vanwege het ontbreken van het uitspraak-proces-verbaal sprake is van een ander vormverzuim dat aanleiding geeft tot cassatie.
Hetgeen wordt aangevoerd gaat naar mijn mening verder voorbij aan de bestendige praktijk. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep (art. 345 lid 1 jo 415 lid 1 Sv) wordt een uitspraakdatum bepaald en wordt die datum – indien er procespartijen aanwezig zijn – aangezegd. Hierna zal ook aan de aanwezige verdachte en diens raadsman worden gevraagd of zij aanwezig wensen te zijn bij de uitspraak. Het arrest wordt op de dag van de uitspraak op een terechtzitting uitgesproken. Vaak vindt die ‘uitspraakzitting’ plaats zonder de verdediging, terwijl het arrest in sommige gevallen wordt uitgesproken door een alleenzittende rechter met een griffier. Aangezien het onderzoek op een eerdere terechtzitting is gesloten, kan door of namens de verdachte – buiten een verzoek tot heropening van het onderzoek – niets meer worden aangevoerd. Daarbij is van belang dat het laatste woord aan de verdachte is gegeven op de terechtzitting waarop het onderzoek reeds is gesloten. Hoewel het voor de verdachte op de uitspraakzitting wel mogelijk is om de zittingscombinatie of de combinatie die de uitspraak doet te wraken, zal dat verzoek met betrekking tot de zittingscombinatie 14 dagen na het onderzoek ter terechtzitting in de regel tardief zijn, terwijl een eventueel wrakingsverzoek dat betrekking heeft op de uitsprakencombinatie – uitgaande van een andere samenstelling – vrij kansloos zal zijn, gelet op het feit dat laatstgenoemde combinatie geen inhoudelijke bemoeienis heeft gehad met de zaak.
3. Het tweede middel
Het middel keert zich tegen het onder 2A bewezenverklaarde en klaagt over de verbeterde lezing van de tenlastelegging door het hof.
Aan de verdachte is onder 2A tenlastegelegd dat:
“hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in [plaats] en/of in [plaats] en/of in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), (telkens) opzettelijk die hennep en/of hasjiesj, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en/of met bestemming Frankrijk en/of België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en/of doen vervoeren (onder meer) hierin bestaande dat die hennep en/of hasjiesj werd verkocht aan Belgische en/of Franse klanten.”
Het hof heeft ten aanzien van hetgeen aan de verdachte onder 2A ten laste is gelegd, overwogen:
“Verbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde
Het hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde ambtshalve het volgende. Het ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.
Onder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en/of hasjiesj, door die hennep en/of hasjiesj te verkopen aan Belgische en/of Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en/of hasjiesj door deze hennep en/of hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.
Gelet daarop zal het hof de tenlastelegging en bewezenverklaring verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden 'of verstrekt' zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging is geschaad.”
Ten laste van de verdachte is onder 2A bewezenverklaard dat hij:
“meermalen in de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II. immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die hennep en/of hasjiesj met bestemming Frankrijk en/of België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en/of hasjiesj werd(en) verkocht of verstrekt aan Belgische en Franse klanten.”
Op grond van art. 350 Sv, in verbinding met art. 415 lid 1 Sv, is de rechter bij de beraadslaging gebonden aan de grondslag van de tenlastelegging. De uitleg van de tenlastelegging is in beginsel voorbehouden aan de feitenrechter, waarbij hem een grote vrijheid toekomt. Uitgangspunt is dat de uitleg die de feitenrechter aan de tenlastelegging heeft gegeven in cassatie dient te worden geëerbiedigd, zolang zij niet onverenigbaar is met de bewoordingen van de tenlastelegging. De feitenrechter is derhalve niet gehouden aan de tenlastelegging de meest voor de hand liggende of meest zinvolle interpretatie te geven. Anders ligt het waar in de tenlastelegging wetstermen worden gebruikt. Die interpretatie betreft een juridisch oordeel dat volledig wordt getoetst.
Misslagen in de tenlastelegging kan de rechter verbeteren of aanvullen, mits de verdachte hierdoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Een verbetering van een misslag is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist. Derhalve zal het moeten gaan om een verbetering die beantwoordt aan de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging en door de verdediging redelijkerwijs moest worden voorzien. De begrijpelijkheid van het oordeel van de feitenrechter dat sprake is van een kennelijke misslag en de verdachte door verbetering van die misslag niet in zijn verdediging wordt geschaad, beoordeelt de Hoge Raad in het licht van onder meer het verhandelde ter terechtzitting, waaronder het aldaar voorhouden van processtukken. Aan de voorwaarde dat de verdachte door verbetering van de misslag niet in zijn verdediging wordt geschaad, lijkt te zijn voldaan als bij de verdachte geen onduidelijkheid heeft bestaan met betrekking tot hetgeen hem wordt verweten.
Het middel klaagt dat het hof door de verbetering van de bewezenverklaring door daaraan de woorden ‘of verstrekt’ toe te voegen, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten nu deze toevoeging geen betrekking had op een kennelijke misslag, maar een wijziging van de tenlastelegging oplevert. Het middel klaagt in dat verband voorts dat het hof tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank is gekomen en het vonnis daardoor ten onrechte heeft bevestigd.
Het hof heeft ten aanzien van het onder feit 2A tenlastegelegde overwogen dat het kernverwijt dat de verdachte wordt gemaakt de uitvoer van softdrugs is, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof heeft vervolgens tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geoordeeld dat de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van hennep en/of hasjiesj door deze hennep en/of hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten. Het hof heeft gelet daarop de tenlastelegging en bewezenverklaring verbeterd gelezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden 'of verstrekt' heeft toegevoegd. Daarbij heeft het hof geoordeeld dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging is geschaad.
Met zijn overwegingen heeft het hof tot uitdrukking willen brengen dat het de tenlastelegging zo leest dat het kernverwijt is dat de verdachte in vereniging verdovende middelen ‘buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht’ en die ‘uitvoer’ eruit bestond dat die verdovende middelen aan personen met bestemming Frankrijk en/of België werden ‘verkocht’ of ‘verstrekt’. Hieruit volgt niet dat de begrippen ‘verkocht’ of ‘verstrekt’ als zelfstandige verwijten c.q. bestanddelen ten laste zijn gelegd, maar slechts fungeerden als verfeitelijking van het tenlastegelegde kernverwijt (de uitvoer). Die aan de feitenrechter voorbehouden lezing van de tenlastelegging acht ik niet strijdig met diens bewoordingen en evenmin onbegrijpelijk. Daarbij betrek ik dat er blijkens het verhandelde ter terechtzitting geen onduidelijkheid heeft bestaan met betrekking tot hetgeen de verdachte wordt verweten.
Het middel faalt.
4. Het derde middel
Het middel klaagt dat het recht tot strafvordering ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde wegens verjaring is vervallen.
Ten laste van de verdachte is onder 6 bewezenverklaard dat hij:
“op 19 november 2013 in [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat 1] te [plaats] ongeveer 123 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in art. 3 onder C Opiumwet en werd ten tijde van het bewezenverklaarde feit ingevolge art. 11 lid 2 Opiumwet (oud) bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogte twee jaren (hetgeen nu nog steeds het geval is).
Art. 70 lid 1 onder 2 Sr bepaalt dat het recht tot strafvervolging door verjaring vervalt in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Art. 72 lid 2 Sr houdt onder meer in dat het recht tot strafvordering evenwel vervalt ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn (12 jaren).
Het vorenstaande brengt mee dat het feit in november 2025 is verjaard. Nu de schriftuur op een eerder moment is ingediend, te weten op 11 september 2025, klaagt het middel over een toekomstige intreding van de verjaring, hetgeen niet mogelijk is. Het middel dient daarom verder buiten bespreking te blijven. Daar staat tegenover dat de Hoge Raad bij verjaring die is ingetreden ná indiening van de schriftuur ambtshalve zal ingrijpen. Met het oog daarop zal ik in deze conclusie onder randnummer 6 ambtshalve ingaan op de gevolgen die aan de verjaring moeten worden verbonden.
5. Het vierde middel
Het middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.
De akte cassatie vermeldt dat op 6 december 2022 cassatie is ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 december 2022. Op 27 juni 2025 zijn de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat het hof niet binnen acht maanden na het instellen van het beroep in cassatie de stukken aan de Hoge Raad heeft doen toekomen, zodat de redelijke inzendingstermijn in de cassatiefase is overschreden.
Daarnaast zal de Hoge Raad inderdaad meer dan twee jaren na het instellen van beroep in cassatie arrest wijzen, zodat om die reden de redelijke termijn van berechting in de cassatiefase is overschreden.
Het middel is aldus terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de duur van de opgelegde gevangenisstraf zelf kunnen verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.
6. Ambtshalve
In verband met de onder randnummer 4 van deze conclusie geconstateerde verjaring van het onder 6 tenlastegelegde, ga ik ambtshalve nog in op de vraag welke consequentie daaraan door de Hoge Raad moet worden verbonden. In dat verband acht ik de strafmotivering van het hof van belang.
De strafmotivering houdt onder meer het volgende in:
“Het gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde 'telefooncarrousel' bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij/zij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 8] . [medeverdachte 9] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 12] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel.
Door deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.
Het hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij een belangrijke rol had, in zijn woning in [plaats] forse hoeveelheden verdovende middelen en versnijdingsmiddelen zijn aangetroffen en hij ook een uitvoerende rol had, door bijvoorbeeld drugs te vervoeren.”
Uit de strafmotivering meen ik af te leiden dat de bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde maatgevend is geweest voor de straftoemeting en dat de bewezenverklaring van het onder 6 tenlastegelegde niet zelfstandig tot een verhoging van de straf heeft geleid. De Hoge Raad kan deze klacht naar mijn mening daarom zelf afdoen door het arrest te vernietigen ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging van het onder 6 tenlastegelegde.
7. Slotsom
Het eerste en vierde middel slagen. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het derde middel dient als zodanig buiten bespreking te blijven.
Ambtshalve heb ik – naast hetgeen ik onder 6 heb overwogen – geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend wat betreft het onder feit 6 bewezenverklaarde en de straf en dat de Hoge Raad:
(i.) het arrest van het hof van 1 december 2022 in het openbaar zal uitspreken;
(ii.) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van het onder 6 tenlastegelegde;
(iii.) de duur van de opgelegde gevangenisstraf zal verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en
(iv.) het beroep in cassatie voor het overige zal verwerpen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG