ECLI:NL:PHR:2026:449

ECLI:NL:PHR:2026:449

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 01-05-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer 25/03666
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht

Samenvatting

Procesrecht, bewijsrecht. Onderscheid stelplicht en bewijslast, ten onrechte bewijslast op betwister gelegd, terwijl de bewijsfase nog niet aan de orde was. Art. 149-150 Rv.

Uitspraak

2. Procesverloop

Bij verzoekschrift van 24 maart 2022 heeft de man een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank.

Bij echtscheidingsbeschikking van 6 maart 2023 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en – voor zover in cassatie van belang – ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap bepaald dat partijen de inboedel in onderling overleg bij helfte zullen verdelen en dat ieder der partijen recht heeft op de helft van (de waarde van) het goud uit het safeloket van partijen.

De vrouw is in hoger beroep gekomen met grieven tegen het toepasselijke huwelijksvermogensrecht, tegen het gebrek aan vaststelling van de herkomst en juridische status van de sieraden (deze aspecten spelen in cassatie geen rol meer) en tegen het oordeel dat partijen ieder recht hebben op de helft van (de waarde van) het goud. Zij heeft primair verzocht de bestreden beschikking partieel te vernietigen voor zover het de verdeling van het goud betreft, de man te gelasten dat goud aan haar af te geven en wanneer hij daartoe niet in staat blijkt hem binnen een door het hof vast te stellen termijn te gelasten de vrouw de waarde daarvan te vergoeden en deze waarde in goede justitie vast te stellen. Ter zitting heeft de vrouw subsidiair verzocht om afgifte van de helft van het goud, dan wel een vergoeding van de waarde daarvan.

De man heeft verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van de vrouw af te wijzen en de verdeling van het goud aldus vast te stellen dat de vrouw de helft van de goudwaarde aan de man vergoedt. De man heeft ter zitting verklaard dat hij zelf geen betaling van de vrouw vraagt, maar ook niets aan de vrouw wil betalen – en zeker niet meer dan de helft van de waarde van het goud.

Het hof wijst het subsidiaire verzoek van de vrouw (tot afgifte van de helft van het goud, dan wel vergoeding van de waarde daarvan) toe en overweegt daartoe – voor zover in cassatie relevant – als volgt:

Het goud

In geschil is op welk tijdstip het goud is verkregen, waar het goud zich nu bevindt en wat de omvang en de waarde daarvan is en aan wie (de waarde van) het goud dient toe te komen.

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat zij het goud heeft verkregen vóór de bruiloft, door schenkingen door haar ouders tijdens de bruiloft en nadien, maar vóór 1 januari 2002 zodat het nooit in de gemeenschap is gevallen. Subsidiair stelt de vrouw dat het goud volgens de denkwijze van de rechtbank in haar persoonlijke vermogen dient te vallen. Immers, de vrouw kreeg dit als geschenk en/of het dient voor haar persoonlijk gebruik.

De vrouw stelt verder dat de man het goud zonder haar toestemming uit de kluis heeft gehaald en onder zijn beheer heeft genomen en betwist dat de man – zoals hij stelt – het goud vervolgens in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten. De man heeft die stelling niet voldoende onderbouwd. Dat de man de woning niet in kon omdat de vrouw de sloten zou hebben vervangen, wordt eveneens betwist. Ook dit heeft de man niet inzichtelijk gemaakt. De vrouw verbleef destijds, te weten op 16 februari 2022, in Turkije en is pas op 9 maart 2022 terug naar Nederland gekomen. Het goud ligt dan ook volgens haar bij de man.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw, naar het hof begrijpt subsidiair, verzocht om het goud bij helfte te verdelen (dan wel een waardevergoeding voor de helft toe te kennen).

De man voert verweer. De man betwist dat de vrouw het goud vóór 1 januari 2002 heeft verkregen. Partijen waren niet vermogend toen zij trouwden en de vrouw heeft nooit een bruidsschat ontvangen. Voor zover de vrouw al goud bezat, heeft zij dit gebruikt voor het aanschaffen van onroerende zaken in Turkije. Mocht het goud er nog zijn dan is aannemelijk dat het goud is verworven ná 2002 gelet op het feit dat partijen de kluis pas sinds 2020 huren. Het goud behoort dus niet tot het persoonlijk vermogen van de vrouw, noch is dit uitgesloten van de financiële afrekening tussen partijen op grond van het huwelijksvermogensregime van vóór 1 januari 2002. De man stelt dan ook dat het goud valt onder het vermogen waarover dient te worden afgerekend. De man stelt verder dat hij het goud uit de kluis heeft gehaald en het in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten toen hij daar vertrok. Ten aanzien van de omvang en de waarde van het goud heeft de man ter zitting aangevoerd dat er ongeveer 200 gram aan goud in de kluis lag. Daarbij verwijst de man naar de overgelegde foto’s uit eerste aanleg, waarop een plastic zakje met gouden voorwerpen te zien is.

Het hof oordeelt als volgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, had het op de weg van de vrouw gelegen om haar primaire stelling dat zij het goud vóór 1 januari 2002 als bruidsschat c.q. als schenking van haar ouders heeft verkregen, c.q. haar subsidiaire stellingen dat zij het goud had gekregen als geschenk en/of dat dit diende voor haar persoonlijk gebruik, nader te onderbouwen. Nu de vrouw dit heeft nagelaten en ook geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan, gaat het hof aan deze stellingen voorbij. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat de verwerving door de vrouw van het goud nog onder het oude Turkse huwelijksvermogensregime valt, of dat het – als het door het nieuwe Turkse huwelijksvermogensregime wordt beheerst – in het persoonlijke vermogen van de vrouw valt waarover zij niet met de man hoeft af te rekenen. Aldus komt het hof, net als de rechtbank, tot het oordeel dat ieder van partijen op grond van artikel 236 TBW [Turks Burgerlijk Wetboek, A-G] recht heeft op de helft van de waarde van het goud.

Vaststaat dat partijen sinds 2020 gezamenlijk een kluis beheerden waar zij ieder toegang toe hadden, dat hier het goud in werd bewaard en dat de man in februari 2022 het goud uit de kluis heeft gehaald en dit aan de vrouw heeft laten weten onder toezending van een foto van het goud. De man had daarmee dus fysiek de beschikking over het goud. De man stelt dat hij het goud vervolgens in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten, hetgeen de vrouw gemotiveerd heeft betwist. In het licht van deze betwisting van de vrouw, heeft de man zijn stelling – waarvan de bewijslast bij hem ligt – onvoldoende nader onderbouwd en daar ook geen concreet bewijs van aangeboden, zodat het hof ervan uitgaat dat de man ook nu nog beschikt over het goud. Nu ervan moet worden uitgegaan dat dit valt onder de verwervingen van de vrouw waarover zij op grond van het nieuwe Turkse huwelijksvermogensregime bij helfte met de man dient af te rekenen, zal het hof het subsidiaire verzoek van de vrouw – tot afgifte van de helft van het goud dan wel tot vergoeding van de helft van de waarde daarvan door de man aan haar – toewijzen.

De vraag is hierbij echter wel wat onder ‘het goud’ dient te worden verstaan. Over het gewicht (en dus de waarde) van het goud zijn partijen het niet eens. Door de vrouw is voor het eerst kort voor de (tot tweemaal toe aangehouden) zitting in hoger beroep gesteld dat het gewicht van het goud 1.133,40 gram en 24 karaats bedraagt, met een waarde van ongeveer € 61.000,-. Zij heeft onder meer stukken overgelegd (een taxatierapport van een juwelier van 1 april 2023) waaruit de waarde van het goud zou blijken. De man heeft ter zitting in hoger beroep daarentegen verklaard dat het hooguit zou gaan om het goud op de foto van het plastic zakje, hetgeen volgens hem niet meer dan ongeveer 200 gram aan goud zou bevatten. Nu uit de stukken die de vrouw ter onderbouwing van haar standpunt heeft overgelegd niet kan worden afgeleid dat dit het goud betreft dat in deze procedure voor de verdeling in aanmerking komt en de waarde van de in het taxatierapport genoemde goederen bovendien enkel is vastgesteld op basis van door de vrouw overgelegde foto’s en eigen verklaring en het hof niet beschikt over aanwijzingen dat het goud het gewicht van 200 gram overtreft, gaat het hof er schattenderwijs vanuit dat voor de waarde van het goud aansluiting gezocht moet worden bij een gewicht van 200 gram en het voorts 24 karaats goud betreft.

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover die aan het oordeel van het hof voorligt, derhalve voor wat betreft de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime met betrekking tot het goud, en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van (de waarde van) het goud afkomstig uit het safeloket van partijen, dat wordt vastgesteld op 200 gram 24 karaats goud;

bepaalt dat de man de helft van het goud ter beschikking dient te stellen aan de vrouw dan wel – als dit niet uiterlijk binnen twee maanden na de datum van het wijzen van deze beschikking is gerealiseerd – dat de man de tegenwaarde daarvan, met inachtneming van de goudprijs per heden, aan de vrouw dient te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.”

De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. De vrouw heeft verweer gevoerd.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel keert zich tegen rov. 5.11 en klaagt dat het hof aldaar blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de stelplicht en/of de bewijslastverdeling ten aanzien van het verzoek van de vrouw, althans dat het hof op dit punt een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.

Onderdeel 2.1 (onderdeel 1 is inleidend en bevat geen klachten) klaagt dat voor toewijzing van het verzoek van de vrouw tot afgifte van (de helft van) het goud aan haar, de vrouw moest stellen dat de man ook nu nog beschikt over het goud, althans dat hij daar ten tijde van de hofuitspraak over beschikte. De omstandigheid dat de man in februari 2022 (even) de beschikking had over het goud nadat hij het goud uit de gezamenlijke kluis had gehaald, brengt niet zonder meer een rechtsplicht (of feitelijke mogelijkheid) voor de man mee om thans (de helft van) het goud aan de vrouw af te geven. Onderdeel 2.2 klaagt dat de man voormelde stellingen van de vrouw alleen maar gemotiveerd hoefde te betwisten en dat hij dat heeft gedaan door aan te voeren dat hij het goud, nadat hij dit uit de kluis had gehaald, in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten (waar hij destijds zelf ook nog verbleef) en dat hij er niet mee is blijven rondlopen. Hierna heeft de vrouw de sloten van de woning vervangen en kon de man de woning niet meer in. Geklaagd wordt dat het hof heeft miskend dat de man niet de bewijslast draagt van de betwisting van de feitelijke grondslag van het verzoek van de vrouw. Voor zover het hof heeft gemeend dat de man de bewijslast draagt van de stelling dat hij het goud in de echtelijke woning heeft achtergelaten, omdat hij zelf ook een afgifteverzoek heeft gedaan, klaagt onderdeel 2.3 dat het hof heeft miskend dat de man van deze stelling alleen de bewijslast droeg voor zover deze ten grondslag lag aan zijn eigen verzoek, maar niet voor zover het de man te doen was om afwijzing van het verzoek van de vrouw. Voor zover het hof ervan is uitgegaan dat een bijzondere rechtsregel of de redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast rechtvaardigt of rechtvaardigen, klaagt onderdeel 2.4 dat dit oordeel onjuist is, althans onbegrijpelijk.

De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Op grond van art. 150 Rv geldt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Het middel klaagt in de kern over de juistheid en begrijpelijkheid van de oordelen van het hof over de stelplicht en bewijslast bij de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de vrouw tot afgifte van de helft van het goud (dan wel vergoeding van de waarde daarvan door de man).

Onderdeel 2.1 stelt aan de orde wat in deze zaak nu precies onder de stelplicht en bewijslast van de vrouw valt. Geklaagd wordt dat het hof voor toewijzing van het verzoek tot afgifte ten onrechte voldoende acht dat de vrouw stelt dat de man destijds (in februari 2022) beschikking over het goud had, terwijl zij volgens het middel ook moet stellen (en zo nodig bewijzen) dat de man het goud nog altijd onder zich heeft (althans ten tijde van de bestreden beschikking in zijn bezit had).

Deze klacht zie ik geen doel treffen. De vrouw heeft wel het standpunt ingenomen dat de man ook nu nog/ten tijde van het verzoek de beschikking over het goud heeft. Door de vrouw is aangevoerd – en zo staat in cassatie ook vast – dat de man het goud uit de kluis heeft gehaald. Zie het verweerschrift van de vrouw in eerste aanleg, waar zij onder meer verwijst naar een screenshot van een Whatsapp-gesprek waarin te zien is dat de man een foto heeft gemaakt van een deel van het goud dat hij uit de kluis heeft gehaald. Ook is ter zitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, namens de vrouw het standpunt ingenomen dat de man beschikking over het goud heeft (‘Daarmee heeft de vrouw bewijs geleverd dat hij beschikt over het goud’; ‘Hij heeft het goud.’, ‘Derhalve meneer heeft het goud.’). Bedacht moet daarbij worden dat de man de kluis heeft leeggehaald op 16 februari 2022, iets langer dan een maand voordat hij het echtscheidingsverzoek indiende en de discussie over het goud is gaan spelen. Het is dus niet zo dat de vrouw slechts heeft gesteld dat de man op een willekeurig moment in het verleden even de beschikking over het goud heeft gehad. Kennelijk heeft het hof de stellingen van de vrouw zo begrepen, dat zij heeft gesteld dat de man ook nu nog over het goud beschikt. Die uitleg lijkt mij goed te volgen en tegen die uitleg van de stellingen van de vrouw wordt in cassatie overigens ook niet geklaagd.

Uit rov. 5.11 blijkt voorts dat het hof ook daadwerkelijk heeft beoordeeld of de man beschikking heeft over het goud. Dat blijkt uit de passage dat ‘het hof ervan uitgaat dat de man ook nu nog beschikt over het goud.’ Ook hieruit volgt dat het hof niet heeft miskend dat voor toewijzing van het verzoek tot afgifte de vrouw moest stellen en zo nodig bewijzen dat de man het goud onder zich heeft. Onderdeel 2.1 ketst daarop af.

Onderdeel 2.2 gaat in feite gaat over de kwalificatie van wat de man aanvoert in het kader van de discussie over wie nu over het goud beschikt. Geklaagd wordt dat de man alleen de feitelijke grondslag die de vrouw aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd gemotiveerd hoeft te betwisten en dat het hof de bewijslast hier ten onrechte bij de man heeft neergelegd.

De klacht slaagt. Het hof lijkt ervan uit te gaan dat de stellingname van de man gekwalificeerd moet worden als een bevrijdend verweer en dan zouden stelplicht en bewijslast inderdaad bij de man liggen. Van een bevrijdend verweer lijkt mij hier geen sprake. Die gedachte zou kunnen opkomen bij een versimpelde weergave van het onderscheid tussen de gemotiveerde betwisting enerzijds en het bevrijdende verweer anderzijds in de bekende formules ‘nee, want’ (betwisting) en ‘ja, maar’ (bevrijdend verweer). De redenering kan dan zijn ‘ja, ik had beschikking over het goud, maar ik heb het in de woning achtergelaten, dus ik heb er nu geen beschikking meer over.’ Dit kan je echter ook in een ‘nee, want’- formule zetten: ‘nee, ik heb geen beschikking over het goud, want ik heb het goud in de woning achtergelaten.’ Dat doet geen recht aan de kern van dit onderscheid.

Ahsmann meent dat de ‘ja, maar’- en ‘nee, want’-formuleringen niet goed weergeven waar het hier in de kern om gaat. Die kern is of de gedaagde of verweerder zich op een bepaald rechtsgevolg beroept dat los staat van de grondslag van de vordering of het verzoek, maar wél de toewijzing daarvan blokkeert. Conform de hoofdregel van art. 150 Rv draagt de partij die zich op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten beroept immers de bewijslast van die feiten of rechten.

In onze zaak voert de man aan dat hij het goud niet onder zich heeft, omdat hij het goud in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten. Daarmee betwist de man de stelling van de vrouw dat hij het goud wel onder zich zou hebben. Dat vormt een betwisting van een stelling die de vrouw aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd en die nodig is voor het intreden van het door haar beoogde rechtsgevolg en is dan ook een grondslagverweer. Hier is geen sprake van een situatie waarin de man zich op een rechtsgevolg beroept dat los staat van de grondslag van het verzoek van de vrouw. Onderdeel 2.2 treft doel.

Een mogelijke aarzeling – maar geen grote – zou daarbij nog kunnen zijn of belang bestaat bij de klacht. Het hof overweegt in rov. 5.11 ook dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw van de stelling van de man dat hij het goud bij de vrouw in de echtelijke woning heeft achtergelaten, die stelling dat hij het goud bij de vrouw heeft achtergelaten onvoldoende nader heeft onderbouwd. Wordt daar soms mee bedoeld dat de zaak in stelplichtfase blijft hangen, zodat geen belang bestaat bij de klacht? Ik denk het niet, want dan zouden stelplicht en bewijslast (ook) bij de man liggen en hiervoor is besproken dat dat niet zo is.

Een andere tegenwerping zou hier nog kunnen zijn dat de man ook een zelfstandig tegenverzoek doet waarin hij aanspraak maakt op (de waarde van) de helft van het goud jegens de vrouw. Als hij in de visie van het hof in dat kader hetzelfde stelt, namelijk: ik heb het goud weliswaar uit de kluis gehaald en in de echtelijke woning achtergelaten, maar kon er vervolgens niet meer bij, omdat de vrouw de sloten had vervangen en de vrouw in dat kader met het gemotiveerde verweer komt: het is hier niet en de man geeft in ieder geval toe het in de echtelijke woning te hebben gebracht voordat hij er niet meer in kon, hoe zit het dan? Daargelaten dat de hofbeslissing helemaal niet in deze sleutel lijkt te staan, zou dan mogelijk juist kunnen zijn dat de man gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw (waarvan volgens rov. 5.11 sprake is) conform de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast draagt van zijn stelling die ten grondslag ligt aan zijn zelfstandige tegenverzoek. De hofbeschikking staat als gezegd niet in die sleutel; het zelfstandige tegenverzoek wordt in de beoordeling onder het kopje ‘Het goud’ in rov. 5.7-5.12 niet genoemd, het betreft louter een beoordeling van het primaire en subsidiaire verzoek van de vrouw en het verweer van de man daartegen; het hof expliciteert in rov. 5.11 ook dat het het subsidiaire verzoek van de vrouw zal toewijzen. Dus deze tegenwerping moet stranden. Na verwijzing zal nader moeten worden onderzocht of sprake is van een voldoende gemotiveerde betwisting door de man, zodat belang bestaat bij deze klacht, die als gezegd slaagt in mijn ogen.

Over de klacht uit onderdeel 2.3 kan ik na het voorgaande kort zijn: die klacht is voorgesteld voor zover het hof heeft gemeend dat de man de bewijslast draagt van de stelling dat hij het goud in de echtelijke woning heeft achtergelaten, omdat hij zelf ook een afgifteverzoek heeft gedaan. Dat faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat die veronderstelling niet opgaat, zo is hiervoor besproken.

De kennelijk zekerheidshalve geformuleerde klacht uit onderdeel 2.4 lijkt mij ten slotte ook niet op te kunnen gaan. Uit niets blijkt dat het hof hier een bijzondere rechtsregel of de redelijkheid en billijkheid leidend heeft geacht voor een andere verdeling van (stelplicht en) bewijslast, zodat deze klacht geen doel kan treffen.

4. Conclusie

Ik concludeer tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand