PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03929
Zitting 1 mei 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (hierna: de KNVB)
tegen
B.V. Vitesse (hierna: Vitesse)
1. Inleiding en samenvatting
In deze zaak bestrijdt de KNVB het arrest in kort geding waarin het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder meer beslist tot schorsing van de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van de KNVB om de proflicentie van Vitesse onvoorwaardelijk in te trekken, en de KNVB veroordeelt om Vitesse per direct weer toe te laten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal. M.i. treft geen van de klachten van de KNVB doel. Aan inhoudelijke bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van Vitesse kom ik daarom niet toe. Dit betekent dat het bestreden arrest m.i. in stand kan blijven.
2. Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.1-3.4 van het bestreden arrest in kort geding van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof).
(i) Vitesse is lid van de KNVB, een vereniging.
(ii) Vitesse neemt op basis van een door de KNVB verstrekte licentie deel aan de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal, momenteel de Eerste Divisie (Keuken Kampioen Divisie).
(iii) De Licentiecommissie ziet als orgaan van de KNVB toe op de naleving van de licentie-eisen en verplichtingen door de licentiehouders. Zij doet dat op basis van het Licentiereglement Betaald Voetbal (hierna: het Licentiereglement).
(iv) De Beroepscommissie is een orgaan van de KNVB dat besluit over voor beroep vatbare beslissingen van de Licentiecommissie. Zij maakt deel uit van de rechtsprekende macht binnen de KNVB.
(v) Op 10 juli 2025 heeft de Licentiecommissie besloten tot intrekking van de proflicentie van Vitesse. Op 17 juli 2025 is Vitesse daartegen in beroep gegaan. Op 31 juli 2025 heeft de Beroepscommissie het beroep van Vitesse ongegrond verklaard en het besluit van de Licentiecommissie in stand gelaten.
(vi) De Licentiecommissie heeft in haar besluit van 10 juli 2025 overwogen dat Vitesse over een periode van een aantal jaren in ernstige en structurele mate (de doelstellingen van) het licentiesysteem heeft overtreden en niet bereid was en/of in staat is gebleken zich te voegen naar (de regels van) het licentiesysteem.
(vii) De Beroepscommissie heeft in haar besluit van 31 juli 2025 geoordeeld dat sprake is van een meerjarig patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem en een gebrek aan transparantie door Vitesse. Dit patroon is naar het oordeel van de Beroepscommissie structureel, ernstig en persistent. Daarom is de Beroepscommissie van oordeel dat Vitesse haar proflicentie niet kan behouden.
3. Procesverloop
In eerste aanleg
Bij dagvaarding (volgens Vitesse van 4 augustus 2025) heeft Vitesse de KNVB in kort geding betrokken voor de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de voorzieningenrechter). Vitesse vorderde, na eiswijziging en kort samengevat, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 tot intrekking van de proflicentie van Vitesse met ingang van 11 juli 2025 en het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 onmiddellijk schorst;
II. de KNVB veroordeelt Vitesse toe te laten en toegelaten te houden tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal, in ieder geval voor het seizoen 2025-2026, en te handelen alsof door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie geen besluiten tot intrekking van de proflicentie werden genomen;
III. bepaalt dat de KNVB een dwangsom verbeurt van € 500.000,- voor iedere wedstrijd in de competities betaald voetbal waartoe de KNVB Vitesse niet toelaat;
IV. bepaalt dat de KNVB een rectificatie zal moeten publiceren op diens website, welke rectificatie binnen twee uur na het wijzen van het vonnis zal moeten worden gepubliceerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
V. bepaalt dat de schorsing onder I en de bevelen onder II, III en IV zullen gelden voor de periode totdat in een bodemprocedure is beslist over de vernietiging van de onder I genoemde besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, maar uiterlijk tot 1 juli 2026;
met veroordeling van de KNVB in de proceskosten.
Op 7 augustus 2025 heeft de KNVB een conclusie van antwoord in kort geding ingediend (hierna: de CvA).
Op 7 augustus 2025 hebben de Stichting Vitesse Betrokken, de Supportersvereniging Vitesse, de Stichting Playing for Success Arnhem, de Stichting Quadraam en de vereniging Business Club Vitesse Gelredome een incidentele vordering tot voeging ingediend.
Op 7 augustus 2025 vond de mondelinge behandeling plaats. Hiervan is geen proces-verbaal opgemaakt.
Op 8 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter vonnis in kort geding gewezen (hierna: het vonnis). Daarin heeft hij, kort samengevat: in de hoofdzaak de vorderingen van Vitesse afgewezen en Vitesse veroordeeld in de (na)kosten; en in het incident de incidentele vordering tot voeging afgewezen.
In hoger beroep
Bij turbospoedappeldagvaarding van 26 augustus 2025 is Vitesse in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het hof. In die dagvaarding heeft Vitesse ook haar grieven geformuleerd. Vitesse heeft het hof verzocht het vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de volgende - gewijzigde - vorderingen van Vitesse toe te wijzen. Namelijk dat het hof, kort samengevat, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:
I. het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 tot intrekking van de proflicentie van Vitesse met ingang van 11 juli 2025 en het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 onmiddellijk schorst;
II. de KNVB veroordeelt Vitesse met onmiddellijke ingang toe te laten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal en te handelen alsof door de Licentiecommissie geen besluit tot intrekking van de proflicentie werd genomen;
III. bepaalt dat de KNVB een dwangsom verbeurt voor iedere wedstrijd in de competities betaald voetbal waartoe de KNVB Vitesse niet toelaat;
IV. bepaalt dat de KNVB een rectificatie zal moeten publiceren op diens website;
met veroordeling van de KNVB in de proceskosten in beide instanties.
Op 29 augustus 2025 heeft de KNVB een memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel ingediend (hierna: de MvA/MvG i.a.). Daarin heeft de KNVB, kort samengevat:
- in principaal hoger beroep het hof verzocht bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, Vitesse niet-ontvankelijk te verklaren althans haar vorderingen af te wijzen, met veroordeling van Vitesse in de proceskosten in beide instanties;
- in incidenteel hoger beroep gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis met verbetering van gronden bekrachtigt, althans gedeeltelijk vernietigt en opnieuw rechtdoende Vitesse niet-ontvankelijk verklaart althans haar vorderingen afwijst, met veroordeling van Vitesse in de proceskosten in beide instanties.
Op 31 augustus 2025 heeft Vitesse een memorie van antwoord in incidenteel appel ingediend. Daarin heeft zij geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde in incidenteel hoger beroep, met veroordeling van de KNVB in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep.
Op 1 september 2025 vond de mondelinge behandeling plaats. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v).
Op 3 september 2025 heeft het hof een verkort arrest in kort geding gewezen, op 17 september 2025 gevolgd door de schriftelijke uitwerking daarvan (hierna kortweg: het arrest).
In het arrest heeft het hof, kort samengevat:
- het vonnis vernietigd;
- het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 tot intrekking van de proflicentie van Vitesse met ingang van 11 juli 2025 en het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 met onmiddellijke ingang geschorst;
- de KNVB veroordeeld Vitesse met onmiddellijke ingang toe te laten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal en te handelen alsof door de Licentiecommissie geen besluit tot intrekking van de proflicentie werd genomen;
- de KNVB veroordeeld in de proceskosten van Vitesse tot aan het vonnis en in het principaal en incidenteel hoger beroep;
- de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het verder gevorderde afgewezen.
Voor de onderliggende beoordeling verwijs ik kortheidshalve naar rov. 4.1-4.121.
In cassatie
Bij procesinleiding van 29 oktober 2025 heeft de KNVB (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest.
Vitesse heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld van het arrest.
Partijen hebben ieder hun stellingen schriftelijk toegelicht, en vervolgens gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd.
4. Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Het cassatiemiddel van de KNVB telt 56 pagina’s en bevat vijf onderdelen tjokvol met klachten gericht tegen het arrest.
Onderdeel 1 (“Onjuiste (toepassing) beoordelingsmaatstaf marginale toetsing; niet respecteren beleids- en beoordelingsruimte; onvoldoende terughoudendheid”)
Het onderdeel vangt aan met een inleiding waarin rov. 4.7, 4.9, 4.80, 4.81, 4.92 en 4.107 van het arrest samengevat worden weergegeven. Vervolgens formuleert het onderdeel in drie subonderdelen klachten.
Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 4.7 en/of 4.9-4.107 van het arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent namelijk in rov. 4.7 en/of 4.9-4.107:
dat bij de toetsing/beoordeling door de rechter of een besluit van een orgaan (naar inhoud of totstandkoming) vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW - in aanvulling op en/of voortvloeiend uit de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid - het volgende geldt.
Ik vat dat “volgende” kort samen.
Aan organen van een vereniging, zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, komt mede gelet op hun aard (een ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte toe bij het nemen van besluiten als de onderhavige.
Daarbij is van belang dat de besluiten van de bedoelde organen mede afhangen van beleidsmatige afwegingen en feitelijke beoordelingen in verband met de omstandigheden van het geval.
De bedoelde beleids- en beoordelingsruimte en terughoudendheid gelden te meer en/of in (nog) grotere mate (i) indien, zoals in het onderhavige geval, de leden van de organen volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging onafhankelijk zijn en de geadresseerden van die besluiten (zoals leden en andere betrokkenen) volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging aan de bedoelde besluiten zijn gebonden. Althans (ii) indien het betrokken orgaan, zoals hier de Beroepscommissie, bij of krachtens de statuten of reglement is belast met een rechtsprekende taak en als zodanig besluit over (uitspraak doet over) voor beroep vatbare besluiten van andere organen, zoals de Licentiecommissie.
De bedoelde terughoudendheid geldt zeker en/of in (nog) grotere mate indien de rechter in kort geding (slechts) een voorlopig oordeel geeft over (schorsing van) de betrokken besluiten.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
- Inleidende beschouwingen
Ik begin met enkele opmerkingen over het arrest en het (sub)onderdeel.
In rov. 4.7 stelt het hof onder meer het volgende voorop.
a. Op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar als een besluit naar totstandkoming of inhoud in strijd is met art. 2:8 lid 1 BW (“de gedragsregel van artikel 2:8 BW”).
b. Toetsingsmaatstaf is dan of het orgaan van de rechtspersoon bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.
c. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.
Volgens het onderdeel overweegt het hof dit een en ander in rov. 4.7 “op zichzelf met juistheid”. Ik lees in het onderdeel - terecht - niet iets anders waar het gaat om ’s hofs overwegingen in rov. 4.7 direct volgend op de onder 4.6.1 sub c hiervoor bedoelde vooropstelling. Te weten: dat het voor zich spreekt dat “die toetsing” moet plaatsvinden naar de toestand ten tijde van het besluit, nu het betrokken orgaan van de rechtspersoon geen rekening heeft kunnen houden met feiten en omstandigheden van daarna.
Rov. 4.7 staat tussen rov. 4.6 en 4.8 (in cassatie onbestreden), tezamen onder “Beoordelingsmaatstaf”. Voor een goed begrip volgen hier rov. 4.6 en 4.8:
Zoals in rov. 2.4 al is vermeld, kan de rechter in kort geding een voorlopige voorziening geven. Of de spoedvoorziening ook daadwerkelijk wordt verleend, is afhankelijk van de uitkomst van een beoordeling van de voorlopige merites van de zaak en van de afweging van de belangen van partijen, in beginsel beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Uitgangspunt is daarbij dat de kort geding rechter zich naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure moet richten. Dat geldt ook waar het, zoals in dit geval, gaat om een voorziening vooruitlopend op een vordering tot vernietiging van een besluit van een rechtspersoon op grond van artikel 2:15 lid 1 BW. In dat geval moet worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het besluit op één of meer van de in dat artikel genoemde gronden vernietigbaar is. Voor zover de voorzieningenrechter in deze zaak - met de overweging dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter het betreffende besluit zal vernietigen - van een zwaardere maatstaf is uitgegaan, volgt het hof hem daarin dus niet.(…)4.8 In dit geval moet dus worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de besluiten van de Licentiecommissie en Beroepscommissie niet in stand kunnen blijven op één of meer van de hiervoor genoemde gronden [dit slaat terug op rov. 4.7, A-G], dit naar de toestand ten tijde van die besluiten. Voor de vraag of de gevraagde voorzieningen worden toegewezen, moeten verder de belangen van partijen worden afgewogen naar de toestand op dit moment.
In rov. 4.9-4.80 onderzoekt het hof of aannemelijk is dat de onderhavige besluiten naar hun inhoud vernietigbaar zijn. Dit staat in de sleutel van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. Ik citeer ’s hofs opening en slotsom.
Naar het voorlopig oordeel van het hof is het om de hierna uiteengezette redenen voldoende aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de Licentiecommissie en Beroepscommissie, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, in redelijkheid niet tot het besluit hebben kunnen komen om de proflicentie van Vitesse onvoorwaardelijk in te trekken.
(…)
Bij deze stand van zaken acht het hof het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in redelijkheid niet tot de belangenafweging hadden kunnen komen die ertoe leidt dat de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie gerechtvaardigd is.
Waarom het hof hiertoe komt, vat het als volgt samen:
De Licentiecommissie en de Beroepscommissie leggen aan hun besluiten ten grondslag dat bij Vitesse sprake is van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem dat Vitesse tijdens de (beroeps)procedure heeft voortgezet. Het hof kan het oordeel van de Licentiecommissie en Beroepscommissie volgen dat Vitesse haar informatieverplichting op een aantal materiële punten niet heeft nageleefd. Dat gaat niet alleen om zaken uit het verdere verleden, maar met name ook om de gang van zaken rondom de verkoop van de vordering van Common Sport GP LLC (voorheen Common Group LLC, hierna: Common Group) aan vijf anderen en de informatieverschaffing hierover aan de KNVB in de periode van december 2024 tot juni 2025. Een deel van de aan Vitesse verweten overtredingen van informatieverplichtingen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan hun besluiten ten grondslag leggen beoordeelt het hof echter wezenlijk anders, zoals hierna uiteengezet.
Daar komt bij dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie enerzijds de procedures over intrekking van de licentie van Vitesse met grote spoed en onder hoge druk hebben gevoerd, anderzijds de actuele ontwikkelingen rond Vitesse (met name de beoogde overname van zeggenschap door Sterkhouders B.V. en het Herinrichtingsplan 2025) in die besluitvorming buiten beschouwing hebben gelaten, hoewel Vitesse de Licentiecommissie en de Beroepscommissie daarover op de hoogte heeft gehouden en hen daarbij heeft willen betrekken. Die actuele ontwikkelingen hadden in de besluitvorming door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie wel betrokken moeten worden, vooral omdat hun besluitvorming betrekking had op - en heeft geresulteerd in [-] de meest verstrekkende sanctie die op grond van het Licentiereglement kan worden opgelegd, te weten de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie.
Het hof legt hierna uit hoe het tot deze beoordeling is gekomen, aan de hand van een beschrijving van de gang van zaken vanaf maart 2022 tot en met het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025.
In verband met rov. 4.11, laatste zin citeer ik hier ook het slot van dit deel van het arrest:
De beoordeling door de Beroepscommissie moet volgens het Licentiereglement (artikel 13 leden 7 onder c. en 11 onder c.) geschieden naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep. Bij de beslissing van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie over de toe te passen sanctie spelen aan de ene kant het karakter en de ernst van de overtreding(en), aan de andere kant het mogelijk ingrijpende karakter en de al dan niet onomkeerbaarheid van de sanctie, met afweging van de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen.
De Beroepscommissie heeft overwogen dat het (steeds) laten prevaleren van maatschappelijke belangen, zoals werkgelegenheid, zou betekenen dat de zwaarste sanctie (intrekking van de licentie) nooit toepasbaar is, hetgeen afbreuk zou doen aan de effectiviteit en geloofwaardigheid van het licentiesysteem. Het hof heeft begrip voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen van het licentiesysteem consequenties moesten hebben. Daar staat tegenover dat een groot deel van de overtredingen van Vitesse al eerder is gesanctioneerd, met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal. Daar staan ook tegenover de relativering van de ernst van en het aantal recente overtredingen, zoals hiervoor overwogen, en de recente positieve ontwikkelingen die volgens het Licentiereglement bij het sanctiebesluit meegewogen moeten worden. Onder die omstandigheden was volgens het Licentiereglement (artikel 14 lid 2) en de Leidraad Sanctionering Licentiecommissie Betaald Voetbal 2024-2025 Eerste Divisie (…) onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet de enige sanctie die resteerde, en had intrekking van de licentie voorwaardelijk opgelegd kunnen worden.
Dit spreekt voor zich.
In rov. 4.81-4.107 onderzoekt het hof of aannemelijk is dat de onderhavige besluiten naar hun wijze van totstandkoming vernietigbaar zijn. Dit staat mede in de sleutel van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. Ik citeer ’s hofs opening en (gesplitste) slotsom.
Het hof acht het voldoende aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de besluiten vernietigbaar zijn wegens strijd met de regels over de totstandkoming van besluiten en het Licentiereglement en/of naar totstandkoming wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Daarvoor zijn de hiernavolgende feiten en omstandigheden van belang.
(…)
Het hof acht het op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het besluit van de Licentiecommissie vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder c BW.
(…)
4.107. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het hof voorshands van oordeel dat de Beroepscommissie aan het fundamenteel rechtsbeginsel van hoor en wederhoor op de genoemde punten niet heeft voldaan. Dat brengt mee dat het hof aannemelijk acht dat de rechter in de bodemprocedure het besluit van de Beroepscommissie vernietigbaar zal oordelen op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder a/c BW, dan wel naar de totstandkoming in strijd zal achten met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW.
Bij dit laatste betrekt het hof, samenvattend:
4.106. Hoewel de Beroepscommissie geen rechterlijke instantie is zoals een overheidsrechter, is zij wel het rechtsprekend orgaan van de KNVB in kwesties over de licenties en opereert zij daarin onafhankelijk. Daar past - daar gaat de Beroepscommissie zelf ook vanuit - de verplichting bij dat het fundamenteel rechtsbeginsel van hoor en wederhoor juist wordt toegepast als onderdeel van de eisen van de behoorlijke procesorde, gelijk voor een civiele procedure is geregeld in de artikelen 19 Rv en artikel 6 EVRM. De Beroepscommissie is echter vanwege een aangenomen hoge spoed die niet dwingend blijkt te zijn afgeweken van de gebruikelijke procedure zonder dit met voldoende waarborgen te omkleden, zodat Vitesse in elk geval in de gelegenheid zou worden gesteld om zich tot het laatste moment volledig en afdoende tegen de besluiten te verweren. Hierdoor konden de laatste relevante feiten en omstandigheden over de stand van zaken onvoldoende in aanmerking worden genomen, wat de zorgvuldigheid van de besluitvorming heeft aangetast.
Ook dit spreekt voor zich.
In essentie voert het subonderdeel aan dat het hof in het bestreden oordeel, waar het gaat om art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW, niet goed voor ogen heeft wat het betekent als aan het besluitnemende orgaan van de rechtspersoon beleids-/beoordelingsruimte toekomt en de rechter terughoudendheid dient te betrachten bij de beoordeling van zo’n besluit door marginaal te toetsen. Het komt dienstig voor de door het subonderdeel aan de orde gestelde thematiek nog iets meer uit te lichten, voordat ik bezie of het subonderdeel hier een punt heeft (zie vanaf 4.9 hierna).
Eerst iets over ‘marginale toetsing’, waarop het subonderdeel dus zwaar leunt.
Een naam die in dit verband niet onvermeld kan blijven, is Borst. Hij publiceerde in de jaren ’60 van de vorige eeuw beschouwingen over aspecten van marginale toetsing in het bestuurs- en privaatrecht. Deze publicaties hebben een katalyserende werking gehad voor het juridisch conceptueler denken over de problematiek van de indringendheid waarmee de rechter een bepaalde handelwijze van een actor toetst naarmate die actor een grotere handelingsvrijheid toekomt. In 1969 kon Van der Grinten (wellicht) nog schrijven dat de term marginale toetsing ‘in’ is, maar deze uitdrukking niet algemeen is aanvaard. Deze term heeft (in ieder geval) nadien een hoge vlucht genomen in de praktijk, hij is geworteld geraakt in ons rechtsdenken. De term marginale toetsing heeft ook de Hoge Raad bereikt, bijvoorbeeld en vrij recent nog in het ondernemingsrecht. Iets anders is dat de leer van marginale toetsing - ondanks de vele literatuur hierover - eigenlijk nog steeds niet is ingebed in een robuuste, diep uitgewerkte, breed aanvaarde theorie. Koelemeijer zegt dit laatste zo, rond de laatste eeuwwisseling:
Uit het voorgaande kan al worden afgeleid dat de grondslag van de leer van de ‘marginale toetsing’ in Nederland niet bijzonder sterk is. Weliswaar heeft Borst in de jaren ‘60 getracht in Nederland diepgravender onderzoek over ‘marginale toetsing’ te entameren, maar die poging is in het voorbereidingsstadium blijven steken. (…) Het ontbreken van een, breed aanvaarde, theorie heeft echter geen gevolgen gehad voor de heersende leer met betrekking tot de ‘marginale toetsing’. Gelijk geschetst baseert de grote meerderheid van de auteurs zich daarbij op de stelling dat een beslissend orgaan ‘beleidsvrijheid’ toekomt. (…)
Dit wil overigens niet zeggen dat de leer, het concept, van marginale toetsing onverkort op juichende recensies kan rekenen. Zo plaatste Van der Grinten indertijd kanttekeningen erbij, al pleitte hij niet voor het verwerpen ervan. Timmerman daarentegen heeft onomwonden geschreven over een rommelig concept, dat verhuld verschillende soorten rechterlijke toetsing omvat en waarvan maar beter afscheid genomen wordt in het ondernemingsrecht, ten faveure van een andere benadering. De Wulf, een zuiderbuur, is een vergelijkbare opvatting toegedaan. Hij rept - op eloquente wijze, het moet gezegd - van een concept dat eigen is aan het Nederlandse taalgebied, en veelgeprezen, maar dat beter gebannen wordt, want verwarring veroorzaakt:
De precieze inhoud van de marginale toetsing is (…) volkomen onduidelijk (…). (…) Vooral wekt de term de verkeerde indruk dat marginale toetsing verschilt van volle toetsing. (…) Er bestaat onduidelijkheid - althans: geen eensgezindheid in rechtsleer en rechtspraak - over de gevallen waarin marginaal getoetst kan/moet worden. (…) Het grootste bezwaar tegen marginale toetsing is evenwel dat het een overbodig en daarom verwarrend concept is. Bocken heeft op het eerste zicht ongetwijfeld gelijk waar hij stelt dat het gewone foutbegrip (…) niet meer wordt toegepast wanneer wordt aangenomen dat een norm slechts geschonden is wanneer de norm kennelijk geschonden moet zijn. In werkelijkheid evenwel moeten rechters steeds het gewone foutconcept toepassen. De marginale toetsing is slechts een ‘vaderlijke aanmaning’ niet te vlug een fout aan te nemen. (…) Dat marginale toetsing zich niet onderscheidt van volle toetsing, is eigenlijk een dogmatische noodzaak. (…) Steeds dient een rechter de regel toe te passen dat fout is, de lichtste afwijking van het gedrag dat een redelijk mens in dezelfde omstandigheden zou ten toon gespreid hebben. Maar wat een redelijk mens zou doen, wordt nu precies door de omstandigheden bepaald. (…) Zoals reeds geargumenteerd is het concept marginale toetsing echter onzeker van inhoud en daarom geen effectieve begrenzer van rechterlijke beoordelingsvrijheid.
Wat is dan marginale toetsing, meer precies? Dit is geen onbelangrijke vraag. Een min of meer gebruikelijk geworden antwoord daarop in de privaatrechtelijke context luidt dat rechterlijke toetsing dan niet is uitgesloten, maar slechts beperkt dient plaats vinden, in tegenstelling tot vol(ledig). Een tussenfiguur derhalve, zoals de term - ‘marginale’ toetsing - taalkundig bezien ook impliceert. De achterliggende gedachte is dan in essentie dat voor zover de actor op het specifieke punt dat ter beoordeling voorligt noemenswaardige handelingsvrijheid toekomt, wat dikwijls samenhangt met aanwending en invulling van een discretionaire bevoegdheid van de actor, de rechter deze dient te respecteren door de handelwijze van de actor (zoals een besluit/beslissing) pas als ongeoorloofd aan te merken wanneer buiten kijf staat dat in de vastgestelde omstandigheden van die vrijheid zodanig gebruik is gemaakt dat dit naar objectieve maatstaven geen eerbiediging verdient in het recht. Eerst dan wijkt deze vrijheid van handelen van de actor, die bij marginale toetsing dus het vertrekpunt is. Daarbij oordeelt de rechter weliswaar in de regel achteraf over die handelwijze van de actor, maar uiteraard niet ‘met wijsheid achteraf’, want bezien vanuit de situatie zoals die voorlag ten tijde van dit handelen van de actor, oftewel kenbaar was voor de actor. Bij marginale toetsing gaat het niet erom of - in de woorden van Kroeze - in de gegeven omstandigheden een andere handelwijze, zoals een andere afweging van de in aanmerking komende belangen, volgens de rechter “beter” zou zijn geweest; wel of in de gegeven omstandigheden de door de actor gevolgde handelwijze, zoals de verrichte belangenafweging, de toets der kritiek kan doorstaan zonder dat de rechter daarbij zijn oordeel voor dat van de actor in de plaats stelt.
Het voorgaande laat zien dat marginale toetsing als concept niet erg scherp is ingekaderd. Het is veeleer ‘een manier van zeggen’, nogal algemeen verwoord, dat de rechterlijke toetsing terughoudend dient te zijn (wat zelf ook weinig scherp is ingekaderd). Toch is het concept van marginale toetsing niet zonder verdienste. Een sterke kant ervan is dat het onderkent dat beperkte toetsing, als uitzondering op de hoofdregel, een rechtvaardiging vergt. Een rechtvaardiging die doorgaans hangt op de aanwezigheid van een situatie waarin voor de actor niet één concrete, (min of meer) eenduidige handelwijze is voorgeschreven (een zwart/wit-regel die (zo ongeveer) zegt wat de juridisch geoorloofde gedragslijn is), maar hij, vanuit zijn rechtspositie, en in beginsel naar eigen inzicht, keuzes mag of moet maken ter invulling van zijn handelwijze, wat dus in beginsel op meer dan één rechtens toelaatbare wijze kan geschieden. Dit biedt, als vertrekpunt, enig analytisch houvast: speelt zo’n situatie, of niet? Illustratief is de rechtspraak over persoonlijke aansprakelijkheid van een faillissementscurator. Daarbij geldt dat voor zover de curator bij zijn taakuitoefening niet is gebonden aan regels, hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toekomt, waarbij een terughoudende toetsing door de rechter past. Men zou hier van een vloeiende overgang kunnen spreken: naarmate een bepaalde handelwijze meer regelgebonden is, mag, in beginsel, de rechterlijke toetsing van die handelwijze in zoverre minder terughoudend zijn. Die verhouding moet per geval worden gezocht en bepaald.
Het concept van marginale toetsing verduidelijkt ook - m.i. een andere sterke kant ervan - dat naarmate de rechter het specifieke punt dat ter beoordeling voorligt beperkter dient te toetsen, hij meer aan buitengrenscontrole moet doen. Immers, ook dan geldt dat bij rechtsinbreuken de rechter mag zo niet moet interveniëren, maar doordat hier meer dan één (niet on)geoorloofde handelwijze kan bestaan, ontstaat een bepaalde beslissingsruimte (keuzevrijheid) voor de actor. Die ruimte is niet onbeperkt, want heeft een uiterste grens, een kantlijn, een marge. Die ruimte is dus relatief, want verhoudt zich tot die marge. Hier komt Dworkins ‘gat in de donut’-vergelijking in beeld. Marginale toetsing impliceert dat de rechter ter zake wel de marge van die ruimte bewaakt, maar niet daarbinnen treedt. Dit laatste vindt veelal uitdrukking doordat wordt getoetst niet aan een zwart/wit-regel, want die ontbreekt, maar aan een standaard met grijstinten en speling ten gunste van de actor, waarbij het dus niet de bedoeling is dat de rechter zijn oordeel voor dat van de actor in de plaats stelt. Hoe milder/rekkelijker de standaard voor de actor, des te royaler bemeten diens potentiële beslissingsruimte ter zake en des te minder snel de rechter dienaangaande tot een rechtsinbreuk kan concluderen. Doorstaat voornoemde punt een marginale toetsing, dan valt het binnen de beslissingsruimte van de actor en prevaleert hier diens handelingsvrijheid. Oftewel: dan zijn de piketpaaltjes dienaangaande geslagen.
Bij het voorgaande past de nog steeds relevante observatie van Van der Grinten, in diens beschouwing over marginale toetsing van ruim een halve eeuw geleden, dat het inzake vragen van rechterlijke toetsing en de omvang van deze toetsing in de diepste kern gaat over vragen van maatschappijstructuur. Het strookt daarmee dat, in Löwensteyns gevleugelde woorden bij diens beschouwing over marginale toetsing van zo’n 15 jaar later:
de rechter niet [moet] paraderen als hoogste zedemeester en allesweter. De rechter van ons recht is niet de wijze kadi - zelfs in Duizend en Eén Nacht te zeldzaam om er een rechtsstaat mee in te richten. En getuige de hiervoor besproken rechtspraak heeft de Nederlandse rechter kennelijk ook niet de ambitie als zodanig te poseren.
In mijn waarneming is dit laatste, algemeen gesteld, tegenwoordig niet anders. Zoals we hierna zullen zien, valt m.i. ook de onderhavige zaak daarbinnen.
Er zijn wel aandachtspunten, los van wat ik aanstipte onder 4.7.2 hiervoor.
Zo is het concept van marginale toetsing sterk verknoopt geraakt met toetsing van de inhoud van een besluit/beslissing, zoals de door de actor verrichte afweging van de in aanmerking komende belangen, te onderscheiden van de voorbereiding (de totstandkoming) ervan waarbij de rechter minder beperkt zou mogen toetsen. Maar ook bij die voorbereiding van een besluit/beslissing kan aan de actor handelingsvrijheid toekomen, voor zover die voorbereiding niet regelgebonden is., Zoals bij het bepalen van de te nemen tijd voor het nadenken over de te maken keuze en de behoefte aan nadere informatie in dit verband; dergelijke aspecten zijn doorgaans niet vastomlijnd en op voorhand gegeven, veeleer (goeddeels) afhankelijk van afwegingen en inschattingen. Een fixatie op inhoudelijk beperkte toetsing miskent dit en draagt het risico in zich van verkapt strengere inhoudelijke toetsing, onder het mom van een gebrekkige voorbereiding. Denkbaar is ook dat door een bepaalde omstandigheid een marginale toetsing toch niet is aangewezen, omdat die omstandigheid afdoet aan de in beginsel bestaande handelingsvrijheid van de actor en rechtvaardigt dat de rechter die voorbereiding en/of inhoud bepaald indringender toetst, waarbij mogelijk de eisen van zorgvuldigheid voor de actor worden opgeschroefd. Illustratief is de problematiek van tegenstrijdig belang bij bestuurders (en commissarissen) van rechtspersonen. Van het concept van marginale toetsing blijft dan in de beoordeling door de rechter al spoedig maar weinig, of zelfs niets, over. In die zin is dit concept fluïde te noemen.
Er valt meer te relativeren. Waar de beperkte toets in de sleutel staat van objectieve redelijkheid (heeft de actor, gegeven de omstandigheden toen, in redelijkheid niet aldus kunnen handelen?), wat vaak voorkomt, is wel sprake van een beoordelingsnorm, maar veelal op een algemeen, abstract niveau. Het kantelpunt van (niet on)redelijk naar onredelijk is niet min of meer een gegeven, maar moet telkens door de rechter gevonden worden in het concrete geval via een sterk feitelijke, multifactor analyse, uiteraard met inachtneming van hetgeen partijen hebben aangevoerd. Daarbij zij bedacht dat deze toets der kritiek aansluit op de sleutel waarin de handelwijze staat die dan wordt verwacht van de actor, dus in termen van gedragsnorm: een objectief redelijk gebruik van aanwezige handelingsvrijheid, dikwijls gekoppeld aan een maatpersoonactor. Zoals de praktijk ook wel laat zien, toetst de rechter dan in wezen de relevante aspecten integraal aan redelijkheid op basis van de vastgestelde omstandigheden en met oog voor het partijdebat. Met dien verstande dat hij - passend ook bij die beoordelingsnorm - niet te snel mag vaststellen dat de marge van die vrijheid is overschreden, dus dat het kantelpunt is gepasseerd: de in redelijkheid aan de aanwezige handelingsvrijheid te stellen grenzen moeten ‘kennelijk’ (in de zin van klaarblijkelijk) zijn overschreden. Dit laatste zal, zeker waar hanteerbare subcriteria ontbreken, in het concrete geval vooral reliëf (moeten) krijgen door de gegeven omstandigheden. Veelal zal een dergelijke rechterlijke toetsing betrekking hebben op de inhoud van een besluit/beslissing van een actor, maar die toetsing kan eveneens aangewezen zijn bij (aspecten van) de voorbereiding van zo’n besluit/beslissing, nu immers ook dienaangaande - zie onder 4.7.8 hiervoor - aan de actor handelingsvrijheid kan toekomen.
In deze zaak speelt art. 2:8 lid 1 BW een prominente rol (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW), zoals volgt uit 4.6-4.6.9 hiervoor. Daartoe wend ik mij nu.
Art. 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Dit is ook wel geplaatst in de sleutel van een zorgvuldigheidsplicht, al kan ook buiten het kader van art. 2:8 lid 1 BW sprake zijn van relevante zorgvuldigheidsplichten in de sfeer van de rechtspersoon. Het gaat bij art. 2:8 lid 1 BW in de kern om een algemene, open geformuleerde gedragsnorm voor deze personen. Dit moet worden onderscheiden van art. 2:8 lid 2 BW. Daaruit volgt dat een tussen de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde personen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Art. 2:8 BW is van dwingend recht.
Timmerman merkt over art. 2:8 lid 1 BW onder meer het volgende op:
(…) art. 2:8 BW [mag] onder omstandigheden ruim worden uitgelegd. Dat geldt ook voor de daarin opgenomen begrenzingen. (…) Door zijn ruime reikwijdte is art. 2:8 BW het aanknopingspunt bij uitstek voor de toepassing van de redelijkheid en billijkheid in het rechtspersonenrecht. (…) In het geval van aanvullende werking [art. 2:8 lid 1 BW, A-G] geldt voor degene die op grond van art. 2:8 BW naar redelijkheid en billijkheid dient te handelen een extra uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting bovenop zijn reguliere wettelijke en statutaire plichten. Uiteindelijk beslist de rechter over het bestaan van zo’n extra verplichting. (…) Art. 2:8 BW bevat een open, algemene gedragsnorm die in uiteenlopende omstandigheden wordt toegepast. Zoals art. 3:12 BW aanduidt, zal toepassing van art. 2:8 BW vaak een afweging van met elkaar botsende, tegenstrijdige persoonlijke en maatschappelijke belangen door degene die aan art. 2:8 BW is gebonden vergen. Bij die afweging van botsende belangen geldt als maatstaf dat degene die belangen dient af te wegen een bepaald, in aanmerking te nemen belang niet onevenredig mag schaden. Als de belangenafweger deze grens respecteert, is hij vrij om de belangenafweging naar eigen inzicht te voltrekken. (…) Kroeze merkt fraai op dat de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW de betrokkenen bij een rechtspersoon tot een wederzijds welwillende houding verplicht (…). Anders gezegd: Art. 2:8 BW verlangt van de bij een rechtspersoon betrokkenen dat deze afhankelijk van de omstandigheden van het geval in meer of mindere mate met elkaars belangen rekening houden. Men kan hierin een toepassing van het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel zien. De uit art. 2:8 BW voortvloeiende verplichting naar redelijkheid en billijkheid te handelen kan jegens een groot aantal personen bestaan. In een rechtspersoon kunnen immers een veelheid van personen onderdak hebben gevonden.
Mede tegen die achtergrond rust bijvoorbeeld op bestuurders van een rechtspersoon de plicht bij hun taakvervulling zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de rechtspersoon en diens organisatie/onderneming zijn betrokken, welke plicht kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het belang van de rechtspersoon - hun centrale richtsnoer - ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al die betrokkenen niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Zoiets vergt onder meer dat de bestuurders die in aanmerking komende belangen identificeren en betrekken in de besluitvorming met inachtneming van de relevante omstandigheden, daarbij wakend voor een uitkomst waarbij de afweging van de betrokken belangen onnodig of onevenredig ten koste gaat van een of meer van die betrokkenen. Dit is toetsbaar in rechte, bijvoorbeeld in het kader van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW.
Aangenomen wordt - het vindt bevestiging in Hoge Raad-rechtspraak - dat de rechter in uitgangspunt terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Met Van Schilfgaarde kan worden gezegd dat dit “niet speciaal [is] toegesneden op” de toepassing van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW (in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW), want bijvoorbeeld ook relevant lijkt voor het enquêterecht, en dat de mate van de in deze context door de rechter in acht te nemen terughoudendheid “afhankelijk [is] van de omstandigheden van het geval (en uiteraard het te dier zake door partijen aangevoerde).” Dat in die door de rechter te betrachten terughoudendheid het concept van marginale toetsing doorklinkt, lijdt intussen geen twijfel.
Nog iets over art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. De daarin vervatte maatstaf (“strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist”) bestrijkt toetsing aan naleving van de in art. 2:8 lid 1 BW neergelegde gedragsnorm en is niet dezelfde als die van art. 2:8 lid 2 BW, welke bepaling een eigenstandig criterium bevat (“naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar”) dat strenger is dan die maatstaf. De voornoemde terughoudendheid die in uitgangspunt van de rechter wordt gevraagd, zoals bij de beoordeling of die gedragsnorm in het voorliggende geval is nageleefd bij het afwegen door (het desbetreffende orgaan van) de rechtspersoon van de in aanmerking komende belangen, is van een andere orde dan de terughoudendheid die in het algemeen is vereist bij de toepassing van art. 2:8 lid 2 BW als zodanig en maakt niet dat langs die weg de drempel van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW over de hele linie wordt opgetrokken tot een niveau vergelijkbaar met dat strengere criterium van art. 2:8 lid 2 BW.
Een succesvol beroep op art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW vergt dat de vastgestelde omstandigheden van dien aard zijn dat, ook bij een terughoudende rechterlijke toetsing, vernietiging van het desbetreffende besluit op die grond aangewezen is. Ik betrek daarbij art. 3:12 BW in verbinding met art. 3:15 BW, waaruit volgt dat bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eist, ook die als bedoeld in art. 2:8 BW, mede rekening “moet” worden gehouden - juist ook door de rechter, en gezien het partijdebat - met persoonlijke belangen die in de desbetreffende zaak betrokken zijn. Vordert bijvoorbeeld een lid van een vereniging op inhoudelijke gronden vernietiging op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW van een besluit van een orgaan van de vereniging, dan resulteren enerzijds de te betrachten terughoudendheid door de rechter en anderzijds de verplichting van (dat orgaan van) de vereniging alle betrokken belangen af te wegen naar redelijkheid en billijkheid en met voldoende zorgvuldigheid erin, dat voor de rechter van groot belang zal zijn of in de gegeven omstandigheden dat besluit kenbaar de gerechtvaardigde belangen van dat lid schade toebrengt die onnodig, onevenredig of anderszins kennelijk onredelijk jegens dat lid is.
Het voorgaande maakt genoegzaam duidelijk dat (een orgaan van) een rechtspersoon bij het nemen van een besluit rechtens niet het laatste woord heeft of dat besluit voldoet aan hetgeen de redelijkheid en billijkheid in dat geval vordert op grond van art. 2:8 lid 1 BW, nu dit laatste toetsbaar is in rechte. Ik citeer Timmerman nog eens:
(…) De redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW is een dwingende gedragsnorm voor de bij een rechtspersoon betrokkenen. Art. 2:8 BW is in de praktijk een flexibele norm. Bij datgene wat de redelijkheid en billijkheid in een bepaald geval vereist, spelen onder andere de omstandigheden van het geval een belangrijke rol. Door zijn buigzaamheid is art. 2:8 BW minder een dwingend keurslijf dan men wellicht op het eerste gezicht zou verwachten. De toepassing van art. 2:8 BW staat uiteindelijk ter beoordeling van de rechter. Die geeft aan wat de redelijkheid en billijkheid in een concreet geval vereist. Voor de toepassing van art. 2:8 BW geeft art. 3:12 BW enige houvast aan de rechter en aan de betrokken partijen. (…) Het zich gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid is een zelfstandig na te leven verbintenis uit de wet en daarmee een rechtsplicht waarvan naleving in rechte kan worden gevorderd.
Het verrast niet dat het Nederlandse rechtspersonenrecht zo functioneert. Immers, de mogelijkheid voor een rechtspersoon om via een orgaan besluiten te nemen, geeft een ‘in beginsel’ vrijheid daartoe. Een vrijheid die mede begrensd wordt door de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW en de bescherming die betrokkenen bij de organisatie van de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:8 BW daaraan kunnen ontlenen, zo nodig in rechte. Zou het anders zijn, dan zou een reëel gat ontstaan in de rechtsbescherming binnen het rechtspersonenrecht. Dat zou zich ook niet verdragen met de functie daarbinnen van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, niet voor niets wel een grondnorm, een fundament, van ons rechtspersonenrecht genoemd.
- Terug naar het subonderdeel
Dan bezie ik nu het subonderdeel nader, met inachtneming van 4.6-4.8.8 hiervoor.
Ik begin met de onder 4.4.1 hiervoor bedoelde uitwerking.
Daarin stelt het subonderdeel voorop dat aan organen van een vereniging zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie , mede gelet op hun aard, (een ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte toekomt bij het nemen van besluiten als de onderhavige.
Deze stelling, die abstraheert van het concrete, hier voorliggende geval, ziet eraan voorbij dat niet in algemene zin gezegd kan worden dat aan dergelijke organen “(een ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte toekomt” bij het nemen van dergelijke besluiten. In hoeverre dit laatste opgeld doet, wordt in de kern situationeel bepaald. Daarbij is bijvoorbeeld relevant om welk specifieke aspect van het handelen van het orgaan het gaat, in hoeverre daarbij sprake is van regelgebondenheid en of er, ingeval van in beginsel handelingsvrijheid, omstandigheden zijn die alsnog deze vrijheid inperken en een minder of niet terughoudende opstelling van de rechter aangewezen maken. Dit geldt ook als het juridische kader bestaat uit art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW. Kortom, de hier door het subonderdeel voorgestane rechtsregel bestaat in werkelijkheid niet, want is te categorisch. Het hof verliest dit niet uit het oog in het bestreden oordeel.
Vervolgens poneert het subonderdeel hier, onder verwijzing naar de stelling onder 4.10.1 hiervoor, dat “[d]ie (ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte” onder meer meebrengt dat de bedoelde besluiten niet met een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen worden aangetast op de grond dat over de juistheid van die besluiten verschillend kan worden gedacht of alternatieven voorhanden waren. En dat een besluit ook niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, omdat een ander besluit beter zou zijn geweest of meer voor de hand zou hebben gelegen.
Dienaangaande mist het subonderdeel doel voor zover zij voortbouwt op de onder 4.10.1 hiervoor bedoelde stelling, die dus niet opgaat. Ook overigens mist het subonderdeel hier doel, en wel reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. In het bestreden oordeel zegt het hof immers - en terecht - niet dat bedoelde besluiten met een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 lid 1 BW) kunnen worden aangetast op de grond dat over de juistheid van die besluiten verschillend kan worden gedacht, alternatieven voorhanden waren, dan wel een ander besluit beter zou zijn geweest of meer voor de hand zou hebben gelegen. Zie ook onder 4.20.1-4.20.5 hierna.
Tot slot voert het subonderdeel hier aan, kennelijk weer aansluitend op de stelling onder 4.10.3 hiervoor:
- dat ook de beoordeling en weging van de (mate van) verwijtbaarheid van een overtreding, en de vraag of (en in hoeverre) die een dragende grond is of kan zijn voor het opleggen (of bekrachtigen) van een bepaalde maatregel of sanctie, binnen die beleids- en beoordelingsruimte van organen zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie valt;
- dat hetzelfde geldt voor de beoordeling en weging welke maatregel/sanctie passend en geboden is en of mogelijk een mildere of voorwaardelijke maatregel/sanctie volstaat;
- dat hetzelfde geldt voor de vraag of in een bepaald geval is voldaan aan bepaalde begrippen (en de normen waarvan die begrippen onderdeel vormen) in een door die organen te hanteren reglement, in het bijzonder ‘open’ of ‘vage’ begrippen (normen).
In zoverre loopt het subonderdeel reeds vast in lijn met 4.10.2 hiervoor. Anders dan zij met dit betoog wil, kan hoe dan ook niet in algemene zin gezegd worden dat aan organen zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie die beleids- en beoordelingsruimte toekomt en de hier door het subonderdeel aangestipte aspecten binnen die ruimte vallen. Zo’n regel bestaat evenmin. Dit klemt te meer als het subonderdeel hier - met dat ‘vallen binnen die ruimte’ - bedoelt dat dit zou meebrengen dat dergelijke aspecten op voorhand zijn onttrokken aan (zelfs een marginale) toetsing door de rechter, en aldus zijn voorbehouden aan het orgaan in kwestie. Zo zit het recht niet in elkaar. Zie overigens mede onder 4.11.5, 4.19.3 en 4.20.1(-4.20.5) hierna, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Het hof verliest ook dit een en ander niet uit het oog in het bestreden oordeel.
Dan de onder 4.4.2 hiervoor bedoelde uitwerking.
Daarin stelt het subonderdeel voorop dat bij het voorgaande van belang is dat de besluiten van de bedoelde organen mede afhangen van beleidsmatige afwegingen en feitelijke beoordelingen in verband met de omstandigheden van het geval. En dat het niet aan de rechter is om deze afwegingen en beoordelingen zelf te maken (en die in de plaats te stellen van die van de bedoelde organen).
Dienaangaande mist het subonderdeel doel voor zover zij voortbouwt op de onder 4.4.1 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus niet opgaat. Ook overigens mist het subonderdeel hier doel, en wel reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. In het bestreden oordeel miskent het hof immers juist niet dat dergelijke besluiten mede afhangen van beleidsmatige afwegingen en feitelijke beoordelingen in verband met de omstandigheden van het geval. Evenmin brengt het hof daar tot uitdrukking dat het aan het hof is om deze afwegingen en beoordelingen zelf te maken (en die in de plaats te stellen van die van de bedoelde organen). Zie ook onder 4.20.1-4.20.5 hierna.
Tot slot voert het subonderdeel hier aan (i) dat in ieder geval de rechter zich terughoudend moet opstellen tot de door deze organen gemaakte afwegingen en beoordelingen. En (ii) dat het dus ook niet aan de rechter is om die afwegingen en beoordelingen intensief te toetsen en bijvoorbeeld de hiervoor bedoelde overtredingen op allerlei (detail)punten te relativeren, te nuanceren en daarbij kanttekeningen te plaatsen.
Ten aanzien van (i) geldt dat dit in zijn algemeenheid onjuist is, zoals reeds volgt uit 4.10.2 hiervoor. Het hof verliest dit niet uit het oog in het bestreden oordeel.
Voor zover (ii) voortbouwt op (i) mist dit om dezelfde reden doel. Ook los daarvan gaat (ii) niet op. Bij een marginale toetsing geldt evenzeer dat de rechter acht slaat op de relevante omstandigheden van het geval, waaronder de betrokken belangen. Daarbij mag de rechter bijvoorbeeld, met inachtneming ook van het partijdebat, bezien in hoeverre een bepaald punt (zoals een overtreding) feitelijke grondslag heeft, dit punt plaatsen in de bredere context van de voorliggende situatie en daaraan feitelijk gegronde, in de rede liggende gevolgtrekkingen verbinden. Dit lijkt mij onderdeel van de rechterlijke taak. Iets anders is dat waar de toetsing een marginaal karakter heeft, de rechter terughoudend moet zijn met het bevestigend beantwoorden van de vraag of in de gegeven omstandigheden het besluit van de actor in kwestie naar objectieve maatstaven - zoals art. 2:8 lid 1 BW (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW) - geen eerbiediging verdient in het recht, bijvoorbeeld omdat de aan dit besluit ten grondslag liggende belangenafweging door de actor kennelijk onredelijk is. Dit een en ander verliest het hof evenmin uit het oog in het bestreden oordeel. Zie ook onder 4.20.1-4.20.5 hierna. In het bestreden oordeel lees ik trouwens niet dat het hof bepaalde overtredingen van Vitesse (althans volgens de KNVB) op allerlei (detail)punten overmatig relativeert, nuanceert en van kanttekeningen voorziet.
Dan de onder 4.4.3 hiervoor bedoelde uitwerking.
Dienaangaande mist het subonderdeel doel voor zover zij voortbouwt op de onder 4.4.1-4.4.2 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus niet opgaat. Ook overigens mist het subonderdeel hier doel, gelet op het volgende.
Ik begin met (i). In het bestreden oordeel gaat het hof ervan uit dat voor zover een marginale toetsing hier is aangewezen, en dat is in beginsel zo bij de onderhavige toepassing van art. 2:8 lid 1 BW (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW), er geen sprake is van een omstandigheid die maakt dat de toetsing slechts verminderd marginaal is, dus minder marginaal dan de toetsing zonder die omstandigheid zou zijn geweest. Zo lees ik nergens dat volgens het hof de toetsing toch verminderd marginaal is, omdat de Licentiecommissie en/of de Beroepscommissie niet onafhankelijk zou(den) zijn dan wel omdat Vitesse niet aan de onderhavige besluiten zou zijn gebonden. Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van het arrest, mist dit dus feitelijke grondslag. Ook overigens loopt (i) vast: evenzeer terecht gaat het hof niet ervan uit dat waar een marginale toetsing in beginsel is aangewezen, deze, in een geval als het onderhavige, éxtra-marginaal wordt - dus nog weer bóven het normaaltype, marginaal-plus zo gezegd - indien het orgaan volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging onafhankelijk is en/of de geadresseerde van het besluit volgens die regelingen aan dat besluit is gebonden. Wederom: zo zit het recht niet in elkaar.
Dan (ii). Dit loopt vast in lijn met (i). Ik lees nergens in het bestreden oordeel dat volgens het hof de onderhavige toetsing bij de toepassing van art. 2:8 lid 1 BW (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW) toch verminderd marginaal is, omdat de Beroepscommissie bij of krachtens de statuten en/of reglementen van de KNVB is belast met een rechtsprekende taak en als zodanig besluit (uitspraak doet) over voor beroep vatbare besluiten van de Licentiecommissie, een ander orgaan van de KNVB. En evenzeer terecht gaat het hof niet ervan uit dat waar een marginale toetsing in beginsel is aangewezen, deze, in een geval als het onderhavige, éxtra-marginaal wordt indien het orgaan volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging is belast met zo’n rechtsprekende taak.
Tot slot de onder 4.4.4 hiervoor bedoelde uitwerking.
Dienaangaande mist het subonderdeel doel voor zover zij voortbouwt op de onder 4.4.1-4.4.3 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus niet opgaat.
Ook overigens mist het subonderdeel hier doel. Dat sprake is van een kortgedingprocedure tot schorsing van de onderhavige besluiten betekent wél dat het hof hier, ook waar een marginale toetsing in beginsel is aangewezen, moet beoordelen of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat deze besluiten op een of meer van de in art. 2:15 lid 1 BW genoemde gronden vernietigbaar zijn (dit bezien naar de toestand ten tijde van die besluiten). Dat sprake is van zo’n kortgedingprocedure betekent níet dat het marginale gehalte van die toetsing als zodanig daardoor alsnog vermindert of juist toeneemt. Iets anders is (dus) dat het hof bij die te beoordelen aannemelijkheid zich rekenschap ervan moet geven dat in een kortgedingprocedure de mogelijkheden voor feitenonderzoek en bewijsgaring beperkter zijn dan in een bodemprocedure. Dit laatste vergt een zekere mate van ‘bescheidenheid’ bij het hof, oordelend als kortgedingrechter, maar dit is wel te onderscheiden van dat marginale gehalte van die toetsing als zodanig. Het hof verliest ook dit een en ander niet uit het oog in het bestreden oordeel. Zie ook onder 4.20.1-4.20.5 hierna.
Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel, zij behoeft geen verdere bespreking.
Subonderdeel 1.2 stelt dat het hof in rov. 4.9-4.107 van het arrest de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist toepast. Het hof is op de stoel van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie gaan zitten. Dit zou, kort samengevat, blijken uit het volgende.
a. De overweging in rov. 2.5 en 4.10 dat het hof een deel van de aan Vitesse verweten “overtredingen” van informatieverplichtingen (wezenlijk) “anders” “beoordeelt”.
b. Bepaalde oordelen van het hof in rov. 4.39, 4.68, 4.73, 4.79, 4.80, 4.100 en 4.106.
c. Relativeringen en nuanceringen door het hof van, en kanttekeningen van het hof bij, de overtredingen van Vitesse. Gewezen wordt op passages in rov. 4.53-4.54, 4.76 en 4.79.
d. In zijn algemeenheid: het detailniveau waarop, en de intensiteit waarmee, het hof in rov. 4.9-4.107 de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie heeft getoetst en de feiten en omstandigheden van dit geval zelf (‘vol’) heeft beoordeeld en gewogen.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Voor zover zij voortbouwt op subonderdeel 1.1, dat dus faalt, treft het subonderdeel hetzelfde lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Ook overigens mist het subonderdeel doel. Anders dan zij in wezen betoogt, is het hof in het bestreden oordeel niet ‘op de stoel van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie gaan zitten’. Het tegendeel blijkt niet uit hetgeen het subonderdeel aanvoert onder a t/m d.
Eerst onder a.
Het klopt dat het hof in rov. 2.5, tweede gedachtestreepje van het arrest onder meer overweegt dat het een deel van de aan Vitesse verweten overtredingen van informatieverplichtingen anders beoordeelt. En dat het hof in rov. 4.10 onder meer overweegt dat het een deel van de aan Vitesse verweten overtredingen van informatieverplichtingen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan hun besluiten ten grondslag leggen, wezenlijk anders beoordeelt.
Wat het hof daarmee bedoelt, volgt uit rov. 4.12-4.80, in het bijzonder rov. 4.74-4.77. Dit komt erop neer dat de daar behandelde opsomming van overtredingen zoals betrokken door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, naar ’s hofs voorlopige oordeel onvoldoende grond geeft voor het oordeel:
- dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen, en dat sprake is van een patroon van schending van haar informatieplicht dat zich na (3) augustus 2024 heeft voortgezet (rov. 4.76);
- dat Vitesse wat betreft het niet tijdig verstrekken van jaarstukken, halfjaarcijfers en prognoses het patroon niet sinds de afsluiting van het boekjaar 2023/24 heeft doorbroken, maar heeft voortgezet tot in de beroepsprocedure (rov. 4.77).
Onder 4.11.5 hiervoor merkte ik al op dat bij een marginale toetsing evenzeer geldt dat de rechter acht slaat op de relevante omstandigheden van het geval, waaronder de betrokken belangen. En dat de rechter daarbij bijvoorbeeld, met inachtneming ook van het partijdebat, mag bezien in hoeverre een bepaald punt (zoals een overtreding) feitelijke grondslag heeft, dit punt mag plaatsen in de bredere context van de voorliggende situatie en daaraan feitelijk gegronde, in de rede liggende gevolgtrekkingen mag verbinden. Dit een en ander in kort geding met de onder 4.13.2 hiervoor bedoelde ‘bescheidenheid’. Wat het hof doet met zijn onder 4.19.1-4.19.2 hiervoor bedoelde, sterk feitelijk gemotiveerde overwegingen valt daar binnen. Ik zie niet wat daar mis mee is. Van rechtens ontoelaatbaar ‘betweten’ door het hof is hier geen sprake, van een onbegrijpelijk oordeel trouwens evenmin. Zie ook onder 4.11.5 hiervoor, waar ik al erop wees in het bestreden oordeel niet te lezen is dat het hof bepaalde overtredingen van Vitesse (althans volgens de KNVB) op allerlei (detail)punten overmatig relativeert, nuanceert en van kanttekeningen voorziet.
Dan onder b.
Het kernprobleem is hier dat het subonderdeel zich richt tegen rov. 4.9-4.107 van het arrest, maar het subonderdeel onder b is toegespitst op verspreide overwegingen van het hof, in het bijzonder op (delen van) zinnen binnen die overwegingen, en dan ook nog eens in isolement bezien. Illustratief is het eerste voorbeeld dat wordt gegeven, te weten een passage in rov. 4.39. Lezing van rov. 4.39 in totaliteit leert dat wat het hof daar doet, sterk feitelijk gemotiveerd, neerkomt op hetgeen ik schreef onder 4.19.3 hiervoor. In wezen is dit - behoudens rov. 4.80 - steeds aan de orde bij die onder b uitgelichte (delen van) zinnen binnen rov. 4.9-4.107. Daarbij zij overigens bedacht dat, in de woorden van plv. P-G Mok, de formulering van het arrest “niet van dien aard [is] dat men elk woord op een goudschaaltje mag wegen.” In dat verband verdient nog opmerking dat het hier nota bene gaat om een turbospoedappel in kort geding waarin het hof, volgend op de mondelinge behandeling van 1 september 2025, gezien de spoedeisendheid op 3 september 2025 een verkort arrest heeft gewezen en de schriftelijke uitwerking daarvan (die 31 pagina’s telt) op 17 september 2025 heeft vastgesteld.
Ik schreef zo-even “behoudens rov. 4.80”. Dit is een van de passages die wordt genoemd onder b. Wat het hof daar doet, is oordelen dat bij de in rov. 4.10-4.79 weergegeven stand van zaken (“Bij deze stand van zaken”, etc.) het hof voldoende aannemelijk acht dat de bodemrechter zal oordelen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in redelijkheid niet tot de belangenafweging hadden kunnen komen die ertoe leidt dat de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse gerechtvaardigd is. Kort en goed: op basis van die daarvóór weergegeven omstandigheden (in onderling verband en samenhang bezien), wat neerkomt op hetgeen ik schreef onder 4.19.3 hiervoor, oordeelt het hof in rov. 4.80 dat voldoende aannemelijk is dat bij de bodemrechter de onderhavige besluiten naar de inhoud een marginale toetsing op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW niet kunnen doorstaan.
Bij die slotsom in rov. 4.80 betrekt het hof dus in het bijzonder, blijkens die weergegeven omstandigheden en kort gezegd, het volgende. Het hof heeft begrip voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen van het licentiesysteem consequenties moesten hebben. Daar staat tegenover aan omstandigheden: dat een groot deel van de overtredingen van Vitesse al eerder is gesanctioneerd, met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal; de relativering van de ernst van en het aantal recente overtredingen; en de recente positieve ontwikkelingen, die volgens het Licentiereglement meegewogen moeten worden bij het sanctiebesluit. Onder die omstandigheden was volgens de vigerende regelgeving onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse niet de enige sanctie die resteerde, en had intrekking van de proflicentie voorwaardelijk opgelegd kunnen worden. Bij het voorgaande zij dus bedacht - zie onder 4.20.2 hiervoor - dat die intrekking ertoe leidt dat Vitesse niet meer is toegelaten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal, en dat niet in geschil is dat de gevolgen daarvan groot zijn voor Vitesse: naar alle waarschijnlijkheid zal het voortduren van deze situatie leiden tot Vitesse’s faillissement, met de consequenties van dien.
Daarmee plaatst het hof die slotsom in rov. 4.80 in de sleutel dat bij deze stand van zaken de onderhavige besluiten wat betreft de inhoud ervan, specifiek de daaraan ten grondslag liggende afweging van de in aanmerking komende belangen door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, naar verwachting in een bodemprocedure een rechterlijke toetsing aan kennelijke onredelijkheid niet kunnen doorstaan. En wel omdat bij die weergegeven omstandigheden in totaliteit bezien de conclusie zich opdringt dat door de sanctie waartoe is besloten door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, te weten onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse en daarmee de zwaarste sanctie, het belang van Vitesse (met inachtneming van de aan haar verbonden bredere maatschappelijke belangen) onnodig althans onevenredig wordt geschaad, wat ten tijde van het nemen van de onderhavige besluiten kenbaar was. Dáárom is het naar ’s hofs voorlopig oordeel voldoende aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, in redelijkheid niet tot het besluit hebben kunnen komen om de proflicentie van Vitesse onvoorwaardelijk in te trekken.
Met dit uitvoerig toegelichte en goed navolgbare oordeel blijft het hof binnen de parameters van de hier aangewezen marginale toetsing, die het al vooropstelt in rov. 2.4 en 4.6-4.9. Kortom, ik acht dit een en ander onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Dan onder c.
Dit loopt vast in lijn met 4.19-4.20.5 hiervoor. Ik licht toe.
Wat het hof doet in rov. 4.53-4.54 van het arrest moet vooreerst worden bezien niet in isolement, maar in het bredere kader van rov. 4.45-4.55 inzake “Loan Sale Agreement (december 2024-april 2025)”. Voorafgaand aan rov. 4.53 stelt het hof gemotiveerd vast, weer op basis van een voorlopig oordeel, wat er zijdens Vitesse ter zake schortte en dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie terecht hebben overwogen dat Vitesse ter zake ernstig is tekortgeschoten in de naleving van haar onderzoeks- en informatieplicht in de zin van art. 6 Licentiereglement. In rov. 4.53-4.55 voegt het hof daaraan enkele observaties (kanttekeningen) toe. Het subonderdeel wijst hier op rov. 4.53-4.54. Wat het hof daar doet, sterk feitelijk gemotiveerd, komt neer op hetgeen ik schreef onder 4.19.3 hiervoor. Zie nader over rov. 4.53-4.54 bij mijn bespreking van de sub-subonderdelen 2.3.2-2.3.4 hierna.
Dan rov. 4.76. Daarop ging ik al in onder 4.19.1-4.19.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere bespreking.
Tot slot rov. 4.79, geciteerd onder 4.6.6 hiervoor. Het hof wijst daar op “de relativering van de ernst van en het aantal recente overtredingen”, als omstandigheid die staat tegenover het begrip dat het hof heeft voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen van het licentiesysteem consequenties moeten hebben. Met die relativering, dus die omstandigheid, doelt het hof kortweg op daaraan voorafgaande overwegingen, waaronder rov. 4.76-4.77 (“zoals hiervoor overwogen”). Wat het hof in die overwegingen doet, sterk feitelijk gemotiveerd, komt zoals gezegd neer op hetgeen ik schreef onder 4.19.3 hiervoor.
Daarmee is het pleit beslecht.
Tot slot onder d.
Voor zover het subonderdeel hier voortbouwt op het voorgaande onder a, b en/of c, dat dus doel mist, geldt hetzelfde onder d. Voor het overige voldoet het subonderdeel hier niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Zo wordt niet uiteengezet wat dan precies wordt bedoeld met “het detailniveau waarop, en de intensiteit waarmee”, etc., noch waar in het arrest het hof dat dan precies en op ontoelaatbare wijze zou hebben gedaan. Overigens zie ik dit laatste (dus) ook niet terug in het arrest.
Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel, zij behoeft geen verdere bespreking.
Subonderdeel 1.3 stelt dat als het hof het in subonderdeel 1.1 gestelde niet heeft miskend, diens oordelen in rov. 4.9-4.107 van het arrest onbegrijpelijk zijn. Want - gelet op het in subonderdeel 1.2 gestelde - blijkt uit rov. 4.9-4.107 niet (kenbaar) dat het hof de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde daadwerkelijk en juist heeft toegepast.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Zij veronderstelt dat het hof in het bestreden oordeel redeneert vanuit dezelfde rechtsopvatting als verdedigd in subonderdeel 1.1, dat dus faalt. Zoiets doet het hof evenwel, en terecht, niet. In zoverre strandt het subonderdeel reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
Voor zover het subonderdeel los daarvan (ook) nog voortbouwt op subonderdeel 1.2, dat dus eveneens faalt, deelt zij in het lot daarvan. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Voor het overige mist het subonderdeel zelfstandige betekenis, althans voldoet zij niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Dit behoeft evenmin verdere toelichting.
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2 (“Geen vernietigbaarheid naar inhoud”)
Het onderdeel bevat zeven subonderdelen met klachten.
Subonderdeel 2.1 (“Betekenis en gewicht in het verleden opgelegde sancties”) vangt aan met een inleiding zonder klacht. Daarin wordt gesteld dat het hof op verschillende plaatsen in het arrest het feit dat in het verleden (het tijdvak vóór het onderhavige besluit tot intrekking van Vitesse’s proflicentie) voor een bepaalde overtreding door Vitesse al een of meerdere sancties is/zijn opgelegd, (kennelijk) in die zin heeft meegewogen dat daarom minder rechtvaardiging zou bestaan voor de door de Licentiecommissie opgelegde (en door de Beroepscommissie bekrachtigde) sanctie van intrekking van de licentie. Het subonderdeel verwijst naar overwegingen in rov. 4.15, 4.39, 4.54, 4.75 en 4.79.
Het subonderdeel formuleert vervolgens - achter nr. 2.1.1, eigenlijk dus als sub-subonderdeel 2.1.1 - de motiveringsklacht dat het hof met de uit deze oordelen blijkende redenering een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven in het licht van de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie en de stellingen van de KNVB. Dit werkt het subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit.
De door het hof bedoelde eerdere overtredingen, die zijn bestraft met een lichtere sanctie dan intrekking van de licentie, vormen volgens de Licentiecommissie en de Beroepscommissie en de stellingen van de KNVB onderdeel van kort gezegd het patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem, dat uiteindelijk het opleggen van de zwaarste sanctie op de ‘escalatieladder’ (intrekking van de licentie) heeft gerechtvaardigd. Volgens de KNVB hebben eerdere sancties niet tot verbetering geleid bij Vitesse. Omdat die sancties niet effectief waren, was gerechtvaardigd dat uiteindelijk de zwaarste sanctie werd opgelegd: intrekking van de licentie.
Gelet daarop valt, zonder nadere motivering (die ontbreekt), niet in te zien dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie die sancties voor eerdere overtredingen in die zin hadden moeten meewegen dat daarom minder rechtvaardiging zou bestaan voor de sanctie van intrekking van de licentie.
Dat geldt te meer indien en voor zover tegen die sancties voor eerdere overtredingen (de besluiten tot oplegging daarvan) niet of zonder succes door Vitesse beroep is aangetekend bij de Beroepscommissie (zodat die sancties in die zin onherroepelijk zijn en in rechte vaststaan), althans zolang de besluiten waarbij die sancties zijn opgelegd of door de Beroepscommissie zijn ‘bekrachtigd’ niet door de rechter zijn vernietigd. In zoverre getuigt de redenering van het hof ook van een onjuiste rechtsopvatting.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
In rov. 4.13-4.15 van het arrest beantwoordt het hof de vraag of overtredingen en sancties van vóór 3 augustus 2024 meewegen in de beoordeling. Vitesse had zich namelijk op het standpunt gesteld dat met het besluit van de Beroepscommissie van 3 augustus 2024, waarin zij had besloten dat Vitesse haar licentie mocht behouden, de feiten en omstandigheden die de Licentiecommissie in het kader van de toenmalige intrekking van de licentie had vastgesteld van tafel zijn (rov. 4.13). Volgens het hof moeten bij de beoordeling in deze procedure alle relevante omstandigheden in aanmerking worden genomen, ook die uit het tijdvak van vóór het besluit van 3 augustus 2024. Dat betreft aan de ene kant de eerder vastgestelde overtredingen van Vitesse, aan de andere kant de sancties die op grond daarvan aan Vitesse zijn opgelegd (rov. 4.14). Daarom acht het hof het terecht dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie bij hun besluiten van 10 en 31 juli 2025 verder hebben teruggekeken dan 3 augustus 2024, met dien verstande dat daar tegenover staat dat de Beroepscommissie moest oordelen naar de stand van zaken ten tijde van het beroep en dat zij daarbij dus ook de eerder opgelegde sancties in overweging moest nemen. Tot slot overweegt het hof dat het daarna waar relevant de eerder opgelegde sancties zal benoemen (rov. 4.15), daarop wijst het subonderdeel ook.
Vooropgesteld: dit oordeel van het hof is m.i. onjuist noch onbegrijpelijk. Het subonderdeel bestrijdt - terecht - niet als zodanig de overweging dat bij de beoordeling in deze procedure alle relevante omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, ook die uit het tijdvak van vóór het besluit van 3 augustus 2024 (rov. 4.14). Waar tot die omstandigheden de eerder vastgestelde overtredingen van Vitesse behoren, ligt het voor de hand dat hetzelfde geldt voor de sancties die op grond van die overtredingen aan Vitesse zijn opgelegd.
Het is waar dat die geschiedenis van (sancties voor) eerdere overtredingen een zekere kleuring geeft aan de gedragslijn van Vitesse door de tijd heen. Dat miskent het hof ook niet in het arrest. Illustratief is rov. 4.74-4.77. Daar besteedt het hof onder meer aandacht aan dertien door de Licentiecommissie opgesomde overtredingen inclusief daarvoor aan Vitesse opgelegde sancties, waarvan de meeste (negen van de dertien overtredingen) betrekking hebben op de periode vóór 3 augustus 2024 (zie rov. 4.74 en de opsomming in rov. 4.75). Daarbij onderkent en betrekt het hof dat gelet op dit een en ander sprake is geweest van een aanhoudende onwillige houding van Vitesse, wat ook strookt met daaraan voorafgaande bevindingen van het hof (in delen van rov. 4.16-4.73). Daarbij maakt het hof echter ook duidelijk dat het, anders dan kort gezegd de KNVB, géén grond ziet voor het onverkorte oordeel dat Vitesse nog tot in de onderhavige (beroeps)procedure bij de KNVB zo’n houding heeft aangenomen. Kort en goed: Vitesse had haar leven inmiddels gebeterd. Dit is goed te volgen.
Het is evenzeer waar dat het feit dat die sancties voor eerdere overtredingen zijn opgelegd, óók betekent dat Vitesse voor die eerder door haar gemaakte fouten bepaald niet ongestraft is gebleven. Dat miskent het hof evenmin in het arrest. Illustratief is rov. 4.79. Daar wijst het hof erop dat het begrip heeft voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen consequenties moesten hebben. Daar staat wel onder meer tegenover, zo voegt het hof daaraan toe, dat een groot deel van die overtredingen al eerder is bestraft (“gesanctioneerd”), met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal. In rov. 4.111 vat het hof dit laatste nog eens samen, aldus dat:
duidelijk is (…) dat Vitesse voor haar fouten in het recente en verdere verleden bij herhaling met boetes en forse vermindering van wedstrijdpunten is gestraft. Door die sancties is zij ernstig geraakt. Dat geldt ongetwijfeld ook voor de eerdere intrekking van de licentie in 2024 die vanwege positieve ontwikkelingen in beroep ongedaan is gemaakt.
Ook dit is goed te volgen.
Nergens in het arrest lees ik dat het hof die sancties voor eerdere overtredingen enkel als verzachtende omstandigheid meeweegt, in die zin dat daarom minder rechtvaardiging bestaat voor de door de Licentiecommissie opgelegde (en door de Beroepscommissie bekrachtigde) sanctie van intrekking van de licentie. Het hof betrekt die eerdere sancties immers ook bij voornoemde aanhoudende onwillige houding van Vitesse, die het hof dus onderkent en meeneemt in de beoordeling (daarbij ziet het hof evenmin eraan voorbij dat Vitesse, gelet op voornoemde houding, de gevolgen van die eerdere sancties aan zichzelf te wijten had). Iets anders is dat het hof dus géén grond ziet voor het onverkorte oordeel dat Vitesse nog tot in de onderhavige (beroeps)procedure bij de KNVB zo’n houding heeft aangenomen. Daarbij let het hof zoals gezegd mede op de recente positieve ontwikkelingen, die bij het onderhavige sanctiebesluit meegewogen moeten worden (wat niet is gebeurd). Iets anders is ook dat, mede gelet op dit laatste, bij beantwoording van de vraag of de aan onvoorwaardelijke intrekking van Vitesse’s proflicentie ten grondslag liggende belangenafweging door de beugel van art. 2:8 lid 1 BW (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW) kan, onder meer gewicht in de schaal legt dat Vitesse voor die eerder door haar gemaakte fouten bepaald niet ongestraft is gebleven. Ook dit verliest het hof geenszins uit het oog. M.i. valt dit een en ander niet aan te merken als onjuist of onbegrijpelijk van het hof.
Aan dit alles ziet het subonderdeel voorbij met de onder 4.32.1-4.32.3 hiervoor bedoelde uitwerking, waarin geen recht wordt gedaan aan ’s hofs oordeel in rov. 4.9-4.80 ook in totaliteit bezien. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel. Ik kan daarlaten of de rechtsklacht aan het slot van het subonderdeel wel voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv.
Subonderdeel 2.2 (“Verzwijgen sideletter”) vangt aan met een inleiding zonder klacht en wordt gevolgd door acht sub-subonderdelen met klachten (2.2.1 t/m 2.2.8). Wel volgt uit de inleiding dat de sub-subonderdelen zijn gericht tegen het volgende oordeel in rov. 4.39 van het arrest. Het is Vitesse “niet te verwijten” dat Vitesse Arnhem Investments B.V. (hierna: VAI) buiten het zicht van Vitesse een sideletter sloot met Common Sport GP LLC, voorheen Common Group LLC (hierna: Common Group), en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Dit is Vitesse in ieder geval “niet zodanig verwijtbaar” dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie, te meer nu Vitesse voor deze gang van zaken al bestraft was door de Licentiecommissie in november 2024. Het hof begrijpt wel dat deze gang van zaken het vertrouwen van de Licentiecommissie heeft aangetast dat Vitesse een oplossing zou vinden in overeenstemming met de eisen van het Licentiereglement en het Herstructureringsplan 2024. De overweging van de Beroepscommissie dat Vitesse de sideletter aldus tegenover de KNVB heeft verzwegen, vindt echter geen steun in de gestelde feiten. Voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse ziet het hof geen aanknopingspunten.
Volgens sub-subonderdeel 2.2.1 geeft het zo-even weergegeven oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit werkt het sub-subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit.
Het hof heeft miskend dat het gevolg van een in een reglement (zoals in het Licentiereglement) bestaande mogelijkheid van beroep bij een orgaan als de Beroepscommissie tegen een besluit van een orgaan als de Licentiecommissie, is dat het lid (de licentiehouder) dat geen gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheid, niet ten overstaan van de civiele rechter zich erop kan beroepen dat het besluit van de Licentiecommissie naar inhoud en/of wijze van totstandkoming onjuist is en/of dat orgaan in redelijkheid (en naar billijkheid) niet tot dat besluit heeft kunnen komen. In die zin is dat besluit onherroepelijk en staat het in rechte vast. Dit geldt te meer/in ieder geval indien het reglement een bepaling bevat als art. 13 lid 13 Licentiereglement.
Nu Vitesse geen beroep instelde tegen het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, moest het hof ervan uitgaan dat dit besluit naar inhoud en wijze van totstandkoming juist is, althans dat de Licentiecommissie in redelijkheid en naar billijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen. Dit besluit was voor het hof een gegeven en/althans het hof kon/mocht de gang van zaken rond de sideletter niet anders kwalificeren en/of beoordelen dan de Licentiecommissie in dit besluit heeft gedaan. Het hof heeft dit miskend met (onder meer) het oordeel, in de woorden van het sub-subonderdeel: “dat (a) Vitesse de gang van zaken rond de sideletter niet (voldoende) valt te verwijten en (b) (bijgevolg) onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem.”
“Gelet op het voorgaande” heeft het hof ook miskend dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in hun besluiten over de intrekking van de licentie uiteraard ook moesten, althans mochten, uitgaan van de juistheid van (de inhoud en totstandkoming van) het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024.
Behandeling
Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
In rov. 4.33-4.38 van het arrest gaat het hof in op de beoogde overdracht van alle gewone aandelen in Vitesse aan VAI (juli-oktober 2024). Ik citeer uit deze overwegingen:
- Beoogde doorverkoop aan VAI (juli-oktober 2024)
(…)
Vitesse raakte er medio oktober 2024 mee bekend dat VAI en Common Group - kennelijk op 1 juli 2024 - een vertrouwelijke afspraak hadden gemaakt. Die afspraak hield in dat VAI op verzoek van Common Group een (toekomstig) pandrecht kon vestigen op de aandelen-Vitesse ten behoeve van een derde aan wie de vorderingen van Common Group konden worden overgedragen. Vitesse was niet betrokken bij deze afspraak en zij was niet eerder dan 21 oktober 2024 hiervan op de hoogte. Op die dag heeft de advocaat van VAI de advocaat van Vitesse bevestigd dat er sprake was van een “sideletter”. Vitesse heeft daags daarna de Licentiecommissie hiervan op de hoogte gesteld.
(…)
De Licentiecommissie heeft in haar besluit van 28 november 2024 over deze sideletter geoordeeld dat haar vertrouwen in Vitesse (opnieuw) is beschaamd en neemt “het bestaan van de sideletter en het willens en wetens achterhouden daarvan zeer hoog op”. De Licentiecommissie onderkende dat Vitesse geen partij was bij de overeenkomst tussen Common Group en VAI en dat Vitesse zelf de sideletter heeft gemeld, maar zij overwoog dat “gedragingen van (voormalig) aandeelhouders, bestuurders en commissarissen van een BVO binnen de risicosfeer van een BVO vallen”. Zij heeft Vitesse als sanctie hiervoor negen wedstrijdpunten in mindering opgelegd. Vitesse heeft geen beroep tegen dit besluit ingesteld, naar haar zeggen omdat zij herstel van haar moeizame relatie met de KNVB van groter gewicht vond dan een nieuwe juridische discussie met de Licentiecommissie.
De Licentiecommissie benoemde in haar intrekkingsbesluit van 10 juli 2025 de gang van zaken rond deze sideletter als een van de redenen voor intrekking van de licentie, met de constatering dat de sideletter in strijd is met de uitgangspunten en de veiligheidskleppen in het Herstructureringsplan 2024, omdat Common Group daardoor de mogelijkheid behield om invloed te behouden of verkrijgen. De Beroepscommissie kwalificeerde in haar besluit van 31 juli 2025 de gang van zaken rond de sideletter als een van de zeer ernstige overtredingen van Vitesse, omdat zij de sideletter in strijd met haar informatieplicht heeft verzwegen.
In rov. 4.39 gaat het hof hierop nader in. Ik citeer integraal:
- Verzwijgen side-letter niet verwijtbaar
Naar het voorlopig oordeel van het hof is het Vitesse niet te verwijten dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Dit is Vitesse in ieder geval niet zodanig verwijtbaar dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie, te meer nu Vitesse voor deze gang van zaken al bestraft was door de Licentiecommissie in november 2024. Noch Common Group, noch VAI was - anders dan de Licentiecommissie overwoog - (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris van Vitesse. Dat Vitesse VAI als mogelijk aandeelhouder op het oog had, maakt niet dat zij verantwoordelijk was voor haar handelen of nalaten, zeker niet zolang zij niet met dat handelen of nalaten bekend was of had moeten zijn. Daarbij moet worden bedacht dat, zoals de Licentiecommissie vaststelt, uit een e-mail tussen de advocaten van Common Group en VAI van 4 juli 2024 volgt dat zij de sideletter wilden achterhouden. Dat gold niet alleen voor de Beroepscommissie, maar ook voor Vitesse. Het hof begrijpt wel dat deze gang van zaken het vertrouwen van de Licentiecommissie heeft aangetast dat Vitesse een oplossing zou vinden in overeenstemming met de eisen van het Licentiereglement en het Herstructureringsplan 2024. De overweging van de Beroepscommissie dat Vitesse de sideletter tegenover de KNVB heeft verzwegen, vindt echter geen steun in de gestelde feiten. Vitesse heeft, op het moment dat zij - medio oktober 2024 - de beschikking kreeg over de sideletter, deze direct gedeeld met de KNVB. Voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse ziet het hof geen aanknopingspunten.
Ik begin, tegen deze achtergrond, met de onder 4.41.1 hiervoor bedoelde uitwerking.
Dit loopt vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Nergens daarin, ook niet in rov. 4.39, valt te lezen dat het hof een rechtsopvatting huldigt die contrair is aan wat het sub-subonderdeel hier voorstaat. Dat verrast niet, want zo’n opvatting hoefde het hof ook niet te huldigen. Het gaat het sub-subonderdeel hier om het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, waarover nader rov. 4.37. Dit is niet een van de besluiten van (een orgaan van) de KNVB waartegen Vitesse in de onderhavige procedure ten strijde is getrokken (zie voor die besluiten onder 2.1 sub (v) hiervoor: de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025). In rov. 4.39 neemt het hof dit besluit van 28 november 2024 als een gegeven. Het hof zegt daar dus niet dat in de onderhavige procedure de rechtsgeldigheid van dit besluit (vanwege de inhoud of totstandkoming ervan) ter discussie staat, noch neemt het hof daar een andere afslag in die richting (zoals dat dit besluit niet onherroepelijk is of niet in rechte vaststaat).
Iets anders is dat het hof, in het licht van rov. 4.38, in rov. 4.39 nog nader ingaat op de kwestie van de sideletter. En dat het hof daarbij, gezien ook rov. 4.37, in dit besluit van 28 november 2024:
a. wél leest dat volgens de Licentiecommissie Vitesse geen partij was bij de overeenkomst tussen Common Group en VAI, het achterhouden (verzwijgen) door Common Group en VAI van de sideletter “binnen de risicosfeer” van Vitesse viel, en Vitesse zelf de sideletter heeft gemeld bij de KNVB; maar
b. níet leest dat volgens de Licentiecommissie het feitelijk (ook) Vitesse zélf “te verwijten” is dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse.
De onder b hiervoor bedoelde kwestie beziet het hof in rov. 4.39. De uitkomst daarvan is dus dat naar ’s hofs voorlopig oordeel Vitesse dit niet te verwijten is, in ieder geval niet zodanig dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van haar proflicentie (te meer nu Vitesse voor deze gang van zaken al bestraft was door de Licentiecommissie in november 2024). Wel is het zo dat het hof daarbij ervan uitgaat, “anders dan de Licentiecommissie overwoog” in haar besluit van 28 november 2024, dat Common Group noch VAI (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris van Vitesse was. Rechtens had het hof die ruimte evenwel, gegeven die uitleg door het hof van dit besluit. Dat volgens het hof de Licentiecommissie in dit besluit op dit punt anders “overwoog”, en dat Vitesse om de in rov. 4.37 genoemde reden geen beroep van dit besluit heeft ingesteld, maken niet dat het hof dit punt - van feitelijke aard - in de onderhavige procedure ‘dus’ niet zo kon vaststellen in het kader van voornoemde kwestie. Ik zie geen aanknopingspunten voor een daaraan in de weg staande ‘gezag van gewijsde’/’formele rechtskracht’-variant, het sub-subonderdeel biedt die ook niet. Hierbij zij nog bedacht dat die vaststelling van het hof (dus: dat Common Group noch VAI (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris van Vitesse was) strookt met het partijdebat in de onderhavige procedure. Zo is in hoger beroep door de KNVB onder meer opgemerkt dat het bij de sideletter ging “om iemand die aandeelhouder zou worden, een beoogd aandeelhouder dus, en een derde partij”. Die vaststelling van het hof ligt daarmee keurig in lijn.
Iets anders is ook dat het hof in rov. 4.39 gemotiveerd vaststelt dat de in rov. 4.38 gememoreerde overweging van de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 dat Vitesse de sideletter tegenover de KNVB heeft verzwegen, geen steun vindt in de feiten. Dit betreft een ander besluit dan het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, waarop het sub-subonderdeel hier is ingestoken. Met die vaststelling brengt het hof niet meer of anders tot uitdrukking dan dat indien en voor zover de Beroepscommissie daarmee bedoelde dat Vitesse zélf informatie inzake de sideletter na bekendwording daarmee onder zich heeft gehouden, en zij in die zin feitelijk (ook) zélf verwijtbaar zou hebben gehandeld, dit laatste geen steun vindt in de feiten. Zie nader onder 4.58.2 hierna.
Dan de onder 4.41.2 hiervoor bedoelde uitwerking.
Dat dit doel mist, volgt reeds uit 4.45-4.45.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Tot slot de onder 4.41.3 hiervoor bedoelde uitwerking.
Dit strandt - zo niet al vanwege het voortbouwkarakter ervan - in lijn met de onder 4.41.1-4.41.2 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus doel mist. Dit behoeft evenmin verdere toelichting.
Sub-subonderdeel 2.2.2 stelt, kort samengevat, (i) dat hof met het oordeel in rov. 4.39 van het arrest de in rov. 4.7 genoemde maatstaf (marginale toetsing) en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist toepast. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3” En (ii) dat de vereiste terughoudendheid en marginale toetsing hier te meer gelden, nu Vitesse geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, waarop het besluit over de intrekking dus mede berust.
Behandeling
Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Wat betreft (i) geldt dat het sub-subonderdeel neerkomt op een herhaling van zetten, want in essentie terugvalt op onderdeel 1. Ik zette hiervoor al uiteen dat onderdeel 1 faalt. Zie, concluderend, onder 4.29 hiervoor. Het sub-subonderdeel deelt hier in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Tot slot (ii). Dit maakt de uitkomst niet anders, nog los van de vraag of hier wordt voldaan aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Het sub-subonderdeel legt hier niet uit wat er dan precies zou schorten aan rov. 4.39 van het arrest. Ik zie ook niet dát het hof hier iets doet wat het niet had mogen doen. Dit volgt reeds uit mijn bespreking van onderdeel 1 en sub-subonderdeel 2.2.1 hiervoor. Dit behoeft evenmin verdere toelichting.
Sub-subonderdeel 2.2.3 stelt, kort samengevat, dat het (kennelijke) oordeel van het hof in rov. 4.39 in verbinding met rov. 4.37 van het arrest dat de Licentiecommissie in het besluit van 28 november 2024 heeft overwogen dat Common Group en/of VAI (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris zijn/is van Vitesse, onjuist althans onbegrijpelijk is in licht van (de overwegingen in) dat besluit. In dat besluit heeft de Licentiecommissie overwogen dat “in ieder geval” (en dus niet uitsluitend) gedragingen van (voormalig) aandeelhouders, bestuurders en commissarissen van een BVO binnen de risicosfeer van een BVO vallen. Ook heeft zij in dit besluit onderkend dat Common Group en VAI dat niet zijn (want hen aangeduid als schuldeiser respectievelijk beoogd aandeelhouder), maar geoordeeld dat óók gedragingen van andere personen in de risicosfeer van een BVO kunnen vallen. Volgens de Licentiecommissie geldt dat in de gegeven omstandigheden voor de handelingen van de beoogde aandeelhouder, “VAI/ [betrokkene 5] ”; er is volgens haar hier sprake van een situatie die binnen de risicosfeer van Vitesse ligt.
Behandeling
Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Ook als het zo zou zijn dat het hof met het bestreden oordeel het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024 verkeerd heeft begrepen, mist het sub-subonderdeel het vereiste belang. Ik licht toe.
Het hof onderzoekt in rov. 4.39 van het arrest, voor zover hier relevant en kort gezegd, of het feitelijk (ook) Vitesse zélf (in relevante mate) “te verwijten” is dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend, zo blijkt uit rov. 4.39. Daarbij gaat het hof ervan uit dat dit verwijtbare handelen van beoogd aandeelhouder VAI (samen met Common Group) inzake de sideletter hooguit binnen “de risicosfeer” van Vitesse valt, maar niet (ook) feitelijk verwijtbaar handelen van Vitesse zélf oplevert, wat naar de aard iets anders is.
In dit verband wijst het hof in rov. 4.39 erop:
- dat VAI geen (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris van Vitesse was;
- dat de omstandigheid dat Vitesse VAI als mogelijk aandeelhouder op het oog had, niet maakt dat Vitesse verantwoordelijk was voor het handelen van VAI, zeker niet zolang Vitesse niet met dat handelen bekend was of had moeten zijn;
- dat, zoals de Licentiecommissie vaststelt, uit een e-mail tussen de advocaten van Common Group en VAI van 4 juli 2024 volgt dat zij de sideletter wilden achterhouden.
Hieruit volgt dat ook als het hof zou zijn uitgegaan van wat het sub-subonderdeel voorstaat, erop neerkomend dat het verwijtbare handelen van beoogd aandeelhouder VAI (samen met Common Group) inzake de sideletter binnen “de risicosfeer” van Vitesse ligt, het hof voornoemde vraag niet anders had beantwoord. Daarmee valt reeds het doek voor het sub-subonderdeel.
Sub-subonderdeel 2.2.4 stelt dat het oordeel van het hof in rov. 4.39 van het arrest onjuist althans onbegrijpelijk is in het licht van het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024. Terecht beziet het hof de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025 (mede) tegen de achtergrond van dit besluit van 28 november 2024. Het hof heeft evenwel een te beperkte en/of onjuiste althans onbegrijpelijke uitleg gegeven aan (het in) dit laatste besluit (aan Vitesse gemaakte verwijt). Dit werkt het sub-subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit.
In dit besluit van 28 november 2024 heeft de Licentiecommissie Vitesse niet verweten dat Vitesse de sideletter zelf heeft opgesteld en/of tot haar beschikking had en welbewust heeft achtergehouden voor de Licentiecommissie. In dat licht is, anders dan het hof kennelijk meent, het door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in de besluiten van 10 en 31 juli 2025 gemaakte verwijt niet dat Vitesse de sideletter zelf heeft opgesteld en/of (eerder dan medio oktober 2024) tot haar beschikking had en toen welbewust heeft achtergehouden voor de Licentiecommissie. De overwegingen in voornoemde besluiten over intrekking moeten zo worden begrepen dat feitelijk sprake is van ‘verzwijgen’ (van de sideletter) en ‘misleiden’ (van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie) door beoogd aandeelhouder VAI (samen met Common Group), maar deze handelingen van VAI in de gegeven omstandigheden (zoals geschetst in dat besluit van 28 november 2024) in de risicosfeer van Vitesse vallen, (bijgevolg) aan haar moeten worden toegerekend en (dáárom) sprake is van verwijtbaar handelen - ‘verzwijgen’ en ‘misleiden’ - door Vitesse.
In het licht hiervan is dan ook onjuist althans onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd het oordeel in rov. 4.39 dat de overweging van de Beroepscommissie dat Vitesse de sideletter tegenover de KNVB heeft verzwegen geen steun in de gestelde feiten vindt. Dit verwijt moet “in de hierboven bedoelde zin” worden begrepen.
In het licht hiervan zijn eveneens onjuist althans onbegrijpelijk het oordeel (i) dat Common Group en VAI de sideletter wilden achterhouden - óók voor Vitesse - en (ii) dat Vitesse op het moment dat zij - medio oktober 2024 - de beschikking kreeg over de sideletter deze direct deelde met de KNVB, voor zover het hof hiermee bedoelt dat de achter (i) en (ii) genoemde omstandigheden van belang (kunnen) zijn voor het verwijt dat aan Vitesse rond de sideletter is gemaakt en/althans dat verwijt zouden (kunnen) relativeren.
Behandeling
Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Ik begin met de onder 4.55.1 hiervoor bedoelde uitwerking.
Deze veronderstelt dat het hof in het arrest een bepaalde uitleg geeft aan het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024 en dit vervolgens doortrekt bij de uitleg van de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025. Die uitleg van dit besluit van 28 november 2024 zou erop neerkomen dat volgens de Licentiecommissie Vitesse de sideletter zelf heeft opgesteld en/of (eerder dan medio oktober 2024) tot haar beschikking had en toen welbewust heeft achtergehouden voor de Licentiecommissie. Dit mist feitelijke grondslag in het arrest. Nergens daarin, ook niet in rov. 4.37-4.39, valt te lezen dat het hof dit besluit van 28 november 2024 aldus uitlegt en dit vervolgens doortrekt bij de uitleg van die besluiten van 10 en 31 juli 2025. Overigens lijkt het sub-subonderdeel dat hier ook wel te onderkennen (“anders dan het hof kennelijk meent”). Dit is al fataal.
Dan de onder 4.55.2 hiervoor bedoelde uitwerking.
Nu dit voortbouwt op de onder 4.55.1 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus doel mist, treft het sub-subonderdeel hier hetzelfde lot.
Overigens kan het hier bestreden oordeel de toets der kritiek in cassatie doorstaan. In het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 staat met zoveel woorden dat Vitesse in strijd met haar informatieplicht de sideletter heeft verzwegen. In het bestreden oordeel brengt het hof niet meer of anders tot uitdrukking dan dat indien en voor zover de Beroepscommissie daarmee bedoelde dat Vitesse zélf informatie inzake de sideletter na bekendwording daarmee onder zich heeft gehouden, en zij in die zin feitelijk (ook) zélf verwijtbaar zou hebben gehandeld, dit laatste geen steun vindt in de feiten. Want Vitesse heeft, toen zij - medio oktober 2024 - bekend raakte met het bestaan van (de afspraak vervat in) de sideletter, dus zélf, direct de Licentiecommissie/KNVB hiervan op de hoogte gesteld. Zie ook rov. 4.35 van het arrest (onbestreden in cassatie), geciteerd onder 4.43 hiervoor. Daarop valt het hof terug in het hier bestreden oordeel. Dit is onjuist noch onbegrijpelijk.
Tot slot de onder 4.55.3 hiervoor bedoelde uitwerking.
Nu dit voortbouwt op de onder 4.55.1 en/of 4.55.2 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus doel mist, treft het sub-subonderdeel hier hetzelfde lot.
Overigens geldt ook hier dat het bestreden oordeel de toets der kritiek in cassatie kan doorstaan. Op (ii) ging ik al in onder 4.58.2 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting. Dan resteert (i). Daarover het volgende.
Onder 4.45.2 hiervoor zette ik al uiteen dat het hof in het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024 níet leest dat volgens haar het feitelijk (ook) Vitesse zélf “te verwijten” is dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Dat is niet onbegrijpelijk, want zoiets staat ook niet in dit besluit. Evenmin in het deel waarin de Licentiecommissie beziet “in hoeverre uw BVO [Vitesse, A-G] een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot het bestaan van deze sideletter.” Daar staat wel, en bij herhaling, “dat er in casu sprake is van een situatie die binnen de risicosfeer van uw BVO [Vitesse dus] ligt.” Maar niet dat die situatie feitelijk (ook) verwijtbaar handelen door Vitesse zélf oplevert.
Kennelijk achtte de Licentiecommissie toereikend dat die situatie binnen de risicosfeer van Vitesse valt, en zodoende voor haar rekening en risico komt (in die zin aan Vitesse ‘verwijtbaar’ is). Dat is naar de aard iets anders dan dat die situatie feitelijk (ook) verwijtbaar handelen van Vitesse zélf oplevert, en langs die weg kan worden toegerekend aan Vitesse. In de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025 zie ik evenmin staan (dat uit het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024 blijkt) dat die situatie feitelijk (ook) verwijtbaar handelen door Vitesse zélf oplevert.
Aan dit alles ziet het hof niet voorbij in het bestreden oordeel.
Dat het hof het blijkens rov. (4.33-)4.39, en in het bredere kader van rov. 4.9-4.80, relevant acht te onderzoeken of het feitelijk (ook) Vitesse zélf “te verwijten” is dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse, is onjuist noch onbegrijpelijk. Daaraan komt betekenis toe bij de vraag, door het hof blijkens rov. 4.39, laatste zin ontkennend beantwoord, of er aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat deze gang van zaken onderdeel is “van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse”.
Het is evenmin onjuist of onbegrijpelijk dat het hof daarbij onder meer betrekt dat, zoals de Licentiecommissie vaststelt, uit een e-mail tussen de advocaten van Common Group en VAI van 4 juli 2024 volgt dat zij, dus Common Group en VAI, de sideletter wilden achterhouden - óók voor Vitesse. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Daarmee ontvalt reeds de bodem aan (i).
Sub-subonderdeel 2.2.5 bestrijdt als onbegrijpelijk het oordeel in rov. 4.39 van het arrest dat Vitesse, op het moment dat zij - medio oktober 2024 - de beschikking kreeg over de sideletter, deze direct met de KNVB heeft gedeeld. Want blijkens het besluit van 10 juli 2025 van de Licentiecommissie (nr. 74, onder verwijzing naar haar besluit van 28 november 2024, nr. 44) heeft de Licentiecommissie pas op 29 oktober 2024, een week na het bij Vitesse bekend worden van de sideletter, na herhaald verzoek afschrift van de sideletter ontvangen van de advocaat van VAI.
Behandeling
Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Ik licht toe.
Zoals uiteengezet onder 4.58.2 hiervoor, valt het hof in het bestreden oordeel terug op rov. 4.35 van het arrest (onbestreden in cassatie), geciteerd onder 4.43 hiervoor.
Onder 4.58.2 hiervoor wees ik ook erop dat het hof in het bestreden oordeel niet meer of anders tot uitdrukking brengt dan dat indien en voor zover de Beroepscommissie met nr. 5.77, vijfde bullet van haar besluit van 31 juli 2025 bedoelde dat Vitesse zélf informatie inzake de sideletter na bekendwording daarmee onder zich heeft gehouden, en zij in die zin feitelijk (ook) zélf verwijtbaar zou hebben gehandeld, dit laatste geen steun vindt in de feiten. Want Vitesse heeft, toen zij - medio oktober 2024 - bekend raakte met het bestaan van (de afspraak vervat in) de sideletter, dus zélf, direct de Licentiecommissie/KNVB hiervan op de hoogte gesteld. Kortom, Vitesse heeft hierover geen verstoppertje gespeeld richting de KNVB.
Daarmee zegt het hof niet, anders dan het sub-subonderdeel wil, dat Vitesse daarbij óók (een afschrift van) de sideletter als zodanig heeft gedeeld met de Licentiecommissie/KNVB. Dit blijkt ook wel uit rov. 4.37. Daar wijst het hof onder meer erop dat de Licentiecommissie in haar besluit van 28 november 2024 onderkende dat Vitesse geen partij was bij de sideletter (“de overeenkomst tussen Common Group en VAI”) en dat Vitesse zelf de sideletter heeft gemeld. Dit slaat terug op nrs. 31 en 41 van dit besluit. Daar wijst de Licentiecommissie erop wat de inhoud is van de sideletter tussen VAI en Common Group (nr. 31). En dat Vitesse op 22 oktober 2024 de Licentiecommissie heeft geïnformeerd “over het bestaan van een sideletter”, waarbij Vitesse de Licentiecommissie eveneens heeft voorzien van een feitenrelaas met betrekking tot het onderzoek dat in dit verband door Vitesse is verricht (nr. 41). Dit laatste komt ook terug in nr. 74 van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025, waar staat dat Vitesse pas op 22 oktober 2024 de Licentiecommissie “[heeft] geïnformeerd over het bestaan van de sideletter.”
Daarmee is naar de aard niet in strijd dat de Licentiecommissie in haar besluit van 28 november 2024 ook erop heeft gewezen dat zij op 29 oktober 2024, na herhaald verzoek, van de advocaat van VAI een afschrift van de sideletter heeft ontvangen (nr. 42). Hetzelfde geldt voor de herhaling van deze vaststelling in nr. 74 van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025.
Het sub-subonderdeel behoeft geen verdere bespreking.
Sub-subonderdeel 2.2.6 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
Het oordeel in rov. 4.39 van het arrest dat het feit dat Vitesse VAI als mogelijk aandeelhouder op het oog had niet maakt dat zij verantwoordelijk was voor haar handelen of nalaten, zeker niet zolang zij niet met dat handelen of nalaten bekend was of had moeten zijn, is onbegrijpelijk en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Want de Licentiecommissie heeft in haar besluit van 28 november 2024 uitvoerig gemotiveerd dat de gedragingen van VAI binnen de risicosfeer van Vitesse vallen, waaraan niet afdoet dat Vitesse niet van de sideletter wist en dat het lastig is zich tegen dergelijke afspraken te verweren.
Voor zover het hof dit in voornoemde oordeel anders beoordeelt/weegt dan de Licentiecommissie, heeft het onvoldoende terughoudendheid betracht en het in subonderdeel 1.1 gestelde miskend. In ieder geval is dit oordeel dan onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd (mede) gelet op die uitvoerige onderbouwing van de Licentiecommissie in haar besluit van 28 november 2024.
Het oordeel van het hof dat Vitesse niet met het handelen of nalaten van VAI (ten aanzien van de sideletter) bekend had moeten zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk in het licht van de overwegingen van de Licentiecommissie in haar besluit van 28 november 2024. In dit besluit “ligt immers, kort samengevat, besloten” (i) dat van Vitesse verwacht had kunnen worden (meer) onderzoek te doen naar de beoogd aandeelhouder, zoals zij ook (min of meer) heeft erkend, en (ii) dat Vitesse redelijkerwijs (eerder dan medio oktober 2024) kennis van de sideletter had behoren te hebben.
Het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk, voor zover het hof hier miskent dat op grond van art. 6 Licentiereglement op de licentiehouder ook een onderzoeksplicht rust en dat art. 6 lid 3 Licentiereglement bepaalt dat de informatie die aan de Licentiecommissie en/of de Beroepscommissie wordt verstrekt juist en volledig dient te zijn, zulks te beoordelen naar de kennis die de licentiehouder had “en redelijkerwijs had behoren te hebben” op het moment van verstrekken van de informatie.
Behandeling
Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Vooropgesteld: het sub-subonderdeel bevat geen enkele verwijzing naar stellingen van de KNVB (of Vitesse) in feitelijke instanties, laat staan met vindplaats. Het komt neer op een van het partijdebat losgezongen exegese van hetgeen de Licentiecommissie zou hebben overwogen in haar besluit van 28 november 2024 althans van wat art. 6 (lid 3) Licentiebesluit zou meebrengen. Dit lijkt mij op zichzelf al fataal.
Tegen die achtergrond begin ik met de klachten onder 4.64.1-4.64.2 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
In rov. 4.39 van het arrest overweegt het hof onder meer:
Dat Vitesse VAI als mogelijk aandeelhouder op het oog had, maakt niet dat zij verantwoordelijk was voor haar handelen of nalaten, zeker niet zolang zij niet met dat handelen of nalaten bekend was of had moeten zijn.
Met dit bestreden oordeel brengt het hof tot uitdrukking, kort gezegd, dat genoemde omstandigheid (dat Vitesse VAI als mogelijk aandeelhouder op het oog had) niet maakt dat Vitesse aangesproken kan worden op het handelen van VAI, aldus dat Vitesse verantwoording moet afleggen voor dat specifieke handelen van VAI als ware dit Vitesse’s eigen handelen; zeker niet zolang Vitesse niet met dat handelen van VAI bekend was of had moeten zijn. Dit oordeel moet, zoals gezegd, worden bezien het licht van de vraag - die het hof daar onderzoekt - of het feitelijk (ook) Vitesse zélf (in relevante mate) “te verwijten” is dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse.
Dit is iets anders dan de redenering dat het handelen van een beoogd aandeelhouder (zoals VAI) binnen “de risicosfeer” van Vitesse valt, en zodoende voor haar rekening en risico komt. Het is, zoals gezegd, naar de kern genomen die redenering die de Licentiecommissie volgt in haar besluit van 28 november 2024. Ik lees in dit besluit ook nergens dat volgens de Licentiecommissie de omstandigheid dat Vitesse VAI als mogelijk aandeelhouder op het oog had, wel maakt dat Vitesse, wat betreft de sideletter, verantwoordelijk was voor het handelen van VAI in de betekenis die het hof daaraan geeft in het bestreden oordeel. Het sub-subonderdeel wijst hier ook niet op een vindplaats in dit besluit waar zoiets zou staan. Kortom, dit besluit staat niet in de weg aan het bestreden oordeel. Daarin komt het hof inzake de sideletter dus ook niet tot een andere beoordeling/weging van “de risicosfeer” van Vitesse dan de Licentiecommissie: in die sleutel staat het bestreden oordeel niet.
Op het voorgaande lopen de klachten reeds stuk. Kort en goed: daaruit volgt niet dat het bestreden oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Dan de klacht onder 4.64.3 hiervoor.
Het sub-subonderdeel poogt hier uit het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024 impliciet gebleven overwegingen af te leiden. Pak ik de daartoe aangevoerde vindplaatsen in dit besluit erbij, dan moet de conclusie zijn dat deze (bepaald) niet dwingen tot zo’n uitleg van dit besluit.
Op die vindplaatsen valt wel te lezen waarom volgens de Licentiecommissie “er in casu”, dus wat betreft de sideletter, “sprake is van een situatie die binnen de risicosfeer van uw BVO [Vitesse, A-G] ligt” (nr. 55). Daarop ziet ook het vervolg, mede in nrs. 56-57 en 60-61 van dit besluit.
Ik kan daaruit evenwel niet opmaken dat Vitesse dienaangaande volgens de Licentiecommissie te weinig onderzoek heeft gedaan naar het handelen van beoogd aandeelhouder VAI. Zoiets staat bijvoorbeeld ook niet in nr. 59 van dit besluit, waar de Licentiecommissie kenbaar maakt niet mee te gaan met het in nr. 58 aldaar bedoelde verweer van Vitesse (erop neerkomend dat zij niet eerder op de hoogte was van de sideletter en dat het voor haar lastig is zich tegen dergelijke geheime afspraken te weren).
Ik kan uit die vindplaatsen evenmin opmaken dat Vitesse volgens de Licentiecommissie heeft erkend dat Vitesse wat betreft de sideletter te weinig onderzoek heeft gedaan naar het handelen van beoogd aandeelhouder VAI. Daar staat hooguit (nr. 61) dat de Licentiecommissie meeweegt dat zijdens Vitesse in een persconferentie op 31 oktober 2024 (kort na het terugtrekken van VAI als beoogd aandeelhouder) is “erkend” dat Vitesse “bij een toekomstige nieuwe (beoogd) aandeelhouder aan de voorkant zelfstandig onderzoek zal moeten doen”, omdat Vitesse “het zich niet kan permitteren dat er nogmaals zonder succes een verzoek tot wijziging van zeggenschap wordt ingediend.”
Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht onder (i).
Dan resteert de klacht onder (ii). Dit ziet eraan voorbij dat de Licentiecommissie op de desbetreffende vindplaats (nr. 60) niet meer of anders zegt dan dat zij van oordeel is dat ook de gedragingen/handelingen van de aan Vitesse verbonden adviseurs binnen “de risicosfeer” van Vitesse vallen. En: in dat verband komt het de Licentiecommissie voor dat de in nr. 34 opgenomen vraagstelling “van de advocaat” van Vitesse in diens e-mailbericht van 24 juli 2024 “ongelukkig is geformuleerd”. Ik kan hieruit niet opmaken dat volgens de Licentiecommissie ‘dus’ Vitesse redelijkerwijs (eerder dan medio oktober 2024) kennis van de sideletter had behoren te hebben.
Tot slot de klacht onder 4.64.4 hiervoor.
Dat het hof in het bestreden oordeel miskent dat op grond van art. 6 Licentiereglement op Vitesse als licentiehouder ook een onderzoeksplicht rust, en wat art. 6 lid 3 Licentiereglement bepaalt, valt zonder meer niet in te zien; te minder nu het hof in het arrest ervan blijk geeft zich bewust te zijn van die onderzoeksplicht en dit lid 3. De klacht legt niet uit waaruit dan toch zou blijken van zo’n miskenning, maar volstaat met een kale ‘voor zover het hof hier miskent’-benadering. Dit is niet toereikend, gezien de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Daarmee valt reeds het doek voor de klacht.
Sub-subonderdeel 2.2.7 stelt dat het oordeel in rov. 4.39 van het arrest (i) dat het Vitesse, kort samengevat, niet (voldoende) verwijtbaar is dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse, en (ii) dat het hof geen aanknopingspunten ziet voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse, (mede) berusten op de overwegingen die in de sub-subonderdelen 2.2.1-2.2.6 zijn bestreden. De klachten in die sub-subonderdelen tasten ook de overwegingen onder (i)-(ii) aan.
Behandeling
Het sub-subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de sub-subonderdelen 2.2.1-2.2.6, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Sub-subonderdeel 2.2.8 stelt dat het oordeel in rov. 4.39 van het arrest dat het feit dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse, niet zodanig verwijtbaar is dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie, “te meer nu Vitesse voor deze gang van zaken al bestraft was door de Licentiecommissie in november 2024”, onbegrijpelijk is en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting om de in “onderdeel 2.1.1” genoemde redenen.
Behandeling
Het sub-subonderdeel behelst een op het bestreden oordeel toegespitste herhaling van zetten uit subonderdeel 2.1 (sub-subonderdeel 2.1.1), dat dus faalt. Het onderhavige sub-subonderdeel strandt op diezelfde klip. Zie nader onder 4.31-4.39 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Subonderdeel 2.3 (“Gang van zaken rond Loan Sale Agreement (december 2024-juni 2025)”) vangt aan met een inleiding zonder klacht. Wel volgt uit het slot van de inleiding dat het subonderdeel is gericht tegen rov. 4.53-4.55 van het arrest. Daar plaatst het hof volgens de inleiding drie “kanttekeningen”, die zouden afdoen aan de ernst of het gewicht van de in rov. 4.51-4.52 vastgestelde tekortkomingen van Vitesse en/of zouden meebrengen/eraan zouden bijdragen dat onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet (meer) gerechtvaardigd was.
Daarop formuleert sub-subonderdeel 2.3.1 de klacht dat het hof met deze “kanttekeningen” de in rov. 4.7 van het arrest genoemde toetsingsmaatstaf (marginale toetsing) en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist heeft toegepast. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”
Behandeling
Het sub-subonderdeel komt neer op een herhaling van zetten, want valt in essentie terug op onderdeel 1. Ik zette hiervoor al uiteen dat onderdeel 1 faalt. Het sub-subonderdeel deelt in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Sub-subonderdeel 2.3.2 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
Zonder nadere motivering (die ontbreekt) is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.53 van het arrest klaarblijkelijk oordeelt dat het feit dat de ongelakte versie van de LSA van 26 december 2024 uiteindelijk (na herhaaldelijk aandringen van de Licentiecommissie) (pas) op 13 juni 2025 - dus ná de hoorzitting bij de Licentiecommissie van 10 juni 2025 - alsnog ter beschikking was gekomen (en aan de Licentiecommissie was gestuurd), zou afdoen aan de ernst of het gewicht van de in rov. 4.51-4.52 vastgestelde (ernstige) tekortkomingen en/of zou meebrengen/eraan zou bijdragen dat onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet (meer) gerechtvaardigd was. Want blijkens rov. 4.51-4.52 was het reeds vanaf eind december 2024 aan Vitesse en de bij Vitesse betrokken partijen om zeker te stellen dat zij over voldoende informatie (met name ook de ongelakte LSA) beschikten om een weloverwogen beslissing te nemen over het al dan niet goedkeuren van de beoogde transactie en is Vitesse ernstig tekortgeschoten in haar daarop betrekking hebbende onderzoeks- en informatieplicht als bedoeld in art. 6 Licentiereglement.
“Het voorgaande geldt te meer” nu - zoals de KNVB ook heeft gesteld - [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , die als (vertegenwoordigers van twee van de vijf) beoogd(e) aandeelhouder(s) beschikten over de LSA, vanaf 13 februari 2025 bestuurder respectievelijk commissaris werden van Vitesse, zodat Vitesse vanaf die datum wel over de LSA beschikte, althans hun kennis aan Vitesse moest worden toegerekend (in de risicosfeer van Vitesse viel) en (de inhoud van) de LSA in die zin al vanaf die datum ter beschikking van Vitesse was gekomen. Voor zover het hof in rov. 4.53 en/of rov. 4.49 anders heeft geoordeeld, zijn die oordelen onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen van de KNVB en/of getuigen die oordelen van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de toerekening van kennis van een bestuurder en/of commissaris aan de rechtspersoon.
Behandeling
Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Eerst de klacht onder 4.77.1 hiervoor.
In rov. 4.53 van het arrest overweegt het hof als volgt:
Daarbij past de kanttekening dat de stand van zaken ten tijde van het intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie (10 juli 2025) en het besluit van de Beroepscommissie (31 juli 2025) materieel ten goede was gekeerd, mede door inspanningen van Vitesse zelf. De ongelakte versie van de LSA was op 13 juni 2025 alsnog ter beschikking gekomen. [betrokkene 3] was op 10 juni 2025 als commissaris teruggetreden en [betrokkene 2] was op 24 juli 2025 als bestuurder teruggetreden. Vitesse heeft de Licentiecommissie op 15 juni en 17 juni 2025 geïnformeerd over de voorgenomen aandelenoverdracht door de vijf aandeelhouders aan Sterkhouders B.V., wat resulteerde in de verkoopovereenkomst van 20 juni 2025 (zoals hierna onder “Koopovereenkomst Sterkhouders” verder uiteengezet).
Hieruit blijkt dat het bestreden oordeel niet de inhoud of strekking heeft die de klacht eraan toekent, ondanks het gebruik in de klacht van het woord “klaarblijkelijk”. De kanttekening die het hof hier plaatst, is dat de stand van zaken ten tijde van het intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie (10 juli 2025) en het besluit van de Beroepscommissie (31 juli 2025) materieel ten goede was gekeerd, mede door inspanningen van Vitesse zelf. Een onderdeel van die bredere ontwikkeling, welke ontwikkeling het hof hier dus als geheel in relativerende zin betrekt, is de omstandigheid dat de ongelakte versie van de LSA op 13 juni 2025 alsnog ter beschikking was gekomen. Het is derhalve niet zo, anders dan de klacht wil, dat het hof aan die omstandigheid als zodanig een relativerende betekenis toekent als bedoeld in de klacht. De klacht strandt daarmee reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
Tot slot de klacht onder 4.77.2 hiervoor.
Voor zover de klacht voortbouwt op de klacht onder 4.77.1 hiervoor, die dus faalt, deelt zij in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting. Ook overigens mist de klacht doel. Ik licht toe.
In rov. 4.53 van het arrest is voor het hof niet relevant of Vitesse vanaf 13 februari 2025, al dan niet via toerekening van kennis van een functionaris, beschikte over (de inhoud van) de LSA. Het hof betrekt daar, als een omstandigheid van voornoemde bredere ontwikkeling, dat de ongelakte versie van de LSA op 13 juni 2025 alsnog ter beschikking was gekomen (dus van de Licentiecommissie, en daarmee van de KNVB). In rov. 4.53 laat het hof zich dus niet erover uit of het zo is dat Vitesse vanaf 13 februari 2025, al dan niet via toerekening van kennis van een functionaris, beschikte over (de inhoud van) de LSA. Dit betekent dat het door de klacht veronderstelde oordeel van het hof in rov. 4.53 in werkelijkheid niet aan de orde is. Dit betekent weer dat de klacht in zoverre feitelijke grondslag in het arrest ontbeert.
Wat betreft rov. 4.49 gaat het de klacht om ’s hofs vaststelling in rov. 4.49, derde zin dat Vitesse “aanvankelijk niet [beschikte] over deze overeenkomst (…)”, dat wil zeggen: de LSA, die dateert van 26 december 2024. Daarmee brengt het hof niet meer of anders tot uitdrukking dan dat Vitesse, te onderscheiden van een partij bij de LSA, aanvankelijk niet beschikte over de LSA. Ik lees hierin niet een oordeel van het hof zoals verondersteld door de klacht. Dat verrast ook niet. Zoomen we uit, dan wordt zichtbaar dat rov. 4.49 onderdeel is van ’s hofs opmaat naar diens oordeel in rov. 4.51 en vervolgens rov. 4.52, waar het hof temporeel aanknoopt bij “eind december 2024”. Aldus dat er toen, dus eind december 2024, “alle reden voor Vitesse [was] om bij Common Group aan te dringen op volledige transparantie over de leningverkoop en conversie, alvorens de vereiste goedkeuringen aan conversie zouden worden verleend.” Dit betekent dat de klacht ook in zoverre feitelijke grondslag in het arrest ontbeert.
Sub-subonderdeel 2.3.3 stelt dat zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet valt in te zien dat, en waarom, het in rov. 4.53 van het arrest genoemde terugtreden van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] en het verstrekken van informatie aan de Licentiecommissie over de voorgenomen aandelenoverdracht, wat resulteerde in de verkoopovereenkomst van 20 juni 2025, (voldoende) relevant zouden zijn voor de weging van, en (voldoende) te maken zouden hebben met, de in rov. 4.51-4.52 vastgestelde tekortkomingen, en wel zodanig dat zij aan de ernst of het gewicht ervan zouden afdoen en/of zouden meebrengen/eraan zouden bijdragen dat onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet (meer) gerechtvaardigd was.
Behandeling
Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Zij legt niet uit waarom het bestreden oordeel onvoldoende gemotiveerd is en voldoet daarom niet aan de vereisten van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Dit is al fataal.
Overigens zijn de door het hof genoemde omstandigheden waarop het sub-subonderdeel wijst, dienend aan de “kanttekening” in rov. 4.53 van het arrest dat de stand van zaken ten tijde van het intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie (10 juli 2025) en het besluit van de Beroepscommissie (31 juli 2025) materieel ten goede was gekeerd, mede door inspanningen van Vitesse zelf. Met dat “materieel ten goede gekeerd” bedoelt het hof immers dat een beweging was ingezet - mede door inspanningen van Vitesse zelf - waarmee de problematische gang van zaken rond de leningverkoop, de conversie en het (niet tijdig) verschaffen van de LSA, waarop het hof concluderend ingaat in rov. 4.51-4.52, achterhaald raakte. Dit schraagt het hof door in het vervolg van rov. 4.53 erop te wijzen dat de ongelakte versie van de LSA op 13 juni 2025 alsnog ter beschikking was gekomen. Dat twee personen tevens indirect partijen bij de LSA die bestuurder respectievelijk commissaris waren geworden van Vitesse, op 24 juli 2025 respectievelijk 13 juni 2025 waren teruggetreden uit die functies. En dat er een nieuwe constructie werd opgetuigd, resulterend in de verkoopovereenkomst van 20 juni 2025, met Sterkhouders Vitesse Arnhem B.V. (hierna: Sterkhouders B.V.) als aandeelhouder in plaats van partijen bij de LSA. Dit is geenszins onbegrijpelijk.
Sub-subonderdeel 2.3.4 bevat, kort samengevat, het volgende. Het klaarblijkelijke oordeel in rov. 4.54, eerste zin van het arrest dat het feit dat de Licentiecommissie Vitesse voorafgaand aan het intrekkingsbesluit al twee sancties had opgelegd wegens het niet (alsnog) toesturen van de LSA, zou afdoen aan de in rov. 4.51-4.52 vastgestelde tekortkomingen van Vitesse en/of zou meebrengen/eraan zou bijdragen dat onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet (meer) gerechtvaardigd is, is onbegrijpelijk om de in “onderdeel 2.1.1” genoemde redenen. Dit oordeel wordt des te onbegrijpelijker door ’s hofs vaststelling in rov. 4.54, tweede zin dat de door Vitesse aangetekende beroepen tegen die sancties zijn afgewezen.
Behandeling
Het sub-subonderdeel behelst een op het bestreden oordeel toegespitste herhaling van zetten uit subonderdeel 2.1 (sub-subonderdeel 2.1.1), dat dus faalt. Het onderhavige sub-subonderdeel strandt op diezelfde klip. Zie nader onder 4.31-4.39 hiervoor. Dit wordt niet anders door ’s hofs vaststelling in rov. 4.54, tweede zin van het arrest. Dat die vaststelling feitelijk onjuist zou zijn, betoogt het sub-subonderdeel niet. Die vaststelling bevestigt dat Vitesse, gezien die sancties (waartegen dus wel beroep is ingesteld, maar zonder succes), voor het niet toesturen van de LSA niet ongestraft is gebleven. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Sub-subonderdeel 2.3.5 stelt dat het oordeel in rov. 4.55 van het arrest omtrent het verdedigingsbeginsel en hetgeen daaruit voortvloeit onbegrijpelijk is en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Dit werkt het sub-subonderdeel uit met, kort samengevat, de volgende klachten.
Het hof doelt in rov. 4.55 “kennelijk” op de stellingname en het verweer van Vitesse in de procedures bij de Licentiecommissie (die hebben geleid tot de twee sancties die aan haar zijn opgelegd op 8 en 17 april 2025 wegens het niet toesturen van de LSA), en in de daaropvolgende procedure bij de Beroepscommissie (die Vitesse’s beroepen tegen die twee sancties op 7 juli 2025 afwees, zie rov. 4.54), dat Vitesse op grond van het Licentiereglement niet gehouden was de LSA te overleggen. Op zichzelf is juist en logisch dat die stellingname van Vitesse in die procedures vóór 7 juli 2025 niet betekent dat Vitesse (ook) vanaf die datum (“ná 7 juli 2025”) geen inzicht heeft getoond in de door het hof bedoelde nalatigheid van haar handelen. Niet valt echter in te zien waarom dit van belang zou zijn, in die zin dat het - zoals het hof “klaarblijkelijk” oordeelt - aan de ernst of het gewicht van de in rov. 4.51-4.52 vastgestelde tekortkomingen van Vitesse zou afdoen en/of zou meebrengen/eraan zou bijdragen dat onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet (meer) gerechtvaardigd is.
“Dit geldt te meer” nu Vitesse - zoals de KNVB ook heeft gesteld - in weerwil van de afwijzing door de Beroepscommissie op 7 juli 2025 van de beroepen van Vitesse tegen die twee sancties, ook in de latere procedure bij de Beroepscommissie over de intrekking van de licentie en zelfs tot in de onderhavige kortgedingprocedure (eerste aanleg en hoger beroep) heeft volhard in die stellingname, “en in zoverre dus ook” na 7 juli 2005, en zelfs tot op heden, geen inzicht heeft getoond in voornoemde nalatigheid van haar handelen. Het hof heeft deze essentiële stelling ten onrechte niet (kenbaar) betrokken in het bestreden oordeel.
Indien en voor zover het hof “met zijn oordeel in de laatste volzin van rov. 4.55” het oog heeft op de bereidheid van Vitesse zich te committeren nadat zij in het ongelijk was gesteld over haar verweer dat zij de LSA niet hoefde te overleggen, dus vanaf 7 juli 2025 (“dus ná 7 juli 2025”), zijn de klachten onder 4.87.1-4.87.2 hiervoor van (overeenkomstige) toepassing.
Indien en voor zover het hof met “dat oordeel” het oog heeft op de bereidheid van Vitesse zich te committeren vóór 7 juli 2025, valt niet in te zien waarom uit de bedoelde procedurele stellingname niet (zonder meer) kan worden afgeleid dat Vitesse toen niet bereid was zich te committeren aan de verplichtingen uit het Licentiereglement.
“Dat het ‘verdedigingsbeginsel’ daarvoor grond zou vormen”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent dit beginsel en hetgeen daaruit voortvloeit, althans is zonder nadere motivering (die ontbreekt) onbegrijpelijk.
Behandeling
Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
In het bestreden oordeel overweegt het hof als volgt:
Daarbij is verder van belang dat de stellingname van Vitesse in de procedures bij de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in het kader van haar verweer dat zij de LSA niet hoefde te overleggen niet betekent dat zij, nadat zij daarover in het ongelijk is gesteld, geen inzicht heeft getoond in de nalatigheid van haar handelen in verband met het voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit (de doelstellingen van) het Licentiesysteem. Op grond van het verdedigingsbeginsel kan uit die procedurele stellingname, waarbij zij verweer heeft gevoerd tegen de opgelegde sancties, niet (zonder meer) worden vastgesteld dat Vitesse niet bereid was zich te committeren aan de verplichtingen die voortvloeien uit het Licentiereglement.
Eerst de klacht onder 4.87.1 hiervoor.
De klacht veronderstelt (i) dat het hof in het bestreden oordeel, specifiek in rov. 4.55, eerste zin van het arrest, met “de stellingname van Vitesse in de procedures bij de Licentiecommissie en de Beroepscommissie”, etc. doelt op Vitesse’s stellingname in de procedures bij deze commissies vóór 7 juli 2025 (dus in de in rov. 4.54 genoemde procedures bij deze commissies, die zijn uitgemond in de afwijzing door de Beroepscommissie van Vitesse’s beroepen op 7 juli 2025, hierna gezamenlijk: de eerdere procedures). En in het verlengde daarvan (ii) dat het hof aldus in rov. 4.55, eerste zin een temporele ‘knip’ zet tussen vóór en vanaf 7 juli 2025, waarbij alleen vóór die datum sprake is van die stellingname van Vitesse.
Dit klopt niet. Het hof doelt daarmee immers op Vitesse’s - tot bij het hof gehandhaafde - stellingname in de procedures bij de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in de onderhavige zaak, oftewel de procedures bij deze commissies die hebben geleid tot de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025. Dat is iets anders dan de klacht ervan maakt.
Dit vindt ook steun in het p-v. Ik citeer uit p. 17 daarvan:
Voorzitter:Tot zover over het verstrekken van de LSA. Na de nodige discussie is eerst een gelakte versie van de LSA verstrekt. In de gelakte versie stonden geen bedragen en percentages. De Licentiecommissie nam daarmee geen genoegen en wilde de ongelakte versie zien. Die is uiteindelijk op 13 juni 2025 verstrekt.
Mr. Van Drunen [advocaat van Vitesse, A-G]:Dat was een maand vóór de intrekking van de licentie door de Licentiecommissie.
Voorzitter:Dat gebeurde dus vóór het besluit van de Licentiecommissie. Er zijn sancties opgelegd vanwege deze gang van zaken, waartegen Vitesse beroep heeft ingesteld. Ook in de procedures over de intrekking van de licentie heeft Vitesse zich tegen de verwijten op dit punt verweerd. Vitesse heeft zich steeds verweerd door te zeggen dat er geen verplichting bestond om de LSA te overleggen. Vitesse heeft daarin uiteindelijk geen gelijk gekregen van de Beroepscommissie. De Beroepscommissie verbindt daaraan de conclusie: Vitesse begrijpt het nog steeds niet. Nu gaat het hierbij om het innemen van een standpunt in een procedure, in dit geval: een verenigingsrechtelijke procedure. Daarin kun je gelijk krijgen of niet. Maar kun je uit het feit dat je in een procedure een bepaald standpunt verdedigt conclusies trekken over loyaliteit en over de bereidheid om je aan de geldende verplichtingen te houden? Daar wordt ook wel kritisch tegenaan gekeken, ook vanuit het verdedigingsperspectief. Als je een bepaald standpunt niet meer kunt innemen in een procedure, omdat je een gebrek aan loyaliteit kan worden verweten als je ongelijk krijgt, dan word je in een moeilijke spagaat gebracht. Hoe ziet u dat?
Het gaat het hof in het bestreden oordeel erom dat de enkele omstandigheid van de onder 4.90.2 hiervoor bedoelde stellingname niet ‘dus’ betekent dat Vitesse, nadat zij daarover in het ongelijk is ingesteld in de eerdere procedures, geen inzicht heeft getoond in de nalatigheid van haar handelen als bedoeld door het hof. Daarbij betrekt het hof - we zitten inmiddels in rov. 4.55, laatste zin - het verdedigingsbeginsel: op grond daarvan kan “uit die procedurele stellingname van Vitesse” (dus als bedoeld onder 4.90.2 hiervoor), “waarbij zij verweer heeft gevoerd tegen de opgelegde sancties” (dus de aan haar opgelegde sancties in de eerdere procedures), nog niet worden vastgesteld dat Vitesse niet bereid was zich te committeren aan de verplichtingen die voortvloeien uit het Licentiereglement.
Daarmee betrekt en verwerpt het hof kenbaar de stelling van de KNVB waarop wordt gedoeld in de klacht onder 4.87.2 hiervoor. Kort en goed: het hof gaat gemotiveerd niet mee in dat door de KNVB voorgestane automatisme (“en in zoverre dus ook”, etc.). Dáártoe dient het bestreden oordeel.
Het voorgaande betekent dat de klacht reeds strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
Dan de klacht onder 4.87.2 hiervoor.
Zij loopt vast in het voetspoor van de klacht onder 4.87.1 hiervoor, die dus faalt.
Voor zover de klacht daarop voortbouwt, deelt zij in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Voor het overige volgt uit 4.90.2-4.90.5 hiervoor dat het hof in het bestreden oordeel de stelling van de KNVB waarop de klacht is gebaseerd kenbaar betrekt en verwerpt. Ook in zoverre ontbeert het sub-subonderdeel dus feitelijke grondslag in het arrest.
Dan de klacht onder 4.87.3 hiervoor.
Zij komt neer op een herhaling van de klachten onder 4.87.1-4.87.2, maar dan uitgaande van en toegespitst op rov. 4.55, laatste zin. De klacht deelt in het lot van de vorige twee klachten, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Dan de klacht onder 4.87.4 hiervoor.
Ook zij strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Zoals reeds volgt uit mijn bespreking van de klachten onder 4.87.1-4.87.3 hiervoor, heeft het hof met het bestreden oordeel niet het oog op de bereidheid van Vitesse zich te committeren vóór 7 juli 2025.
Tot slot de klacht onder 4.87.5 hiervoor.
De klacht behoeft geen bespreking, voor zover zij voortbouwt op een of meer van de klachten onder 4.87.1-4.87.4 hiervoor.
Ook voor het overige mist de klacht doel. Het hof doelt in rov. 4.55, tweede zin met de term “verdedigingsbeginsel” eenvoudigweg op het ook hier geldende fundamentele uitgangspunt dat eenieder die procedeert de kans moet krijgen zich behoorlijk te verdedigen. Dit laatste vergt mede - het ligt voor de hand - dat de desbetreffende partij een zekere vrijheid toekomt bij het vorm en inhoud geven aan zijn verdediging, wat dan niet moet worden doorkruist doordat aan daartoe gemaakte keuzes, zoals een ter verweer aangevoerd/gehandhaafd argument, al snel voor die partij nadelige consequenties te verbinden zijn. Zie ook onder 4.90.3 hiervoor. Het hof verliest dit niet uit het oog in het bestreden oordeel, waarover nader onder 4.90.2-4.90.5 hiervoor. Ik zie niet waarom dit onjuist of onbegrijpelijk zou zijn.
Sub-subonderdeel 2.3.6 stelt dat indien en voor zover rov. 4.53-4.55 van het arrest niet aldus zouden moeten worden gelezen dat “de drie bedoelde kanttekeningen” volgens het hof zouden afdoen aan de ernst of het gewicht van de in rov. 4.51-4.52 vastgestelde tekortkomingen van Vitesse en/of zouden meebrengen/eraan zouden bijdragen dat onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet (meer) gerechtvaardigd was, de oordelen van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn. Want dan heeft het hof onvoldoende duidelijk gemaakt wat dan wél de relevantie zou zijn van “de drie kanttekeningen” en welke gevolgen het hof precies aan “deze kanttekeningen” heeft verbonden voor diens beslissing.
Behandeling
Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Zij mist feitelijke grondslag in het arrest wat betreft rov. 4.53-4.54. Dit volgt uit mijn bespreking van de sub-subonderdelen 2.3.2-2.3.4 hiervoor en behoeft geen verdere toelichting.
Het sub-subonderdeel loopt ook vast wat betreft rov. 4.55, waar het hof overigens niet rept van een “kanttekening” (wel in rov. 4.53-4.54). Naar reeds volgt uit mijn bespreking van sub-subonderdeel 2.3.5 hiervoor, maakt het hof met rov. 4.55 immers wel voldoende duidelijk wat de betekenis is van hetgeen het daar oordeelt.
Subonderdeel 2.4 (“Beoogde overname van zeggenschap door Sterkhouders B.V. en Herinrichtingsplan 2025 (‘de actuele ontwikkelingen rond Vitesse’)”) vangt aan met een inleiding zonder klacht. Wel volgt uit de inleiding dat het subonderdeel de pijlen richt op rov. 4.56-4.68 van het arrest, alwaar het hof, kort samengevat, de gang van zaken beschrijft omtrent de koop van de aandelen-Vitesse door Sterkhouders B.V. en de beoordeling daarvan door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in de besluiten van 10 en 31 juli 2025.
Sub-subonderdeel 2.4.1 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
Voor zover de oordelen in rov. 4.64-4.68 van het arrest betrekking hebben op het Herinrichtingsplan 2025 - een van de door het hof bedoelde “actuele ontwikkelingen rond Vitesse” - in relatie tot de besluitvorming door de Licentiecommissie, zijn die oordelen reeds onbegrijpelijk op grond van het enkele feit dat het Herinrichtingsplan 2025 dateert van 23 juli 2025, dus van bijna twee weken na het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025, zoals de KNVB ook heeft gesteld. Die oordelen getuigen in zoverre ook van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof daarmee miskent dat de toetsing door het hof moet plaatsvinden naar de toestand ten tijde van het besluit en het betrokken orgaan (hier de Licentiecommissie) met feiten en omstandigheden van daarna geen rekening heeft kunnen houden.
Aansluitend wordt opgemerkt (en geklaagd?) dat waar het hof in rov. 4.64 spreekt van overwegingen in het besluit van de Licentiecommissie over “deze ontwikkelingen”, die “gelet op het voorgaande” (zie de klacht onder 4.98.1 hiervoor) logischerwijs geen betrekking kunnen hebben op het Herinrichtingsplan 2025.
Vervolgens wordt geklaagd dat, waar het hof in rov. 4.65 overweegt dat Vitesse de door het hof bedoelde bereidheid tegenover de Licentiecommissie heeft getoond door middel van het Herinrichtingsplan 2025 en het voorleggen daarvan aan de Licentiecommissie, dat onbegrijpelijk is omdat Vitesse dat plan niet aan de Licentiecommissie heeft voorgelegd voordat zij het besluit van 10 juli 2025 nam (maar aan de Beroepscommissie, op 23 juli 2025).
Het sub-subonderdeel vervolgt met nog drie alinea’s aan klachten die alle tot uitgangspunt nemen dat de oordelen in rov. 4.64-4.68 (mede) betrekking hebben op het Herinrichtingsplan 2025 in relatie tot voornoemde besluitvorming door de Licentiecommissie.
Behandeling
Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
De klachten onder 4.98.1-4.98.4 hiervoor lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij stranden alle reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Ik licht toe.
Het hof overweegt in rov. 4.65 in de context van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 inderdaad dat Vitesse “die bereidheid” (namelijk om te functioneren binnen de kaders van het licentiesysteem en het problematische verleden achter zich te houden) tegenover de Licentiecommissie (en de Beroepscommissie) wel heeft getoond, “door middel van de beoogde zeggenschapsverkrijging door Sterkhouders B.V. en het Herinrichtingsplan 2025 en het voorleggen daarvan aan de Licentiecommissie.” Dit laatste roept mogelijk vragen op, omdat het Herinrichtingsplan 2025 inderdaad nooit is voorgelegd aan de Licentiecommissie, want door Vitesse eerst bij aanvullend beroepschrift van 23 juli 2025 aan de Beroepscommissie is voorgelegd.
Echter, m.i. dient, gelet op (a) het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 en (b) ’s hofs uiteenzettingen in rov. 4.66-4.68, het arrest aldus te worden gelezen dat het hof met het woordje “daarvan” in het citaat onder 4.99.2 hiervoor doelt op het voorleggen van de beoogde zeggenschapsverkrijging door Sterkhouders B.V. aan de Licentiecommissie (en dus niet (ook) op het voorleggen van het Herinrichtingsplan 2025 aan de Licentiecommissie). Dat zit zo.
Om te beginnen met (a). De Licentiecommissie heeft in ieder geval per e-mail van 17 juni 2025 kennisgenomen van de beoogde zeggenschapsverkrijging door Sterkhouders B.V. De Licentiecommissie benoemt dit ook uitdrukkelijk in haar besluit van 10 juli 2025.
Verder volgt uit (b) dat het hof het de Beroepscommissie aanrekent dat zij de beoogde overdracht van de Vitesse-aandelen aan Sterkhouders B.V. én het Herinrichtingsplan 2025 buiten beschouwing heeft gelaten. In rov. 4.66 overweegt het hof immers dat Vitesse op 23 juli 2025 over die beoogde overdracht en dit plan een aanvullend beroepschrift met bijlagen aan de Beroepscommissie heeft gestuurd. Het hof laat onder meer hiermee zien te onderkennen dat de Licentiecommissie geen kennis heeft kunnen nemen van het Herinrichtingsplan 2025. Vervolgens, in rov. 4.67, overweegt het hof dat de Beroepscommissie bij haar besluit van 31 juli 2025 die beoogde overdracht en dit plan buiten beschouwing heeft gelaten. Tot slot, in rov. 4.68, overweegt het hof onder meer dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie:
de actuele ontwikkelingen rond Vitesse (met name de beoogde overname van zeggenschap door Sterkhouders B.V. en het Herinrichtingsplan 2025) in die besluitvorming buiten beschouwing hebben gelaten, hoewel Vitesse de KNVB respectievelijk de Licentiecommissie en de Beroepscommissie daarover uitvoerig op de hoogte heeft gehouden en hen daarbij heeft willen betrekken.
Gelet op de hieraan voorafgaande rov. 4.66-4.67 dient dit citaat zo te worden uitgelegd dat het hof met het benoemen van het Herinrichtingsplan 2025 als “actuele ontwikkeling” erop doelt dat de Beroepscommissie (en niet (ook) de Licentiecommissie) dit buiten beschouwing heeft gelaten.
Uit het voorgaande volgt dat de overwegingen van het hof in rov. 4.64-4.68, anders dan het sub-subonderdeel tot uitgangspunt neemt, niet (mede) betrekking hebben op het Herinrichtingsplan 2025 in relatie tot de besluitvorming door de Licentiecommissie. Die overwegingen moeten zo worden verstaan dat het hof het Herinrichtingsplan 2025 alleen betrekt in relatie tot de besluitvorming door de Beroepscommissie.
4.100 Overigens nog dit. Het sub-subonderdeel wordt gevolgd door de opmerking (in een ingesprongen tekstblok achter “N.B.”) dat in de sub-subonderdelen 2.4.2-2.4.7 gemakshalve wordt gesproken van “de actuele ontwikkelingen” en geen onderscheid wordt gemaakt tussen de beoogde overname van zeggenschap door Sterkhouders B.V. en het Herinrichtingsplan 2025. Ook wordt opgemerkt dat indien sub-subonderdeel 2.4.1 slaagt, in de sub-subonderdelen 2.4.2-2.4.7 niet het Herinrichtingsplan 2025 moet worden verstaan onder die actuele ontwikkelingen. Nu sub-subonderdeel 2.4.1 faalt, ga ik ervan uit dat in de sub-subonderdelen 2.4.2-2.4.7 met actuele ontwikkelingen ook het Herinrichtingsplan 2025 wordt bedoeld.
4.101 Sub-subonderdeel 2.4.2 stelt, kort samengevat, dat het oordeel in rov. 4.68 van het arrest dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie de actuele ontwikkelingen buiten beschouwing hebben gelaten in de besluitvorming over intrekking van de licentie, onbegrijpelijk is in het licht van de inhoud van die besluiten en hetgeen de KNVB daarover heeft gesteld. De inhoud van die besluiten laat geen andere conclusie toe dan dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie die actuele ontwikkelingen wél in beschouwing hebben genomen (in hun besluitvorming hebben betrokken). Zij hebben die ontwikkelingen echter zo beoordeeld en (af)gewogen dat deze niet tot een ander besluit hebben geleid dan tot intrekking van de licentie en ongegrondverklaring van het beroep daartegen. Ter onderbouwing verwijst het sub-subonderdeel naar nrs. 118-129 van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 en nr. 5.105 van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025.
Behandeling
4.102 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.103 Laat ik beginnen met de Beroepscommissie.
4.103.1 In rov. 4.67 van het arrest geeft het hof, vanaf de tweede zin, de overweging van de Beroepscommissie over de actuele ontwikkelingen in nr. 5.105 van haar besluit van 31 juli 2025 in totaliteit, zij het kort samengevat, weer. Daarmee legt het hof uit wat het bedoelt met de vaststelling in rov. 4.67, eerste zin dat de Beroepscommissie bij haar besluit over intrekking van de licentie de verkoop en beoogde overdracht van de Vitesse-aandelen aan Sterkhouders B.V. en het Herinrichtingsplan 2025 buiten beschouwing heeft gelaten. Het komt erop neer dat volgens het hof de Beroepscommissie in dit besluit die actuele ontwikkelingen hooguit stiefmoederlijk heeft behandeld, want niet daadwerkelijk heeft geïntegreerd in de totaalbeoordeling en zo het volle pond heeft gegeven voordat zij al met al een conclusie trok, maar veeleer heeft ‘weggeschreven’ als een nagekomen punt dat de reeds getrokken conclusie onverlet laat. Dit een en ander, waaraan het sub-subonderdeel voorbijgaat, is niet onbegrijpelijk.
4.103.2 In rov. 4.68 overweegt (en herhaalt) het hof vervolgens in het hier bestreden oordeel dat de Beroepscommissie de actuele ontwikkelingen buiten beschouwing heeft gelaten in haar besluitvorming, hoewel Vitesse de KNVB respectievelijk de Licentiecommissie en de Beroepscommissie daarover uitvoerig op de hoogte heeft gehouden en hen daarbij heeft willen betrekken. Dit terwijl die actuele ontwikkelingen wel door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in hun besluitvorming betrokken hadden moeten worden (dus: daarin niet slechts stiefmoederlijk behandeld hadden moeten worden), te meer omdat die besluitvorming betrekking had op de meest verstrekkende sanctie die op grond van het Licentiereglement kan worden opgelegd: de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse. Aldus weegt het hof die overweging van de Beroepscommissie mee, waarover dus reeds rov. 4.67.
4.103.3 Het sub-subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat het hof in het bestreden oordeel niet onderkent dat de Beroepscommissie in nr. 5.105 van haar besluit van 31 juli 2025 “overweegt dat, en waarom, de bedoelde ontwikkelingen niet afdoen aan de (in het voorgaande uitvoerig onderbouwde) conclusie dat de veranderingen in het patroon waarop telkens werd gerekend, zich niet hebben gerealiseerd en het negatieve patroon zich heeft voortgezet.” Die lezing wordt evenwel gelogenstraft door rov. 4.67-4.68, zo volgt uit 4.103.1-4.103.2 hiervoor. Bovendien is wat het hof daar doet inzake de Beroepscommissie dus niet onbegrijpelijk.
4.104 Tot slot de Licentiecommissie.
4.104.1 Voor zover het sub-subonderdeel ziet op het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 geldt dat, zoals uiteengezet bij mijn bespreking van sub-subonderdeel 2.4.1 hiervoor, zij wat betreft de actuele ontwikkelingen alleen de beoogde overdracht van de Vitesse-aandelen aan Sterkhouders B.V. kon meenemen.
4.104.2 De Licentiecommissie oordeelt in nr. 129 van dit besluit, zoals het sub-subonderdeel ook aanhaalt, “derhalve dat de omstandigheden die naar voren zijn gebracht tijdens en na de Hoorzitting niet leiden tot een ander besluit dan het onderhavige Besluit tot intrekking van de licentie van uw BVO”. In de daaraan voorafgaande overwegingen staat onder meer, kort samengevat, het volgende.
- Vitesse heeft per e-mails van 15 en 17 juni 2025, dus na de hoorzitting van 10 juni 2025, aangegeven dat “de Sterkhouders” in twee tranches de aandelen willen overnemen en op 15 juni 2025 Sterkhouders B.V. hebben opgericht (nr. 118).
- Vitesse heeft per e-mails van 19 en 21 juni 2025 aangegeven dat er koopovereenkomsten (“SPA’s”) zijn gesloten met de vijf aandeelhouders op grond waarvan het volledige aandelenbelang in Vitesse, op het gouden aandeel na, is verkocht aan “de Sterkhouders” (nrs. 119-120).
- Vitesse heeft per die e-mail van 21 juni 2025 ook de Licentiecommissie verzocht om in gesprek te gaan over “deze relevante nieuwe ontwikkelingen” (nr. 120).
- Vitesse heeft per e-mail van 25 juni 2025 aangegeven dat bij het verzoek wijziging zeggenschap duidelijk zal worden gemaakt wie de overige aandeelhouders van Sterkhouders B.V. (“SVA”) zullen zijn (naast “ [betrokkene 1] via zijn vennootschappen”) en dat dit allemaal lokale partijen zullen zijn, waaronder/onder wie “de Sterkhouders” (nr. 122).
- De Licentiecommissie heeft per e-mail van 26 juni 2025 aangegeven dat zij op dit moment geen aanleiding ziet met Vitesse in gesprek te gaan (nr. 124).
- Vitesse heeft per brief van 1 juli 2025 aangegeven dat Compliability B.V. inmiddels is ingeschakeld in verband met het verzoek wijziging zeggenschap, wat de namen zijn van de entiteiten en daaraan gelieerde personen aan wie Sterkhouders B.V. (“SVA”) op korte termijn aandelen zal uitgeven, en dat Vitesse voornemens is bepaalde personen te benoemen als commissarissen (nr. 125).
- Vitesse heeft per brief van 8 juli 2025 documenten verstrekt waaruit blijkt dat door de vijf aandeelhouders hun Vitesse-aandelen al zijn of zullen worden overgedragen aan Sterkhouders B.V. (“SVA”) (nr. 126).
- De Licentiecommissie constateert in deze context dat de gebeurtenissen reeds sinds het seizoen 2022/23 ernstige risico’s opleveren voor de continuïteit en integriteit van de competities betaald voetbal, dat voorts de Licentiecommissie Vitesse bij besluit van 19 april 2024 reeds een laatste kans heeft gegeven, en dat Vitesse naar oordeel van de Licentiecommissie (haar onderzoeksplicht op basis van) “het Herstructureringsplan” niet heeft nageleefd en haar laatste kans heeft verspeeld (nr. 127).
- De Licentiecommissie voegt daaraan toe dat, zelfs al zou zij bereid zijn Vitesse nog een kans te geven, het onwaarschijnlijk is dat de procedure met betrekking tot de voorgenomen wijziging van zeggenschap van Vitesse binnen enkele weken zal worden afgerond. Daardoor zou voor de start van het nieuwe seizoen geen duidelijkheid kunnen bestaan over de goedkeuring of afwijzing van de voorgenomen aandelenoverdracht van Vitesse (nr. 128).
4.104.3 In rov. 4.64 citeert het hof uit die nrs. 124 en 128 (te lezen in samenhang met nr. 127), om te laten zien wat de Licentiecommissie in haar besluit van 10 juli 2025 onder andere heeft overwogen over de beoogde overdracht van de Vitesse-aandelen aan Sterkhouders B.V. en het verzoek van Vitesse om overleg daarover met de Licentiecommissie. In rov. 4.65 voegt het hof daaraan toe dat niet klopt wat de Licentiecommissie in nr. 193 van dit besluit heeft overwogen, namelijk dat:
uit al het bovenstaande [volgt] dat niets erop wijst dat uw BVO [Vitesse, A-G] nog binnen de kaders van het licentiesysteem zal kunnen (en willen) functioneren en haar problematische verleden definitief van zich af kan schudden.
Want, kort gezegd: Vitesse heeft die bereidheid tegenover de Licentiecommissie wél getoond, door middel van die beoogde overdracht en het voorleggen daarvan aan de Licentiecommissie. Op dit een en ander doelt het hof vervolgens in rov. 4.68, waar het overweegt dat naar diens voorlopige oordeel “uit het voorgaande [blijkt]” dat de Licentiecommissie in haar besluit van 10 juli 2025 actuele ontwikkelingen rond Vitesse, met name die beoogde overdracht, in de besluitvorming buiten beschouwing heeft gelaten (terwijl dit wel in die besluitvorming betrokken had moeten worden). Het draait hier in wezen om hetzelfde euvel van de stiefmoederlijke behandeling als bedoeld onder 4.103.1-4.103.2 hiervoor (maar dan alleen wat betreft die beoogde overdracht, want zie mede onder 4.104.1 hiervoor). Ook dit is niet onbegrijpelijk.
4.104.4 Anders dan het sub-subonderdeel wil, met voorbijgaan aan rov. 4.64-4.65, onderkent het hof in het bestreden oordeel dus wel wat de Licentiecommissie doet in nrs. 118-129 van haar besluit van 10 juli 2025. Bovendien is wat het hof daar doet inzake de Licentiecommissie dus niet onbegrijpelijk.
4.105 Het voorgaande wordt niet anders door de vindplaatsen in de gedingstukken waarop het sub-subonderdeel wijst. Ik zie daarin geen concrete stelling staan die het bestreden oordeel (alsnog) onbegrijpelijk zou maken. Het sub-subonderdeel noemt ook geen concrete stellingen in dit verband, los van de enkele opmerking in noot 62 van de procesinleiding, kennelijk ten overvloede, dat ter mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter:
door de KNVB ook (onder verwijzing naar een verklaring van de voorzitter van de LC) [is] uiteengezet dat het verzoek wijziging zeggenschap van 23 juli 2025 onvolledig is, niet in overeenstemming is met de Richtlijn wijziging zeggenschap en daarom niet door de LC in behandeling kan worden genomen.
Ik zie niet hoe op basis daarvan, waarbij bovendien geen enkele relatie wordt gelegd met de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025, het sub-subonderdeel toch nog doel zou kunnen treffen.
4.106 Sub-subonderdeel 2.4.3 stelt, kort samengevat, dat voor zover het oordeel in rov. 4.68 en 4.67 van het arrest dat de Beroepscommissie de actuele ontwikkelingen buiten beschouwing heeft gelaten is gebaseerd op het door het hof in rov. 4.67 weergegeven deel van nr. 5.105 van het besluit van 31 juli 2025, dit ook onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd mede in het licht van wat de KNVB daarover heeft gesteld. Reeds uit dit door het hof weergegeven deel van nr. 5.105 blijkt immers dat de Beroepscommissie de actuele ontwikkelingen wel degelijk in beschouwing heeft genomen. Dit geldt te meer als ook in ogenschouw wordt genomen het niet door het hof weergegeven deel van nr. 5.105, waar de Beroepscommissie onder meer betrekt dat veel aspecten van Vitesse’s plannen nog nader dienen te worden uitgewerkt en die plannen met tal van onzekerheden zijn omgeven.
Behandeling
4.107 Het sub-subonderdeel strandt in het voetspoor van sub-subonderdeel 2.4.2, dat dus faalt. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.108 Sub-subonderdeel 2.4.4 stelt, kort samengevat, dat voor zover het oordeel in rov. 4.68 van het arrest dat de Licentiecommissie de actuele ontwikkelingen buiten beschouwing heeft gelaten is gebaseerd op de door het hof in rov. 4.64 geciteerde passages, dit onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd gezien nrs. 118-129 (met name ook nr. 127) van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025.
Behandeling
4.109 Het sub-subonderdeel strandt in het voetspoor van sub-subonderdeel 2.4.2, dat dus faalt. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.110 Sub-subonderdeel 2.4.5 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.110.1 Het oordeel in rov. 4.65 van het arrest dat de door het hof geciteerde passage aan het slot van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 “in weerwil” zou zijn van de in rov. 4.64 geciteerde passages uit dit besluit, is onbegrijpelijk. Dat geldt in ieder geval voor zover in dat slot is overwogen dat niets erop wijst dat Vitesse nog binnen de kaders van het licentiesysteem zal kunnen functioneren en haar problematische verleden definitief van zich af kan schudden. Zelfs als de in rov. 4.64 geciteerde passages wel erop zouden wijzen dat Vitesse nog binnen de kaders van het licentiesysteem zou willen functioneren, wijzen die passages niet erop dat Vitesse dat ook zou kunnen en haar problematische verleden definitief van zich af zou kunnen schudden, zeker niet als de vele kansen die Vitesse in het verleden daartoe heeft gehad en verspeeld in ogenschouw worden genomen, zoals ook wordt gedaan in nr. 127 van dit besluit.
4.110.2 Overigens valt zonder nadere motivering (die ontbreekt) ook niet in te zien dat Vitesse de door het hof in rov. 4.65 bedoelde bereidheid zou hebben getoond door middel van de actuele ontwikkelingen, althans heeft het hof miskend dat de afweging en beoordeling of die ontwikkelingen (voldoende) op die bereidheid wijzen, vallen binnen de beleids- en beoordelingsruimte van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”
Behandeling
4.111 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.112 Eerst de klacht onder 4.110.1 hiervoor.
4.112.1 Met “deze overwegingen” in rov. 4.65, eerste zin van het arrest doelt het hof op de in rov. 4.64 geciteerde overwegingen uit nrs. 124 en 128 van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025, betreffende de actuele ontwikkelingen en Vitesse’s verzoek aan de Licentiecommissie om overleg daarover waarop het hof daarvóór in rov. 4.64 al wijst. Die ontwikkelingen en dat verzoek zien op de beoogde overdracht van de Vitesse-aandelen aan Sterkhouders B.V. Zie ook onder 4.104.3 hiervoor. Die nrs. 124 en 128 zijn onderdeel van nrs. 118-129 van dit besluit en ook te lezen in dit licht. Zie nader onder 4.104.2 hiervoor.
4.112.2 Met “in weerwil van” in rov. 4.65, eerste zin bedoelt het hof dat de in het vervolg van die eerste zin geciteerde passage in nr. 193 van voornoemde besluit wringt met die in rov. 4.64 geciteerde overwegingen, voor zover de Licentiecommissie met die passage voor ogen heeft dat werkelijk “niets” erop wijst - dus ook met inachtneming van die gang van zaken rond die beoogde overdracht - dat Vitesse, als het gaat om haar (voorgenomen) doen en laten, “nog binnen de kaders van het licentiesysteem zal kunnen (en willen) functioneren en haar problematische verleden definitief van zich af kan schudden.”
4.112.3 Dit is geenszins onbegrijpelijk. Want uit hetgeen de Licentiecommissie overweegt in nrs. 118-129 van voornoemde besluit (inclusief dus nr. 127) volgt eenvoudigweg niet dat die gang van zaken evenmin erop wijst - in termen van “niets” - dat Vitesse, als het gaat om haar (voorgenomen) doen en laten, nog binnen die kaders kan en wil functioneren en dat verleden definitief van zich kan afschudden. Integendeel, en dáárop wijst het hof in zoverre dan ook in het vervolg van rov. 4.65 (over, kortweg, die door Vitesse getoonde “bereidheid”, etc.). Zie wederom onder 4.104.2 hiervoor.
4.112.4 Iets anders is dat de Licentiecommissie Vitesse niet toelaat die route te bewandelen. In essentie omdat, wat betreft de Licentiecommissie, Vitesse haar laatste kans al heeft verspeeld (nr. 127 van voornoemde besluit). En: zelfs al zou de Licentiecommissie bereid zijn Vitesse nog een kans te geven, dan zou volgens de Licentiecommissie vóór de start van het nieuwe seizoen geen duidelijkheid kunnen bestaan over de goedkeuring of afwijzing van die beoogde overdracht (nr. 128 van dit besluit).
4.112.5 Hierop stuit de klacht af.
4.113 Tot slot de klacht onder 4.110.2 hiervoor.
4.113.1 De motiveringscomponent van de klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Want daar poneert zij enkel dat, zonder uit te leggen waarom, het hof het desbetreffende oordeel in rov. 4.65 van het arrest nog weer nader had motiveren. Dat dit laatste het geval zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien, te minder in het licht van mijn bespreking van de voorgaande klachten in subonderdeel 2.4.
4.113.2 De miskenningscomponent van de klacht bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van onderdeel 1, dat dus faalt. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.114 Sub-subonderdeel 2.4.6 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.114.1 Indien en voor zover het hof in rov. 4.68 van het arrest met zijn oordeel dat de actuele ontwikkelingen wel door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in hun besluitvorming betrokken hadden moeten worden, in wezen oordeelde dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie:
- die actuele (met onzekerheden omgeven) ontwikkelingen anders (namelijk positiever) hadden moeten beoordelen en (af)wegen (tegen het jarenlange patroon van overtredingen) dan zij hebben gedaan, en/of
- gelet op die actuele ontwikkelingen (nog) niet tot onvoorwaardelijke intrekking van de licentie hadden mogen overgaan c.q. het beroep daartegen (vooralsnog) gegrond hadden moeten verklaren of hadden moeten aanhouden (bijvoorbeeld totdat de procedures over zeggenschapswijziging zouden zijn afgerond),
heeft het hof de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf (marginale toetsing) en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist toegepast. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”
4.114.2 Hetzelfde geldt voor het oordeel in rov. 2.5 dat de actuele ontwikkelingen “onvoldoende” zijn meegenomen in de besluitvorming.
Behandeling
4.115 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.116 Eerst de klacht onder 4.114.1 hiervoor.
4.116.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Met het bestreden oordeel bedoelt het hof iets anders dan de klacht ervan maakt, namelijk - kort gezegd - dat die actuele ontwikkelingen door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in hun besluitvorming niet slechts stiefmoederlijk behandeld hadden moeten worden, te meer omdat die besluitvorming betrekking had op de meest verstrekkende sanctie die op grond van het Licentiereglement kan worden opgelegd: de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse. Zie nader onder 4.103.1-4.103.2 en 4.104.3 hiervoor.
4.116.2 De verwijzing in de klacht naar onderdeel 1 helpt haar niet, want dat onderdeel faalt dus. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.117 Tot slot de klacht onder 4.114.2 hiervoor.
4.117.1 Zij komt neer op een reprise van de klacht onder 4.114.1 hiervoor, maar dan gericht tegen een deel van ’s hofs samenvatting in rov. 2.5 van het arrest waarop het hof terugkomt in rov. 4.68. Het behoeft geen betoog dat het sub-subonderdeel hier hetzelfde lot treft als bij de klacht onder 4.114.1 hiervoor, die dus faalt.
4.118 Sub-subonderdeel 2.4.7 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.118.1 Het oordeel in rov. 4.68, laatste zin van het arrest dat het onder die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor de hand had gelegen dat de voortgang in - en urgentie van - de intrekkingsprocedure en de procedure over de zeggenschapswijziging op elkaar zouden worden afgestemd, bouwt voort op rov. 4.64-4.68, eerste drie zinnen, zodat de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.6 ook dit oordeel aantasten.
4.118.2 Ook met dit oordeel heeft het hof de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf (marginale toetsing) en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist toegepast. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.” Dat geldt te meer voor de Beroepscommissie gelet op haar aard (commissie die bij of krachtens de statuten of reglementen is belast met een rechtsprekende taak) en op de beleids- en beoordelingsruimte ten aanzien van de spoedeisendheid die art. 13 lid 8 en 11 lid 3 Licentiereglement haar bieden.
4.118.3 Het oordeel is ten slotte ook onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van het feit dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie er - met het oog op de doelstelling van het licentiesysteem - belang aan hebben gehecht dat voor de start van de competitie 2025/26 duidelijkheid zou bestaan over de intrekking van de licentie, terwijl de procedure over de zeggenschapswijziging niet voor die start afgerond zou kunnen worden, zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie ook onderbouwden. Het was daarom onmogelijk en in het licht van de doelstelling van het licentiesysteem in ieder geval onwenselijk dat de intrekkingsprocedure en de procedure over de zeggenschapswijziging gelijktijdig zouden worden afgerond, “zoals het hof kennelijk voor ogen heeft”.
Behandeling
4.119 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.120 Eerst de klacht onder 4.118.1 hiervoor.
4.120.1 Zij bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.6, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.121 Dan de klacht onder 4.118.2 hiervoor.
4.121.1 Zij komt neer op een herhaling van zetten in onderdeel 1, dat dus faalt. De klacht deelt derhalve in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.122 Tot slot de klacht onder 4.118.3 hiervoor.
4.122.1 Het hof relateert het bestreden oordeel aan de daarvóór in rov. 4.68 van het arrest betrokken omstandigheden (“Het had onder die omstandigheden”, etc.). Wat het hof uiteenzet in rov. 4.68, plaatst het blijkens de eerste zin daarvan weer tegen de achtergrond van “het voorgaande”. Tot dit voorgaande behoren weer mede rov. 4.64-4.65 en 4.67, waar het hof ingaat op de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025. In dit kader betrekt het hof ook nr. 128 van dit besluit van 10 juli 2025 (rov. 4.64) en nr. 5.105 van dit besluit van 31 juli 2025 (rov. 4.67), waarover mede onder 4.103.1 en 4.104.2 hiervoor.
4.122.2 Kortom, in het bestreden oordeel verdisconteert het hof ook het punt dat wordt aangesneden door de klacht onder verwijzing naar nr. 128 van dit besluit van 10 juli 2025 en nr. 5.105 van dit besluit van 31 juli 2025. Voor zover de klacht het arrest anders leest, mist zij feitelijke grondslag daarin. Voor zover de klacht dit niet uit het oog verliest, geldt dat niet valt in te zien dat, en de klacht ook niet uitlegt waarom, het bestreden oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zou zijn enkel vanwege voornoemde punt (dat het hof dus verdisconteert in het bestreden oordeel).
4.122.3 De uitkomst wordt niet anders als het vervolg van de klacht wordt betrokken. Want dit vervolg ontbeert feitelijke grondslag in het arrest. Het hof heeft nergens, ook niet in het bestreden oordeel, “voor ogen” dat de intrekkingsprocedure en de procedure over de zeggenschapswijziging “gelijktijdig zouden worden afgerond.” Het hof zegt in het bestreden oordeel wel dat het onder de daar bedoelde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor de hand had gelegen dat “de voortgang in - en urgentie van -” die procedures “op elkaar zouden worden afgestemd”, maar dit is iets anders, want laat meer ruimte dan enkel zo’n gelijktijdige afronding.
4.123 Sub-subonderdeel 2.4.8 stelt dat het oordeel in rov. 4.11 van het arrest is gebaseerd op rov. 4.56-4.67 en inhoudelijk volledig overeenkomt met rov. 4.68, eerste drie zinnen, zodat de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7 ook ‘s hofs oordeel in rov. 4.11 aantasten en/of daarop van overeenkomstige toepassing zijn.
Behandeling
4.124 Het sub-subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.125 Subonderdeel 2.5 (“Te laat informeren over e-mail Common Group d.d. 2 juli 2025”) vangt aan met een inleiding zonder klacht. Wel volgt uit de inleiding dat het subonderdeel is gericht tegen rov. 4.69-4.73 van het arrest waar het hof, kort samengevat, de gang van zaken rond de e-mail van 2 juli 2025 van Common Group aan Sterkhouders B.V. en het oordeel van de Beroepscommissie daarover beziet.
4.126 Sub-subonderdeel 2.5.1 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.126.1 Indien en voor zover het hof - met zijn overweging in rov. 4.69 van het arrest dat Common Group op 2 juli 2025 “Sterkhouders B.V.” aanschreef en/of in rov. 4.73 dat Common Group de e-mail van 2 juli 2025 “naar mr. Van Drunen heeft gestuurd in de veronderstelling dat hij de advocaat was van Sterkhouders B.V.” - ervan uitgaat dat die e-mail uitsluitend aan mr. Van Drunen was gericht en gestuurd, is dat een onbegrijpelijk uitgangspunt. De e-mail van 2 juli 2025 (met aanhef “Dear all”) is niet alleen gericht aan mr. Van Drunen (advocaat van Vitesse), maar ook aan mr. Berendsen (advocaat van de vijf aandeelhouders) en de heren [betrokkene 2] (toenmalig bestuurder van Vitesse) en [betrokkene 1] (van Sterkhouders B.V.).
4.126.2 De suggestie van het hof in rov. 4.73 dat er extra tijd gemoeid was met de advisering door mr. Hagen en/of het reageren door Sterkhouders B.V. richting Common Group, omdat Common Group de e-mail van 2 juli 2025 naar mr. Van Drunen had gestuurd in plaats van naar mr. Hagen, is (zo al relevant voor het verwijt aan Vitesse) onbegrijpelijk. Dit alleen al gezien het hiervoor vermelde feit dat die e-mail ook aan Sterkhouders B.V. (in de persoon van [betrokkene 1] ) was gericht en gestuurd, die deze direct kon doorsturen aan haar advocaat mr. Hagen.
Behandeling
4.127 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.128 Eerst de klacht onder 4.126.1 hiervoor.
4.128.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Nergens blijkt uit dat volgens het hof (in rov. 4.69 en/of 4.73) Common Group de e-mail van 2 juli 2025 “uitsluitend” heeft gericht en gestuurd aan mr. Van Drunen. Dat verbaast ook niet, want dit laatste is feitelijk ook niet het geval.
4.129 Tot slot de klacht onder 4.126.2 hiervoor.
4.129.1 Ook hier worden spijkers op laag water gezocht. De in rov. 4.73 van het arrest genoemde termijn van zes dagen, die het hof aanmerkt als een redelijke/niet buitensporige termijn, ziet op de periode van 2 juli 2025 (Common Group stuurt de e-mail) tot 8 juli 2025 (Sterkhouders B.V. reageert afwijzend richting Common Group). De tijd die ‘verloren’ is gegaan door het eerst moeten voorleggen van die e-mail van 2 juli 2025 aan mr. Hagen is hierbij dus inbegrepen. Dat moeten voorleggen van die e-mail stelt het hof wel vast als onderdeel van de feitelijke gang van zaken, maar kleurt als zodanig niet diens oordeel dat die termijn van zes dagen een redelijke/niet buitensporige is. Het hof rekent immers van het door Common Group versturen van die e-mail (2 juli 2025) tot de afwijzende reactie daarop van Sterkhouders B.V. (8 juli 2025), dus vanuit de totale termijn. Dit betekent dat het voor het oordeel van het hof geen verschil had gemaakt als die e-mail eerder aan mr. Hagen was voorgelegd - al dan niet via Sterkhouders B.V. ( [betrokkene 1] ) - dan feitelijk is gebeurd, en Sterkhouders B.V. wellicht eerder binnen die termijn afwijzend had gereageerd richting Common Group. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht.
4.130 Sub-subonderdeel 2.5.2 beslaat ruim drie bladzijden aan tekst (p. 28-31 van de procesinleiding). Zij is gericht tegen rov. 4.73 van het arrest en bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.130.1 Voor zover het hof bij het oordeel dat Vitesse heeft voldaan aan haar verplichting relevante informatie met een toelichting daarop aan de Licentiecommissie te verstrekken, (uitsluitend) verwijst naar art. 6 lid 3 Licentiereglement is dat oordeel onbegrijpelijk. Want de door het hof bedoelde verplichting is neergelegd in art. 6 lid 1-2, niet in art. 6 lid 3. Bovendien laat het hof daarbij ten onrechte weg dat die in lid 1-2 neergelegde verplichting mede inhoudt dat de relevante informatie met toelichting “onverwijld” moet worden verstrekt. Lid 3 bepaalt vervolgens slechts in aanvulling daarop dat de verstrekte informatie, kort gezegd, “juist en volledig dient te zijn”, etc.
4.130.2 De e-mail van 2 juli 2025 is ook gestuurd aan [betrokkene 2] , zodat vaststaat dat Vitesse direct kennis had van die e-mail. Terecht gaat het hof ervan uit dat die e-mail op de voet van art. 6 Licentiereglement verstrekt moest worden aan de Licentiecommissie. Onbegrijpelijk is echter “het (kennelijke) oordeel” van het hof dat Vitesse desondanks niet verplicht was die (mede aan haar gerichte en door haar ontvangen) e-mail - uit eigen beweging - direct op 2 juli 2025 (althans uiterlijk op 8 juli 2025) aan de Licentiecommissie te verstrekken, maar daarmee mocht wachten tot 9 juli 2025. Niet valt in te zien waarom de (eigen, zelfstandige) verplichting voor Vitesse die e-mail aan de KNVB en/of de Licentiecommissie en/of de Beroepscommissie te verstrekken, althans het tijdstip waarop aan die verplichting moet worden voldaan, afhankelijk zou zijn van de reactie die een derde (Sterkhouders B.V.) aan Common Group zou sturen, laat staan van de advisering van de advocaat van die derde (mr. Hagen).
4.130.3 Onbegrijpelijk is dan ook dat Vitesse met het pas een hele week na ontvangst van de e-mail van 2 juli 2025 doorsturen van die e-mail aan de KNVB, zou hebben voldaan aan haar verplichting “onverwijld” relevante informatie met een toelichting daarop aan de Licentiecommissie respectievelijk de Beroepscommissie te verzenden. Niet valt in te zien dat een termijn van een week “onverwijld” is in de zin van art. 6 lid 1-2 Licentiereglement, ook niet in de omstandigheden die het hof noemt. “Dit geldt te meer” nu de hoorzitting bij de Licentiecommissie al had plaatsgevonden op 10 juni 2025, Vitesse in de periode van 15 juni-1 juli 2025 wel andere (naar eigen zeggen: alle relevante) informatie over de (beoogde) koop en overdracht aan Sterkhouders B.V. aan de Licentiecommissie had verstrekt, en de Licentiecommissie ieder moment haar beraadslaging kon afronden en haar besluit kon nemen, zodat er des te meer reden bestond die e-mail, die een relevante ontwikkeling betrof, direct op 2 juli 2025 (althans uiterlijk op 8 juli 2025) aan de KNVB te verstrekken.
4.130.4 Het hof heeft in ieder geval miskend dat het oordeel of is voldaan aan het begrip “onverwijld” in art. 6 lid 1-2 Licentiereglement valt binnen de beleids- en beoordelingsruimte van de Beroepscommissie en dat het hof het oordeel van de Beroepscommissie daarover met terughoudendheid had moeten toetsen, wat het niet heeft gedaan. “Zie verder de subonderdelen 1.1-1.3.”
4.130.5 Onbegrijpelijk is ook het oordeel van het hof dat het pas na een week doorsturen van de bewuste e-mail (met de reactie daarop) past binnen de verplichting van art. 6 lid 3 Licentiereglement om onverwijld juiste en volledige informatie over te leggen.
a. Voor zover het hof hiermee bedoelt dat Vitesse onjuiste en/of onvolledige informatie aan de Licentiecommissie zou hebben overgelegd als zij de e-mail van 2 juli 2025 direct na ontvangst (althans vóór 8 juli 2025) aan de Licentiecommissie zou hebben overgelegd en dus niet zou hebben gewacht tot zij (op 8 juli 2025) ook de reactie op die e-mail kon overleggen, berust het oordeel van het hof op een onbegrijpelijke uitleg of toepassing van dit lid 3.
b. Voor zover het hof met diens oordeel over juiste en volledige informatie bedoelt dat het door Vitesse overleggen van de e-mail van 2 juli 2025 voordat Sterkhouders B.V. zich door haar advocaat had laten adviseren met betrekking tot (de al dan niet juistheid van) de claim van Common Group en daarop een reactie richting Common Group had gebaseerd, zou leiden tot het overleggen van onjuiste en/of onvolledige informatie, is dat evenzeer onbegrijpelijk.
c. Voor zover het hof met het genoemde oordeel over juiste en volledige informatie iets anders zou bedoelen, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd.
4.130.6 Indien en voor zover het hof van oordeel is dat het verwijt dat Vitesse “niet onverwijld” de Licentiecommissie heeft geïnformeerd over de e-mail van 2 juli 2025 op zichzelf wel terecht is, en Vitesse dus niet voldeed aan haar verplichtingen op grond van het Licentiereglement, maar dit Vitesse “in ieder geval niet zodanig verwijtbaar [is] dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie”, is dat oordeel onbegrijpelijk. Het hof overweegt immers slechts kenbaar dat het verwijt onterecht is en dat wél aan de bedoelde verplichting is voldaan.
4.130.7 Het hof heeft met laatstgenoemd oordeel bovendien de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf (marginale toetsing) en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist toegepast en is op de stoel van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie gaan zitten. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”
Behandeling
4.131 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.132 Eerst de klacht onder 4.130.1 hiervoor.
4.132.1 Anders dan de klacht wil, ziet het hof in het bestreden oordeel niet voorbij aan art. 6 lid 1-2 Licentiereglement. Daarin verwijst het hof immers naar het door de Beroepscommissie aan Vitesse gemaakte verwijt dat zij “niet onverwijld” de Licentiecommissie heeft geïnformeerd over de e-mail van Common Group van 2 juli 2025, wat terugslaat op dit lid 1-2 voor zover daarin de eis wordt gesteld van het “onverwijld” verstrekken van die informatie. Iets anders is dat volgens het hof naar diens voorlopig oordeel dit verwijt onterecht is, althans dat ter zake Vitesse in ieder geval niet een zodanig verwijt treft dat dit een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van Vitesse’s proflicentie. Iets anders is ook dat het hof in het bestreden oordeel eveneens duidelijk maakt waarom Vitesse heeft voldaan aan de in art. 6 lid 3 Licentiereglement neergelegde verplichting “om onverwijld juiste en volledige informatie over te leggen”, wat tevens bevestigt dat het hof die eis van het “onverwijld” verstrekken van die informatie voor ogen heeft en met dit citaat niet alleen doelt op dit lid 3. Kortom, de klacht mist feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
4.133 Dan de klacht onder 4.130.2 hiervoor.
4.133.1 Het hof gaat in het bestreden oordeel ervan uit dat voornoemde eis van het “onverwijld” verstrekken van informatie niet los gezien kan worden van de door art. 6 lid 3 Licentiereglement gestelde eis, te weten dat de informatie die door Vitesse als licentiehouder wordt verstrekt aan de Licentiecommissie en/of de Beroepscommissie “juist en volledig” dient te zijn (zulks te beoordelen naar de kennis die Vitesse had en redelijkerwijs had behoren te hebben op het moment van verstrekken van de informatie). Zie ook onder 4.132.1 hiervoor (“de verplichting van genoemd artikel om onverwijld juiste en volledige informatie over te leggen”, etc.). Kort en goed: het gaat hier om Vitesse’s gehoudenheid informatie die juist én volledig is onverwijld te verstrekken aan de Licentiecommissie, waarbij die juist- en volledigheid moet worden beoordeeld naar Vitesse’s feitelijke en normatieve kennis ten tijde van het verstrekken van de informatie. Die uitleg door het hof van art. 6 lid 1-3 Licentiereglement in onderling verband en samenhang bezien, wordt door de klacht niet bestreden (althans niet conform de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv). Dat die uitleg onbegrijpelijk zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien.
4.133.2 Ik begrijp het bestreden oordeel zo dat het hof, gegeven die uitleg van dit lid 1-3 en het feit dat Sterkhouders B.V. op 8 juli 2025 afwijzend heeft gereageerd op de e-mail van Common Group van 2 juli 2025, welke e-mail én reactie Vitesse op 9 juli 2025 als totaalpakket aan de Licentiecommissie heeft gestuurd, Vitesse heeft gehandeld conform dit lid 1-3, want deze juiste én volledige informatie onverwijld heeft overgelegd. Bij die stand van zaken valt - ook zonder nog weer nadere toelichting - prima in te zien waarom het hof hier van betekenis acht dat Sterkhouders B.V. aldus reageerde richting Common Group op 8 juli 2025, en dat Vitesse reeds de volgende dag - toen er, gezien het voorgaande, sprake was van juiste én volledige informatie - dit totaalpakket aan de Licentiecommissie heeft gestuurd. Het is dan evenmin onbegrijpelijk dat volgens het hof Vitesse niet verplicht was die e-mail van Common Group, uit eigen beweging, direct op 2 juli 2025 (althans in ieder geval uiterlijk op 8 juli 2025) aan de Licentiecommissie te verstrekken.
4.133.3 Hierop stuit de klacht af, voor zover zij niet reeds strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
4.134 Dan de klacht onder 4.130.3 hiervoor.
4.134.1 Zij loopt vast in het voetspoor van de klachten onder 4.130.1-4.130.2 hiervoor, die dus falen. Want de klacht ziet voorbij aan wat het hof doet in het bestreden oordeel, in het bijzonder waar het gaat om de uitleg van art. 6 lid 1-3 Licentiereglement in onderling verband en samenhang bezien, en de toepassing dáárvan op de (overige) hier gegeven omstandigheden van het geval. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.135 Dan de klacht onder 4.130.4 hiervoor.
4.135.1 Zij behelst ter zake een herhaling van zetten uit onderdeel 1, dat dus faalt. De klacht deelt derhalve in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.136 Dan de klachten onder 4.130.5 hiervoor.
4.136.1 De klacht onder a gaat ervan uit dat “op het moment van verstrekken van de informatie” aan het slot van art. 6 lid 3 Licentiereglement, in de woorden van de klacht, ziet “op het moment dat de informatie op grond van art. 6 leden 1 en 2 Licentiereglement onverwijld dient te worden verstrekt” (“lees:”, etc.). Het hof doet iets anders, getuige diens uitleg van art. 6 lid 1-3 Licentiereglement in onderling verband en samenhang bezien. Zie onder 4.132-4.133.3 hiervoor. Zoals gezegd: dat die uitleg onbegrijpelijk zou zijn, valt zonder meer niet in te zien. Dit meerdere reikt de klacht niet aan. Daarbij betrek ik dat de koppeling die de klacht suggereert (“lees:”, etc.), niet blijkt uit dit (slot van) lid 3. Zie onder 4.133.1 hiervoor (“zulks te beoordelen naar”, etc.).
4.136.2 De zwarte denkpiste waarlangs de klacht onder b is uitgezet, leidt evenmin tot succes - en wel reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest. Het hof relateert in het bestreden oordeel de kwestie van juiste én volledige informatie niet (ook) eraan dat Sterkhouders B.V. (i) zich door haar advocaat (mr. Hagen) had laten adviseren inzake de e-mail van Common Group van 2 juli 2025 en (ii) dáárop, dus op (i), haar reactie richting Common Group van 8 juli 2025 had gebaseerd. Nee: het gaat het hof bij die kwestie erom dat Vitesse, door nadat Sterkhouders B.V. op 8 juli 2025 inhoudelijk had gereageerd op die e-mail die e-mail én reactie als totaalpakket aan de Licentiecommissie te sturen, juiste én volledige informatie heeft overgelegd (en dit ook onverwijld heeft gedaan, want op 9 juli 2025). Dit hangt niet (ook) op de juridische merites van die reactie. Iets anders is dat het hof in het bestreden oordeel bij de feitelijke gang van zaken, en het daarop gebaseerde oordeel dat de termijn waarop Sterkhouders B.V. die reactie stuurde aan Common Group een “redelijke, niet buitensporige” was, de rol van mr. Hagen betrekt. Iets anders is ook dat het hof in het bestreden oordeel erop wijst dat Vitesse “op 9 juli 2025 de mail van Common Group en de reactie daarop van [betrokkene 1] op advies van mr. Hagen [heeft] doorgestuurd aan de KNVB.”
4.136.3 Dat ook de klacht onder c doel mist, volgt reeds uit mijn bespreking van de klachten onder a en b hiervoor: ook zonder nog weer nadere toelichting is duidelijk wat het hof bedoelt in het bestreden oordeel.
4.137 Dan de klacht onder 4.130.6 hiervoor.
4.137.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Uit rov. 4.73, derde zin e.v. volgt dat, zelfs als het al zo zou zijn dat Vitesse wel te verwijten valt dat zij “niet onverwijld” de Licentiecommissie heeft geïnformeerd over de e-mail van Common Group van 2 juli 2025, dit niet zodanig verwijtbaar is dat het een dragende grond kan zijn voor de ultieme sanctie: onvoorwaardelijke intrekking van Vitesse’s proflicentie. Daarbij betrekt het hof dan kenbaar de daar weergegeven feitelijke gang van zaken, bijvoorbeeld hetgeen Vitesse “niet kan worden verweten”, de “redelijke, niet buitensporige termijn” waarbinnen Sterkhouders B.V. inhoudelijk reageerde naar Common Group, en dat Vitesse de volgende dag die e-mail én reactie als totaalpakket aan de Licentiecommissie stuurde.
4.138 Tot slot de klacht onder 4.130.7 hiervoor.
4.138.1 Zij loopt vast in het voetspoor van de klacht onder 4.130.4 hiervoor, die dus faalt. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.139 Sub-subonderdeel 2.5.3 stelt, kort samengevat, dat het arrest ter zake onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet in zijn oordeel betrekt dat de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 ook heeft overwogen dat Vitesse de Beroepscommissie onverwijld, maar uiterlijk bij het indienen van het beroepschrift althans vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van nadere stukken, behoorde te informeren over de bewuste e-mail, wat Vitesse heeft nagelaten.
Behandeling
4.140 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.140.1 Vooropgesteld: het sub-subonderdeel bevat enkel een verwijzing naar (passages in) nrs. 5.100, laatste zin en 5.102 van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025. Iedere verwijzing naar een stelling dienaangaande in de gedingstukken van partijen in feitelijke instanties ontbreekt. Dit wil niet zeggen dat deze vindplaatsen in dit besluit niet aan de orde zijn gesteld in feitelijke instanties. Want dat zijn ze wel, in het bijzonder zijdens Vitesse.
4.140.2 Nergens blijkt uit dat het hof in het arrest, waarin het ook verwijst naar omliggende vindplaatsen in dit besluit, die (passages in) nrs. 5.100 en 5.102 van dit besluit niet betrekt bij zijn oordeel. M.i. ziet het sub-subonderdeel eraan voorbij dat het hof voornoemde passages wel degelijk onderkent, in lijn ook met die stellingname van Vitesse, maar eenvoudigweg niet nader behandelt omdat zij naar ’s hofs kenbare oordeel niet (mede) dragend zijn voor de beslissing van de Beroepscommissie in dit besluit tot het ongegrond verklaren van Vitesse’s beroep tegen het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025.
4.140.3 Dit laatste strookt bijvoorbeeld met rov. 4.10-4.12 (onderdeel van rov. 4.9-4.80), geciteerd onder 4.6.5 hiervoor. Daar zet het hof onder meer uiteen:
- dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan hun besluiten ten grondslag leggen dat bij Vitesse sprake is van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem dat Vitesse tijdens de (beroeps)procedure heeft voortgezet;
- dat het hof het oordeel van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie kan volgen dat Vitesse haar informatieverplichting op een aantal materiële punten niet heeft nageleefd;
- dat het hof een deel van de aan Vitesse verweten overtredingen van informatieverplichtingen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan hun besluiten ten grondslag leggen echter wezenlijk anders beoordeelt, zoals hierna uiteengezet;
- dat het hof hierna uitlegt hoe het tot deze beoordeling is gekomen, aan de hand van een beschrijving van de gang van zaken vanaf maart 2022 tot en met het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025.
4.140.4 Tot dit laatste behoort rov. 4.74-4.77. Daar gaat het hof, direct volgend op rov. 4.69-4.73 inzake de e-mail van Common Group van 2 juli 2025, in op de vraag of nog na de onderhavige procedure bij de Licentiecommissie, want tot in de beroepsprocedure, sprake is van zo’n patroon bij Vitesse. Daarin figureren voornoemde passages niet. Dit past ook bij rov. 4.72, waar het hof overweegt:
De Beroepscommissie heeft in haar besluit van 31 juli 2025 overwogen dat Vitesse de Licentiecommissie niet onverwijld, maar pas op 9 juli 2025 heeft geïnformeerd over de e-mail van Common Group van 2 juli 2025 en dat dit onderdeel is van de gebrekkige transparantie bij Vitesse.
Het gaat dan, in ’s hofs woorden in rov. 4.73, om het “verwijt dat Vitesse “niet onverwijld” de Licentiecommissie heeft geïnformeerd over de e-mail van Common Group van 2 juli 2025.” Het hof leest dus in het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 wel dat zij dit specifieke “verwijt” mede ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing in dit besluit, maar niet (ook) dat de Beroepscommissie iets vergelijkbaars heeft gedaan met een verwijt dat Vitesse in de beroepsprocedure de Beroepscommissie niet onverwijld heeft geïnformeerd over die e-mail.
4.140.5 Voornoemde stellingname van Vitesse wordt dan bestreken door rov. 4.117-4.118. Daar wijst het hof onder meer erop dat Vitesse in de gedingstukken voldoende duidelijk heeft gemaakt welke stellingen ter beoordeling aan het hof worden voorgelegd (met concrete verwijzingen naar stukken uit de procedures bij de Licentiecommissie en de Beroepscommissie) en waartegen de KNVB zich moet verweren. En dat het hof in het voorgaande waar nodig is ingegaan op hetgeen Vitesse op deze wijze heeft aangevoerd en de KNVB daartegen heeft ingebracht: “Wat partijen verder nog hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking omdat dit niet kan leiden tot een ander resultaat.”
4.140.6 Dit is al fataal voor het sub-subonderdeel.
4.140.7 Overigens nog dit. Deze uitleg door het hof van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 wordt door het sub-subonderdeel niet bestreden (althans niet conform de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv). Dat deze uitleg onbegrijpelijk zou zijn, valt zonder meer trouwens ook niet in te zien.
4.141 Subonderdeel 2.6 (“Patroon van omzeiling en misleiding (ook na 3 augustus 2024, en tot in de beroepsprocedure)”) vangt aan met een inleiding zonder klacht. Het subonderdeel geeft onder meer weer het oordeel in rov. 4.76 van het arrest: dat de “opsomming” in rov. 4.75 (1) onvoldoende grond geeft voor het oordeel dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen, en (2) onvoldoende grond geeft voor het oordeel dat sprake is van een patroon van schending van haar informatieplicht dat zich na augustus 2024 heeft voortgezet. En het oordeel in rov. 4.76: (3) dat voortzetting van het patroon na 3 augustus 2024 niet is gebleken, althans sterk is te nuanceren, mede gezien de actuele ontwikkelingen, dat wil zeggen het instappen van “de Sterkhouders” en het Herinrichtingsplan 2005, het geen de Licentiecommissie en de Beroepscommissie buiten beschouwing hebben gelaten.
4.142 Sub-subonderdeel 2.6.1 richt zich tegen rov. 4.76 van het arrest en stelt dat het onder 4.141 hiervoor achter (2) weergegeven oordeel onbegrijpelijk is. Het sub-subonderdeel werkt dit, kort samengevat, als volgt uit.
4.142.1 Het bestreden oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de overtredingen die aan de orde zijn gekomen in de aan rov. 4.74 voorafgaande overwegingen (waarnaar het hof verwijst in rov. 4.74). Die dateren immers van ná 3 augustus 2024. Dat die overtredingen onvoldoende grond zouden geven voor het bedoelde patroon is in ieder geval en/of te meer onbegrijpelijk voor zover die overtredingen zien op de gang van zaken (vanaf december 2024 tot juni 2025) rond de leningverkoop, conversie en het verschaffen van de LSA, ten aanzien waarvan de Licentiecommissie en de Beroepscommissie immers - naar het oordeel van het hof in rov. 4.51-4.52 - terecht hebben overwogen dat Vitesse ernstig is tekortgeschoten in haar onderzoeks- en informatieplicht (art. 6 Licentiereglement).
4.142.2 Het bestreden oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling in rov. 4.74 dat negen van de dertien andere door de Licentiecommissie opgesomde overtredingen betrekking hebben op de periode vóór 3 augustus 2024, wat immers impliceert dat vier daarvan betrekking hebben op de periode ná 3 augustus 2024.
4.142.3 Het bestreden oordeel is in ieder geval onbegrijpelijk, omdat volgens het hof acht van de zeventien door de Licentiecommissie in haar intrekkingsbesluit opgesomde overtredingen betrekking hebben op de periode ná 3 augustus 2024 en zich (dus) hebben voorgedaan in een tijdbestek van minder dan een jaar (tot in juni 2025). Dit klemt te meer nu tegen geen van de besluiten waarin die acht overtredingen zijn vastgesteld met succes beroep is aangetekend bij de Beroepscommissie.
4.142.4 Indien en voor zover het hof in rov. 4.76 met “deze opsomming” uitsluitend het oog heeft op de in rov. 4.75 bedoelde opsomming, is het oordeel reeds onbegrijpelijk gelet op de in rov. 4.74 bedoelde vier overtredingen die de Licentiecommissie in haar intrekkingsbesluit ook heeft opgesomd (en die in de voorafgaande overwegingen aan de orde zijn gekomen).
4.142.5 Het bestreden oordeel is ook onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof daarbij niet heeft betrokken dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, zoals de KNVB ook heeft gesteld, het patroon van omzeiling en misleiding niet alleen hebben gebaseerd op de door het hof bedoelde zeventien overtredingen, maar ook op zestien omstandigheden, waarvan het grootste deel dateert van na 3 augustus 2024.
4.142.6 Het bestreden oordeel is bovendien onbegrijpelijk voor zover het hof daarmee over het hoofd ziet dat het patroon van - kort gezegd - omzeiling en misleiding waarop de Licentiecommissie en de Beroepscommissie hun besluiten hebben gebaseerd, niet alleen ziet op de schending van de informatieplicht van Vitesse (waaronder de daaraan voorafgaande onderzoeksplicht), maar ook op de schending van andere verplichtingen.
Behandeling
4.143 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.144 Ik begin met de onder 4.142.1 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.144.1 Met de verwijzing in rov. 4.76 van het arrest naar “[d]eze opsomming” heeft het hof het oog op de opsomming/uiteenzetting in rov. 4.75. Dit strookt ook met rov. 4.74: “De Licentiecommissie heeft in haar intrekkingsbesluit (…) dertien andere overtredingen opgesomd (…). (…) De Beroepscommissie heeft een vergelijkbare opsomming opgenomen in haar besluit van 31 juli 2025”, etc. En rov. 4.75, dat aldus aanvangt: “Die door de Licentiecommissie opgesomde dertien overtredingen betreffen:”, etc. Het arrest kan dan ook, anders dan het sub-subonderdeel hier doet, niet zo worden gelezen dat het oordeel in rov. 4.76 over “[d]eze opsomming” (ook) ziet op de overtredingen die aan de orde zijn gekomen in de aan rov. 4.74 voorafgaande overwegingen. Het sub-subonderdeel strandt hier dan ook reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
4.145 Dan de onder 4.142.2 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.145.1 Het enkele gegeven dát vier van de door de Licentiecommissie gesignaleerde overtredingen betrekking zouden hebben op de periode ná 3 augustus 2024 rechtvaardigt nog niet de gevolgtrekking dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk zou zijn. Uit dat gegeven volgt immers niet dat het hof ‘dus’ van oordeel zou moeten zijn dat zich ná augustus 2024 een patroon van schending van Vitesse’s informatieplicht heeft voortgezet, al was het maar omdat van deze vier overtredingen alleen de gang van zaken rond de sideletter en rond de LSA uitdrukkelijk in de sleutel zijn geplaatst van schending van de informatieplicht. Daarbij betrek ik ook het volgende.
4.145.2 Ten aanzien van de sideletter heeft het hof al eerder in het arrest overwogen dat geen sprake is van een patroon van schending van de informatieplicht, althans van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse (zie rov. 4.39). Ten aanzien van de LSA heeft het hof weliswaar overwogen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie terecht overwogen dat Vitesse ernstig is tekortgeschoten in haar onderzoeks- en informatieplicht als bedoeld in art. 6 Licentiereglement (zie rov. 4.51), maar het hof heeft daarbij wel, ter relativering, kanttekeningen geplaatst (rov. 4.53-4.54).
4.145.3 Bovendien betrekt het hof (ook) bij het bestreden oordeel het onder 4.141 hiervoor achter (3) weergegeven oordeel:
Voortzetting van het patroon na 3 augustus 2024 is niet gebleken, althans sterk te nuanceren, mede gezien de actuele ontwikkelingen, dat wil zeggen het instappen van de Sterkhouders en het Herinrichtingsplan 2025, hetgeen de Licentiecommissie en de Beroepscommissie buiten beschouwing hebben gelaten (zoals hiervoor uiteen gezet).
Nog weer gevolgd door deze aanvullende overweging in rov. 4.77:
Het hof maakt daarnaast uit deze opsomming op dat wat betreft het niet tijdig verstrekken van jaarstukken, halfjaarcijfers en prognoses Vitesse het patroon sinds de afsluiting van het boekjaar 2023/’24 heeft doorbroken. Voortzetting daarvan tot in de beroepsprocedure blijkt niet uit deze opsomming. Bij de eerdere overtredingen speelt een rol dat Vitesse enige tijd geen accountant heeft gehad en dat de accountant sinds juli/augustus 2024 weer in functie was. Dat laatste was mede een reden voor de Beroepscommissie om op 3 augustus 2024 het beroep van Vitesse tegen het intrekkingsbesluit van 24 juni 2024 gegrond te verklaren.
Deze motivering bestrijdt het sub-subonderdeel niet als zodanig.
4.145.4 Op dit een en ander stuit het sub-subonderdeel hier reeds af.
4.146 Dan de onder 4.142.3 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.146.1 Ook hier geldt dat het enkele gegeven dát acht van de zeventien door de Licentiecommissie gesignaleerde overtredingen betrekking zouden hebben op de periode ná 3 augustus 2024 nog niet rechtvaardigt dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk zou zijn. Verder geldt ook hier dat het hof uitdrukkelijk motiveert dat voortzetting van het patroon na 3 augustus 2024 niet is gebleken, welke motivering het sub-subonderdeel zoals gezegd niet als zodanig bestrijdt. Daar komt nog eens bij dat het hof in rov. 4.76 met “[d]eze opsomming” zoals gezegd niet het oog heeft op de vier vóór rov. 4.74 besproken overtredingen. Zo bezien mist het sub-subonderdeel hier feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Hieraan doet de slotzin van de onderhavige uitwerking niet af.
4.146.2 Op dit een en ander loopt het sub-subonderdeel hier reeds vast.
4.147 Dan de onder 4.142.4 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.147.1 Het hof wijst in rov. 4.74 inderdaad erop dat de Licentiecommissie in haar intrekkingsbesluit ook heeft genoemd “de gestelde vier overtredingen die hiervoor aan de orde zijn gekomen”, etc. Dat is het hof niet opeens uit het oog verloren in het vervolg, waaronder rov. 4.76. Met de onder 4.145.3 hiervoor (als eerste) geciteerde overweging doelt het hof immers ook op die vier overtredingen. En voor het bestreden oordeel, dat alleen de opsomming in rov. 4.75 betreft, is die geciteerde overweging zoals gezegd ook relevant. Aan dit een en ander gaat het sub-subonderdeel hier voorbij, en dat is hoe dan ook reeds fataal. Ik kan bij deze stand van zaken daarlaten of het sub-subonderdeel, dat ter zake weinig om het lijf heeft, hier wel voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv.
4.148 Dan de onder 4.142.5 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.148.1 De hier bedoelde zestien omstandigheden vormen met pararagraaf VI (“Conclusie: gronden voor intrekking licentie”) het slot van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 en zijn daarmee, op p. 45-47 van dit besluit (dit alles achter nr. 203 van dit besluit), het staartje van het inhoudelijke deel van dit besluit. De opsomming van die zestien omstandigheden wordt dan ook voorafgegaan door het volgende:
Concluderend baseert de licentiecommissie haar Besluit tot intrekking van de licentie van uw BVO [Vitesse, A-G] per 11 juli 2025 op grond van art. 15 lid 2 sub a Licentiereglement op de volgende omstandigheden:
4.148.2 Hieruit volgt dat die opsomming wel een concluderend/samenvattend karakter heeft, maar materieel geen zelfstandige betekenis ten opzichte van het daaraan voorafgaande in dit besluit (zodat het hof die opsomming niet nog weer nader hoefde betrekken in het arrest). Dit volgt ook uit het gegeven dat de in die opsomming genoemde omstandigheden - niet verrassend - overlappen met de dragende vaststellingen eerder in dit besluit, waar de Licentiecommissie uitvoerig ingaat op de achtergrond (onder III, p. 5-31), uitvoerig nadere overwegingen geeft (onder IV, p. 31-44) en nog (korter) aandacht besteedt aan ingewonnen adviezen (onder V, p. 44-45). Dat het hof die opsomming in lijn daarmee uitlegt, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. Ik tref hier in het sub-subonderdeel geen argument aan dat dwingt tot een andere uitkomst.
4.148.3 Dit wordt niet anders door de verwijzing in het sub-subonderdeel naar nr. 5.76 van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025. Die passage in dit besluit is het hof niet ontgaan, zoals ook blijkt uit zijn verwijzing (met citaat) in rov. 4.74 naar de daaropvolgende uiteenzetting van de Beroepscommissie in nr. 5.77 van dit besluit. Die passage maakt evenwel niet dat het hof voornoemde opsomming anders moest duiden dan het doet, op basis van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 in totaliteit bezien. Kort en goed: de Beroepscommissie maakt - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - in die passage meer van die opsomming dan in werkelijkheid te lezen valt in dit intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie.
4.148.4 Dit vindt bevestiging in de vindplaatsen in gedingstukken zijdens de KNVB die het sub-subonderdeel noemt. Daarin stelt de KNVB nota bene zélf dat sprake is van “17 overtredingen”, waarop ook het hof doelt, en “16 omstandigheden waarop deze overtredingen zijn gebaseerd.” En:
De licentiecommissie en de beroepscommissie hebben namelijk onafhankelijk van elkaar een structureel patroon vastgesteld van misleiding van de licentiecommissie, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem en een gebrek aan transparantie. Er is sprake van 17 overtredingen en 16 omstandigheden/constateringen waarop deze overtredingen zijn gebaseerd.
4.149 Tot slot de onder 4.142.6 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.149.1 Het sub-subonderdeel neemt hier tot uitgangspunt dat het hof met het bestreden oordeel beoogt het patroon van - kort gezegd - omzeiling en misleiding, waarop de Licentiecommissie en de Beroepscommissie hun besluiten van 10 en 31 juli 2025 hebben gebaseerd, integraal te adresseren. Dat is natuurlijk niet het geval. Dit punt bespreekt het hof verspreid over het arrest, zoals in rov. 4.39 (ten aanzien van de gang van zaken omtrent de sideletter) en rov. 4.73 (ten aanzien van de e-mail van Common Group van 2 juli 2025). Daarmee strandt het sub-subonderdeel hier al op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
4.150 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het sub-subonderdeel, zij behoeft geen verdere bespreking.
4.151 Sub-subonderdeel 2.6.2 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.151.1 Het onder 4.141 hiervoor achter (3) genoemde oordeel van het hof bouwt mede voort op het daar achter (2) genoemde oordeel van het hof, zodat de klachten in sub-subonderdeel 2.6.1 ook dit oordeel achter (3) aantasten.
4.151.2 Bovendien bouwt dit oordeel achter (3) wat betreft de verwijzing naar de actuele ontwikkelingen (het instappen van “de Sterkhouders” en het Herinrichtingsplan 2025) voort op rov. 4.65-4.68 van het arrest, zodat de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7 ook dit oordeel achter (3) aantasten.
4.151.3 Dit oordeel achter (3) is bovendien onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet of onvoldoende duidelijk maakt waarom voortzetting van het patroon van schending door Vitesse van haar informatieplicht na 3 augustus 2024 “sterk te nuanceren” is, en in dat verband niet valt in te zien waarom de actuele ontwikkelingen, mede gelet op het feit dat zij dateren van juni/juli 2025, als zodanig zouden afdoen aan voortzetting van dat patroon, of sterk zouden nuanceren.
4.151.4 Hoe dan ook is het hof ook hier ten onrechte op de stoel van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie gaan zitten; “zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”
Behandeling
4.152 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.153 Eerst de klachten onder 4.151.1-4.151.2 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
4.153.1 Zij bouwen voort op en delen daarmee in het lot van de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7 en 2.6.1, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.154 Dan de klacht onder 4.151.3 hiervoor.
4.154.1 Voor zover het hof in het bestreden oordeel met de overweging dat voorzetting van het patroon na 3 augustus 2024 niet is gebleken althans sterk is te nuanceren, doelt op de opsomming/uiteenzetting in rov. 4.75, volgt vooreerst uit die opsomming/uiteenzetting (waarop het hof preludeert in rov. 4.74) waarom het hof dit zo ziet. Daar maakt immers het hof duidelijk dat slechts bij een klein deel ervan sprake is van overtredingen ná die datum: het overgrote deel van die overtredingen dateert van daarvóór.
4.154.2 Daarbij maakt het hof ook relativerende opmerkingen, in het bijzonder: dat “[z]oals hiervoor beschreven, de bankrelatie met ING in 2024 [is] hersteld”; dat “Vitesse succesvol beroep heeft ingesteld bij de Beroepscommissie” van het intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie van 24 juni 2024; dat “BTI op 22 mei 2024 [heeft] bevestigd dat zij haar onderzoek had gestaakt” (zie rov. 4.27); en dat “[d]e Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 Vitesse op dit onderdeel in het gelijk [heeft] gesteld.”
4.154.3 Bovendien, zo blijkt uit het slot van rov. 4.76, hebben de Licentiecommissie en de Beroepscommissie wel de in rov. 4.75 bedoelde overtredingen betrokken (zie ook rov. 4.74). Maar ten onrechte buiten beschouwing gelaten de actuele ontwikkelingen in de periode na 3 augustus 2024, “dat wil zeggen het instappen van de Sterkhouders en het Herinrichtingsplan 2025” (wat uiteraard insluit de in rov. 4.65 bedoelde positieve “bereidheid” van Vitesse), “zoals hiervoor uiteengezet” (zie rov. 4.56-4.68). Zie nader over die actuele ontwikkelingen mijn bespreking van subonderdeel 2.4 hiervoor.
4.154.4 Voor zover het hof in het bestreden oordeel met de overweging dat voorzetting van het patroon na 3 augustus 2024 niet is gebleken althans sterk is te nuanceren, doelt op de gestelde vier overtredingen die voorafgaand aan rov. 4.74 aan de orde zijn gekomen, volgt vooreerst uit die eerdere behandeling door het hof van die vier overtredingen waarom het dit zo ziet. Illustratief is de eerste van die vier overtredingen die het hof noemt in rov. 4.74: de “sideletter VAI”. Zie daarover nader mijn bespreking van subonderdeel 2.2 hiervoor.
4.154.5 Bovendien, zo blijkt uit het slot van rov. 4.76, geldt ook dienaangaande dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie voornoemde actuele ontwikkelingen (met inbegrip van die positieve “bereidheid” van Vitesse) ten onrechte buiten beschouwing hebben gelaten.
4.154.6 Aldus bezien is, anders dan de klacht wil (met voorbijgaan aan het voorgaande), het bestreden oordeel niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Daarop stuit de klacht reeds af.
4.155 Tot slot de klacht onder 4.151.4 hiervoor.
4.155.1 Zij vormt een herhaling van zetten in onderdeel 1, dat dus faalt. De klacht deelt in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.156 Sub-subonderdeel 2.6.3 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.156.1 Zij bestrijdt het arrest als onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd voor zover het hof, met zijn onder 4.141 hiervoor achter (1) genoemde oordeel, het ontkennende antwoord op de vraag of voldoende grond bestaat voor het oordeel dat Vitesse “nog tot in de beroepsprocedure” een onwillige houding heeft aangenomen:
a. (uitsluitend) heeft afgeleid uit door de Licentiecommissie in haar besluit van 10 juli 2025 opgesomde overtredingen (zoals genoemd in rov. 4.74-4.75);
b. heeft afgeleid uit de in rov. 4.74 genoemde “vergelijkbare opsomming” van de Beroepscommissie in nr. 5.77 van haar besluit van 31 juli 2025;
c. heeft afgeleid uit en/of gebaseerd op iets anders dan de door de Licentiecommissie opgesomde overtredingen of de “vergelijkbare opsomming” van de Beroepscommissie.
4.156.2 Elk van deze drie klachten bevat een onderbouwing, die ik hierna voor zover nodig bespreek.
Behandeling
4.157 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.158 Eerst de klacht betreffende a.
4.158.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Want in het bestreden oordeel doelt het hof met “[d]eze opsomming” in verbinding met “onvoldoende grond voor het oordeel dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen” logischerwijs niet op de opsomming van de Licentiecommissie in haar besluit van 10 juli 2025, maar wel - en dit is iets anders - op de daarmee vergelijkbare opsomming van de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025. De klacht miskent dit, want gaat ervan uit dat het hof hier (mede) het oog heeft op die opsomming van de Licentiecommissie in haar besluit van 10 juli 2025 als zodanig.
4.159 Dan de klacht betreffende b.
4.159.1 Zij boekt evenmin succes.
4.159.2 Dat het hof met “[d]eze opsomming” in verbinding met “onvoldoende grond voor het oordeel dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen” voornoemde opsomming van de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 betrekt, is goed te volgen. Die “vergelijkbare opsomming” staat immers in dit besluit (nr. 5.77), en wordt daarin door de Beroepscommissie mede ten grondslag gelegd aan haar beslissing het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 te bekrachtigen. Aldus oordelend brengt het hof tot uitdrukking - te lezen in het licht van rov. 4.74-4.75 van het arrest - dat wat de Beroepscommissie aldaar overweegt in het kader van die “vergelijkbare opsomming”, naar ’s hofs voorlopige oordeel onvoldoende grond geeft voor het oordeel dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen. Hier is niets onbegrijpelijks aan.
4.159.3 Anders dan de klacht kennelijk aan het slot suggereert, ziet het hof in rov. 4.76 niet voorbij aan wat de Beroepscommissie nog heeft overwogen in nrs. 5.96-5.102 van haar besluit van 31 juli 2025 over de houding van Vitesse na het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025, dus tot in de onderhavige beroepsprocedure bij de Beroepscommissie. Dit laatste komt neer op de kwesties van (i) de stellingname van Vitesse in de procedure bij de Beroepscommissie in het kader van haar verweer dat zij de LSA niet hoefde te overleggen (zie nr. 5.98), en (ii) de e-mail van Common Group van 2 juli 2025 (zie nrs. 5.99-5.102).
(i) Deze kwestie behandelt het hof al voorafgaand aan rov. 4.74, want in rov. 4.55. Daaruit volgt reeds dat en waarom het hof in die kwestie geen grond ziet voor het aannemen van een onwillige houding van Vitesse nog tot in de onderhavige beroepsprocedure. Zie mijn bespreking van sub-subonderdeel 2.3.5 hiervoor. Kennelijk, en niet onbegrijpelijk, acht het hof het herhalen daarvan in rov. 4.76 overbodig en daarmee onnodig.
(ii) Voor zover deze kwestie gerelateerd is aan de onderhavige procedure bij de Licentiecommissie, wat niet relevant is voor het bestreden oordeel (dat immers ziet op de onderhavige beroepsprocedure), geldt dat het hof dit punt al behandelt in rov. 4.69-4.73. Zie mijn bespreking van subonderdeel 2.5 hiervoor. Het wekt dan ook geen verbazing dat het hof dit punt niet herhaalt in rov. 4.76.Voor zover deze kwestie gerelateerd is aan de onderhavige beroepsprocedure geldt dat het hof dit punt wel degelijk onderkent, maar niet nader behandelt in het arrest omdat het niet (mede) dragend is voor de beslissing van de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 tot het ongegrond verklaren van Vitesse’s beroep tegen het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025. Dat dit onbegrijpelijk zou zijn, valt zonder meer niet in te zien. Zie mijn bespreking van sub-subonderdeel 2.5.3 hiervoor. Bij die stand van zaken is het evenmin onbegrijpelijk te noemen dat het hof in rov. 4.76 geen aanleiding ziet dit punt daar wel te betrekken.
4.159.4 Op dit een en ander ketst de klacht reeds af.
4.160 Tot slot de klacht betreffende c.
4.160.1 Voor zover de klacht met “iets anders” en de verwijzing naar nrs. 5.96-5.102 van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 het oog heeft op kwesties (i)-(ii) onder 4.159.3 hiervoor, loopt zij vast in het voetspoor van de klacht betreffende b, die dus faalt. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.160.2 Voor het overige concretiseert de klacht niet waaruit “iets anders” hier zou (kunnen) bestaan. Ik zie ook niet dát het hof, los van rov. 4.77 van het arrest, het bestreden oordeel (mede) afleidt uit en/of baseert op nog weer iets anders dan hiervoor al ter sprake kwam. Voor zover de klacht het oog heeft op rov. 4.77, geldt dat het hof dit expliciet betrekt in de beoordeling in rov. 4.74-4.77 en de klacht niet duidelijk maakt, in ieder geval niet conform de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv, waarom er in zoverre iets zou schorten aan het arrest.
4.160.3 Daarmee valt reeds het doek voor de klacht.
4.161 Sub-subonderdeel 2.6.4 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.161.1 Met zijn oordeel in rov. 4.77 van het arrest miskent het hof dat het (enkele) feit dat Vitesse het patroon wat betreft specifiek een bepaalde categorie van schendingen van haar informatieplicht op grond van art. 6 Licentiereglement (het niet tijdig verstrekken van jaarstukken, halfjaarcijfers en prognoses) sinds de afsluiting van het boekjaar 2023/24 heeft doorbroken, niet meebrengt dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie niet in redelijkheid konden oordelen dat in het algemeen sprake was van (voortzetting van) een patroon van schending van informatieplichten door Vitesse.
4.161.2 Ook brengt het (enkele) feit dat Vitesse die eerdere, specifieke overtredingen niet tot in de beroepsprocedure heeft voortgezet, niet mee dat de Beroepscommissie niet op grond van andere overtredingen in redelijkheid kon oordelen dat het bedoelde patroon in het algemeen tot in de beroepsprocedure is voortgezet.
4.161.3 In ieder geval is, zonder nadere motivering (die ontbreekt): (i) onbegrijpelijk waarom de Licentiecommissie en de Beroepscommissie “dit” in redelijkheid niet konden doen; althans (ii) onvoldoende duidelijk wat de relevantie en het gewicht is van hetgeen het hof in rov. 4.77 overweegt voor de toetsing door het hof van de betrokken besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW.
Behandeling
4.162 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.163 Eerst de klacht onder 4.161.1 hiervoor.
4.163.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Het oordeel dat de klacht het hof aanwrijft, huldigt het hof nergens in het arrest, ook niet in rov. 4.77. Daar staat wat er stáát, toegespitst op “deze opsomming”, “het niet tijdig verstrekken van jaarstukken, halfjaarcijfers en prognoses”, en wat “[een rol speelt] bij de eerdere overtredingen” ter zake. Kortom, de ‘miskenning’ door het hof die de klacht veronderstelt, doet zich in werkelijkheid niet voor.
4.164 Dan de klacht onder 4.161.2 hiervoor.
4.164.1 Zij loopt vast in het voetspoor van de klacht onder 4.161.1 hiervoor, die dus faalt. Kort en goed: het hof zegt nergens, evenmin in rov. 4.77 van het arrest, dat het (enkele) feit dat Vitesse die eerdere, specifieke overtredingen als bedoeld in rov. 4.77 niet tot in de onderhavige beroepsprocedure heeft voortgezet, meebrengt dat de Beroepscommissie niet op grond van andere overtredingen in redelijkheid kon oordelen dat het bedoelde patroon in het algemeen tot in de onderhavige beroepsprocedure is voortgezet.
4.165 Tot slot de klacht onder 4.161.3 hiervoor.
4.165.1 De klacht onder (i) is cryptisch verwoord. Kennelijk slaat “dit” in de klacht terug op “oordelen dat in het algemeen sprake was van (voortzetting van) een patroon van schending van informatieplichten door Vitesse” in de klacht onder 4.161.1 hiervoor. De klacht relateert “dit” immers aan zowel de Licentiecommissie als de Beroepscommissie. Daarmee strandt de klacht reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Want anders dan de klacht veronderstelt, oordeelt het hof in rov. 4.77 dus niet (noch elders in het arrest trouwens) dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie “dit” in redelijkheid niet konden doen. Zie ook onder 4.163.1 hiervoor.
4.165.2 De klacht onder (ii) delft eveneens het onderspit. Wat het hof doet in rov. 4.77 vatte ik samen onder 4.163.1 hiervoor. Dit is onderdeel van rov. 4.9-4.80, waar het hof beziet of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025 naar hun inhoud vernietigbaar zijn op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW. Het is zonneklaar dat het hof (onder andere) zijn bevindingen in rov. 4.77 plaatst in de sleutel van “de relativering van de ernst van en het aantal recente overtredingen (…) en de recente positieve ontwikkelingen die volgens het Licentiereglement bij het sanctiebesluit meegewogen moeten worden” (zie rov. 4.79), wat een deel is van de factoren die het hof betrekt onder “Belangenafweging door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie” (zie rov. 4.78-4.80). De uitkomst daarvan vatte ik samen onder 4.20.2-4.20.5 hiervoor. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat het hof nog weer nader moest preciseren, in rov. 4.77, 4.78-4.80 of elders in het arrest, wat “de relevantie en het gewicht is” van hetgeen het in rov. 4.77 overweegt. De klacht legt ook niet uit waarom dit anders zou (kunnen) zijn.
4.166 Sub-subonderdeel 2.6.5 bestrijdt het arrest als onbegrijpelijk voor zover het hof bij de beoordeling van de vraag of de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in redelijkheid tot hun besluiten hebben kunnen komen gewicht heeft toegekend aan het antwoord op de vraag of het patroon van schending van de informatieplicht door Vitesse zich na 3 augustus 2024 heeft voortgezet, omdat - zoals het hof in rov. 4.14 overweegt - de Beroepscommissie bij besluit van 3 augustus 2024 het beroep tegen het intrekkingsbesluit van 24 juni 2024 gegrond heeft verklaard en “zij heeft geoordeeld dat Vitesse op dat moment aan de licentievereisten voldeed.” Want zoals blijkt uit dit besluit van 3 augustus 2024 en de KNVB ook heeft gesteld, heeft de Beroepscommissie niet geoordeeld dat Vitesse op dat moment aan de licentievereisten - in de zin van: alle licentievereisten - voldeed, maar dat Vitesse voldaan had aan vier specifieke voorwaarden die de Licentiecommissie had gesteld in haar brief van 30 mei 2024.
Behandeling
4.167 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.167.1 Zij veronderstelt dat het hof in het arrest (genoemd wordt alleen rov. 4.14) ervan uitgaat dat de Beroepscommissie in haar besluit van 3 augustus 2024 heeft geoordeeld dat Vitesse toen voldeed aan álle licentievereisten, niet slechts aan vier specifieke voorwaarden die de Licentiecommissie had gesteld in haar brief van 30 mei 2024. Ik lees zoiets nergens in het arrest. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het sub-subonderdeel. Ik licht toe.
4.167.2 In rov. 4.14 wijst het hof onder meer erop dat voor de beoordeling van de vordering van Vitesse in deze procedure alle relevante omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, “dus ook het feit dat de Beroepscommissie bij besluit van 3 augustus 2024 het beroep tegen het intrekkingsbesluit van 24 juni 2024 gegrond heeft verklaard en dat zij heeft geoordeeld dat Vitesse op dat moment aan de licentievereisten voldeed.” Met die geciteerde woorden bedoelt het hof niet meer of anders dan er staat, wat is toegespitst op dit intrekkingsbesluit van 24 juni 2024 en het andersluidende oordeel ter zake van de Beroepscommissie in dit besluit van 3 augustus 2024.
4.167.3 Rov. 4.29-4.32, die het sub-subonderdeel negeert, spreken hier boekdelen. Ik citeer uit rov. 4.30 en 4.32:
Op 3 augustus 2024 heeft de Beroepscommissie het beroep van Vitesse tegen dit intrekkingsbesluit [van 24 juni 2024, A-G] gegrond verklaard. De Beroepscommissie heeft het besluit tot intrekking van de licentie van Vitesse (overeenkomstig artikel 13 lid 7 en lid 11 van het Licentiereglement) beoordeeld naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep. Zij kwam tot de conclusie dat Vitesse had voldaan aan de voorwaarden die de Licentiecommissie had gesteld in haar brief van 30 mei 2024:
De beschikking over een bankrekening gedurende het seizoen 2024/’25 door voortzetting van de bankrelatie met ING;
De beschikking over een controlerend accountant door voortzetting van de relatie met BDO;
Een sluitende (liquiditeits)begroting voor het seizoen 2024/’25;
Overlegging van een overeenkomst tussen Vitesse en Common Group gedateerd 2 augustus 2024.
(…)4.32. De Beroepscommissie oordeelde dat Vitesse om deze redenen haar licentie behield. (…)
4.168 Subonderdeel 2.7 (“Belangenafweging door de LC en de BC; belang van de rechtspersoon en betrokkenen; maatschappelijke belangen”) is gericht tegen rov. 4.78-4.80 van het arrest en vangt aan met een inleiding zonder klacht.
4.169 Sub-subonderdeel 2.7.1 stelt, kort samengevat, dat het hof in rov. 4.78-4.79 van het arrest de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet daadwerkelijk en/of onjuist heeft toegepast. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”
Behandeling
4.170 Het sub-subonderdeel komt neer op een herhaling van zetten in onderdeel 1, dat dus faalt. Zij deelt derhalve in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.171 Sub-subonderdeel 2.7.2 is gericht tegen het oordeel in rov. 4.79 van het arrest dat onder die omstandigheden volgens het Licentiereglement (art. 14 lid 2) en de Leidraad onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet de enige sanctie was die resteerde, en intrekking van de licentie voorwaardelijk opgelegd had kunnen worden. En tegen het daarop gebaseerde oordeel van het hof in rov. 4.80. Zij bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.171.1 Het hof heeft miskend dat uit het feit dat onder omstandigheden onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet de enige sanctie is die resteert, en intrekking voorwaardelijk opgelegd had kunnen worden, niet (zonder meer) volgt dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in redelijkheid niet tot de belangenafweging hadden kunnen komen die leidde tot onvoorwaardelijke intrekking van de licentie.
4.171.2 Die gevolgtrekking is in ieder geval onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien dat het laatste (zonder meer) volgt uit het eerste. Het enkele feit dat een alternatief voorhanden is, is onvoldoende voor die gevolgtrekking, zelfs als dat alternatief beter (passender) zou zijn geweest of meer voor de hand zou hebben gelegen.
4.171.3 Het hof heeft met zijn oordelen de (ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie op dit punt miskend. Die beleids- en beoordelingsruimte geldt bij uitstek als het gaat om een belangenafweging (als de onderhavige). “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”
Behandeling
4.172 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.173 Eerst de klacht onder 4.171.1 hiervoor.
4.173.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Anders dan de klacht suggereert, zegt het hof niet dat diens oordeel in rov. 4.80 (zonder meer) volgt uit rov. 4.79, laatste zin. Zie nader onder 4.20.2-4.20.5 hiervoor. Kortom, de ‘miskenning’ door het hof die de klacht veronderstelt, doet zich in werkelijkheid niet voor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.174 Dan de klacht onder 4.171.2 hiervoor.
4.174.1 Zij loopt vast in het voetspoor van de klacht onder 4.171.1 hiervoor, die dus faalt, eveneens bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest. Dit behoeft evenmin verdere toelichting.
4.175 Tot slot de klacht onder 4.171.3 hiervoor.
4.175.1 Voor zover zij niet reeds strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, loopt de klacht erop vast dat zij neerkomt op een herhaling van zetten in onderdeel 1, dat dus faalt, in welk lot de klacht deelt. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.176 Sub-subonderdeel 2.7.3 is gericht tegen het oordeel in rov. 4.79 van het arrest dat “[d]aar tegenover [staat] dat een groot deel van de overtredingen van Vitesse al eerder is gesanctioneerd, met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal.” Zij bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.176.1 Het hof heeft met de betekenis en het gewicht die het blijkens dit oordeel heeft toegekend aan het feit dat een groot deel van de overtredingen van Vitesse al eerder is gesanctioneerd, met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal, een rechtens onjuist en onbegrijpelijk oordeel gegeven om de “in onderdeel 2.1.1” vermelde redenen.
4.176.2 Dit oordeel is bovendien onbegrijpelijk, omdat Vitesse “de ernstige gevolgen (…) in een escalerende schaal” nu juist, zoals volgt uit de onderhavige besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, en de KNVB ook heeft gesteld, aan zichzelf heeft te wijten. De KNVB zag zich daardoor genoodzaakt de sanctieladder steeds verder te beklimmen en uiteindelijk de zwaarste sanctie op te leggen.
Behandeling
4.177 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.178 Eerst de klacht onder 4.176.1 hiervoor.
4.178.1 Zij komt neer op een herhaling van zetten in subonderdeel 2.1 (sub-subonderdeel 2.1.1), dat dus faalt. De klacht deelt derhalve in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.179 Tot slot de klacht onder 4.176.2 hiervoor.
4.179.1 Zoals reeds volgt uit mijn bespreking van subonderdeel 2.1 hiervoor, dat dus faalt, is van de door de klacht bedoelde onbegrijpelijkheid (nu Vitesse de gevolgen van de eerdere sancties aan zichzelf te wijten had) in werkelijkheid geen sprake. Ik zette hiervoor ook al uiteen dat evenmin als onbegrijpelijk valt aan te merken ’s hofs oordeel dat, in termen van belangenafweging, de keuze van de KNVB om “uiteindelijk de zwaarste sanctie op te leggen” de toets der kritiek in de gegeven omstandigheden niet kon doorstaan (zie de slotsom in rov. 4.80). Zie mede onder 4.20.4 hiervoor. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht, zij behoeft geen verdere bespreking.
4.180 Sub-subonderdeel 2.7.4 is gericht tegen het oordeel in rov. 4.79 van het arrest dat “[d]aar ook tegenover [staan] de relativering van de ernst van het aantal recente overtredingen, zoals hiervoor overwogen, en de recente positieve ontwikkelingen die volgens het Licentiereglement bij het sanctiebesluit meegewogen moeten worden.” Dit oordeel zou voortbouwen (i) op alle daaraan voorafgaande overwegingen, zodat de subonderdelen 2.1-2.6 ook dit oordeel aantasten, en (ii) wat betreft de recente - door het hof als “positief” gewaardeerde - ontwikkelingen op rov. 4.64-4.68, zodat de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7 ook dit oordeel aantasten.
Behandeling
4.181 Het sub-subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de subonderdelen 2.1-2.6 en de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.182 Sub-subonderdeel 2.7.5 is gericht tegen rov. 4.78, tweede zin van het arrest en (de daarop voortbouwende oordelen in) rov. 4.79-4.80. Zij bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.182.1 Blijkens de zinsnede “met afweging van de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” (rov. 4.78, tweede zin) heeft het hof miskend dat het betrokken orgaan bij het nemen van het besluit alle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 BW bedoelde personen moet afwegen, dus de belangen van de rechtspersoon (hier de KNVB) en degenen die krachtens de wet en de statuten bij diens organisatie zijn betrokken (zoals hier de leden van de KNVB, “onder andere de BVO’s”). Dit volgt ook uit de toetsingsmaatstaf in rov. 4.7. Het hof heeft miskend dat de “aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” niet vallen onder de belangen van de in art. 2:8 BW bedoelde personen en dus niet behoren tot de belangen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie op grond van art. 2:8 BW bij het nemen van hun besluiten in aanmerking moesten nemen en moesten afwegen.
4.182.2 Het hof heeft miskend dat in die belangenafweging de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij diens organisatie betrokken zijn voorop dienen te staan en dat aan de aan Vitesse (als een van de rechtspersonen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de KNVB zijn betrokken) verbonden bredere maatschappelijke belangen beperkt gewicht toekomt, althans niet hetzelfde of meer gewicht dan aan de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij diens organisatie zijn betrokken, laat staan doorslaggevend gewicht.
4.182.3 Het bestreden oordeel is onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet duidelijk maakt aan welke maatschappelijke belangen de Licentiecommissie en de Beroepscommissie volgens het hof in hun belangenafweging kennelijk geen of onvoldoende gewicht hebben toegekend. Dat geldt te meer in het licht van hetgeen de KNVB hierover heeft gesteld.
4.182.4 Blijkens de zinsnede dat bij de beslissing van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie over de toe te passen sanctie “aan de ene kant het karakter en de ernst van de overtreding(en) [spelen] en aan de andere kant het mogelijk ingrijpende karakter en de al dan niet onomkeerbaarheid van de sanctie” (rov. 4.78, tweede zin), en de wijze waarop het hof in rov. 4.79-4.80 de belangenafweging van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie heeft getoetst, heeft het hof miskend dat het betrokken orgaan (althans een orgaan als het onderhavige) zich bij zijn belangenafweging in beginsel (primair) moet (althans mag) richten naar het belang van de rechtspersoon (hier van de KNVB, in het bijzonder de geloofwaardigheid en effectiviteit van het licentiesysteem) en dat dit belang moet (althans mag) prevaleren, tenzij het belang van een persoon die krachtens de wet en de statuten bij diens organisatie is betrokken (zoals een lid, hier bijvoorbeeld “een BVO”) daardoor onnodig of onevenredig wordt geschaad.
4.182.5 De oordelen in rov. 4.78-4.80 zijn onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof slechts heeft overwogen dat het “begrip heeft” voor het standpunt van de KNVB dat de overtredingen door Vitesse van het licentiesysteem consequenties moeten hebben, maar niet kenbaar in zijn overwegingen heeft betrokken dat het belang van de KNVB (hier in het bijzonder het belang van de geloofwaardigheid en effectiviteit van het licentiesysteem en de doelstelling van dit systeem) in de door het hof in rov. 4.79-4.80 getoetste belangenafweging moest (althans mocht) prevaleren, tenzij het belang van Vitesse onnodig of onevenredig zou worden geschaad.
4.182.6 In ieder geval heeft het hof, mede in het licht van de stellingen van de KNVB, onvoldoende duidelijk gemaakt dat en waarom van een dergelijke onnodigheid of onevenredigheid sprake zou zijn.
Behandeling
4.183 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.184 Eerst de klachten onder 4.182.1-4.182.2 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
4.184.1 Het hof onderkent in het bestreden oordeel - met de verwijzing naar (met afweging van) “de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” - dat Vitesse opereert in een maatschappelijke context en de desbetreffende belangen onlosmakelijk verbonden zijn met haar, wat naar de aard ook een bepaalde lading/kleur geeft aan het belang van Vitesse. Het gaat hier dan ook niet om het mede betrekken in de afweging van bepaalde (aan Vitesse externe) bredere maatschappelijke belangen als zodanig, wel om het mede betrekken in die afweging, met daarbij wat betreft Vitesse haar belang als centrale punt, van die maatschappelijke context en gerelateerde, onlosmakelijk met haar verbonden belangen. M.i. laat het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW in verbinding met art. 3:12 BW (en art. 3:15 BW) het hof inderdaad de ruimte dit zo te doen, waarbij het hof dus niet de ogen sluit voor die context en belangen. Ik wijs op mijn uiteenzetting onder 4.8-4.8.8 hiervoor. Dat het hof daarbij in het bestreden oordeel - dat een sterk feitelijk karakter heeft - op een onevenwichtige wijze te werk zou gaan, in het bijzonder door niet het correcte ‘gewicht’ toe te kennen aan die context en belangen, zie ik niet. Ik wijs op mijn uiteenzetting onder 4.20.2-4.20.5 hiervoor. Daarmee valt reeds het doek voor de klachten: de daarin veronderstelde ‘miskenning’ door het hof doet zich in werkelijkheid niet voor.,
4.185 Dan de klacht onder 4.182.3 hiervoor.
4.185.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Anders dan de klacht veronderstelt, zegt het hof nergens - ook niet in het bestreden oordeel, evenmin impliciet - dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in hun belangenafweging aan bepaalde “maatschappelijke belangen (…) geen of onvoldoende gewicht hebben toegekend”. Het hof betrekt de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen, en wel op de onder 4.184.1 hiervoor samengevatte wijze, in de totaalbeoordeling zoals uiteengezet onder 4.20.2-4.20.5 hiervoor. Daaruit volgt ook dat afdoende duidelijk is waarop het hof in het bestreden oordeel doelt met die aan Vitesse verbonden belangen. De enkele verwijzing in de klacht naar stellingen van de KNVB inzake die “maatschappelijke belangen” bouwt voort op voornoemde veronderstelling en maakt ook los daarvan het voorgaande niet anders.
4.186 Dan de klacht onder 4.182.4 hiervoor.
4.186.1 Ook zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Kort en goed: het bestreden oordeel komt erop neer dat de onderhavige besluiten wat betreft de inhoud ervan naar verwachting in een bodemprocedure een rechterlijke toetsing aan kennelijke onredelijkheid niet kunnen doorstaan, omdat de conclusie zich opdringt dat door de sanctie waartoe is besloten door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie het belang van Vitesse (met inachtneming van de aan haar verbonden bredere maatschappelijke belangen) onnodig althans onevenredig wordt geschaad, wat ten tijde van het nemen van de onderhavige besluiten kenbaar was. In andere woorden: de maatstaf die de klacht in de kern voorstaat, hanteert het hof ook. Zie nader mijn uiteenzetting onder 4.20.2-4.20.5 hiervoor, waaruit ook volgt dat dit oordeel geen nadere motivering behoefde.
4.187 Tot slot de klachten onder 4.182.5-4.182.6 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
4.187.1 Zij stranden in lijn met de klacht onder 4.182.4 hiervoor, die dus faalt. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.188 Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.
Onderdeel 3 (“Geen vernietigbaarheid naar wijze van totstandkoming”)
4.189 Het onderdeel bevat twee subonderdelen met klachten.
4.190 Subonderdeel 3.1 (“April-besluiten”) is gericht tegen rov. 4.90-4.92 van het arrest en vangt aan met een inleiding zonder klacht.
4.191 Sub-subonderdeel 3.1.1 is vooreerst gericht tegen het oordeel in rov. 4.90 van het arrest dat “de Licentiecommissie in dit geval op grond van artikel 13 lid 5 van het Licentiereglement de uitkomst van het beroep tegen de aprilbesluiten had moeten afwachten, alvorens een voorgenomen intrekkingsbesluit te nemen dat mede op het onderwerp van de aprilbesluiten was gebaseerd.” Zij klaagt dienaangaande, kort samengevat, als volgt.
4.191.1 Dit oordeel berust op een uitleg (toepassing) van dit lid 5. Deze uitleg (toepassing) is onjuist en/of geeft ervan blijk dat het hof heeft miskend dat dit artikel (als uitgangspunt) moet worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, waarbij in beginsel de bewoordingen van dit artikel (gelet op de context waarin deze zijn gebezigd) van doorslaggevende (althans belangrijke) betekenis zijn. In elk geval is deze uitleg (toepassing) van dit lid 5 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
4.191.2 Dit lid 5 bepaalt (slechts) dat door het instellen van beroep de uitvoering van het besluit wordt opgeschort. Anders dan het hof (kennelijk) meent, volgt uit dit artikel niet dat de Licentiecommissie (in bepaalde gevallen) een (voorgenomen) besluit niet (mede) mag baseren op onderwerpen van andere besluiten die (nog) ter behandeling en beslissing voorliggen bij de Beroepscommissie. Dat staat niet in dit lid 5 en/althans kan (ook) niet daarin (uitgelegd naar objectieve maatstaven) worden gelezen, bij gebrek aan voldoende (objectieve) aanknopingspunten in dit artikel.
4.191.1 Zoals de KNVB heeft gesteld en de Beroepscommissie heeft overwogen, betreft de uitvoering van de besluiten van de Licentiecommissie van 8 en 17 april 2025 (hierna: de aprilbesluiten) de (tenuitvoerlegging van de) sancties die in die besluiten zijn opgelegd aan Vitesse: de aftrek van drie respectievelijk negen wedstrijdpunten (zie het dictum van die besluiten). Dit lid 5 heeft (dus) (slechts) tot gevolg gehad dat bij het beroep tegen de aprilbesluiten de uitvoering (tenuitvoerlegging) van die sancties is opgeschort, niet (het bestaan van) de op grond van het Licentiereglement op Vitesse rustende informatieverplichting, de vaststellingen/verwijten in de aprilbesluiten dat Vitesse aan die verplichting niet heeft voldaan en de in die besluiten opgenomen nieuwe termijnstelling voor het (alsnog) voldoen aan die bestaande verplichting.
4.192 Nu die informatieverplichting, vaststellingen/verwijten en termijnstelling niet zijn opgeschort, is evenmin opgeschort - anders dan het hof (kennelijk) oordeelt in rov. 4.89, waarop rov. 4.90 (mede) berust - de verplichting van Vitesse om op grond van het Licentiereglement de LSA te overleggen.
4.193 Daarmee kan evenmin in stand blijven ’s hofs voortbouwende oordeel in rov. 4.92, zo voegt het sub-subonderdeel nog toe.
Behandeling
4.194 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.195 Eerst de klachten onder 4.191-4.192 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
4.195.1 Art. 13 lid 5 Licentiereglement luidt als volgt:
Door het instellen van beroep wordt de uitvoering van een besluit opgeschort tenzij:
a. het een besluit betreft tot het overleggen van een externe garantstelling als bedoeld in artikel 14 lid 1 onder c van dit reglement; en/of
b. de beroepscommissie licentiezaken op zwaarwichtige gronden en na de betreffende licentiehouder te hebben gehoord, anders beslist.
4.195.2 Het hof legt dit blijkens het bestreden oordeel zo uit dat de opschorting van de uitvoering van een besluit in dit geval, waar een situatie als bedoeld onder a of b niet speelt, meebrengt dat de Licentiecommissie de uitkomst van het nog lopende beroep van Vitesse tegen de aprilbesluiten bij een onafhankelijk rechtsprekend orgaan van de KNVB (de Beroepscommissie) had moeten afwachten, alvorens het voorgenomen intrekkingsbesluit van 23 mei 2025 te nemen (intrekking van de proflicentie van Vitesse) dat mede was gebaseerd op het onderwerp van die aprilbesluiten. Kortom, de Licentiecommissie had pas op de plaats moeten maken in het licht van dit lid 5 en gegeven de feitelijke gang van zaken.
4.195.3 Ik kan uit het bestreden oordeel niet opmaken dat het hof bij de uitleg van dit lid 5 uitgaat van een andere maatstaf dan die waarop de klachten doelen, dus de daarin genoemde uitleg naar objectieve maatstaven. Voor zover de klachten uitgaan van een andere lezing van het arrest, missen zij derhalve feitelijke grondslag.
4.195.4 Dit laatste geldt ook voor zover de klachten ervan uitgaan dat volgens het hof in het bestreden oordeel dit lid 5 tot gevolg had dat met het beroep van Vitesse tegen de aprilbesluiten (ook) zijn opgeschort: (i) (het bestaan van) de op grond van het Licentiereglement op Vitesse rustende informatieverplichting; (ii) de vaststellingen/verwijten in de aprilbesluiten dat Vitesse aan die verplichting niet heeft voldaan; en/of (iii) de in de aprilbesluiten opgenomen nieuwe termijnstelling voor het (alsnog) voldoen aan die bestaande verplichting. Het gaat het hof in het bestreden oordeel niet om (i) t/m (iii) als zodanig, maar wel erom - en dit is iets anders - dat door het beroep van Vitesse tegen de aprilbesluiten de uitvoering van die besluiten is opgeschort, waarbij het hof dit laatste toespitst op de omstandigheid dat de Licentiecommissie op 23 mei 2025 het voorgenomen intrekkingsbesluit heeft genomen (nu het hof díe omstandigheid strijdig acht met die opschortende werking van Vitesse’s beroep tegen de aprilbesluiten).
4.195.5 In lijn hiermee valt ook het doek voor de klachten voor zover zij veronderstellen dat volgens het hof in het bestreden oordeel dit lid 5 tot gevolg had dat met het beroep van Vitesse tegen de aprilbesluiten (ook) is opgeschort (iv) de verplichting van Vitesse op grond van het Licentiereglement de LSA te overleggen. Het gaat het hof in het bestreden oordeel evenmin om (iv) als zodanig, maar wel - en dit is dus iets anders - om hetgeen ik uiteenzette aan het slot onder 4.195.4 hiervoor.
4.195.6 Ook overigens lopen de klachten vast. Ik licht toe.
4.195.7 M.i. staan de bewoordingen van dit lid 5 niet in de weg aan de onder 4.195.2 hiervoor bedoelde uitleg. De - even korte als ruime - formulering van de aanhef tot “tenzij” laat het op zichzelf toe om naar objectieve maatstaven aan te nemen dat, waar tegen een of meer eerdere besluiten van de Licentiecommissie nog beroep loopt bij de Beroepscommissie en een situatie als bedoeld onder a of b niet speelt, het de Licentiecommissie bijvoorbeeld niet vrij staat hangende dit beroep alvast een nieuw, voorgenomen besluit te nemen dat materieel voortbouwt op die bestreden eerdere besluiten en in voorgenomen uitwerking nog weer verder gaat. Gezegd kan worden dat als de Licentiecommissie dit toch doet, daarbij de in die eerdere uitspraken uitgezette lijn aldus doortrekkend in dit nieuwe, voorgenomen besluit niettegenstaande het ingestelde beroep tegen die eerdere uitspraken (die daarin uitgezette lijn), zij in zoverre uitvoering geeft aan die eerdere uitspraken en zodoende de in die aanhef bedoelde opschortende werking van dit beroep doorkruist. Dat het voorgaande anders wordt door de context waarin voornoemde bewoordingen van dit lid 5 zijn gebezigd, althans door een gebrek aan voldoende (objectieve) aanknopingspunten in dit lid 5, valt niet in te zien. De klachten zetten ook niet uiteen waarom dit anders zou zijn.
4.195.8 Het is waar dat de Beroepscommissie in nr. 5.47 van haar besluit van 7 juli 2025 (op de gecombineerde beroepen van de aprilbesluiten) onder meer heeft overwogen dat de opschortende werking van het door Vitesse ingestelde beroep tegen het besluit van de Licentiecommissie van 8 april 2025 “uitsluitend betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de door de licentiecommissie opgelegde sanctie, te weten de aftrek van 3 wedstrijdpunten.” Het is ook waar dat de Beroepscommissie in nrs. 5.41 van haar besluit van 31 juli 2025 onder meer, en ten overvloede, heeft overwogen “dat er geen regel is die zich ertegen verzet dat een besluit van de licentiecommissie dat is geschorst wegens een lopende beroepszaak, ten grondslag kan worden gelegd aan een daarna volgend voorgenomen besluit tot intrekking van een licentie.” Dit een en ander betekent evenwel niet dat ‘dus’ voor de uitleg die het hof geeft aan dit lid 5, waarmee het dienaangaande een andere benadering volgt dan de Beroepscommissie, geen ruimte bestaat bij uitleg van dit lid 5 naar objectieve maatstaven. Wáárom dan precies dit laatste toch zo zou zijn en de (enge) uitleg van dit lid 5 door de Beroepscommissie zou dienen te prevaleren, lees ik nergens in die overwegingen van de Beroepscommissie en valt zonder meer dus ook niet in te zien. Zie nader onder 4.195.7 hiervoor.
4.195.9 Dan resteert het beroep dat de klachten doen op het partijdebat.
4.195.10 Vitesse was mening dat dit lid 5 ruim moet worden uitgelegd, in wezen de lijn die het hof volgt. Zodoende heeft Vitesse gesteld dat de handelwijze van de Licentiecommissie in haar optiek strijdig is met dit lid 5, waarbij zij heeft gewezen op het gebrek aan respect voor de interne rechtsorde van de KNVB, omdat de Licentiecommissie in strijd handelde met de schorsende werking van dit lid 5, het rechtszekerheidsbeginsel en de beginselen van een eerlijk proces. Omdat de Licentiecommissie de aprilbesluiten ten grondslag legde aan het voorgenomen intrekkingsbesluit, zou het zuiver zijn geweest de behandeling en uitkomst van de beroepen daartegen af te wachten. Het hof betrekt dit een en ander in het bestreden oordeel. Zie onder 4.195.2 hiervoor.
4.195.11 De KNVB was van mening dat dit lid 5 eng moet worden uitgelegd, inhoudende dat de opschorting van de uitvoering van een besluit betekent dat de daarin opgelegde sanctie niet uitgevoerd wordt. Ter onderbouwing hiervan heeft de KNVB steeds, en kortweg, verwezen naar besluiten van de Beroepscommissie: nrs. 5.39-5.42 van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025, waaruit ik citeerde onder 4.195.8 hiervoor; en nr. 5.47 van het besluit van de Beroepscommissie van 7 juli 2025, waarop ik eveneens inging onder 4.195.8 hiervoor. Ik kan uit het bestreden oordeel niet opmaken dat het hof dit een en ander daar uit het oog verliest, te minder gelet op het volgende.
4.195.12 Het hof heeft de onderhavige kwestie ter sprake gebracht bij de mondelinge behandeling, specifiek richting de KNVB. Daarbij is zijdens de KNVB bevestigd dat het beroep “schorsende werking” heeft en benadrukt dat het beroep niet “het besluit” opschort, maar “de tenuitvoerlegging van het besluit”. Vervolgens heeft het hof het volgende voorgehouden aan de KNVB:
Een belangrijk onderdeel van het voorgenomen besluit tot intrekking van de licentie is het niet willen overleggen van de LSA. Daar liepen die beroepen nog over. De redengeving van de besluiten van 8 april en 17 april 2025 was mede redengevend voor het voorgenomen besluit tot intrekking van de licentie. Het doet een beetje vreemd aan dat de discussie over dit onderwerp nog werd gevoerd bij een onafhankelijk orgaan bij de KNVB (de Beroepscommissie). Terwijl er nog moest worden beslist of de besluiten overeind konden blijven, werd een voorgenomen besluit gepresenteerd waarvan de besluiten van 8 en 17 april een belangrijk onderdeel zijn.
Daarop is zijdens de KNVB slechts het volgende geantwoord:
Dat kun je alleen meenemen als je weet wat de uitkomst van de beroepszaak is.
4.195.13 In het licht van 4.195.10-4.195.12 hiervoor valt niet vol te houden dat het bestreden oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van het partijdebat. De klachten leggen ook niet uit waarin hier dan precies de pijn zou schuilen.
4.196 Daarmee ontvalt ook de bodem aan de klacht onder 4.193 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.197 Sub-subonderdeel 3.1.2 stelt dat het hof heeft miskend: (i) dat in deze procedure het definitieve besluit van de Licentiecommissie voorligt; en/althans (ii) dat het voor de beoordeling of het definitieve besluit in strijd is met art. 13 lid 5 Licentiereglement en dát besluit (daarmee) vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder c BW niet van belang is of (en in hoeverre) het voorgenomen besluit strookt (of strijdt) met dit lid 5. Daaraan voegt het sub-subonderdeel, kort samengevat, het volgende toe.
4.198 Ten tijde van het definitieve intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie - dat dateert van nadat de Beroepscommissie op de beroepen van de aprilbesluiten had beslist (op 7 juli 2025) - was de uitvoering van de aprilbesluiten niet meer opgeschort, zodat dit lid 5 ten aanzien van die besluiten geen ‘werking’ meer had. Daarom is onjuist (en/of met miskenning van de in sub-subonderdeel 3.1.1 bedoelde uitlegmaatstaf), althans onbegrijpelijk, dat het hof niettemin tot het kennelijke (uitleg)oordeel komt dat “dit besluit” (ik begrijp: het definitieve intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie) in strijd is met dit lid 5 en het hof het (daarom) voldoende aannemelijk acht dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat dit besluit vernietigbaar is op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder c BW, kennelijk omdat het voorgenomen besluit niet strookte met dit lid 5. Het gaat niet om het voorgenomen besluit, maar om het definitieve besluit.
4.199 Dit is niet anders indien, zoals het hof in rov. 4.91 van het arrest overweegt, Vitesse nadeel zou hebben ondervonden van deze gang van zaken.
Behandeling
4.200 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.201 Voor zover zij voortbouwt op sub-subonderdeel 3.1.1, dat dus faalt, deelt het sub-subonderdeel in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.202 Ook overigens loopt het sub-subonderdeel vast, omdat het voorbijziet aan het volgende.
4.202.1 Ik begrijp het hof hier zo dat het in wezen oordeelt dat het handelen door de Licentiecommissie in strijd met het Licentiereglement bij het nemen van het voorgenomen intrekkingsbesluit (op 23 mei 2025) doorwerkt in haar definitieve intrekkingsbesluit. Deze lezing wordt ondersteund door overwegingen van het hof in rov. 4.91 van het arrest. Daar overweegt het hof immers dat de Licentiecommissie het definitieve intrekkingsbesluit weliswaar nam (op 10 juli 2025) nadat de Beroepscommissie had besloten inzake de aprilbesluiten (op 7 juli 2025), maar dat dat niet wegneemt dat Vitesse nadeel heeft ondervonden van deze gang van zaken. Met dit laatste doelt het hof, kort gezegd, op het niet afwachten door de Licentiecommissie van de uitkomst van het beroep van Vitesse tegen de aprilbesluiten alvorens zij het voorgenomen intrekkingsbesluit nam.
4.202.2 Dit door Vitesse ondervonden nadeel ziet erop dat zij door het gestapelde karakter van de besluiten niet de kans heeft gehad om naar aanleiding van de hoorzitting bij de Beroepscommissie (op 23 juni 2025) dan wel het oordeel van de Beroepscommissie (op 7 juli 2025) inzake de aprilbesluiten haar standpunt te herzien en alles in het werk te stellen om alsnog aan het verzoek van de Licentiecommissie tot overlegging van de LSA te voldoen. Het is aannemelijk dat Vitesse dit zou hebben gedaan indien zij die kans had gehad. Dan zou Vitesse alsnog aan haar informatieplicht op dit punt hebben kunnen voldoen, voordat de Licentiecommissie over een voorgenomen besluit tot intrekking van de proflicentie van Vitesse had beslist. Dat zou Vitesse’s eerdere verzuim niet hebben weggenomen, maar had wel van invloed kunnen zijn op de afweging die de Licentiecommissie over een mogelijke intrekking van die proflicentie moest maken, aldus nog steeds het hof.
4.202.3 Het niet voldoen aan art. 13 lid 5 Licentiereglement bij het nemen van het voorgenomen intrekkingsbesluit heeft zodoende naar het oordeel van het hof het definitieve intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie als het ware geïnfecteerd. Langs die weg, waarbij dit niet voldoen aan dit lid 5 dus de schaduw vooruit werpt naar het definitieve intrekkingsbesluit, bereikt het hof de slotsom in rov. 4.92 dat het hof voldoende aannemelijk acht dat de bodemrechter zal oordelen dat dit besluit van de Licentiecommissie vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder c BW.
4.202.4 Gelet ook op de nauwe samenhang tussen het voorgenomen intrekkingsbesluit en het definitieve intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie is dit m.i. goed te volgen. Zo overweegt de Licentiecommissie in nr. 3, aanhef en laatste gedachtestreepje van haar definitieve intrekkingsbesluit dat dit besluit “niet los kan worden gezien van alle eerder gevoerde correspondentie tussen de licentiecommissie en uw BVO”, waaronder het “Voorgenomen besluit tot intrekking licentie (van 23 mei 2025).” En verderop overweegt de Licentiecommissie, in nr. 104:
Bij brief van 23 mei 2025 (…) heeft de licentiecommissie uw BVO [Vitesse, A-G] op de hoogte gebracht van het voorgenomen besluit om de licentie van uw BVO per 1 juli 2025 in te trekken. De onderbouwing van het voorgenomen besluit komt grotendeels overeen met het onderhavige Besluit en zal derhalve niet worden herhaald.
4.202.5 Tegen deze achtergrond is het bestreden oordeel onjuist noch onbegrijpelijk te noemen.
4.203 Reeds hierop ketst het sub-subonderdeel af. Zij behoeft geen verdere bespreking.
4.204 Sub-subonderdeel 3.1.3 stelt vooreerst dat het oordeel in rov. 4.91 van het arrest dat “Vitesse nadeel heeft ondervonden van deze gang van zaken” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Zij voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan.
4.204.1 Met het bestreden oordeel heeft het hof art. 24 Rv miskend en/of is het buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft het een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken gegeven. Vitesse heeft immers niet gesteld dat (zij nadeel heeft geleden doordat): (i) zij door het gestapelde karakter van de besluiten niet de kans heeft gehad om naar aanleiding van “de mondelinge behandeling” dan wel het oordeel van de Beroepscommissie over de eerdere sanctiebesluiten haar standpunt te herzien en alsnog tot overlegging van de ongelakte versie van de LSA over te gaan; (ii) zij dit wel zou hebben gedaan als zij de kans zou hebben gehad; en (iii) dit van invloed had kunnen zijn op de afweging die de Licentiecommissie over een mogelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse moest maken.
4.204.2 Het bestreden oordeel is onbegrijpelijk, vooreerst omdat zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet valt in te zien dat Vitesse door het gestapelde karakter van de besluiten niet de kans heeft gehad om naar aanleiding van de mondelinge behandeling dan wel het oordeel van de Beroepscommissie over de eerdere sanctiebesluiten haar standpunt te herzien en alles in het werk te stellen om alsnog aan het verzoek tot overleggen van de LSA te voldoen. Het voorgenomen intrekkingsbesluit heeft, anders dan het hof kennelijk van oordeel is, op die kans geen invloed gehad.
4.204.3 Evenmin valt zonder nadere motivering in te zien dat Vitesse “dit” - waarmee het hof kennelijk bedoelt: het alsnog overleggen van de LSA na de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie over de aprilbesluiten dan wel het oordeel van de Beroepscommissie daarover - zou hebben gedaan als zij die kans had gehad. Dat Vitesse drie dagen na de hoorzitting bij de Licentiecommissie over het voorgenomen intrekkingsbesluit alsnog de ongelakte LSA heeft verstrekt, duidt er juist (eerder) op dat Vitesse dat stuk heeft verstrekt vanwege (de dreiging die uitging van) het voorgenomen intrekkingsbesluit, zoals de Licentiecommissie ook heeft overwogen en Vitesse ook zelf heeft gesteld.
4.204.4 Daarbij komt (i) dat de Licentiecommissie (de omstandigheid dat Vitesse alsnog) de ongelakte LSA (heeft verstrekt) kon betrekken bij het definitieve intrekkingsbesluit en dat ook heeft gedaan, maar dit heeft de Licentiecommissie niet op andere gedachten gebracht. En (ii) dat een en ander onverlet laat het (eerdere) verzuim (de informatieschendingen van Vitesse) op het punt van de LSA. Bij deze stand van zaken is onbegrijpelijk het oordeel dat Vitesse nadeel heeft ondervonden van de gang van zaken, althans is het nadeel niet van zodanig gewicht dat het (mede) dragend kan zijn voor het oordeel in rov. 4.92.
4.204.5 Overigens berust 4.204.4 onder (i) hiervoor op afwegingen en beoordelingen die zijn voorbehouden aan de Licentiecommissie, wat het hof ook hier miskent; “zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”
4.205 Het sub-subonderdeel sluit af met de klacht dat “[b]ij deze stand van zaken” ’s hofs oordeel dat Vitesse nadeel heeft ondervonden van de gang van zaken onbegrijpelijk is, althans het nadeel niet van zodanig gewicht is dat het (mede) dragend kan zijn voor het oordeel in rov. 4.92.
Behandeling
4.206 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.207 Eerst de klacht onder 4.204.1 hiervoor.
4.207.1 In de gedingstukken van Vitesse (hoofdzakelijk haar turbospoedappeldagvaarding) ben ik, kort samengevat, onder meer de volgende stellingen tegengekomen.
- Op 17 april 2025 schreef Vitesse de Beroepscommissie aan naar aanleiding van het besluit van 17 april 2025 (het tweede aprilbesluit). Vitesse maakte duidelijk ontsteld te zijn door de handelwijze van de Licentiecommissie, onder andere omdat het nieuwe besluit een uitvoering was van het besluit van 8 april 2025 (het eerste aprilbesluit), wat in strijd was met art. 13 lid 5 Licentiereglement.
- Vitesse vulde op 23 april 2025 de zeven gronden van haar beroep tegen het besluit van 8 april 2025 aan.
- Aansluitend stelde Vitesse op 28 april 2025 tevens beroep in tegen het besluit van 17 april 2025. Zij benoemde daarbij dezelfde zeven gronden die op 23 april 2025 waren aangevoerd. Vitesse expliciteerde tevens dat en waarom het besluit in strijd is met dit lid 5.
- De Licentiecommissie verweerde zich op 9 mei 2025 in het beroep van Vitesse tegen het besluit van 8 april 2025. Hierna bleef het stil totdat Vitesse het voorgenomen intrekkingsbesluit van 23 mei 2025 kreeg toegestuurd.
- Vitesse verzocht op 27 mei 2025 onder andere de mondelinge behandeling over de aprilbesluiten af te wachten, voordat een zitting over het voorgenomen intrekkingsbesluit zou plaatsvinden, vanwege de schorsende werking op basis van het Licentiereglement en omdat het voorgenomen intrekkingsbesluit mede was gegrond op de aprilbesluiten die nog in beroep voorlagen.
- Vitesse maakte op 30 mei 2025 bezwaar bij de KNVB tegen - kort gezegd - het bepalen van een mondelinge behandeling over het voorgenomen intrekkingsbesluit zonder de mondelinge behandeling van het beroep tegen de aprilbesluiten af te wachten. In dat bezwaar wees zij op het gebrek aan respect voor de interne rechtsorde van de KNVB, omdat de Licentiecommissie in strijd handelde met dit lid 5, het rechtszekerheidsbeginsel en de beginselen van een eerlijk proces.
- Vitesse verzocht op 4 juni 2025 de bestuurder betaald voetbal toe te zien op naleving van de interne rechtsorde en interne regelgeving.
- Vitesse maakt op 6 juni 2025 duidelijk verontrust te zijn over de procedurele gang van zaken. Vitesse vroeg ook aandacht en begrip voor het feit dat zij door de opeenstapeling van sanctiebesluiten binnen een kort tijdsbestek, gecombineerd met de strikte handhaving van (onredelijk) korte termijnen, onder extreme en aanhoudende tijdsdruk werd geplaatst.
- Tijdens een bespreking met de Licentiecommissie op 10 juni 2025 gaf de Licentiecommissie Vitesse te kennen onder meer een ongelakte versie van de LSA te verlangen.
- Vitesse bleef zich inspannen maximaal transparant te zijn. Op 13 juni 2025 verstrekte Vitesse onder andere de op 10 juni 2025 opgevraagde LSA.
- De keuze van de Licentiecommissie om op 17 april 2025 een nieuw sanctiebesluit te nemen vanwege dezelfde overtreding die reeds op 8 april 2025 met eenzelfde sanctie was bestraft, toont een gebrek aan respect voor de interne rechtsorde. Het gaat niet aan om op basis van een bestreden besluit een nieuwe sanctie op te leggen. Dat is niet mogelijk vanwege de schorsende werking van het ingestelde beroep.
- Het gebrek aan respect bij de Licentiecommissie voor de interne rechtsorde werd tevens duidelijk doordat zij bewerkstelligde dat de bespreking (ik begrijp: de hoorzitting van 10 juni 2025) over het voorgenomen intrekkingsbesluit eerder plaatsvond dan de gecombineerde mondelinge behandeling van het beroep tegen de aprilbesluiten. De aprilbesluiten legde de Licentiecommissie immers ten grondslag aan het voorgenomen intrekkingsbesluit, zodat het zuiver zou zijn geweest de behandeling en uitkomst van het beroep daartegen af te wachten.
- Het beroep op art. 2:15 lid 1, aanhef en onder c BW onderbouwt Vitesse met verwijzing naar onder andere het negeren van een beroep bij de Beroepscommissie wat betreft het besluit van 17 april 2025.
4.207.2 Daarnaast bespreekt het hof ter mondelinge behandeling met de KNVB, naar aanleiding van de stellingname van Vitesse, de opeenvolging van sancties (de aprilbesluiten en daarna het voorgenomen intrekkingsbesluit) en het gegeven dat een belangrijk onderdeel van het voorgenomen intrekkingsbesluit het niet overleggen van de LSA was, terwijl het beroep tegen de aprilbesluiten (die onder andere daarover gingen) nog liep. Daarbij komt ook aan bod de afweging door de KNVB tussen enerzijds de spoed voor de KNVB en anderzijds het belang van Vitesse zich te kunnen verweren. Daarbij is zijdens de KNVB niet aangevoerd dat het hof aldus onderwerpen aansnijdt die, kort gezegd, door Vitesse niet zijn opgebracht en buiten het geschil tussen partijen vallen.
4.207.3 Tegen deze achtergrond is m.i. het bestreden oordeel onjuist noch onbegrijpelijk zoals bedoeld in de klacht, die volledig abstraheert van het voorgaande. Kort en goed: oordelend zoals het doet in rov. 4.91 van het arrest kleurt het hof binnen de lijnen van art. 24 Rv, de rechtsstrijd tussen partijen en (de in beginsel aan het hof als feitenrechter voorbehouden) gedingstukuitleg.
4.208 Dan de klacht onder 4.204.2 hiervoor.
4.208.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Het gaat het hof in het bestreden oordeel erom dat Vitesse niet de kans heeft gehad om naar aanleiding van de mondelinge behandeling bij dan wel het oordeel van de Beroepscommissie over de aprilbesluiten haar standpunt te herzien en alles in het werk te stellen om alsnog aan het verzoek tot overleggen van de LSA te voldoen, zonder dat er al een voorgenomen intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie lag. Immers:
In dat geval zou Vitesse alsnog aan haar informatieplicht op dit punt hebben kunnen voldoen, voordat de Licentiecommissie over een voorgenomen besluit tot intrekking van de proflicentie van Vitesse had beslist. Dat zou haar eerdere verzuim niet hebben weggenomen, maar had wel van invloed kunnen zijn op de afweging die de Licentiecommissie over een mogelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse moest maken.
Dit is iets anders dan de klacht ervan maakt, daarbij redenerend vanuit een ‘kennelijk’ oordeel van het hof dat het in werkelijkheid dus niet geeft.
4.209 Dan de klacht onder 4.204.3 hiervoor.
4.209.1 In de vindplaatsen in gedingstukken zijdens Vitesse die de klacht noemt, lees ik niet terug - anders dan de klacht - dat Vitesse bij het hof heeft gesteld dat zij de ongelakte versie van de LSA heeft overgelegd omdat het voorgenomen intrekkingsbesluit er lag (“vanwege (de dreiging die uitging van)” dit besluit). Veeleer is daar, kort samengevat, het volgende te lezen; en de strekking daarvan is toch echt een andere.
- Het werd Vitesse tijdens de hoorzitting bij de Licentiecommissie op 10 juni 2025 duidelijk waarom de Licentiecommissie meende dat Vitesse nog niet aan haar informatieplicht had voldaan.
- Vitesse ging onmiddellijk aan de slag met de informatieverzoeken die de Licentiecommissie tijdens die hoorzitting deed, en volgde die verzoeken nog dezelfde week op.
- Ondanks de weerstand bij de KNVB volgend op die hoorzitting, bleef Vitesse zich inspannen om maximaal transparant te zijn.
- Vitesse heeft voldaan aan alle wensen van de Licentiecommissie, want zij bevestigde in de late avond van 10 juni 2025 het vertrek van [betrokkene 3] als commissaris en verstrekte op 13 juni 2025 alle gevraagde documentatie aan de voltallige Licentiecommissie.
- De Licentiecommissie beschikte ten tijde van het definitieve intrekkingsbesluit over alle informatie die zij bij Vitesse had opgevraagd, waaronder een ongelakte versie van de LSA. Er stond op dat moment ook geen informatieverzoek open.
4.209.2 In dit licht valt evenmin vol te houden - anders dan de klacht wil - dat de omstandigheid dat Vitesse de ongelakte versie van de LSA drie dagen na voornoemde hoorzitting heeft overgelegd, indiceert (“juist (eerder) erop wijst”) dat zij die versie heeft overgelegd omdat het voorgenomen intrekkingsbesluit er lag. Uit die onderbouwde stellingname van Vitesse volgt dat de zaken wezenlijk anders lagen. Dat het toch zit zoals de klacht suggereert, kan niet worden opgemaakt uit wat de KNVB heeft aangevoerd in feitelijke instanties; de klacht wijst ook niet op stellingen van de KNVB in die richting, laat staan met vindplaats. De klacht wijst wel op een randnummer in het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 (nr. 159), maar dit baat de klacht niet. Want in dit randnummer - bestaande uit slechts een enkele zin - wordt weliswaar als “feit” gepresenteerd dat Vitesse “‘slechts’ vanwege de voorgenomen intrekking van de licentie bereid bleek om op 13 juni 2025 de ongecensureerde LSA aan de licentiecommissie te verstrekken”, maar de Licentiecommissie legt niet uit waaruit dit “feit” dan zou blijken. Dit blijft steken in een blote, niet door concrete feiten geschraagde opmerking van de Licentiecommissie. Bovendien wijst de klacht (dus) niet op enige vindplaats in de gedingstukken zijdens de KNVB of Vitesse waar een relevant beroep op dit besluit is gedaan.
4.209.3 Reeds hierop stuit de klacht af.
4.210 Dan de klacht onder 4.204.4 hiervoor.
4.210.1 Onder (i) gaat zij voorbij aan wat het hof tot uitdrukking brengt in het bestreden oordeel. Het gaat het hof erom dat Vitesse niet de kans heeft gehad om naar aanleiding van de mondelinge behandeling bij dan wel het oordeel van de Beroepscommissie over de aprilbesluiten haar standpunt te herzien en alles in het werk te stellen om alsnog aan het verzoek tot overleggen van de LSA te voldoen, zonder dat er al een voorgenomen intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie lag. Zie nader onder 4.208.1 hiervoor. Daaraan doet niet af wat de klacht onder (i) te berde brengt.
4.210.2 Wat de klacht aanvoert onder (ii) boekt evenmin succes. Het hof onderkent in het bestreden oordeel dat als Vitesse die kans had gepakt, dit haar eerdere verzuim niet zou hebben weggenomen. Het gaat het hof erom dat dit laatste onverlet laat dat als Vitesse die kans had gepakt, dit van invloed had kunnen zijn op de afweging die de Licentiecommissie over een mogelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse moest maken. Deze redenering is prima te volgen.
4.211 Dan de klacht onder 4.204.5 hiervoor.
4.211.1 Zij deelt in het lot van onderdeel 1 en de klacht onder 4.204.4 sub (i) hiervoor, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.212 Tot slot de klacht onder 4.205 hiervoor.
4.212.1 Voor zover de klacht al voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv, loopt zij vast in het voetspoor van de voorgaande klachten in het sub-subonderdeel, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.213 Subonderdeel 3.2 (“De behandeling van het beroep tegen het intrekkingsbesluit”) is gericht tegen rov. 4.103, 4.105-4.107 van het arrest en vangt aan met een inleiding zonder klacht.
4.214 Sub-subonderdeel 3.2.1 (“Vernietigbaar op welke grond van art. 2:15 lid 1 BW: a, b of c?”) stelt dat het hof in rov. 4.107 van het arrest in het midden heeft gelaten op welke grond de rechter in de bodemprocedure het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 vernietigbaar zal oordelen (wegens het op de door het hof bedoelde punten niet-voldoen aan het beginsel van hoor en wederhoor): art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a, b, of c BW. Volgens het hof is het een van deze gronden (“a/c”, “dan wel” b), maar het heeft niet (gemotiveerd) geoordeeld welke van deze drie. Voor zover het hof zijn oog heeft op (toepassing van) grond a/c, heeft het niet (voldoende) inzichtelijk gemaakt met welke wettelijke of statutaire bepaling die het tot stand komen van besluiten regelt (onder a) of met welk artikel uit een reglement (onder c) het besluit van de Beroepscommissie in strijd zou zijn. Aldus heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de eisen die aan de motivering van diens oordeel worden gesteld (ook in kort geding) en/althans heeft het zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd.
Behandeling
4.215 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.216 In rov. 4.107 van het arrest oordeelt het hof dat het “[g]elet op wat hiervoor is overwogen” voorshands van oordeel is dat de Beroepscommissie aan het fundamenteel rechtsbeginsel van hoor en wederhoor op de genoemde punten niet heeft voldaan. En dat dit meebrengt dat het hof aannemelijk acht dat de rechter in de bodemprocedure het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 (i) vernietigbaar zal oordelen op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a/c BW, dan wel (ii) naar de totstandkoming in strijd zal achten met de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW.
4.217 Met (i) brengt het hof tot uitdrukking dat voor zover uit rov. 4.93-4.106 blijkt dat die schending door de Beroepscommissie van het beginsel van hoor/wederhoor valt te herleiden tot strijd met wettelijke bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of met het Licentiereglement, het bepaalde in art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a of c BW hier toepassing vindt. De a-grond betrekt het hof voor zover het bepaalde in art. 19 Rv en art. 6 EVRM hier (naar analogie) toepassing vindt, zie rov. 4.106 (geciteerd onder 4.218 hierna). Bij de c-grond zij bedacht dat het hof in rov. 4.82-4.83 al overwegingen wijdt aan en citeert uit het Licentiereglement (waaronder art. 11 lid 2-3), wat ook relevant is voor de beoordeling in rov. 4.93-4.106, en dat het hof bij die beoordeling ook het Licentiereglement betrekt (zoals in rov. 4.95, 4.100 en 4.103). Dit laatste begrijp ik zo dat volgens het hof wat betreft het Licentiereglement in het bijzonder sprake is van handelen door de Beroepscommissie in strijd met (het recht van hoor en wederhoor als gewaarborgd in) art. 11 lid 2-3.
4.218 Met (ii) brengt het hof tot uitdrukking dat voor zover uit rov. 4.93-4.106 blijkt dat die schending door de Beroepscommissie van het beginsel van hoor/wederhoor valt te herleiden tot strijd met art. 2:8 lid 1 BW, het bepaalde in art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW hier toepassing vindt. In dit verband valt bijvoorbeeld te wijzen op rov. 4.106, specifiek het slot over aantasting van de zorgvuldigheid van de besluitvorming:
Hoewel de Beroepscommissie geen rechterlijke instantie is zoals een overheidsrechter, is zij wel het rechtsprekend orgaan van de KNVB in kwesties over de licenties en opereert zij daarin onafhankelijk. Daar past - daar gaat de Beroepscommissie zelf ook vanuit - de verplichting bij dat het fundamenteel rechtsbeginsel van hoor en wederhoor juist wordt toegepast als onderdeel van de eisen van de behoorlijke procesorde, gelijk voor een civiele procedure is geregeld in de artikelen 19 Rv en artikel 6 EVRM. De Beroepscommissie is echter vanwege een aangenomen hoge spoed die niet dwingend blijkt te zijn afgeweken van de gebruikelijke procedure zonder dit met voldoende waarborgen te omkleden, zodat Vitesse in elk geval in de gelegenheid zou worden gesteld om zich tot het laatste moment volledig en afdoende tegen de besluiten te verweren. Hierdoor konden de laatste relevante feiten en omstandigheden over de stand van zaken onvoldoende in aanmerking worden genomen, wat de zorgvuldigheid van de besluitvorming heeft aangetast.
4.219 Wat betekent dit een en ander? Ten eerste dat het hof in rov. 4.107 niet in het midden laat op welke grond de rechter in de bodemprocedure het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 vernietigbaar zal oordelen, maar (gemotiveerd) oordeelt in hoeverre en waarom de a-, b- en c-grond toepassing vinden. Ten tweede dat het hof onder (i) wel (voldoende) inzichtelijk maakt dat dit ziet op de a-grond en de c-grond, en om welke bepalingen in de wet en het Licentiereglement het hier gaat. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het sub-subonderdeel, zij behoeft geen verdere bespreking.
4.220 Sub-subonderdeel 3.2.2 (“Gewone beroepsprocedure, geen voorlopige voorziening of ordemaatregel”) wordt voorafgegaan door een inleiding die oordelen in rov. 4.99-4.101, 4.103 en 4.106 van het arrest sterk samengevat weergeeft. Het sub-subonderdeel stelt vervolgens dat voor zover het oordeel van het hof dat de Beroepscommissie niet heeft voldaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en (daarmee) aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 zal vernietigen (mede) erop berust dat de Beroepscommissie is afgeweken van de gebruikelijke procedure en/doordat zij een “spoedprocedure” (in plaats van een “gewone beroepsprocedure”) zou hebben gevolgd, zonder dat zij daarvoor een dwingende c.q. voldoende reden(en) had, dit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is. Dit werkt het sub-subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit.
4.220.1 Er is sprake van een onjuiste althans onbegrijpelijke uitleg (toepassing) van het Licentiereglement (en/of het hof heeft miskend dat voor die uitleg de in sub-subonderdeel 3.1.1 genoemde (objectieve) maatstaf geldt). Art. 13 lid 8 bepaalt onder meer dat de behandeltermijn door de Beroepscommissie “zo kort mogelijk” is en de Beroepscommissie “zo spoedig mogelijk” uitspraak doet. Art. 11 lid 3 bepaalt dat bij de bepaling van een mondelinge behadeling “rekening wordt gehouden met de spoedeisendheid van een zaak.” Het door het hof gemaakte onderscheid tussen een “gewone beroepsprocedure” en een “spoedprocedure” kent het Licentiereglement (dus) niet. Het hof heeft miskend dat procedures bij de Beroepscommissie per definitie procedures zijn die zo snel/spoedig mogelijk worden doorlopen. Anders dan het hof kennelijk van oordeel is, is/zijn een “dwingende reden” en/of “voldoende redenen” (naast spoedeisendheid) niet vereist wil de Beroepscommissie de mondelinge behandeling op een kortere termijn (kunnen) bepalen althans de zaak sneller/spoediger (kunnen) behandelen dan (in) andere zaken, ook niet als het gaat om een besluit “over de meest verstrekkende sanctie” (rov. 4.103). En anders dan het hof verder heeft gesuggereerd, is de maatstaf dus ook niet of het volgen van een bepaalde (gebruikelijke) procedure “onoverkomelijke problemen” oplevert (rov. 4.100).
4.220.2 Het hof heeft miskend dat de passage in het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 die het hof citeert in rov. 4.97 begrepen moet worden tegen de onder 4.220.1 hiervoor geschetste achtergrond. De Beroepscommissie heeft, rekening houdende met de spoedeisendheid van deze zaak, invulling (toepassing) gegeven aan art. 11 lid 3 en 13 lid 8.
4.220.3 Dit valt gelet op (de bewoordingen van) art. 11 lid 3 en 13 lid 8 binnen de beoordelings- en beleidsruimte van de Beroepscommissie. Zij gaat over het bepalen van de behandeltermijnen en (de spoedeisendheid van) de mondelinge behandeling, hetgeen (mede) berust op haar beleidsmatige afwegingen en feitelijke beoordelingen van (onder meer) de spoedeisendheid van de zaak. Het is niet aan de rechter zelf deze afwegingen en beoordelingen te maken en hij moet zich terughoudend opstellen ten opzichte van die afwegingen en beoordelingen, hetgeen het hof heeft miskend.
4.220.4 Het voorgaande geldt te meer nu de Beroepscommissie haar beslissing af te wijken van de gebruikelijke procedure uitvoerig heeft toegelicht, ook nog bij aanvang van de mondelinge behandeling. In het vervolg van de mondelinge behandeling is daarover ook geen discussie meer gevoerd. Zonder nadere motivering (die ontbreekt) valt gelet hierop ook niet in te zien dat de Beroepscommissie niet adequaat zou hebben gerespondeerd op het bezwaar van Vitesse tegen het bepalen van twee potentiële data voor de mondelinge behandeling, zonder dat er door Vitesse een beroep aanhangig was gemaakt (rov. 4.101). Het hof maakt (ook) niet duidelijk hoe de Beroepscommissie dan wel had moeten responderen.
Behandeling
4.221 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.222 Ik begin met de onder 4.220.1 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.222.1 Voor zover hier wordt voortgebouwd op sub-subonderdeel 3.1.1, dat dus faalt, deelt het sub-subonderdeel in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting. Ook los daarvan geldt dat niet valt in te zien dat het hof in het bestreden oordeel miskent dat bij het Licentiereglement een uitleg naar objectieve maatstaven is aangewezen. Verder geldt het volgende.
4.222.2 Het kan zo zijn dat het Licentiereglement het onderscheid tussen een gewone beroepsprocedure en een spoedprocedure niet kent. Voor het bestreden oordeel maakt dat ook niet uit. Daarin redeneert het hof vanuit een onderscheid in (i) “een gewone beroepsprocedure op basis van het reglement over de meest verstrekkende sanctie die aan een BVO kan worden opgelegd” en (ii) “een spoedprocedure gericht op een ordemaatregel of voorlopige voorziening”, waarbij het hof aantekent - feitelijk correct - dat het in dit geval gaat om (i), niet om (ii) (zie rov. 4.100 van het arrest).
4.222.3 In het kader van (i) hiervoor, waarvan het bestreden oordeel dus uitgaat, ziet het hof niet eraan voorbij dat daarbij onder meer het bepaalde in art. 11 lid 3 en 13 lid 8 Licentiereglement van toepassing is. Evenmin miskent het hof dat op basis van die bepalingen - waaruit het hof citeert in rov. 4.83 - de Beroepscommissie rekening houdt met de spoedeisendheid van de zaak, de behandeltermijn van zaken door de Beroepscommissie zo kort mogelijk is en de Beroepscommissie zo spoedig mogelijk uitspraak doet. In dit verband zegt of suggereert het hof (dus) nergens: dat de Beroepscommissie eerst bij een “dwingende reden” en/of “voldoende redenen” komt of kan komen tot bepaling van de mondelinge behandeling op een kortere termijn, althans tot een snellere/spoedigere behandeling van de zaak, dan in andere zaken. Noch: dat de maatstaf is of het volgen van een bepaalde (gebruikelijke) procedure “onoverkomelijke problemen” oplevert.
4.222.4 Nee, het gaat het hof erom dat de Beroepscommissie op bepaalde punten niet heeft voldaan aan het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor, dit toegespitst op de in rov. 4.93-4.106 weergegeven gang van zaken en in het kader van (i) hiervoor (met inachtneming ook van voornoemde bepalingen in het Licentiereglement). Dit is iets anders dan het sub-subonderdeel hier ervan maakt. Dit is reeds fataal.
4.223 Dan de onder 4.220.2 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.223.1 Het sub-subonderdeel loopt hier vast in het voetspoor van de onder 4.220.1 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus doel mist. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.224 Dan de onder 4.220.3 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.224.1 In het bestreden oordeel ligt niet besloten dat het hof meent dat het zelf de afwegingen en beoordelingen ter bepaling van de behandeltermijnen en (de spoedeisendheid van) de mondelinge behandeling dient te maken. Het hof weegt in rov. 4.93-4.107 van het arrest uitdrukkelijk de onderhavige handelwijze en overwegingen van de Beroepscommissie af tegen het belang van Vitesse bij een zorgvuldige procedure en in het bijzonder het beginsel van hoor/wederhoor. In zoverre gaat het sub-subonderdeel hier derhalve uit van een onjuiste lezing van het arrest en strandt het daarmee op een gebrek aan feitelijke grondslag.
4.224.2 Voor zover het sub-subonderdeel hier aanvoert dat het hof niet de vereiste terughoudendheid in acht heeft genomen en daarbij voortbouwt op onderdeel 1, dat dus faalt, deelt het sub-subonderdeel in het lot daarvan. Dit behoeft geen verdere toelichting. Ook los daarvan mist het sub-subonderdeel hier doel, nu het niet duidelijk maakt, met feitelijke grondslag in het arrest, waarin dan precies zo’n gebrek aan de vereiste terughoudendheid bij het hof gelegen zou zijn. Zo’n gebrek is er in werkelijkheid ook niet. Het hof trekt een weinig verrassende conclusie in een sterk feitelijke beoordeling, toegespitst op de geschetste gang van zaken en in het kader van 4.222.2 onder (i) hiervoor. Namelijk dat de Beroepscommissie vanwege een aangenomen hoge spoed die niet dwingend blijkt te zijn, is afgeweken van de gebruikelijke beroepsprocedure zonder dit te omkleden met voldoende waarborgen, waardoor de laatste relevante feiten en omstandigheden over de stand van zaken onvoldoende in aanmerking konden worden genomen.
4.225 Tot slot de onder 4.220.4 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.225.1 De uitkomst bij de onder 4.220.1-4.220.3 hiervoor bedoelde uitwerking wordt uiteraard nog niet anders door de enkele opmerking, waarmee het sub-subonderdeel hier opent, dat de Beroepscommissie haar beslissing af te wijken van de gebruikelijke procedure uitvoerig heeft toegelicht (ook nog bij aanvang van de mondelinge behandeling) en dat daarover in het vervolg van de mondelinge behandeling ook geen discussie meer is gevoerd. Daarmee kan de door het hof geconstateerde schending zijdens de Beroepscommissie van het beginsel van hoor/wederhoor nog niet door de beugel.
4.225.2 Evenmin rechtvaardigt die enkele opmerking de conclusie dat het hof nog weer nader had moeten motiveren dat door de Beroepscommissie niet adequaat is gerespondeerd op het bezwaar van Vitesse tegen het bepalen van twee potentiële data voor een mondelinge behandeling op korte termijn, zonder dat er door Vitesse een beroep aanhangig was gemaakt. Daarbij zij bedacht dat het hof dit niet bloot poneert, maar toelicht in rov. 4.101 van het arrest en het vervolg daarop. Daarbij neemt het hof als vertrekpunt dat weliswaar de Beroepscommissie heeft ingestemd met het indienen van de aanvullende beroepschriften/bijlagen door Vitesse, maar daarmee de mogelijkheid voor Vitesse om voldoende verweer te voeren op de nadere inbreng van de Licentiecommissie - waarmee zij nog niet bekend was - onvoldoende was gewaarborgd, terwijl Vitesse daarbij wezenlijk belang had. Daaraan gaat het sub-subonderdeel hier voorbij.
4.226 Sub-subonderdeel 3.2.3 bestrijdt als onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het kennelijke oordeel van het hof dat de Beroepscommissie “de procedure niet had mogen inrichten/vormgeven zoals zij heeft gedaan en/omdat voor die inrichting/vormgeving geen, althans onvoldoende, (dringende) reden(en) zou(den) bestaan, althans dat die redenen zouden zijn gesteld noch gebleken.” Het sub-subonderdeel werkt dit, kort samengevat, als volgt uit.
4.226.1 Anders dan het hof suggereert in rov. 4.99 van het arrest, is duidelijkheid hebben voor de start van de competitie gelet op het ongestoorde verloop daarvan (volgens de Beroepscommissie) ook in het belang van Vitesse. Dát belang bestaat bij duidelijkheid over de start van de competitie, blijkt ook uit de brief van de Coöperatie “Eerste Divisie” U.A. die het hof in rov. 4.100 aanhaalt. Daarin valt te lezen dat het tussentijds uitvallen van een club aanzienlijke organisatorische en praktische problemen zou veroorzaken. Zonder nadere motivering (die ontbreekt) is onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rov. 4.100 dat dit geen “onoverkomelijke problemen” oplevert.
4.226.2 Alleen al in het licht van “het voorgaande” is alleszins te volgen dat de Beroepscommissie de procedure heeft ingericht/vormgegeven zoals zij dat heeft gedaan (dus nog daargelaten dat dit binnen haar beoordelings- en beleidsruimte valt). Daarbij komt dat de Beroepscommissie ook heeft meegewogen dat het in de lijn der verwachtingen lag dat Vitesse beroep zou aantekenen tegen het besluit, en dat de Beroepscommissie met de gevolgde procedure voor Vitesse de mogelijkheid heeft willen openhouden de zaak voor te leggen aan de burgerlijke rechter voor de start van de competitie, mocht de beslissing in haar nadeel uitvallen. In het licht van al deze omstandigheden is het onder 4.226 hiervoor bedoelde kennelijke oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
4.226.3 Daarbij komt dat op het moment dat de Beroepscommissie de datum voor de eventuele zitting bepaalde, de termijn om beroep in te stellen twee dagen later zou verstrijken. De Beroepscommissie had dat beroep ook kunnen afwachten en dan alsnog de mondelinge behandeling op de nu voorgestelde data kunnen bepalen. De aanpak van de Beroepscommissie heeft als voordeel gehad voor Vitesse dat zij eerder bekend werd met de datum van de mondelinge behandeling.
4.226.4 Daarnaast bood de Beroepscommissie Vitesse de gelegenheid tot vlak voor de zitting (en dus na het verstrijken van de beroepstermijn) nog aanvullende beroepschriften in te dienen (waarvan zij ook gebruik heeft gemaakt). Daardoor kon de Licentiecommissie mogelijk niet in de gelegenheid worden gesteld voorafgaand aan de zitting schriftelijk te reageren op het “volledig uitgewerkte beroepschrift” van Vitesse. De Beroepscommissie vroeg de Licentiecommissie (dáárom) of zij ermee kon instemmen dat zij mogelijk niet voorafgaand aan de zitting haar standpunt schriftelijk kenbaar kon maken en stukken kon overleggen.,
4.226.5 In het licht van het voorgaande is zonder nadere motivering (die ontbreekt) (ook) onbegrijpelijk het (kennelijke) oordeel van het hof dat de Beroepscommissie met hoge spoed, die niet dwingend blijkt te zijn, van de gebruikelijke procedure zou zijn afgeweken (zonder dit met voldoende waarborgen te omkleden) (rov. 4.106) en/of dat dit een van de “punten” (rov. 4.107) is/kan zijn waarop de Beroepscommissie niet zou hebben voldaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en/althans dat dit (mede) dragend kan zijn voor het oordeel dat aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure het besluit van de Beroepscommissie zal vernietigen op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a, b of c BW.
Behandeling
4.227 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.228 Ik begin met de onder 4.226.1 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.228.1 Nergens in het arrest - dus ook niet in rov. 4.99 - zegt of suggereert het hof dat duidelijkheid hebben voor de start van de competitie gelet op het ongestoorde verloop daarvan (volgens de Beroepscommissie) van nul en generlei belang is voor Vitesse. Het gaat het hof in rov. 4.93-4.107 om iets anders, namelijk en kort samengevat dat bezien vanuit Vitesse bij de behandeling van het beroep tegen het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 (waarbij Vitesse’s proflicentie onvoorwaardelijk is ingetrokken) het beginsel van hoor/wederhoor te zeer in het gedrang is gekomen door de in rov. 4.93-4.106 geschetste gang van zaken. Daarop heeft Vitesse juist ook gewezen, zoals het hof noteert in onder meer rov. 4.95: zij achtte het in haar belang - gezien hetgeen voor Vitesse op het spel stond - dat een zorgvuldige procedure met oog voor hoor/wederhoor zou plaatsvinden bij de Beroepscommissie, in plaats van dat met een procedure onder spoed vroegtijdig duidelijkheid zou bestaan.
4.228.2 De brief van de Coöperatie “Eerste Divisie” U.A. van 15 juli 2025 betrekt het hof in rov. 4.100. Daar ontkent het hof niet dát een belang bestaat bij duidelijkheid over de start van de competitie. Wel is het zo dat deze brief is ingestoken op problemen die het tussentijds uitvallen van Vitesse zou veroorzaken voor de competitie als geheel, niet specifiek voor Vitesse. Het gaat daar immers om organisatorische en praktische problemen die te maken hebben met de competitie als zodanig. In die brief lees ik niks terug dat ziet op behartiging van de positie van specifiek Vitesse.
4.228.3 ’s Hofs oordeel in rov. 4.100 dat begrijpelijk is dat het tussentijds uitvallen van een club aanzienlijke organisatorische en praktische problemen zou veroorzaken, maar dit laatste geen onoverkomelijke problemen oplevert, behoefde geen nadere motivering. Ik wijs op rov. 4.112, waar het hof in de context van organisatorische en praktische problemen van het alsnog toelaten van Vitesse tot de competitie overweegt dat “[d]e KNVB desgevraagd op de mondelinge behandeling [heeft] verklaard dat deze organisatie moeilijk, maar niet onmogelijk is.” Het ligt in de rede - en daarop doelt het hof m.i. in rov. 4.100 - dat dit ook opgeld doet voor de omgekeerde situatie, dus waarin Vitesse tussentijds uit de competitie zou moeten treden. Aldus bezien is voornoemde oordeel goed te volgen.
4.228.4 Op dit een en ander ketst het sub-subonderdeel hier al af.
4.229 Dan de onder 4.226.2 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.229.1 Voor zover hiermee wordt voortgebouwd op de onder 4.226.1 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus doel mist, deelt het sub-subonderdeel hier in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.229.2 Ook los daarvan boekt het sub-subonderdeel hier geen succes. Dat (i) het in de lijn der verwachtingen lag dat Vitesse tegen het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 beroep zou aantekenen, en (ii) de Beroepscommissie met de gevolgde procedure voor Vitesse de mogelijkheid heeft willen openhouden de zaak voor te leggen aan de burgerlijke rechter voor de start van de competitie bij een voor Vitesse negatieve beslissing, laat naar de aard onverlet dat bezien vanuit Vitesse bij de behandeling van het beroep tegen dit besluit het beginsel van hoor/wederhoor te zeer in het gedrang is gekomen door de in rov. 4.93-4.106 van het arrest geschetste gang van zaken, waarop Vitesse juist ook heeft gewezen. Zie ook onder 4.228.1 hiervoor. De omstandigheden (i) en (ii), wat daarvan verder zij, maken ’s hofs oordeel in rov. 4.93-4.107 dan ook niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
4.229.3 Bij deze stand van zaken kan ik daarlaten of het onder 4.226 hiervoor bedoelde kennelijke oordeel van het hof, waarop het sub-subonderdeel hier terugvalt, wel feitelijke grondslag heeft in het arrest.
4.230 Dan de onder 4.226.3 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.230.1 Het sub-subonderdeel hamert hier erop dat Vitesse door de aanpak van de Beroepscommissie (enkele dagen) eerder bekend werd met de datum van de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie. Dit argument baat de KNVB niet. Want wat daarvan verder zij, die omstandigheid - ook indien gecombineerd met de eerder in het sub-subonderdeel opgeworpen omstandigheden - laat naar de aard onverlet dat bezien vanuit Vitesse bij de behandeling van het beroep tegen het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 het beginsel van hoor/wederhoor te zeer in het gedrang is gekomen door de in rov. 4.93-4.106 van het arrest geschetste gang van zaken, waarop Vitesse juist ook heeft gewezen. Zie ook onder 4.228.1 en 4.229.2 hiervoor. Daarmee valt hier het doek voor het sub-subonderdeel.
4.231 Dan de onder 4.226.4 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.231.1 Hier verplaatst het sub-subonderdeel vooreerst de aandacht naar het argument dat de Beroepscommissie aan Vitesse de gelegenheid bood tot vlak voor de zitting (en dus na het verstrijken van de beroepstermijn) nog aanvullende beroepschriften in te dienen (waarvan zij ook gebruik heeft gemaakt), waardoor de Licentiecommissie mogelijk niet in de gelegenheid kon worden gesteld voorafgaand aan de zitting schriftelijk te reageren op de schrifturen van Vitesse. Daarvoor geldt overeenkomstig wat ik schreef onder 4.230.1 hiervoor. Dit laatste gaat ook op voor het vervolgargument dat de Beroepscommissie de Licentiecommissie (dáárom) vroeg of zij ermee kon instemmen dat zij mogelijk niet voorafgaand aan de zitting haar standpunt schriftelijk kenbaar kon maken en stukken kon overleggen. Kortom, ook hier delft het sub-subonderdeel het onderspit.
4.232 Tot slot de onder 4.226.5 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.232.1 Dit bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de onder 4.226.1-4.226.4 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus doel mist. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.233 Sub-subonderdeel 3.2.4 wordt voorafgegaan door een inleiding die oordelen in rov. 4.101-4.103 van het arrest sterk samengevat weergeeft. Vervolgens stelt het sub-subonderdeel dat voor zover het oordeel in rov. 4.107 dat de Beroepscommissie niet heeft voldaan aan het beginsel van hoor/wederhoor (mede) berust op het (klaarblijkelijke) oordeel van het hof dat Vitesse niet (adequaat) heeft kunnen reageren op de inbreng van de Licentiecommissie in de beroepsprocedure en dat aan Vitesse de mogelijkheid had moeten worden geboden voor een reactie op deze inbreng, ook als dat na de mondelinge behandeling zou zijn (en dit dus een van de in rov. 4.107 bedoelde “punten” is), dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is. Want Vitesse heeft zulks niet gesteld in dit kort geding, zodat het hof art. 24 Rv heeft miskend en/of buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden althans een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken heeft gegeven. Voor zover Vitesse deze stelling ter zitting in hoger beroep heeft ingenomen, was dit te laat en heeft het hof de eisen van een goede procesorde en/of de tweeconclusieregel miskend.
Behandeling
4.234 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.235 Vitesse heeft aan haar stellingen onder meer ten grondslag gelegd dat bij de procedure bij de Beroepscommissie sprake was van een gebrekkige toepassing van het beginsel van hoor/wederhoor. In dat verband verwees zij onder meer naar “het ongelijke speelveld ten nadele van Vitesse” en “de wijze waarop binnen KNVB-verband mondelinge behandelingen worden gepland”. Wat betreft het punt over het ongelijke speelveld heeft Vitesse naar voren gebracht dat de KNVB extreem en nodeloos veel haast maakte door bij e-mail van 11 juli 2025, een dag na het intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie, alvast twee mogelijke momenten voor een mondelinge behandeling te bepalen die 14 dagen na verzending van de e-mail bleken te liggen. Met die gang van zaken werd volgens Vitesse voorbijgegaan aan haar gerechtvaardigde belangen.
4.236 Daarnaast heeft Vitesse in het feitenrelaas van haar turbospoedappeldagvaarding naar voren gebracht dat de Beroepscommissie in haar e-mail van 11 juli 2025 meldde dat een mondelinge behandeling van een eventueel beroep op twee momenten kon plaatsvinden én dat de Licentiecommissie niet gehouden zou zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling haar verweer in te dienen. Ook heeft Vitesse naar voren gebracht dat zij haar bezwaar tegen deze gang van zaken kenbaar heeft gemaakt bij de Beroepscommissie, en daarbij benadrukt dat de snelle duidelijkheid die volgens de Beroepscommissie noodzakelijk was geen afbreuk mocht doen aan het belang van Vitesse zichzelf deugdelijk te kunnen verweren en een reguliere beroepsprocedure te doorlopen, waarbij zij aandacht heeft gevraagd voor de vereiste hoogst mogelijke zorgvuldigheid en grote belangen die speelden, welke bezwaren de Beroepscommissie negeerde.
4.237 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft het hof - mede te bezien tegen deze achtergrond, en kort gezegd - ter sprake gebracht dat de Licentiecommissie weliswaar geen bezwaar ertegen had als zij geen schriftelijk verweer zou kunnen voeren (en stukken zou kunnen overleggen) voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie, maar de Beroepscommissie niet heeft gevraagd of Vitesse daartegen wel bezwaar had, terwijl daarmee ook het belang van Vitesse gemoeid was zich adequaat te kunnen verweren. In dat verband is zijdens de KNVB onder meer verklaard dat een kortere termijn is geboden aan de Licentiecommissie om te reageren op het beroep van Vitesse, en dat niet valt in te zien hoe de belangen van Vitesse zijn geschaad met de daar zijdens de KNVB geschetste gang van zaken. Als reactie daarop is zijdens Vitesse onder meer het volgende naar voren gebracht:
Volgens het Licentiereglement is de normale gang van zaken dat (…) de Licentiecommissie vooraf haar zienswijze schriftelijk kenbaar maakt. Dat is logisch, want dat zorgt voor een efficiënt debat, omdat Vitesse zich dan vooraf kan voorbereiden. Wij hebben ons niet kunnen voorbereiden. De reactie die de KNVB geeft is niet volledig. De Licentiecommissie heeft inderdaad een schriftelijke reactie ingediend, maar die kwam pas op de ochtend van de dag dat we zitting hadden bij de Beroepscommissie. Die zitting was om 12:00u, dus dat was niet genoeg tijd. Als de KNVB denkt dat dat wel zo is, dan dank ik hen voor het vertrouwen dat zij hebben in onze voorbereidingstijd, maar ik kan u zeggen dat het niet genoeg tijd was.
4.238 Uit mijn korte samenvatting onder 4.235-4.236 hiervoor van de stellingen van Vitesse volgt dat zij de schending van het beginsel van hoor/wederhoor door de Beroepscommissie kenbaar ten grondslag heeft gelegd aan haar stelling dat het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 vernietigbaar is op de voet van art. 2:15 lid 1 BW. Daarbij heeft Vitesse ook aandacht besteed aan het gegeven dat de Beroepscommissie had besloten dat de Licentiecommissie niet gehouden zou zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie haar schriftelijke verweer in te dienen, en dat Vitesse haar bezwaar tegen de gang van zaken kenbaar heeft gemaakt bij de Beroepscommissie gelet op onder andere Vitesse’s belang zich deugdelijk te kunnen verweren. Dit laatste punt heeft zij bij de mondelinge behandeling in hoger beroep nog nader uitgewerkt, nadat dit door het hof ter sprake was gebracht. Helder is dat het partijdebat mede was geënt op dit onderwerp.
4.239 Gelet op het voorgaande, waaraan het sub-subonderdeel voorbijgaat, is m.i. niet vol te houden dat het hof in het bestreden oordeel art. 24 Rv miskent en/of buiten de grenzen van de rechtsstrijd treedt althans een onbegrijpelijke uitleg geeft aan de gedingstukken. Evenmin zijn de goede procesorde en/of de tweeconclusieregel in het geding. Daarbij betrek ik dat het hof voornoemde uitwerking bij de mondelinge behandeling niet aanmerkt als een nieuwe grief van Vitesse, welk oordeel - dat in beginsel is voorbehouden aan het hof als feitenrechter, nu dit de uitleg van gedingstukken betreft - gezien het voorgaande niet onbegrijpelijk is.
4.240 Sub-subonderdeel 3.2.5 bestrijdt eveneens als onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat Vitesse niet (adequaat) heeft kunnen reageren op de inbreng van de Licentiecommissie in de procedure bij de Beroepscommissie en aan Vitesse de gelegenheid had moeten worden geboden voor een (nadere) reactie op de inbreng van de Licentiecommissie, ook als dat zou betekenen dat dit na de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie zou zijn. Dit werkt het sub-subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit.
4.240.1 Zoals de Beroepscommissie vaststelde, heeft zij per e-mail van 24 juli 2025 de inbreng van de Licentiecommissie ontvangen en “op dezelfde dag” per e-mail doorgeleid aan Vitesse. Daarom is onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat de Licentiecommissie (alsnog) op de ochtend van de mondelinge behandeling van het beroep (25 juli 2025) haar verweer met bijlagen heeft ingediend en ook aan Vitesse ter beschikking heeft gesteld.
4.240.2 De inbreng van de Licentiecommissie telde amper zeven pagina’s. Dat is (betrekkelijk) weinig, (zeker) gelet op de omvang van de beroepschriften van Vitesse.
4.240.3 De reactie van de Licentiecommissie is tijdens de (bijna vijf uur durende) zitting bij de Beroepscommissie ook (volledig) aan de orde gekomen, zo blijkt uit de (concept)aantekeningen van die zitting. Blijkens die aantekeningen heeft Vitesse (ook) niet aangevoerd dat zij geen althans onvoldoende gelegenheid zou hebben (gehad) om op de inbreng van de Licentiecommissie te reageren (en ook niet daarom gevraagd). De advocaat van Vitesse heeft aan het slot van de zitting (juist) opgemerkt dat “alles is besproken”. En toen de Beroepscommissie vervolgens opmerkte: “Waar het om gaat is dat alles aan de orde is gekomen”, reageerde de advocaat van Vitesse met: “Daar gaat het om”. De Beroepscommissie heeft de behandeling van de zitting gesloten.
4.240.4 De Licentiecommissie was niet verplicht haar standpunt schriftelijk kenbaar te maken en stukken te overleggen. Zij had de mogelijkheid daartoe en kon bijvoorbeeld (ook) ervoor kiezen haar standpunt (pas) op de mondelinge behandeling naar voren te brengen. Dat de Licentiecommissie (daags) voor de zitting een schriftelijk standpunt indiende, is dus juist (eerder) in het voordeel van Vitesse geweest.
4.240.5 In dit licht is het bestreden oordeel onbegrijpelijk. De gedingstukken laten immers geen andere conclusie toe dan dat Vitesse wel voldoende gelegenheid heeft gehad zo nodig te reageren op de inbreng van de Licentiecommissie, want ter mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie. Vervolgens is die inbreng besproken op die mondelinge behandeling, waarna de Beroepscommissie die behandeling heeft gesloten en zijdens Vitesse is opgemerkt dat alles is besproken.
4.240.6 Daarbij zij bedacht dat hoe de Licentiecommissie tegen de zaak aankijkt, en waarom zij vindt dat intrekking van Vitesse’s proflicentie op zijn plaats was, blijkt uit haar intrekkingsbesluit van 10 juli 2025 waarmee Vitesse al op 23 mei 2025 (op hoofdlijnen) bekend was, toen de Licentiecommissie het voorgenomen besluit deelde. Daarom valt zonder nadere motivering (die ontbreekt) ook niet in te zien dat en waarom Vitesse een “wezenlijk belang” had om eerder over de inbreng van de Licentiecommissie te kunnen beschikken en daarop adequaat te kunnen reageren, zoals het hof klaarblijkelijk heeft geoordeeld. Dit dus nog daargelaten dát Vitesse adequaat op de inbreng heeft kunnen reageren.
Behandeling
4.241 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.242 Ik reageer hierna eerst op de onder 4.240.1 hiervoor bedoelde uitwerking en daarna gelijktijdig op de onder 4.240.2-4.240.5 hiervoor bedoelde uitwerking. Ik sluit af met een bespreking van de onder 4.240.6 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.243 Ik begin met de onder 4.240.1 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.243.1 De vaststelling van het hof in rov. 4.103 van het arrest dat de Licentiecommissie op de ochtend van de mondelinge behandeling van het beroep (alsnog) haar verweer met bijlagen heeft ingediend en ook aan Vitesse ter beschikking heeft gesteld, is klaarblijkelijk gestoeld op uiteenzettingen zijdens Vitesse tijdens de mondelinge behandeling bij het hof. Ik wijs ten eerste op het citaat onder 4.237 hiervoor, waaruit blijkt dat Vitesse onder meer heeft uitgelegd dat de schriftelijke reactie van de Licentiecommissie “pas [kwam] op de ochtend van de dag dat we zitting hadden bij de Beroepscommissie. Die zitting was om 12:00u, dus dat was niet genoeg tijd.” Ik wijs verder op de daaropvolgende uitleg zijdens Vitesse dat die schriftelijke reactie “die morgen om 9.00 uur werd ingediend”. Dit een en ander is blijkens het p-v niet door de KNVB weersproken. Gelet hierop is voornoemde vaststelling niet onbegrijpelijk.
4.244 Dan de onder 4.240.2-4.240.5 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.244.1 Laat ik starten met een korte, puntsgewijze samenvatting van rov. 4.101-4.105 van het arrest.
- De Beroepscommissie heeft op 11 juli 2025 al twee potentiële data voor een mondelinge behandeling op korte termijn bepaald, zonder dat er door Vitesse een beroep aanhangig was gemaakt. (rov. 4.101)
- Vitesse heeft daartegen bezwaar gemaakt, waarop door de Beroepscommissie niet adequaat is gerespondeerd. Vitesse heeft op 17 juli 2025 alsnog een beroepschrift ingediend, gevolgd door aanvullingen op 18, 23, 24 en 25 juli 2025. Weliswaar heeft de Beroepscommissie ingestemd met het indienen van de aanvullende beroepschriften/bijlagen door Vitesse, maar daarmee was de mogelijkheid van Vitesse om voldoende verweer te voeren op de nadere inbreng van de Licentiecommissie waarmee zij nog niet bekend was, onvoldoende gewaarborgd. (rov. 4.101)
- De Beroepscommissie heeft immers alléén aan de Licentiecommissie gevraagd of zij zou kunnen instemmen met het feit dat haar niet de mogelijkheid zou worden geboden om voor de mondelinge behandeling van het beroep schriftelijk verweer te voeren en stukken te overleggen. De Licentiecommissie heeft met die gang van zaken ingestemd, maar het belang van Vitesse om tijdig over een reactie/inbreng van de Licentiecommissie te kunnen beschikken en daarop adequaat te kunnen reageren, is daarbij kennelijk niet in aanmerking genomen. (rov. 4.102)
- Dat Vitesse daar wezenlijk belang bij had, blijkt uit het verdere verloop van de procedure. (rov. 4.103)
- De Licentiecommissie heeft (alsnog) op de ochtend van de mondelinge behandeling van het beroep haar verweer met bijlagen ingediend en ook aan Vitesse ter beschikking gesteld, maar zoals Vitesse tijdens de mondelinge behandeling heeft opgemerkt, heeft zij gezien deze korte tijdspanne onvoldoende de mogelijkheid gekregen daar adequaat op te reageren. (rov. 4.103)
- Als er al voldoende redenen zijn om in een geval als dit bij de behandeling van het beroep tegen het besluit over de meest verstrekkende sanctie af te wijken van de gebruikelijke procedure, dan moet het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor voldoende worden gewaarborgd. (rov. 4.103)
- De Beroepscommissie had in het kader van dit beginsel bij wijze van compensatie moeten voorzien in voldoende mogelijkheden om nog een nadere reactie te geven, ook als dat betekent dat dit na de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie zou zijn. (rov. 4.103)
- Omdat Vitesse pas op de ochtend van de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie (“de hoorzitting”) kon beschikken over het verweer en de stukken van de Licentiecommissie had haar die gelegenheid moeten worden geboden, zeker nu de Beroepscommissie op grond van art. 13 lid 7 en 11 Licentiereglement moet beslissen naar de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het beroep (“ex nunc”). (rov. 4.103)
- Daarmee is niet goed te verenigen dat het e-mailbericht van Vitesse van 27 juli 2025 met relevante informatie over de toekomstplannen met “de Sterkhouders” naar aanleiding van hetgeen op de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie is besproken, buiten beschouwing is gelaten met als enige redengeving dat dit na die mondelinge behandeling is ingediend. (rov. 4.103)
- Dat de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie (“de hoorzitting”) aanleiding gaf tot nadere reactie van de zijde van Vitesse blijkt uit het e-mailbericht van 27 juli 2025 waarin Vitesse nadere informatie heeft verschaft aan de Beroepscommissie naar aanleiding van tijdens die behandeling aan haar gestelde vragen over het toekomstig aandeelhouderschap van “de Sterkhouders”. (rov. 4.104)
- Uit het besluit van 31 juli 2025 (nr. 5.105) volgt dat de Beroepscommissie wel heeft geconstateerd dat Vitesse stappen heeft gezet, in het bijzonder het strategische Herinrichtingsplan 2025, en dat er ook nog stappen worden gezet om daardoor alsnog te borgen dat zij aan de doelstellingen van het licentiesysteem kan en zal voldoen. De Beroepscommissie heeft daarbij benoemd dat er nog onduidelijkheid bestond over de overeenkomsten tot de aankoop van aandelen en de onzekerheid van de levering van de aandelen. (rov. 4.105)
- Vitesse heeft die onduidelijkheid willen wegnemen nadat de Beroepscommissie tijdens de mondelinge behandeling (“de hoorzitting”) daarover vragen had gesteld. Dat volgt uit de e-mail van 27 juli 2025 van Vitesse, waarin zij heeft aangeboden op zeer korte termijn, namelijk de volgende dag, duidelijkheid te geven. Bovendien was Sterkhouders B.V. bereid een opschortende voorwaarde uit de koopovereenkomst te laten vallen om zo onzekerheden bij de Beroepscommissie weg te nemen. Deze informatie was aan de Beroepscommissie gestuurd vóór het nemen van het besluit. (rov. 4.105)
4.244.2 Het behoeft geen betoog dat de onder 4.240.2 hiervoor bedoelde uitwerking hieraan geen afbreuk doet.
4.244.3 Dit laatste geldt ook voor de onder 4.240.3 hiervoor bedoelde uitwerking, reeds omdat nergens uit blijkt dat op dit een en ander - wat daarvan verder zij - in feitelijke instanties een concreet beroep is gedaan door de KNVB en/of Vitesse. Het sub-subonderdeel noemt hier ook geen enkele stelling dienaangaande in die gedingstukken, laat staan met vindplaats.
4.244.4 Dan de onder 4.240.4 hiervoor bedoelde uitwerking. Wat er verder zij van het daarin bedoelde hypothetische scenario, de feitelijke gang van zaken was een andere. Zie onder 4.244.1 hiervoor. Voor het hof is het pijnpunt in het bestreden oordeel ook niet zozeer het enkele gegeven dat de Licentiecommissie voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie haar schriftelijke verweer (met bijlagen) heeft ingediend. Nee, het gaat het hof hier veeleer om de wijze waarop de Beroepscommissie, in de beroepsprocedure in totaliteit bezien, jegens Vitesse is omgegaan met het beginsel van hoor/wederhoor. Zie wederom onder 4.244.1 hiervoor.
4.244.5 Daarmee ontvalt de bodem aan de onder 4.240.5 hiervoor bedoelde uitwerking, die in essentie aan de onder 4.240.2-4.240.4 hiervoor bedoelde uitwerking de conclusie verbindt dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is. Dit geldt ook als de onder 4.240.2-4.240.4 hiervoor bedoelde uitwerking in onderling verband en samenhang wordt betrokken. De uitkomst is evenmin een andere als het sub-subonderdeel onder 4.240.5 hiervoor ook zou voortbouwen op 4.240.1 hiervoor, nu dit laatste dus eveneens doel mist.
4.245 Tot slot de onder 4.240.6 hiervoor bedoelde uitwerking.
4.245.1 Daarmee vangt de KNVB eveneens bot, ook voor zover dit niet zou voortbouwen op de onder 4.240.1-4.240.5 hiervoor bedoelde uitwerking. Ik licht toe.
4.245.2 In rov. 4.102 van het arrest wijst het hof erop dat de Licentiecommissie met de daar bedoelde gang van zaken heeft ingestemd, maar het belang van Vitesse om tijdig over een reactie/inbreng van de Licentiecommissie te kunnen beschikken en daarop adequaat te kunnen reageren, daarbij kennelijk niet in aanmerking is genomen door de Beroepscommissie.
4.245.3 In rov. 4.103 vervolgt het hof dan met de overweging dat uit het verdere verloop van de beroepsprocedure blijkt dat Vitesse ook wezenlijk belang erbij hád dat voornoemde belang van haar in aanmerking werd genomen door de Beroepscommissie. Want, zo legt het hof uit:
De Licentiecommissie heeft (alsnog) op de ochtend van de mondelinge behandeling van het beroep haar verweer met bijlagen ingediend en ook aan Vitesse ter beschikking gesteld, maar zoals Vitesse tijdens de mondelinge behandeling heeft opgemerkt, heeft zij gezien deze korte tijdspanne onvoldoende de mogelijkheid gekregen om daar adequaat op te reageren.
4.245.4 Dit is iets anders dan het sub-subonderdeel hier ervan maakt, te weten dat Vitesse een “wezenlijk belang” had om eerder over de inbreng van de Licentiecommissie te kunnen beschikken en daarop adequaat te kunnen reageren. Dat is dus niet wat het hof zegt in het bestreden oordeel.
4.245.5 Overigens gaat het in de beroepsprocedure wat betreft het standpunt van de Licentiecommissie uiteraard niet enkel om (bekendheid bij Vitesse met) hoe de Licentiecommissie blijkens haar (voorgenomen) intrekkingsbesluit tegen de zaak aankijkt, maar bijvoorbeeld ook om wat de Licentiecommissie in de beroepsprocedure te berde brengt tegen/naar aanleiding van de concrete bezwaren van Vitesse in de beroepsprocedure, die dateren van na dit (voorgenomen) intrekkingsbesluit.
4.246 Sub-subonderdeel 3.2.6 bestrijdt als onbegrijpelijk vanwege de in de sub-subonderdelen 3.2.3 en 3.2.5 genoemde redenen: het klaarblijkelijke oordeel in rov. 4.106 van het arrest dat Vitesse niet (voldoende) in de gelegenheid zou zijn gesteld zich tot het laatste moment volledig en afdoende te verweren tegen de besluiten; het oordeel in rov. 4.106 dat “de zorgvuldigheid van de besluitvorming [zou zijn] aangetast”; en het klaarblijkelijke oordeel in rov. 4.100 dat de Beroepscommissie de procedure niet met de “grootst mogelijke zorgvuldigheid” zou hebben behandeld. Zoals uit die sub-subonderdelen volgt, heeft Vitesse zich wel degelijk tot het laatste moment volledig en afdoende kunnen verweren tegen het besluit van de Licentiecommissie en is de procedure bij de Beroepscommissie zorgvuldig verlopen.
Behandeling
4.247 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.248 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, voor zover het sub-subonderdeel is gericht tegen rov. 4.100. Want daar oordeelt het hof niet (laat staan klaarblijkelijk) dat de Beroepscommissie de procedure niet met de grootst mogelijke zorgvuldigheid heeft behandeld. Daar zegt het hof iets anders, namelijk: dat het verder zonder meer wil aannemen dat het voor de continuïteit en geloofwaardigheid van de competitie wenselijk is dat er zo min mogelijk onzekerheid over de deelname van een club aan het nieuwe seizoen bestaat, maar ook dat niet kan afdoen aan het belang van de club dat bij een procedure over de intrekking van haar proflicentie de grootst mogelijke zorgvuldigheid wordt betracht.
4.249 Voor zover het sub-subonderdeel is gericht tegen oordelen van het hof in rov. 4.106 loopt het reeds erop vast dat het voortbouwt op en daarmee deelt in het lot van de sub-subonderdelen 3.2.3 en 3.2.5, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.250 Sub-subonderdeel 3.2.7 stelt dat voor zover het (klaarblijkelijke) oordeel in rov. 4.103 van het arrest dat Vitesse de mogelijkheid had moeten krijgen om een reactie te geven op de inbreng van de Licentiecommissie, “ook als dat betekent dat dit ná de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie zou zijn”, (mede) berust op art. 13 lid 7 en 11 Licentiereglement (rov. 4.103), het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste althans onbegrijpelijke uitleg van deze artikelen (en/of heeft miskend dat bij die uitleg de in sub-subonderdeel 3.1.1 genoemde (objectieve) maatstaf geldt). Dit lid 7 en 11 bepalen dat de Beroepscommissie moet beslissen “naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep”. Onder “behandeling” moet (naar objectieve maatstaven) worden begrepen de mondelinge behandeling (of, als de zaak schriftelijk wordt behandeld, de schriftelijke behandeling). In dit lid 7 en 11 staat (bijvoorbeeld) niet dat de Beroepscommissie moet beslissen naar de stand van zaken ten tijde van het nemen van haar besluit. Anders dan het hof kennelijk oordeelt, volgt uit dit lid 7 en 11 dus juist niet dat Vitesse nog gelegenheid had moeten (kunnen) krijgen voor een reactie na de mondelinge behandeling (en pleiten dit lid 7 en 11 daar ook niet voor), althans valt gelet op het voorgaande zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet in te zien waarom dat wel zo zou zijn.
Behandeling
4.251 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.252 Voor zover hier wordt voortgebouwd op sub-subonderdeel 3.1.1, dat dus faalt, deelt het sub-subonderdeel in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting. Ook los daarvan geldt dat niet valt in te zien dat het hof in het bestreden oordeel miskent dat bij het Licentiereglement een uitleg naar objectieve maatstaven is aangewezen. Verder geldt het volgende.
4.253 Art. 13 lid 7 en 11 Licentiereglement luiden, voor zover relevant, als volgt:
Artikel 13 - Beroep
(…)
7. De beroepscommissie licentiezaken beoordeelt het besluit waartegen beroep is aangetekend uitsluitend naar de stand van zaken ten tijde van het nemen van het desbetreffende besluit, tenzij het besluit betrekking heeft op:
(…)
c. de intrekking van de betreffende licentie.
De beoordeling zal in dit geval geschieden naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep.
(…)
11. Indien en voor zover de beroepscommissie licentiezaken een besluit vernietigt, doet zij opnieuw recht naar de stand van zaken ten tijde van het nemen van het vernietigde besluit, tenzij het besluit betrekking heeft op:
(…)
c. het intrekken van de licentie.
In het geval als genoemd in sub (…) c zal opnieuw recht worden gedaan naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep.
4.254 Hieruit volgt dat de hoofdregel is dat de Beroepscommissie het besluit waartegen beroep is aangetekend, beoordeelt naar de stand van zaken ten tijde van het nemen van het desbetreffende besluit (lid 7), en dat zij bij vernietiging opnieuw recht doet naar de stand van zaken ten tijde van het nemen van het vernietigde besluit (lid 11). Dit betreft aldus beoordeling en opnieuw rechtdoen ex tunc. Wanneer het beroep een intrekkingsbesluit betreft, is een uitzondering op de hoofdregel van toepassing: beoordeling/opnieuw rechtdoen naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep.
4.255 Gelet op het feit dat er voor een beroep dat betrekking heeft op een intrekkingsbesluit een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van beoordeling/opnieuw rechtdoen ex tunc, ligt het m.i. in de rede dat daarmee wordt beoogd dat de Beroepscommissie bij een intrekkingsbesluit moet beoordelen/opnieuw recht moet doen op basis van de meest recente stand van zaken, oftewel ex nunc. Dat is niet noodzakelijkerwijs beperkt tot de stand van zaken ten tijde van de mondelinge (dan wel schriftelijke) behandeling, want draait om de stand van zaken ten tijde van het doen van de uitspraak, waarbij ook ruimte kan bestaan voor de Beroepscommissie ontwikkelingen van na de mondelinge (dan wel schriftelijke) behandeling te betrekken.
4.256 Van de onder 4.255 hiervoor bedoelde uitleg van dit lid 7 en 11 gaat het hof m.i. ook uit in het bestreden oordeel. Anders dan het sub-subonderdeel veronderstelt, verzetten de bewoordingen van dit lid 7 en 11 zich niet tegen die uitleg. Met de zinsnede “ten tijde van behandeling van het beroep” (wat niet is toegespitst op de mondelinge (dan wel schriftelijke) behandeling) kan immers, uitgelegd naar objectieve maatstaven, heel wel bedoeld worden de behandeling door de Beroepscommissie tot aan het moment waarop zij haar uitspraak doet. Sterker nog, uit de gedingstukken blijkt nota bene dat ook de KNVB zelf in feitelijke instanties is uitgegaan van de uitleg die het hof aanhangt.
4.257 Bij deze stand van zaken zie ik geen handvatten om aan te nemen dat ’s hofs uitleg van dit lid 7 en 11 onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zou zijn.
4.258 Sub-subonderdeel 3.2.8 stelt dat het in sub-subonderdeel 3.2.7 bedoelde oordeel (“ook als dat betekent dat dit ná de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie zou zijn”) miskent dat een procedure op enig moment en zonder onredelijke vertraging tot een einde moet komen “(‘lites finiri oportet’) (vgl. ook art. 20 Rv)”. Mede daarom kan van de Beroepscommissie niet worden verlangd dat zij gelegenheid biedt om na het sluiten van een uitvoerige (mondelinge) behandeling nog stukken/informatie te delen. Althans kan en mag de Beroepscommissie mede daarom na het sluiten van een (mondelinge) behandeling met haar gedeelde stukken/informatie buiten beschouwing laten en/of daarop geen acht meer slaan.
Behandeling
4.259 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.260 Zij gaat voorbij aan ’s hofs voorafgaande oordeel in rov. 4.103 van het arrest (in cassatie zonder vrucht bestreden) dat, als er al voldoende redenen zijn om in een geval als dit bij de behandeling van het beroep tegen het besluit over de meest verstrekkende sanctie af te wijken van de gebruikelijke procedure, het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor voldoende moet worden gewaarborgd. En dat de Beroepscommissie in het kader van dit beginsel bij wijze van compensatie had moeten voorzien in voldoende mogelijkheden voor de partijen om nog een nadere reactie te geven. In dát licht moet worden verstaan de passage in rov. 4.103 waartegen het sub-subonderdeel zich richt.
4.261 Betrekken wij dit een en ander, dan valt zonder meer niet in te zien - en dit meerdere ontbreekt in het sub-subonderdeel - dat het hof in rov. 4.103 miskent dat een procedure op enig moment en zonder onredelijke vertraging tot een einde moet komen. Integendeel: de door de Beroepscommissie gevolgde procedure was juist dermate geënt op het bieden van een uitspraak op (zeer) korte termijn dat daarmee - naar het hof uiteenzet in rov. 4.93-4.107 - het beginsel van hoor/wederhoor in de knel kwam ten detrimente van Vitesse, waaraan hier uiteraard ook betekenis toekomt. Daarmee ontvalt tevens de bodem aan de vervolgstellingen in het sub-subonderdeel, die alle te categorisch zijn ingestoken.
4.262 Sub-subonderdeel 3.2.9 stelt dat voor zover het oordeel in rov. 4.107 van het arrest voortbouwt op de oordelen die in de sub-subonderdelen 3.2.4-3.2.8 zijn bestreden, die sub-subonderdelen ook het oordeel van het hof in rov. 4.107 aantasten.
Behandeling
4.263 Het sub-subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de sub-subonderdelen 3.2.4-3.2.8, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.264 Sub-subonderdeel 3.2.10 wordt voorafgegaan door een inleiding die rov. 4.103-4.105 van het arrest sterk samengevat weergeeft. Vervolgens stelt het sub-subonderdeel dat voor zover het oordeel in rov. 4.107 dat de Beroepscommissie niet heeft voldaan aan het beginsel van hoor/wederhoor (mede) erop berust dat de Beroepscommissie de e-mail van 27 juli 2025 buiten beschouwing heeft gelaten (met als enige redengeving dat dit na de mondelinge behandeling is ingediend) (en dit dus één van de in rov. 4.107 bedoelde “punten” is), dit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is. Vitesse heeft namelijk niet gesteld dat sprake is van schending van dit beginsel omdat de Beroepscommissie die e-mail buiten beschouwing heeft gelaten. Het hof heeft dan ook art. 24 Rv miskend en/of is (daarmee) buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken gegeven.
Behandeling
4.265 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.266 Ik begin met een korte schets van het gesternte waaronder het bestreden oordeel is gegeven.
4.266.1 Ook in hoger beroep heeft Vitesse, blijkens de turbospoedappeldagvaarding, in brede zin geklaagd over gebrekkige toepassing van “hoor en wederhoor” in de beroepsprocedure bij de Beroepscommissie. Daarbij heeft Vitesse onder meer erop gewezen dat de Beroepscommissie “verder duidelijk [maakte] dat zij geen enkel oog had voor de gerechtvaardigde belangen van Vitesse”, in welk kader Vitesse een voorbeeld gaf.
4.266.2 De door Vitesse aangesneden hoor/wederhoor-kwestie is ook, en eveneens nadrukkelijk, aan bod gekomen ter mondelinge behandeling bij het hof. In dit verband is zijdens Vitesse onder meer op het volgende gewezen:
Spierenburg [zijdens de KNVB, A-G]:De beroepstermijn van Vitesse is wel in ogenschouw genomen. Vitesse heeft een langere termijn gekregen om te reageren op het besluit van de Licentiecommissie en in het Licentiereglement staat dat de Licentiecommissie in de gelegenheid wordt gesteld om te reageren op het beroep dat voorligt. Het is niet een verplichting voor de Licentiecommissie om daarop te reageren. Er is een kortere termijn geboden aan de Licentiecommissie om te reageren op het beroep van Vitesse. Er staat ook expliciet beschreven dat de Licentiecommissie is beknot in haar rechten en dat zij daarmee heeft ingestemd. Ik zie niet in hoe de belangen van Vitesse daarmee kunnen zijn geschaad.
Mr. Van Drunen [zijdens Vitesse]:Mag ik dat uitleggen?
Lid van het hof, mr. De Waele:Ja.
Mr. Van Drunen:Volgens het Licentiereglement is de normale gang van zaken dat het de Licentiecommissie vooraf haar zienswijze schriftelijk kenbaar maakt. Dat is logisch, want dat zorgt voor een efficiënt debat, omdat Vitesse zich dan vooraf kan voorbereiden. Wij hebben ons niet kunnen voorbereiden. De reactie die de KNVB geeft is niet volledig. De Licentiecommissie heeft inderdaad een schriftelijke reactie ingediend, maar die kwam pas op de ochtend van de dag dat we zitting hadden bij de Beroepscommissie. Die zitting was om 12:00u, dus dat was niet genoeg tijd. Als de KNVB denkt dat dat wel zo is, dan dank ik hen voor het vertrouwen dat zij hebben in onze voorbereidingstijd, maar ik kan u zeggen dat het niet genoeg tijd was.
Mr. Entzinger [ook zijdens Vitesse]:In het stuk van de Licentiecommissie - dat die morgen om 9.00 uur werd ingediend - stond ook het verhaal over [betrokkene 4] en dat hij die mail op 2 juli 2025 had gestuurd. Toen pas bleek dat een probleem te zijn voor Vitesse. Vitesse kon op dat moment, zo kort voor de zitting, niets meer oplossen.
4.266.3 Die e-mail van 2 juli 2025 betreft - zie rov. 4.69 van het arrest - het schrijven van Common Group aan Sterkhouders B.V. over de koop en beoogde overdracht van de Vitesse-aandelen aan Sterkhouders B.V.
Zij [Common Group, A-G] meldde dat een koper van de Vitesse-aandelen op grond van het kettingbeding in de LSA de (terug)betalingsverplichtingen tegenover Common Group moest overnemen en dat, als die schuldovername niet plaatsvond, de beoogde aandelenoverdracht nietig zou zijn.
4.266.4 Daarover valt in de turbospoedappeldagvaarding al onder meer het volgende te lezen:
(…) Tijdens de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie bleek vooral dat de Licentiecommissie en Beroepscommissie zorgen hadden over een voortdurende betrokkenheid van [betrokkene 4] bij Vitesse. Dit was het springende punt: die betrokkenheid, die werd gevreesd vanwege de rechtsverhouding tussen hem en de vijf aandeelhouders en als gevolg waarvan argwaan bestond over de informatievoorziening door Vitesse, moest worden weggenomen. Vitesse heeft dat vervolgens ook gedaan.
4.266.5 Daarop sluit aan het citaat in rov. 4.104 uit de e-mail van Vitesse van 27 juli 2025, door haar reeds genoemd in eerste aanleg van de onderhavige procedure. In die e-mail heeft Vitesse, in ’s hofs woorden aldaar:
nadere informatie (…) verschaft aan de Beroepscommissie naar aanleiding van tijdens de hoorzitting aan haar gestelde vragen over het toekomstig aandeelhouderschap van de Sterkhouders.
4.266.6 Uit het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 blijkt - zoals het hof ook noteert in rov. 4.103 - dat zij die e-mail van 27 juli 2025 niet heeft betrokken in de beoordeling, ook al stuurde Vitesse die e-mail dus vanwege de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie twee dagen daarvóór. Ik citeer nr. 3.18 van dit besluit:
Op 27 juli 2025 heeft de beroepscommissie een e-mail ontvangen van appellante en op 28 juli 2025 van de licentiecommissie, beide derhalve na het sluiten van de behandeling van het beroep. De beroepscommissie heeft aan zowel appellante als de licentiecommissie meegedeeld dat de behandeling van het beroep is gesloten en dat de informatie in deze e-mails niet van invloed zal zijn op de beslissing van de beroepscommissie.
4.266.7 Over de gang van zaken na de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie valt in de pleitaantekeningen van Vitesse in hoger beroep al het volgende te lezen:
Welwillende houding Vitesse
24. De KNVB hamert op alle fouten die Vitesse zou hebben gemaakt. Dat leidt tot een verwrongen werkelijkheid. Zoveel is zeker als we kijken naar wat Vitesse dan wèl deed. Alleen al tussen april en 10 juli 2025 is zij de KNVB op 14 momenten blijven informeren. Over haar nieuwe accountant, wisselingen in haar RvC-samenstelling en de LSA. Maar ook proactief over de op handen zijnde aandelenoverdracht naar de Sterkhouders. En de status van het verzoek wijziging zeggenschap dat daarmee samenhangt. Verder over de afgedekte begroting voor het lopende voetbalseizoen 2025/26. Alles werd gedeeld, en wel meteen.
25. Vitesse toonde zich dus een open boek. Dat zal zij blijven doen. U hoeft mij daarvoor niet op mijn woord te geloven. Vitesse voegde de daad al bij het woord. Zo is zij na de zitting bij de beroepscommissie hard aan de slag gegaan. Om bevestigd te krijgen dat [betrokkene 4] op alle mogelijke manieren bij haar uit beeld is. Hij heeft dat schriftelijk verklaard. Zelf en via zijn advocaat. Zowel aan de betrokken notaris, als de Sterkhouders.
26. Die Sterkhouders verdienen ook lof. Zij sprongen al in 2024 in de bres om Vitesse overeind te houden. En deden dat medio dit jaar opnieuw. Toen zij begrepen dat de KNVB twijfelde over de vijf aandeelhouders en ervan uitging dat [betrokkene 4] nog steeds invloed had. Om de club te redden namen zij de aandelen over. En stelden zij een herinrichtingsplan op voor hun geliefde geel-zwarte club. Dat stelt zwaardere eisen dan de KNVB nodig vindt. Zodat voor eens en voor altijd schoon schip kan worden gemaakt.
Ingrijpende gevolgen
27. Wat rest is een club in zak en as. Die buiten proportie is gestraft. Terwijl zij zelfs afgelopen seizoen meedraaide in de top van de bezoekersaantallen. Dat is een prestatie van formaat. Helemaal vanwege haar plaats stijf onderaan de ranglijst van het betaald voetbal. Duidelijker kan de breed gedragen steun voor betaald voetbal in deze stad niet tot uitdrukking worden gebracht.
28. Daarmee is geen rekening gehouden. Een belangenafweging ging namelijk niet aan het Intrekkingsbesluit vooraf. Dat wringt vooral omdat de allerzwaarste straf werd opgelegd. Vooral in die situatie moet de KNVB kijken naar mogelijke andere oplossingen. Dat deed hij niet, zelfs niet toen deze hem door Vitesse werden aangereikt. Daarmee vervulde hij niet de zorgvuldigheidsplicht die op hem rust.
4.267 M.i. gaat het hof in het bestreden oordeel ervan uit dat Vitesse bij die door haar aangesneden hoor/wederhoor-kwestie ook heeft betrokken dat zij na en vanwege de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie nog verdere actie heeft ondernomen, waaronder voornoemde e-mail van 27 juli 2025, maar daarop geen acht is geslagen door de Beroepscommissie. In het licht van 4.266-4.266.7 hiervoor ik acht die uitleg zonder meer niet onbegrijpelijk. Waarom dit toch anders zou zijn, legt het sub-subonderdeel niet uit. Daarmee ontvalt de bodem aan het sub-subonderdeel, ook waar het gaat om de daarin aangevoerde schending van art. 24 Rv en/of miskenning van de grenzen van de rechtsstrijd door het hof.
4.268 Sub-subonderdeel 3.2.11 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.268.1 Het oordeel in rov. 4.103 van het arrest dat “[d]aarmee” niet goed te verenigen is dat de e-mail van Vitesse van 27 juli 2025 met relevante informatie over de toekomstplannen met “de Sterkhouders” naar aanleiding van hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken, buiten beschouwing is gelaten met als enige redengeving dat dit na de mondelinge behandeling is ingediend, bouwt voort op de daaraan voorafgaande overweging(en) die in de sub-subonderdelen 3.2.1-3.2.8 zijn bestreden, zodat de klachten in die sub-subonderdelen ook dit oordeel aantasten.
4.268.2 Voor zover dit oordeel van het hof voortbouwt op het oordeel dat Vitesse pas op de ochtend van de hoorzitting kon beschikken over de inbreng van de Licentiecommissie, is dat onbegrijpelijk nu - zoals het hof zelf heeft vastgesteld - Vitesse de e-mail van 27 juli 2025 heeft gestuurd “naar aanleiding van hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken” c.q. “naar aanleiding van tijdens de hoorzitting aan haar gestelde vragen over het toekomstig aandeelhouderschap van de Sterkhouders.” Het hof maakt een koppeling tussen (het moment van) die inbreng en die e-mail, welke koppeling - zonder nadere motivering (die ontbreekt) - onbegrijpelijk is.
4.268.3 Het klaarblijkelijke oordeel van het hof dat Vitesse een “wezenlijk belang” had om tijdig over de inbreng van de Licentiecommissie te kunnen beschikken en daarop adequaat te kunnen reageren, zoals dat volgens het hof “blijkt uit het verdere verloop van de procedure”, is dan ook onbegrijpelijk voor zover het hof met dat “verdere verloop” (mede) het oog heeft op de e-mail van 27 juli 2025.
Behandeling
4.269 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.270 Eerst de klacht onder 4.268.1 hiervoor.
4.270.1 Zij bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de sub-subonderdelen 3.2.1-3.2.8, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.271 Dan de klacht onder 4.268.2 hiervoor.
4.271.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Want de in de klacht veronderstelde koppeling brengt het hof in werkelijkheid niet aan in het bestreden oordeel. Met “Daarmee” doelt het hof op het daarvóór geformuleerde uitgangspunt dat de Beroepscommissie aan Vitesse de gelegenheid had moeten bieden nog een nadere reactie te geven, ook als dat betekent dat dit na de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie zou zijn. Met dit uitgangspunt is volgens het hof niet goed te verenigen dat de e-mail van Vitesse van 27 juli 2025 met relevante informatie over de toekomstplannen met “de Sterkhouders” naar aanleiding van hetgeen op die mondelinge behandeling is besproken, door de Beroepscommissie in het besluit van 31 juli 2025 buiten beschouwing is gelaten met als enige redengeving dat die e-mail na die mondelinge behandeling is ingediend. Dit is iets anders dan de klacht ervan maakt.
4.271.2 Overigens wordt het bestreden oordeel evenmin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doordat het hof bij (het aannemen van) dit uitgangspunt onder meer betrekt dat “Vitesse pas op de ochtend van de hoorzitting kon beschikken over het verweer en de stukken van de Licentiecommissie” (en dat “de Beroepscommissie op grond van artikel 13 lid 7 en lid 11 van het Licentiereglement moet beslissen naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep (“ex nunc”)”). Dit uitgangspunt is immers niet beperkt tot hetgeen de KNVB heeft aangevoerd voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie. Overigens behoeft het geen betoog dat dit uitgangspunt nog niet van tafel is enkel omdat het gaat om een reactie van Vitesse die is gegeven na die mondelinge behandeling.
4.272 Tot slot de klacht onder 4.268.3 hiervoor.
4.272.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Ik verwijs naar 4.245.2-4.245.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.273 Sub-subonderdeel 3.2.12 richt zich tegen hetzelfde oordeel in rov. 4.103 van het arrest als sub-subonderdeel 3.2.11 (“Daarmee”, etc.). Zij stelt dat dit oordeel onbegrijpelijk is gelet op de gang van zaken en/of het verhandelde/besprokene tijdens de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie. Vervolgens geeft het sub-subonderdeel enkele opmerkingen weer die aan het slot van die mondelinge behandeling zijn geplaatst. Uit onder meer die passages zou blijken dat de Beroepscommissie duidelijk is geweest: de behandeling was gesloten en ruimte voor het indienen van aanvullende stukken/reacties was er (dus) niet. Vitesse zou daartegen niet geageerd hebben, maar (juist) hebben opgemerkt dat “alles is besproken”. Toen de Beroepscommissie vervolgens opmerkte: “Waar het om gaat is dat alles aan de orde is gekomen”, reageerde de advocaat van Vitesse met: “Daar gaat het om.”
Behandeling
4.274 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.275 Zij vormt een reprise van de onder 4.240.3 hiervoor bedoelde uitwerking van sub-subonderdeel 3.2.5, maar dan toegespitst op rov. 4.103, laatste zin van het arrest.
4.276 Het sub-subonderdeel strandt op dezelfde klip als die uitwerking onder 4.240.3 hiervoor. Ik verwijs naar de uiteenzetting onder 4.244.3 hiervoor, die ook hier opgeld doet. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.277 Sub-subonderdeel 3.2.13 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.277.1 Zij bestrijdt, in het licht van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025, als onbegrijpelijk het oordeel in rov. 4.103, laatste zin van het arrest voor zover dit oordeel (mede) berust op het oordeel in rov. 4.105 (waar het hof verwijst naar dit besluit). Dit werkt de klacht als volgt uit. In nrs. 5.104-5.105 van dit besluit heeft de Beroepscommissie (anders dan het hof kennelijk meent) niet alleen overwogen dat nog onduidelijkheid bestond over de stappen die nog worden gezet, maar ook dat die stappen te laat komen en niet kunnen afdoen aan het besluit tot intrekking. In het licht hiervan is - zonder nadere motivering (die ontbreekt) - onbegrijpelijk het klaarblijkelijke oordeel in rov. 4.103, laatste zin dat de Beroepscommissie (mede) in het licht van dit nr. 5.105 de e-mail van 27 juli 2025 niet buiten beschouwing kon laten (met als enige redengeving dat dit na de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie is ingediend).
4.277.2 Het oordeel van het hof in rov. 4.105 is onbegrijpelijk, omdat de Beroepscommissie in nr. 5.105 van dit besluit niet spreekt over “onduidelijkheid (…) over de overeenkomsten tot aankoop van de aandelen en de onzekerheid van de levering van de aandelen”, althans niet alleen daarover, maar over veel meer (andere) onzekerheden.
4.277.3 Gelet op het voorgaande valt zonder nadere motivering (die ontbreekt) ook niet in te zien dat het niet buiten beschouwing laten van de e-mail van 27 juli 2025 tot een ander oordeel van de Beroepscommissie zou hebben geleid. “Vgl. ook de onderdelen 2.4.2, 2.4.3, 2.4.6.”
Behandeling
4.278 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.279 Eerst de klacht onder 4.277.1 hiervoor.
4.279.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Zoals onder meer uiteengezet onder 4.271.1 hiervoor, bedoelt het hof in het bestreden oordeel dat met het daarvóór in rov. 4.103 van het arrest geformuleerde uitgangspunt (dus: dat de Beroepscommissie aan Vitesse de gelegenheid had moeten bieden nog een nadere reactie te geven, ook als dat betekent dat dit na de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie zou zijn) niet goed te verenigen is dat de e-mail van Vitesse van 27 juli 2025 (met relevante informatie over de toekomstplannen met “de Sterkhouders” naar aanleiding van hetgeen op de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie is besproken) door de Beroepscommissie in het besluit van 31 juli 2025 buiten beschouwing is gelaten, en wel met als enige redengeving dat die e-mail na die mondelinge behandeling is ingediend. Met dit laatste doelt het hof op nr. 3.18 van dit besluit, waaruit ik citeerde onder 4.266.6 hiervoor, niet (ook) op nr. 5.104 en/of nr. 5.105 van dit besluit.
4.279.2 Iets anders is dat het hof in rov. 4.104-4.105 onder meer laat zien, mede aan de hand van de e-mail van 27 juli 2025, dat de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie aanleiding gaf tot nadere reactie zijdens Vitesse. En dat het Vitesse daarbij in het bijzonder te doen was om het wegnemen van bepaalde onduidelijkheid, op welke onduidelijkheid de Beroepscommissie ook heeft gewezen in nr. 5.105 van dit besluit (dat het hof inderdaad noemt in rov. 4.105). Daarmee onderstreept het hof nog eens de relevantie van de e-mail van 27 juli 2025, door Vitesse gestuurd aan de Beroepscommissie vóór het nemen van het besluit van 31 juli 2025. Overigens lees ik nergens, evenmin in rov. 4.105, dat het hof niet voor ogen heeft wat de Beroepscommissie heeft opgeschreven in nrs. 5.104-5.105 van dit besluit.
4.280 Dan de klacht onder 4.277.2 hiervoor.
4.280.1 De onduidelijkheden (c.q. onzekerheden) waarop de Beroepscommissie doelt in nr. 5.105 van het besluit van 31 juli 2025 betreffen het volgende:
Zo zal de licentiecommissie (opnieuw) een verzoek tot wijziging zeggenschap moeten beoordelen, bevatten de overeenkomsten tot de aankoop van aandelen bepalingen met opschortende voorwaarden en is onduidelijk of, en zo ja welke, juridische acties door CS/ [betrokkene 4] zijn of worden ingezet en tot welke consequenties dat kan leiden. Bovendien dienen veel aspecten van dat plan nog nader te worden uitgewerkt en dienen onderdelen, zoals de financiële consequenties daarvan, door de licentiecommissie te worden beoordeeld.
4.280.2 Ik lees hierin wel degelijk terug dat er volgens de Beroepscommissie sprake was van onduidelijkheid over de overeenkomsten tot de aankoop van aandelen en onzekerheid van de levering van de aandelen. De Beroepscommissie spreekt immers onder andere van opschortende voorwaarden in de overeenkomsten tot de aankoop van aandelen en van (consequenties van) mogelijke juridische acties van “CS/ [betrokkene 4] ”. Een en ander kan uiteraard ook de levering van de aandelen in de weg zitten. Dat de Beroepscommissie hier - inderdaad - nog meer zegt, laat onverlet dat het hof in rov. 4.105 van het arrest niet beoogt uitputtend te zijn wat betreft nr. 5.105 van dit besluit (“De Beroepscommissie heeft daarbij benoemd”, etc.).
4.280.3 Reeds hierop stuit de klacht af.
4.281 Tot slot de klacht onder 4.277.3 hiervoor.
4.281.1 Voor zover zij voortbouwt op de sub-subonderdelen 2.4.2-2.4.3 en 2.4.6, die dus falen, deelt de klacht in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.281.2 Voor zover de klacht voortbouwt op de klachten onder 4.277.1-4.277.2 hiervoor, die dus falen, deelt zij in dit lot. Dit behoeft evenmin verdere toelichting.
4.281.3 Het behoeft geen betoog dat voor zover de klacht daarnaast nog is bedoeld als eigenstandige klacht, zij niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv.
4.282 Sub-subonderdeel 3.2.14 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.280.1 Voor zover het oordeel in rov. 4.106 van het arrest voortbouwt op het oordeel in rov. 4.103, dat is bestreden door de sub-subonderdelen 3.2.10-3.2.13, tasten de klachten in die sub-subonderdelen ook het oordeel in rov. 4.106 aan.
4.282.2 Voor zover het oordeel in rov. 4.106 (mede) berust op het oordeel over de e-mail van 27 juli 2025, brengen de “hierboven tegen dat laatste oordeel gerichte klachten” ook vernietiging van het oordeel in rov. 4.106 mee.
Behandeling
4.283 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.284 De klachten onder 4.282.1-4.282.2 hiervoor lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij bouwen voort op en delen daarmee in het lot van de daarin bedoelde eerdere klachten, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.285 Sub-subonderdeel 3.2.15 stelt dat voor zover het oordeel in rov. 4.107 van het arrest voortbouwt op de oordelen die in de sub-subonderdelen 3.2.10-3.2.14 zijn bestreden, die sub-subonderdelen ook het oordeel in rov. 4.107 aantasten.
Behandeling
4.286 Het sub-subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de sub-subonderdelen 3.2.10-3.2.14, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.287 Sub-subonderdeel 3.2.16 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.287.1 Bepaalde oordelen in rov. 2.5, eerste gedachtestreepje van het arrest geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn onbegrijpelijk vanwege de in de sub-subonderdelen 3.2.1-3.2.15 genoemde redenen, voor zover het hof met die oordelen het oog heeft op de procedure/behandeling bij de Beroepscommissie.
4.287.2 Voor zover het hof in rov. 2.5, eerste gedachtestreepje ook het oog heeft op de behandeling/procedure bij de Licentiecommissie is dat onbegrijpelijk en/of heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu het hof in het hoofdstuk over de totstandkoming van de besluiten - waarop het hof doelt in rov. 2.5, eerste gedachtestreepje - ingaat op de procedure/behandeling bij de Beroepscommissie (in rov. 4.93 e.v.), niet de procedure/behandeling bij de Licentiecommissie.
Behandeling
4.288 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.289 Eerst de klacht onder 4.287.1 hiervoor.
4.289.1 Zij bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de sub-subonderdelen 3.2.1-3.2.15, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.289.2 Het behoeft geen betoog dat voor zover de klacht daarnaast nog is bedoeld als eigenstandige klacht, zij niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv.
4.290 Tot slot de klacht onder 4.287.2 hiervoor.
4.290.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. In rov. 4.81-4.107 (onder “Is aannemelijk dat de besluiten naar hun wijze van totstandkoming vernietigbaar zijn?”) onderzoekt het hof of voldoende aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de onderhavige besluiten (dus van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025) vernietigbaar zijn op grond van art. 2:15 lid 1 BW wegens strijd met de regels over de totstandkoming van besluiten en het Licentiereglement en/of naar totstandkoming wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat het antwoord bevestigend luidt, kondigt het hof al aan in rov. 4.81. Onderdeel van rov. 4.81-4.107 is rov. 4.84-4.92, waar het hof ingaat op de gang van zaken bij de Licentiecommissie omtrent de aprilbesluiten. In rov. 4.92 komt het hof tot de slotsom dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder c BW. Kortom, de klacht veronderstelt ten onrechte dat het hof in “het hoofdstuk over (kort gezegd) de totstandkoming van besluiten” enkel ingaat op de procedure/behandeling bij de Beroepscommissie.
4.291 Sub-subonderdeel 3.2.17 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.
4.291.1 Voor zover de oordelen in rov. 4.11 en 4.68 van het arrest berusten op de oordelen in rov. 4.93 e.v., tasten de in de sub-subonderdelen 3.2.1-3.2.15 tegen die laatstbedoelde oordelen gerichte klachten ook de oordelen in rov. 4.11 en 4.68 aan.
4.291.2 Voor zover “die oordelen” (ik begrijp: in rov. 4.11 en 4.68) ook wat betreft (de gevolgen van) de grote spoed in de procedure bij de Licentiecommissie daarop berusten (ik begrijp: op rov. 4.93 e.v.) is dit onbegrijpelijk, omdat rov. 4.93 e.v. alleen betrekking hebben op de behandeling/procedure bij de Beroepscommissie.
4.291.3 Voor zover de oordelen in rov. 4.11 en 4.68 niet berusten op de oordelen in rov. 4.93 e.v. en betrekking hebben op (de gevolgen van) de grote spoed in de procedure bij de Licentiecommissie, heeft het hof eerstgenoemde oordelen onvoldoende gemotiveerd.
Behandeling
4.292 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.293 Eerst de klacht onder 4.291.1 hiervoor.
4.293.1 Zij bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de sub-subonderdelen 3.2.1-3.2.15, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.293.2 Overigens zijn rov. 4.11 en 4.68 van het arrest onderdeel van ‘s hofs (bevestigende) beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat de onderhavige besluiten naar hun inhoud vernietigbaar zijn op grond van art. 2:15 lid 1 BW, terwijl rov. 4.93 e.v. in de sleutel staan van ‘s hofs (bevestigende) beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat de onderhavige besluiten naar hun wijze van totstandkoming vernietigbaar zijn op grond van art. 2:15 lid 1 BW. Dit betreft in wezen twee zelfstandig dragende gronden voor het oordeel dat aannemelijk is dat de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025 vernietigbaar zijn op grond van art. 2:15 lid 1 BW. Hieraan ziet de klacht voorbij met de veronderstelling dat (i) de oordelen in rov. 4.11 en 4.68 berusten op (ii) de oordelen in rov. 4.93 e.v., dit nog daargelaten dat in de opzet van het arrest (i) voorafgaat aan (ii).
4.294 Dan de klacht onder 4.291.2 hiervoor.
4.294.1 Zij strandt in het voetspoor van de klacht onder 4.291.1 hiervoor. Uit mijn bespreking van die klacht volgt reeds dat het sub-subonderdeel hier feitelijke grondslag ontbeert door een onjuiste lezing van het arrest. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.295 Tot slot de klacht onder 4.291.3 hiervoor.
4.295.1 Zij verzuimt te onderbouwen waarom het bestreden oordeel dan onbegrijpelijk zou zijn. De klacht voldoet daarmee niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Dit is al fataal.
4.296 Daarmee is gegeven dat onderdeel 3 faalt.
Onderdeel 4 (“(Proceskosten) incidenteel hoger beroep”)
4.297 Het onderdeel vangt aan met een inleiding zonder klacht, waarvan de inhoud neerkomt op het volgende.
- In rov. 4.14 van het vonnis overwoog de voorzieningenrechter dat hij van oordeel is dat gekeken moet worden naar de situatie van na 3 augustus 2024.
- Het incidenteel hoger beroep van de KNVB hield in dat de voorzieningenrechter in rov. 4.14 ten onrechte heeft overwogen dat de relevante periode ter beoordeling duurt van 3 augustus 2024 t/m 10 juli 2025.
- In rov. 4.14 van het arrest oordeelt het hof dat ook relevante feiten en omstandigheden in de voorafgaande periode (vóór 3 augustus 2024) in aanmerking moeten worden genomen en dat dit (onder meer) de eerder vastgestelde overtredingen betreft.
- In rov. 4.15 oordeelt het hof dat het daarom terecht is dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie bij hun besluiten van 10 en 31 juli 2025 verder hebben teruggekeken dan 3 augustus 2024.
- In rov. 4.120 oordeelt het hof echter dat het incidenteel hoger beroep faalt. Ook oordeelt het hof dat, omdat de KNVB in het ongelijk zal worden gesteld, het hof de KNVB zal veroordelen tot (onder meer) betaling van de proceskosten in hoger beroep.
- In rov. 5.4 (het dictum) veroordeelt het hof de KNVB tot betaling aan Vitesse van (onder meer) de proceskosten in het incidenteel hoger beroep.
4.298 Dan volgen twee subonderdelen met klachten.
4.299 Subonderdeel 4.1 stelt vooreerst dat, gelet op de inhoud van grief 1 van de KNVB en rov. 4.14-4.15 van het arrest, zonder nadere motivering (die ontbreekt) onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.120 oordeelt dat het incidenteel hoger beroep faalt en het hof de KNVB zal veroordelen tot betaling van de proceskosten in het (incidentele) hoger beroep, omdat de KNVB in het ongelijk zal worden gesteld. Tevens is onbegrijpelijk dat het hof (daarop voortbouwend) in rov. 5.4 de KNVB veroordeelt in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep. Het arrest is in dit opzicht ook innerlijk tegenstrijdig.
Behandeling
4.300 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.301 Ik begin met enkele opmerkingen over de opzet van het arrest.
4.301.1 In rov. 4.1, laatste zin noteert het hof dat de KNVB:
van haar kant bezwaar [heeft] gemaakt tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat gekeken moet worden naar de situatie zoals die na 3 augustus 2024 is ontstaan.
4.301.2 Rov. 4.2 luidt:
Het hof zal hierna eerst ingaan op de voorvraag of Vitesse (ook nu nog) spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen en daarna de relevante geschilpunten bespreken. Daarbij zal het hof eerst ingaan op de beoordelingsmaatstaf en vervolgens twee kernvragen bespreken: of aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de besluiten van de Licentiecommissie en Beroepscommissie naar inhoud en/of totstandkoming vernietigbaar zijn op grond van de wet. Daarna zal het hof een belangenafweging maken en zijn conclusie geven over de vorderingen tot schorsing van de besluiten en toelating van Vitesse tot de betaald voetbalcompetities. Ten slotte zal het hof ingaan op de overige vorderingen van Vitesse (oplegging van een dwangsom en rectificatie).
4.301.3 Dit een en ander is te vinden in rov. 4.3-4.116.
4.301.4 In rov. 4.117-4.119 (onder “Overige stellingen en verweren, bewijsaanbod”) zet het hof, kort samengevat, nog het volgende uiteen.
- Vitesse heeft in de processtukken voldoende duidelijk gemaakt welke stellingen ter beoordeling aan het hof worden voorgelegd (met concrete verwijzingen naar stukken uit de procedures bij de Licentiecommissie en de Beroepscommissie) en waartegen de KNVB zich moet verweren. (rov. 4.117)
- Het hof is in het voorgaande waar nodig ingegaan op hetgeen Vitesse op deze wijze heeft aangevoerd en de KNVB daartegen heeft ingebracht. Wat partijen verder nog hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking omdat dit niet kan leiden tot een ander resultaat. (rov. 4.118)
- Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van de KNVB, nu er geen redenen zijn af te wijken van het uitgangspunt dat gelet op de aard van het kort geding in deze procedure in het algemeen geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering. (rov. 4.119)
4.301.5 Dan bereikt het hof “De conclusie” (het opschrift van rov. 4.120-4.121). Rov. 4.120 luidt:
Het principaal hoger beroep van Vitesse slaagt, het incidenteel hoger beroep faalt. Omdat de KNVB in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof de KNVB veroordelen tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de voorzieningenrechter. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
In rov. 4.121 wijst het hof erop dat de veroordelingen in deze uitspraak ook ten uitvoer kunnen worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4.301.6 Rov. 5 bevat het dictum in het principaal en incidenteel hoger beroep. Rov. 5.4 bevat de veroordeling van de KNVB tot de betaling van proceskosten aan Vitesse, onder meer in het principaal en incidenteel hoger beroep. Uit rov. 5.5-5.6 blijkt wanneer deze proceskosten uiterlijk moeten zijn betaald en dat voornoemde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
4.302 Gelet op het voorgaande volgt ‘s hofs oordeel in rov. 4.120 over het falen van het incidenteel hoger beroep van de KNVB (in wezen grief 1 van de KNVB, diens enige grief) uit ‘s hofs bevindingen in rov. 4.2-4.119. Ik begrijp het arrest aldus dat dit incidenteel hoger beroep faalt, omdat het hof uitgaande van de relevante periode - die niet pas start op 3 augustus 2024, maar ook feiten en omstandigheden van daarvóór omvat: zie mede rov. 4.13-4.15 - géén grond ziet voor het onverkorte oordeel dat sprake is van een tot in de onderhavige (beroeps)procedure bij de KNVB aanhoudend patroon bij Vitesse van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem, zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie hebben aangenomen. Dit laatste blijkt inderdaad uit het arrest, waaronder rov. 2.5, tweede gedachtestreepje in verbinding met rov. 3.4, 4.10, 4.39 en 4.73-4.77. Zie ook onder 4.36 en 4.38 hiervoor.
4.303 Dit betekent dat het hof grief 1 van de KNVB - die het hof dus samenvat in rov. 4.1 en uiteindelijk verwerpt - aldus verstaat dat volgens de KNVB, uitgaande van die relevante periode, sprake is van zo’n tot in die (beroeps)procedure aanhoudend patroon bij Vitesse, zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie hebben aangenomen. Het gaat bij deze uitleg van die grief dus niet louter om de vraag wat hier de relevante periode is. Ik acht deze uitleg door het hof van die grief niet onbegrijpelijk. Daarbij betrek ik naast de tekst van die grief, inclusief de toelichting daarop, bijvoorbeeld ook de eigen stellingname (en nadere inbedding van die grief) door de KNVB in de pleitaantekeningen in hoger beroep. Ik licht dit laatste toe.
4.303.1 De KNVB opende daar met de stelling dat de licentie van Vitesse terecht is ingetrokken vanwege een meerjarig patroon van misleiding van de licentiecommissie, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem en een gebrek aan transparantie, dat structureel, ernstig en persistent is.
4.303.2 Daartoe verwees de KNVB naar nr. 5.103 van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025, dat luidt:
De beroepscommissie concludeert op basis van het voorgaande dat bij appellante sprake is van een meerjarig patroon van misleiding van de licentiecommissie, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem en een gebrek aan transparantie. Dit patroon is naar het oordeel van de beroepscommissie structureel, ernstig en persistent. Dat patroon blijkt onmiskenbaar uit de overtredingen in randnummer 191 en de omstandigheden in randnummer 203 van het Besluit [dit is het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025, A-G]. Appellante heeft daar onvoldoende tegenin ingebracht en heeft meer dan eens het risico op de koop toegenomen dat de belangrijkste doelstelling van het licentiesysteem, namelijk het waarborgen van de integriteit en continuïteit van de competities betaald voetbal en het ongestoorde verloop van de competitie (conform artikel 2 lid 1 sub a van het Licentiereglement), ernstig in gevaar kwam. De beroepscommissie heeft naast de in het Besluit genoemde overtredingen en omstandigheden nog enkele andere (ernstige) feiten geconstateerd die duiden op een gebrek aan inzicht in de op haar rustende verplichtingen. De beroepscommissie stelt vast dat het door de licentiecommissie geschetste patroon zich ook na het Besluit heeft voorgezet.
4.303.3 Daarop liet de KNVB, kort samengevat, dit volgen.
- Vitesse heeft over een lange periode getoond zich structureel niet aan de licentieregels te willen of kunnen conformeren. De KNVB hecht eraan direct op te merken, dat de relevante periode, anders dan dat Vitesse ons (gelet op de turbospoedappeldagvaarding) wil doen geloven, niet start op 3 augustus 2024. Dat was het moment waarop de beroepscommissie een eerder beroep van Vitesse tegen een intrekkingsbesluit gegrond heeft verklaard. (Daarbij verwees de KNVB naar de MvA/MvG i.a., nrs. 118-135, 153-156.)
- De door Vitesse gestelde “kwijting” of “clean sheet” is door de Beroepscommissie in het besluit van 3 augustus 2024 afgewezen. De referteperiode is dus aanzienlijk langer, waaruit het meerjarige en structurele patroon van Vitesse blijkt.
- Hierbij moet opgemerkt worden dat Vitesse ook na het intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 geen inzicht heeft getoond in de op haar rustende informatie- en meldplichten. Tijdens de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie heeft Vitesse betwist dat de licentiecommissie bevoegd is tot het opleggen van informatie- en meldplichten. Gelijk de KNVB constateert de voorzieningenrechter dat Vitesse volhardt in haar standpunt dat zij niet behoefde te voldoen aan de hiervoor genoemde verplichtingen, wat reeds voldoende reden is om tot intrekking van de licentie over te gaan.
4.304 Aan het voorgaande doet niet af wat het hof oordeelt in rov. 4.14-4.15:
Voor de beoordeling van de vordering van Vitesse in de onderhavige procedure moeten alle relevante omstandigheden in aanmerking worden genomen, dus ook het feit dat de Beroepscommissie bij besluit van 3 augustus 2024 het beroep tegen het intrekkingsbesluit van 24 juni 2024 gegrond heeft verklaard en dat zij heeft geoordeeld dat Vitesse op dat moment aan de licentievereisten voldeed. Dat neemt niet weg dat ook relevante feiten en omstandigheden in de voorafgaande periode in aanmerking moeten worden genomen. Dat betreft aan de ene kant de eerder vastgestelde overtredingen, aan de andere kant de sancties die op grond daarvan aan Vitesse zijn opgelegd.
Het is naar het voorlopig oordeel van hof daarom terecht dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie bij hun besluiten van juli 2025 verder hebben teruggekeken dan 3 augustus 2024. Daar staat tegenover dat de Beroepscommissie moest oordelen naar de stand van zaken ten tijde van het beroep (artikel 13 lid 7 aanhef en onder c Licentie reglement) en dat zij daarbij dus ook de eerder opgelegde sancties in overweging moest nemen. Hierna zal het hof die eerder opgelegde sancties, daar waar relevant, benoemen.
Het hof verstaat grief 1 immers - en dus niet onbegrijpelijk - als inhoudend dat volgens de KNVB, uitgaande van die relevante periode, sprake is van zo’n tot in die (beroeps)procedure aanhoudend patroon bij Vitesse, zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie hebben aangenomen. Dát gaat volgens het hof dus niet op, reden waarom het grief 1 verwerpt (dus op inhoudelijke gronden) en concludeert dat het incidenteel hoger beroep van de KNVB faalt. Zie onder 4.302-4.303 hiervoor. Dit oordeel is, ook met inachtneming van de uiteenzetting in rov. 4.14-4.15, prima navolgbaar. Kortom, die uiteenzetting vergde geen nadere motivering door het hof van dit oordeel.
4.305 Bezien tegen deze achtergrond moet de conclusie zijn dat van een onbegrijpelijk althans innerlijk tegenstrijdig oordeel van het hof zoals bedoeld in het subonderdeel in werkelijkheid geen sprake is. Daarmee valt het doek voor het subonderdeel.
4.306 Subonderdeel 4.2 stelt dat indien en voor zover het oordeel in rov. 4.120 van het arrest zo begrepen moet worden dat het incidenteel hoger beroep van de KNVB faalt wegens gebrek aan belang, het oordeel over de proceskosten en de veroordeling in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. Het hof heeft dan miskend dat de omstandigheid dat de KNVB, die door de voorzieningenrechter volledig in het gelijk was gesteld in die zin dat alle vorderingen van Vitesse waren afgewezen, in de vorm van een incidenteel hoger beroep verweer heeft gevoerd op een bepaald punt zonder een wijziging van een dictum te vorderen (zodat in zoverre sprake was van een ‘onnodig’ incidenteel hoger beroep), niet ertoe mag leiden dat verwerping van het incidentele hoger beroep wegens gebrek aan belang de KNVB op een kostenveroordeling komt te staan.
Behandeling
4.307 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.308 Zij strandt in het voetspoor van subonderdeel 4.1. Uit de bespreking daarvan volgt reeds dat het onderhavige subonderdeel feitelijke grondslag ontbeert door een onjuiste lezing van het arrest. Kort en goed: het hof oordeelt niet dat het incidentele hoger beroep van de KNVB faalt wegens gebrek aan belang, maar verwerpt grief 1 van de KNVB, en daarmee dit incidenteel hoger beroep, op inhoudelijke gronden. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.309 Daarmee is gegeven dat onderdeel 4 faalt.
Onderdeel 5 (“Hele kort samenvatting motivering oordeel hof (rov. 2.4-2.6)”)
4.310 Het onderdeel vangt aan met een inleiding die rov. 2.3-2.7 van het arrest samengevat weergeeft. Dan volgen twee subonderdelen met klachten.
4.311 Subonderdeel 5.1 stelt dat de klachten in de onderdelen 1 t/m 4 ook rov. 2.4-2.6 van het arrest aantasten, omdat rov. 2.4-2.6 een hele korte samenvatting behelzen van de in die onderdelen bestreden oordelen van het hof in rov. 4. Die klachten zijn (ook) op rov. 2.4-2.6 van (overeenkomstige) toepassing.
Behandeling
4.312 Het subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de onderdelen 1 t/m 4, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.313 Het behoeft geen betoog dat voor zover het subonderdeel daarnaast nog is bedoeld als eigenstandige klacht, zij niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv.
4.314 Subonderdeel 5.2 stelt dat indien en voor zover de hele korte samenvatting in rov. 2.4-2.6 van het arrest op essentiële punten zou afwijken van de volledige schriftelijke uitwerking in rov. 4, rov. 2.4-2.6 in zoverre onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd zijn.
Behandeling
4.315 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.316 Zij biedt geen handvatten om aan te nemen dat rov. 2.4-2.6 van het arrest “op essentiële punten” zouden afwijken van de volledige schriftelijke uitwerking in rov. 4. Het subonderdeel voldoet daarmee niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Dit is al fataal, wat geen verdere toelichting behoeft.
4.317 Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 5 faalt.
Slotsom
4.318 Het cassatiemiddel van de KNVB is derhalve vergeefs voorgesteld.
5. Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
De voorwaarde waaronder Vitesse haar incidenteel cassatieberoep heeft ingesteld, te weten dat een of meer klachten in het cassatiemiddel van de KNVB zouden slagen, is niet vervuld. Zie, concluderend, onder 4.318 hiervoor. Aan inhoudelijke bespreking van het incidenteel cassatieberoep kom ik daarom niet toe.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G