ECLI:NL:PHR:2026:473

ECLI:NL:PHR:2026:473

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 09-06-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer 23/04637
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van schuldwitwassen, meermalen gepleegd (art. 420quater Sr). Middel over verjaring slaagt, zodat andere middelen geen bespreking behoeven. AG gaat in op geldigheid partiële intrekking cassatieberoep. Middel strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/04688.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04637

Zitting 9 juni 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 27 november 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-004448-19) wegens 2 primair "feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van schuldwitwassen, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 120 uren, te vervangen door zestig dagen hechtenis.

Er bestaat samenhang met de zaak 23/04688. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

Het vierde middel, dat klaagt over de verjaring van het onder 2 primair (impliciet subsidiair) bewezenverklaarde feit, slaagt. Om die reden beperk ik de bespreking van de middelen tot het vierde middel. Ingeval de Hoge Raad anders oordeelt, ben ik graag bereid aanvullend te concluderen.

2. Het vierde middel

Het vierde middel bevat de klacht dat het recht op strafvervolging ten aanzien van (een deel van) de onder 2 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde feiten wegens verjaring is komen te vervallen.

Aan de verdachte is onder 2 primair ten laste gelegd dat:

“ [A] B.V. in of omstreeks de periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016 te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 500.000 euro, in elk geval 200.000 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl [A] B.V. wist of redelijkerwijs had moeten, vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot het plegen van genoemd strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

en/of

[B] B.V. in of omstreeks de periode van 21 augustus 2012 tot en met 1 november 2016 te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 250.000 euro, in elk geval 175.000 euro dan wel 100.000 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(eh) gebruik heeft gemaakt, terwijl [B] B.V. wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot het plegen van genoemd(e) strafbare feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;”

Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:

“ [A] B.V. in de periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016 in Nederland geldbedragen van in totaal 250.000 euro heeft overgedragen, terwijl [A] B.V. redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

en

[B] B.V. in de periode van 21 augustus 2012 tot en met 1 november 2016 in Nederland geldbedragen van in totaal 250.000 euro heeft overgedragen, terwijl [B] B.V. redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.”

Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd:

“Het hof stelt de volgende redengevende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte was in de tenlastegelegde periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016 bestuurder (middellijk, via [C] B.V.) van twee vennootschappen, namelijk [B] (vanaf 1-1-2013) en [A] B.V. (hierna: [A] ). Ook was hij (eveneens middellijk, via [C] B.V.) bestuurder van [D] B.V.

De verdachte verrichtte betalingen voor deze vennootschappen, of gaf daartoe opdrachten.

De [medeverdachte] was oprichter en (middellijk, via [E] B.V. (verder: [E] )) bestuurder van het startersfonds [F] BV (verder: [F] ). Dit startersfonds had een overeenkomst met het Ministerie van Economische Zaken gesloten in het kader van de Seed Capital regeling, en heeft in het kader van die overeenkomst geldbedragen ontvangen van het Ministerie. Voor het Ministerie voerde AgentschapNL (de rechtsvoorganger van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) de Seed Capital regeling uit. Deze regeling had als doel het door de overheid ondersteunen van startende innovatieve bedrijven bij het verkrijgen van voldoende risicokapitaal. De regeling bood de mogelijkheid voor een startersfonds om een investering in een technostarter voor 50% te financieren met een lening van het ministerie. De overige 50% moest worden gedaan door het fonds. In het kader van de regeling werden door de overheid renteloze leningen verstrekt, waarbij de lening werd uitgegeven voor (maximaal) hetzelfde bedrag als door onafhankelijke investeerders in de innovatieve bedrijven werd geïnvesteerd. Het fonds dat een lening ontving van de overheid, had op grond van de regeling en de gesloten overeenkomst geen aflossings- of terugbetalingsverplichting. Wel moest het fonds een percentage van (eventuele) inkomsten betalen aan de overheid.

Door [F] werd tweemaal een opnameformulier bij AgentschapNL ten behoeve van [A] (onder meer handelend onder de naam [naam] ) en eenmaal een opnameformulier ten behoeve van [B] ingediend. De bedragen die naar aanleiding van deze opnameformulieren werden uitgekeerd aan [F] bedroegen drie maal € 250.000,00. Diverse bankafschriften in het dossier tonen de daarop volgende geldstromen, waarin de verdachte al dan niet middels de vennootschappen [A] en/of [B] een rol speelde.

De verdachte wordt in het onder 2 (onder primair) tenlastegelegde verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan opzetwitwassen dan wel schuldwitwassen van een of meerdere geldbedragen, gepleegd door één of twee vennootschappen, namelijk [A] en [B] .

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde witwassen van drie geldbedragen.

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte - net als door de rechtbank - dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde witwassen. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte wist noch had moeten vermoeden dat de van [F] ontvangen gelden van misdrijf afkomstig waren. De verdachte was niet op de hoogte van de verplichtingen van [F] jegens het Ministerie van Economische zaken op grond van de Seed Capital regeling. Hij zelf had geen contractuele relatie met het Ministerie en was ook niet op enige andere manier betrokken bij de overeenkomst tussen [F] en AgentschapNL. Er is geen bewijs dat de verdachte heeft samengewerkt met [F] bij het verkrijgen van de bedragen of dat hij er weet van had dat de stortingen die hij van [F] ontving bedoeld waren om de indruk te wekken dat [F] aan haar (private) investeringsplicht had voldaan. De verdachte heeft ook op geen enkele wijze getracht geldstromen of transacties te verhullen.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Het hof stelt vast dat er, nadat de geldbedragen door AgentschapNL op de bankrekeningen van [F] waren gestort er drie kasrondes - waaronder wordt verstaan het doorboeken van ontvangen gelden - hebben plaatsgevonden, die hieronder zullen worden beschreven.

Eerste kasronde (15 t/m 23 december 2011)

De eerste kasronde blijkt uit bankafschriften van [A] , [F] , [E] en [D] . In een periode van negen dagen vinden de volgende overboekingen plaats;

15 december 2011

- AgentschapNL boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [F] ;

17 december 2011

- [F] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [A] , onder de vermelding "participatie";

22 december 2011

- [A] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [D] onder de vermelding "overeenkomst dd 22/11/2011";

- [D] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [E] onder de vermelding "overeenkomst dd 22/11/2011";

23 december 2011

- [E] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [F] onder de vermelding “storting participatie [naam] ";

- [F] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [A] ;

- [A] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [D] ; en

- [D] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [E] onder de vermelding “overeenkomst dd 22/11/2011".

Via de hiervoor omschreven manier is het geldbedrag dat AgentschapNL naar [F] heeft overgemaakt via een kasronde binnen ruim een week weer teruggestort op de betaalrekening van [F] , terwijl voor die geldstromen geen grondslag bestond. Dat (ten dele) sprake zou zijn geweest van leningen, acht het hof, mede op het gebrek aan enige onderbouwing daarvan, ongeloofwaardig. Vervolgens is het geld via [A] en [D] uiteindelijk (weer) bij [E] terechtgekomen. Niet is gebleken dat de verdachte ten tijde van de eerste kasronde wetenschap of een vermoeden had van een criminele herkomst van de gelden, evenmin is komen vast te staan dat hij een redelijk vermoeden had moeten hebben. Het hof acht dan ook niet bewezen dat [A] dan wel de verdachte (als feitelijk leidinggever) zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen voor wat betreft (het geld van) de eerste kasronde. De verdachte zal dan ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De verdachte heeft na de hiervoor beschreven kasronde, te weten op 8 februari 2012, een e-mail gestuurd aan [betrokkene 1] , advocaat van [F] en [medeverdachte] , waarin hij laat weten dat het geldbedrag van € 250.000,00 niet naar [naam] is gegaan, maar dat [A] wel als vehikel is gebruikt en dat dat nooit zijn bedoeling is geweest. Uit (de bewoordingen in) die e-mail maakt het hof op dat de verdachte in ieder geval vanaf dat moment op zijn minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de gelden die door [A] en [D] zijn ontvangen en zijn doorgestort tijdens de hierna te noemen tweede en derde kasrondes van misdrijf afkomstig waren. Tijdens het doorstorten van de bedragen in deze kasrondes moet de verdachte zich er van bewust zijn geweest dat hij en de vennootschappen ‘als vehikel’ werden gebruikt, en dat het dus niet om reguliere betalingen tussen rechtspersonen ging. Het hof betrekt hierbij dat van een grondslag voor deze betalingen niet is gebleken.

Tweede kasronde (23 en 24 juli 2012)

De bankafschriften Van [A] , [F] , [E] en [D] tonen de volgende overboekingen.

19 juli 2012

- AgentschapNL boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [F] ;

23 juli 2012

- [F] boekt tweemaal een bedrag van € 250.000,00 over naar [A] onder de vermelding "participatie";

- [A] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [D] ;

- [D] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [E] onder de vermelding “overeenkomst dd 22/11/2011";

- [E] boekt een bedrag van € 250.0000,00 over naar [F] onder de vermelding "lening";

- [F] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [A] onder de vermelding “participatie”;

24 juli 2012

- [A] boekt een bedrag van € 50.000,00 naar [D] ;

- [D] boekt een bedrag van € 50.000,00 naar [E] onder de vermelding “overeenkomst dd 22/11/2011";

- [A] boekt een bedrag van € 50.000,00 naar de privérekening van de verdachte; en

- [A] boekt een bedrag van € 145.000,00 naar een andere bankrekening van [A] .

Het van AgentschapNL ontvangen geldbedrag van € 250.000,00 is via bovenstaande overboekingen uiteindelijk slechts ten dele bij [A] terechtgekomen.

Derde kasronde (6 t/m 13 september 2012)

Een derde kasronde wordt zichtbaar in de bankafschriften van [B] , [F] , [E] en [D] . Daaruit blijken de volgende overboekingen:

6 september 2012

- AgentschapNL boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [F] ;

- [F] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [B] onder de vermelding "tbv participatie [F] BV";

9 september 2012

[B] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [D] onder de vermelding “Overeenkomst dd. 16augustus2012”;

10 september 2012

- [D] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [E] onder de vermelding “overeenkomst dd 16/8/2012”;

- [E] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [F] onder de vermelding “lening”; en

- [F] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [B] onder de vermelding “tbv participatie [F] BV".

Na ontvangst van het geldbedrag op de bankrekening van [B] , heeft de verdachte op 10 september 2012 een iMessage-bericht aan [betrokkene 2] gestuurd, inhoudende “er staat weer EUR 250k op. Zou jij EUR 150k naar [D] willen betalen ( [rekeningnummer 1] ) en EUR 100k aan [A] BV ( [rekeningnummer 2] ) ?".

De verzochte betaling van € 150.000,00 naar [D] wordt, evenals drie andere overboekingen, in de daarop volgende dagen gedaan.

11 september 2012

- [B] boekt een bedrag van € 150.000,00 over naar [D] onder de vermelding “Overeenkomstdd. 16augustus 2012”;

- [D] boekt een bedrag van € 75.000,00 over naar [E] onder de vermelding “overeenkomst dd 16/8/2012”;

12 september 2012

- [B] boekt een bedrag van € 100.000,00 over naar [D] ; en

13 september 2012

- [D] boekt tweemaal een bedrag van € 50.000,00 over naar de verdachte.

Voornoemde geldstromen maken dat de voor [B] bedoelde gelden ter hoogte van € 250.000,00 uiteindelijk verdeeld zijn over andere rechtspersonen, waaronder [E] , en de verdachte als natuurlijk persoon.

Conclusie

Het hof is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte ten tijde van de tweede en derde kasrondes op zijn minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de gelden van misdrijf afkomstig waren. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het uitvoeren van de kasrondes, terwijl hem al wel was gebleken dat er eerder sprake was van het via verschillende rechtspersonen doorboeken van gelden. De stelling van de verdediging dat de verdachte ‘op geen enkele wijze heeft getracht geldstromen of transacties te verhullen’ wordt hiermee als feitelijk onjuist gepasseerd. De stelling van de verdachte dat hij niet kon vermoeden dat [F] zich bezig zou houden met ‘subsidiefraude’ én dat ook niet hoefde te vermoeden wordt op grond van bovenstaande als ongeloofwaardig terzijde gesteld.

De verdachte was ten tijde van de kasrondes middellijk bestuurder van [A] en feitelijk de baas bij [B] en heeft verklaard dat hij verantwoordelijk was voor en (aan [betrokkene 2] ) opdracht gaf tot het overmaken van gelden, en voor de hierboven beschreven overboekingen. Het ontvangen en overmaken van geld paste binnen de normale bedrijfsvoering van de beide rechtspersonen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de onder 2 primair tenlastegelegde gedragingen zijn verricht in de sfeer van deze rechtspersonen en daarmee dat die redelijkerwijs aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend. Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat wettig en overtuigend bewezen is dat [A] en [B] zich schuldig hebben gemaakt aan schuldwitwassen van (tweemaal € 250.000,00) in totaal € 500.000,00.

Feitelijk leidinggeven

Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld en de rol van de verdachte bij de door de rechtspersonen begane strafbare feiten, stelt het hof vast dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan schuldwitwassen. Nu twee kasrondes hebben plaatsgevonden, is sprake van het meermalen plegen van dit feit.”

Het onder feit 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde (feitelijk leiding geven aan) schuldwitwassen is als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 420quater Sr. Op schuldwitwassen was tot 1 januari 2015 een gevangenisstraf van één jaar gesteld. Sinds 1 januari 2015 is op dat misdrijf een gevangenisstraf van twee jaren gesteld.

Het onder 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde feit is volgens de tenlastelegging begaan in of omstreeks de periode van 15 december 201 tot en met 1 november 2016. Het hof heeft die periode bewezenverklaard en heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van schuldwitwassen, meermalen gepleegd”.

Op grond van artikel 70, aanhef en onder 2°, Sr in verbinding met het tweede lid van artikel 72 Sr beloopt de verjaringstermijn wat betreft het tenlastegelegde (feitelijk leiding geven aan) schuldwitwassen ten hoogste tweemaal zes jaren. Daaruit vloeit voort dat het bewezenverklaarde feit is verjaard voor zover dat is begaan twaalf jaar voorafgaand aan het wijzen van het arrest door de Hoge Raad.

Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat het bewezenverklaarde in de kern betrekking heeft op het (feitelijk leidinggeven) aan het overdragen van 250.000 euro door de rechtspersoon [A] B.V op 23 en 24 juli 2012 en op het (feitelijk leidinggeven) aan het overdragen van 250.000 euro door de rechtspersoon [B] B.V in de periode van 6 tot en met 13 september 2012. Gelet daarop bestaat er een belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak.

Vervolgens is de vraag of de Hoge Raad de zaak zelf af kan doen door het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging of dat de zaak dient te worden teruggewezen naar het hof. Deze laatste optie bestaat omdat de tenlastelegging ziet op de periode van 15 december 2011/21 augustus 2012 tot en met 1 november 2016. Nog niet voor die hele periode is de verjaringstermijn van twaalf jaren verstreken. De drie in de bewijsoverwegingen van het hof geïdentificeerde ‘kasrondes’ zijn wel allemaal van meer dan twaalf jaar geleden. De meest recente dateert van september 2012.

Het lijkt erop dat de verdachte met een partiële intrekking van het cassatieberoep heeft willen bewerkstelligen dat de zaak voor het niet al verjaarde deel van de tenlastegelegde periode niet meer aan de feitenrechter kan worden voorgelegd, althans dat dit zinloos zou zijn. De intrekking betreft immers de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde, de vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde (opzet)witwassen, de vrijspraak van het onder 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen t.a.v. enig ander bedrag dan het bewezenverklaarde bedrag van € 250.000,-, de vrijspraak voor zover onder 2 primair cumulatief tenlastegelegd, van het opdracht geven dan wel feitelijk leidinggeven aan het (schuld)witwassen door [B] B.V. en de niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in haar vordering. Kennelijk is hiermee bedoeld andere witwasgevallen dan de twee bewezen geachte maar inmiddels verjaarde kasrondes, van welke gevallen het hof min of meer impliciet zou hebben vrijgesproken, te onttrekken aan het cassatieberoep en daarmee ook aan het oordeel van de rechter die na een eventuele terugwijzing over de zaak zou moeten oordelen.

Ik zie echter twee redenen waarom dit gevolg uitblijft. Ten eerste is in cassatie niet uit te sluiten dat met de in de tenlastelegging opgenomen bedragen, ook voor zover het gaat om de bedragen die in de twee kasrondes zijn betrokken, na afloop van die kasrondes nog witwashandelingen zijn verricht, zoals het gebruiken of voorhanden hebben van (gedeelten van) dat geld.

Ten tweede moet worden voorbijgegaan aan de beperking van het cassatieberoep voor zover die inhoudt dat het niet is gericht tegen het onder 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen t.a.v. enig ander bedrag dan het bewezenverklaarde bedrag van € 250.000,-. Ik wijs daartoe op de regel neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, zoals die is toegepast in HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:52. In die zaak was het witwassen van bitcoins tenlastegelegd tot een bedrag van € 3.594.634,56. Dit was het totaalbedrag van een aantal transacties waarbij bitcoins waren omgezet in euro’s. Het hof achtte bewezen dat een deel van dit bedrag (10,65%) een criminele herkomst had. Het sprak daarom vrij van het tenlastegelegde totaalbedrag en achtte bewezen dat de verdachte meermalen witwashandelingen had verricht met “aanzienlijke geldbedragen en aanzienlijke hoeveelheden bitcoins”. Volgens de cassatieakte was het beroep niet gericht tegen “de beslissingen van het hof omtrent de onderdelen van het (…) tenlastegelegde waarvan het hof de [verdachte] heeft vrijgesproken”. De Hoge Raad ging aan deze beperking voorbij en ik meen dat dat ook in deze zaak dient te gebeuren.

Gelet hierop bestaat er reden de zaak na gedeeltelijke vernietiging terug te wijzen naar het hof.

3. Afronding

Het vierde middel slaagt.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep is verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Als de Hoge Raad deze conclusie volgt, zal het hof waarnaar de zaak wordt teruggewezen bij de (eventuele) strafoplegging met deze overschrijding rekening kunnen houden.

Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissingen over het onder 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde, alsmede de strafoplegging en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak met inachtneming van het bovenstaande opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand