PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00555
Zitting 12 mei 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij verstekarrest van 13 februari 2024 (parketnr. 23-003055-23) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2023, waarbij de verdachte wegens “een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben waarvan hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het vals is” is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 40 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam , heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
De verdachte noch zijn raadsman is op de terechtzitting in hoger beroep verschenen. Het hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend en heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte. Vervolgens heeft het hof art. 416 lid 2 Sv toegepast en de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaard. In cassatie wordt betoogd dat het hof ondubbelzinnig had moeten vaststellen dat de verdachte daadwerkelijk weet had van de zitting en volgens de steller van het middel maken de omstandigheden in deze zaak dat het hof niet heeft kunnen oordelen dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en van de overige in art. 6 EVRM genoemde fundamentele rechten.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het middel.
3. Het middel
Het middel richt zich tegen de beslissing van het hof om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep en bevat in de kern de klacht dat door die beslissing het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt voor zover van belang het volgende in:
“De raadsheer doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
adres: [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte, mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam , is evenmin ter terechtzitting verschenen.
De advocaat-generaal legt een akte van betekening over en deelt mede dat de verdachte zich niet in detentie bevond op de dagen ten tijde van de dagvaarding en drie dagen voor de zitting.
De raadsheer stelt vast dat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De raadsheer merkt op dat in deze zaak geen schriftuur houdende grieven is ingediend.
De advocaat-generaal voert het woord en vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep. De advocaat-generaal legt haar vordering aan het gerechtshof over.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en spreekt het arrest uit.”
Het in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep aangetekende mondeling arrest houdt voor zover van belang het volgende in:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.
Beoordeling
Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep”
In de toelichting op het middel neemt de steller van het middel het standpunt in dat in een geval als het onderhavige ondubbelzinnig moet worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst hij – kort gezegd – op rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de Mens (hierna: EHRM) over (onder meer) de voor de nationale autoriteiten geldende inspanningsverplichting om de verdachte te informeren over de tegen hem lopende strafzaak en over het waarborgen van een effectief recht op toegang tot de rechter, op art. 8 lid 1 van Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (hierna: Richtlijn (EU) 2016/343), de overwegingen 36 en 38 van de tot die richtlijn behorende preambule en de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in de zaak Dworzecki.
In cassatie wordt het oordeel van het hof dat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend niet betwist. De klacht in cassatie richt zich uitsluitend op het aanwezigheidsrecht van de verdachte in hoger beroep en meer in het bijzonder op de vraag welke inspanningsverplichting rust op de autoriteiten om te waarborgen dat de verdachte op de hoogte is van een tegen hem lopende strafzaak.
Juridisch kader
Tot het voor de bespreking van het middel relevante recht behoren de volgende bepalingen en overwegingen:
- Art. 36e leden 1 en 2 onder a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen”
- Art. 6 lid 3, aanhef en onder a en b, van het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging.”
- Art. 8 leden 1 t/m 4 van Richtlijn (EU) 2016/343 luidt:
“Recht op aanwezigheid bij proces
1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting.
2. De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid, op voorwaarde dat:
a) de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid; of
b) de verdachte of beklaagde, die van het proces in kennis is gesteld, wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die ofwel door de verdachte of de beklaagde dan wel door de staat werd aangesteld.
3. Een overeenkomstig lid 2 genomen beslissing kan jegens de verdachte of beklaagde ten uitvoer worden gelegd.
4. Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te houden in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar het niet mogelijk is te voldoen aan de in lid 2 van dit artikel gestelde voorwaarden, omdat een verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, kunnen de lidstaten bepalen dat niettemin een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van de beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens worden geïnformeerd over de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en het recht op een nieuw proces of een andere voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 9.”
- De preambule van Richtlijn (EU) 2016/343 bevat onder meer de volgende overwegingen:
“(36) In bepaalde omstandigheden moet een beslissing over de schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde kunnen worden gegeven, zelfs wanneer de betrokkene niet bij de terechtzitting aanwezig is. Dit kan het geval zijn wanneer de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van eventuele afwezigheid, en desondanks niet verschijnt. Het in kennis stellen van een verdachte of beklaagde van de terechtzitting moet worden begrepen als het in persoon dagvaarden van de betrokkene of het anderszins aan de betrokkene verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting. Het in kennis stellen van de verdachte of de beklaagde van de gevolgen van afwezigheid moet met name worden begrepen als het informeren van de betrokkene dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op de terechtzitting verschijnt.
[…]
(38) Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de betrokkene op de hoogte is van het proces, moet in voorkomend geval ook bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan betrokkene en aan de zorgvuldigheid die betrokkene heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen.”
Van belang zijn verder de volgende overwegingen uit het overzichtsarrest HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken (met weglating van voetnoten):
“B. De verdachte heeft een bekend adres in Nederland
a. De verdachte heeft een GBA-adres
Uit hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen volgt dat - behoudens in het hiervoor onder 3.8 genoemde geval waarin de betekening van de dagvaarding aan de verdachte in persoon is voorgeschreven - zijn GBA-adres als uitgangspunt dient te worden genomen bij de betekening van de dagvaarding.
Indien de verdachte is ingeschreven in een GBA, is de betekening in elk geval geldig indien de dagvaarding is aangeboden aan zijn GBA-adres en - omdat hij aldaar niet werd aangetroffen - is uitgereikt aan iemand die zich op dat adres bevond en zich bereid verklaarde de dagvaarding onverwijld aan de verdachte te doen toekomen (art. 588 lid 3 sub a).
Daarbij moet worden aangetekend dat een dergelijke bereidverklaring alleen rechtsgeldig kan worden gedaan in geval van aanbieding aan het GBA-adres van de verdachte. […]
[…]
IV. Aanvullende regels in verband met het aanwezigheidsrecht
Indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in een GBA of wiens feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland of wiens adres in het buitenland bekend is, rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, kan de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.
Ook indien de dagvaarding van een persoon die geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, overeenkomstig de wettelijke, hiervoor nader uiteengezette regels is betekend, mag de rechter overgaan tot berechting van de zaak. Het recht van de verdachte op berechting in zijn tegenwoordigheid moet dan worden afgewogen tegen het algemeen belang, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging, waaronder de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn. Dat belang zou immers in het gedrang kunnen komen in gevallen waarin de woon- of verblijfplaats van de verdachte die verstek heeft laten gaan, onbekend is. Daar komt bij dat indien in eerste aanleg de rechter in een dergelijke situatie tot berechting bij verstek is overgegaan, voor de verdachte steeds een rechtsmiddel openstaat, nadat hij van het vonnis in eerste aanleg op de hoogte is gekomen, zodat hij in de gelegenheid is zijn zaak opnieuw te laten beoordelen. Van hem mag dan, indien hij een rechtsmiddel aanwendt, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat een dagvaarding voor die aanleg hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt.
Het vorenoverwogene lijdt slechts uitzondering wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dan behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn.
Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben:
a. in het geval dat op de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd.
b. in het hiervoren onder 3.23 behandelde geval dat de verdachte een postbus heeft.
c. in de hiervoren onder 3.20 sub d en 3.22 sub a behandelde gevallen waarin het adres van de verdachte in het buitenland bekend is, en hetzij blijkt dat bij de toezending van de dagvaarding aan de verdachte de ter zake geldende verdragsverplichtingen niet zijn nageleefd, hetzij het ernstige vermoeden bestaat dat de buitenlandse autoriteit of instantie geen uitvoering heeft gegeven aan het verzoek tot uitreiking van de dagvaarding.
In die gevallen dient het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst opdat het desbetreffende verzuim wordt hersteld, dan wel de gedetineerde verdachte alsnog in de gelegenheid wordt gesteld op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn.
Wat betreft de behandeling van de zaak in hoger beroep geldt voorts het volgende.
Vooropgesteld dient te worden dat wanneer door of namens de verdachte appèl is ingesteld - maar overigens ook indien het beroep is ingesteld door de officier van justitie - rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken.
Daarom mag van degene die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appèldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Dat geldt niet alleen indien de verdachte in hoger beroep is gegaan maar ook wanneer de eerder in de zaak gewezen uitspraak door de Hoge Raad is vernietigd met verwijzing of terugwijzing van de zaak naar de feitenrechter. Tot zodanige maatregel kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman - die uit eigen hoofde een afschrift van de appèldagvaarding ontvangt indien hij zich in hoger beroep heeft gesteld of is toegevoegd - opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.”
Het in HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken onder 3.33 geformuleerde uitgangspunt van een – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – vermoeden van vrijwillige afstand van aanwezigheidsrecht indien de dagvaarding rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, wordt ook in de huidige rechtspraak van de Hoge Raad nog gehanteerd. Volgens de steller van het middel is dit vermoeden in een geval als het onderhavige, waarin de dagvaarding – weliswaar rechtsgeldig – is betekend (uitgereikt) op het BRP-adres van de verdachte “Aan een ander […], die belooft de brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven”, niet verenigbaar met Europees recht indien niet ondubbelzinnig is vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep. Ik begrijp het middel zo dat in een dergelijk geval – bij afwezigheid van de verdachte en een gemachtigd raadsman op de zitting – de rechter geen verstek zou mogen verlenen tegen de verdachte.
Vooropgesteld moet worden dat art. 6 lid 3 aanhef en onder a EVRM en art. 8 lid 2 Richtlijn (EU) 2016/343 geen specifieke eisen stellen aan de (wijze van) betekening van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep. Wel volgt uit de uitspraak van het HvJ EU in de zaak IR dat regels van nationaal recht over de wijze waarop iemand wordt opgeroepen voor de terechtzitting niet af mogen doen aan de doelstelling van Richtlijn (EU) 2016/343, namelijk het eerlijke verloop van de procedure waarborgen en de verdachte in staat stellen om bij zijn terechtzitting aanwezig te zijn. Uit de rechtspraak van het EHRM – waaronder de door de steller van het middel aangehaalde uitspraken in de zaken Colozza tegen Italië en M.T.B. tegen Turkije – volgt dat de naleving van de wettelijke betekeningsregels bij een verstekveroordeling niet per definitie op één lijn gezet kan worden met de naleving van het in art. 6 EVRM besloten aanwezigheidsrecht van de verdachte. Het is in het licht van de in art. 6 EVRM gewaarborgde rechten ook noodzakelijk om de inspanningsverplichting die op de schouders van de autoriteiten rust te onderzoeken (zie voor de bespreking van de uitspraak in de zaak M.T.B. tegen Turkije hierna onder 3.13 en 3.14).
Voor de vraag of de wijze van kennisgeving van de dagvaarding voldoende waarborgt dat de verdachte op de hoogte is van het proces – en in verband daarmee: of het noodzakelijk is, als de verdachte niet aanwezig is en evenmin een gemachtigd raadsman, om het onderzoek op de zitting aan te houden om de verdachte opnieuw te doen oproepen – kan worden gewezen op HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:842, NJ 2024/235 m.nt. Reijntjes. In deze zaak was de dagvaarding in hoger beroep rechtstreeks per gewone post toegezonden naar het door de verdachte opgegeven woonadres in België: een rechtsgeldige betekening op grond van art. 36e lid 3 Sv in samenhang met art. 5 lid 1 van de EU-Rechtshulpovereenkomst. Het gerechtelijk stuk was evenwel als onbestelbaar retour gekomen. Volgens de Hoge Raad kon een dergelijke omstandigheid – als de verdachte niet aanwezig is en evenmin een gemachtigd raadsman – van betekenis zijn voor de beslissing of verstek wordt verleend. In dat verband overwoog de Hoge Raad:
“2.6.2 Zowel artikel 6 lid 3 EVRM als de regeling van artikel 8 Richtlijn (EU) 2016/343 beoogt het aanwezigheidsrecht van de verdachte te waarborgen. Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving van de dagvaarding voldoende waarborgt dat de verdachte op de hoogte is van het proces - en in verband daarmee, of het noodzakelijk is, als de verdachte niet aanwezig is en evenmin een gemachtigd raadsman, om het onderzoek op de zitting aan te houden om de verdachte opnieuw te doen oproepen - komt betekenis toe aan zowel de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan de verdachte, als aan de zorgvuldigheid die de verdachte heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen (vgl. HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1469, rechtsoverweging 3.5.2).
Deze door de overheid in acht te nemen zorgvuldigheid vergt in een geval als dit dat als een gerechtelijk stuk, nadat het rechtstreeks is toegezonden naar een woon- of verblijfplaats in het buitenland onbestelbaar retour is gekomen, wordt geprobeerd om de verdachte alsnog op een andere manier te bereiken voor de uitreiking van het gerechtelijk stuk, door overeenkomstig artikel 5 lid 2 EU-Rechtshulpovereenkomst de bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de betreffende lidstaat in te roepen.
In zo’n geval kan de rechter alleen dan uitgaan van het vermoeden dat de niet-verschenen verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, als de dagvaarding alsnog overeenkomstig artikel 5 lid 2 EU-Rechtshulpovereenkomst is toegezonden aan de verdachte, of als kan worden vastgesteld dat de verdachte op andere wijze op de hoogte is gesteld of daadwerkelijk weet heeft van de zitting.
Dit betekent ook dat, als door de overheid niet de zorgvuldigheid in acht is genomen zoals onder 2.6.3 is omschreven, de beslissing om verstek te verlenen niet uitsluitend kan berusten op de grond dat de verdachte niet de zorgvuldigheid heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen, bijvoorbeeld omdat - als het gaat om de behandeling in hoger beroep - de verdachte hoger beroep heeft ingesteld maar zich daarna niet of onvoldoende bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsman of raadsvrouw.”
In deze zaak kon uit de stukken niet blijken dat de onbestelbaar retour gekomen dagvaarding in hoger beroep alsnog overeenkomstig art. 5 lid 2 EU-rechtshulpovereenkomst was toegezonden aan de verdachte, zodat ervan moest worden uitgegaan dat dit niet was gebeurd. Ook had het hof niet vastgesteld dat de verdachte op andere wijze op de hoogte was gesteld of daadwerkelijk weet had van de zitting. Volgens de Hoge Raad betekende dit dat het hof het onderzoek op de terechtzitting had moeten schorsen en de oproeping voor de nadere terechtzitting overeenkomstig art. 5 lid 2 EU-rechtshulpovereenkomst had moeten doen toezenden aan de verdachte.
In het onder 3.10 genoemde arrest wijst de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.6.2 ter vergelijking op rechtsoverweging 3.5.2 uit HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1469, NJ 2023/65 m.nt. Reijntjes. Die rechtsoverweging houdt het volgende in:
“Op grond van artikel 8 lid 1 Richtlijn (EU) 2016/343 zorgen de lidstaten ervoor dat verdachten het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting. Op grond van het tweede lid van die bepaling kunnen de lidstaten voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid. Daarvoor geldt, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, de voorwaarde dat de verdachte tijdig “in kennis is gesteld van de terechtzitting”. Het in kennis stellen van een verdachte van de terechtzitting in de zin van artikel 8 lid 2, onder a, Richtlijn (EU) 2016/343 moet worden begrepen als het in persoon dagvaarden van de verdachte of het anderszins aan de verdachte verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting (preambule onder 36). Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de verdachte op de hoogte is van het proces, komt betekenis toe aan zowel de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan de verdachte, als aan de zorgvuldigheid die de verdachte heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen (preambule onder 38).”
Hieruit volgt dat de overwegingen 36 en 38 van de preambule bij Richtlijn (EU) 2016/343 (zie onder 3.6) ten grondslag liggen aan de door de Hoge Raad in het arrest van 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:842, NJ 2024/235 m.nt. Reijntjes onder 2.6.2 geformuleerde maatstaf voor de beoordeling van de vraag of de wijze van kennisgeving van de dagvaarding voldoende waarborgt dat de verdachte op de hoogte is van het proces – en in verband daarmee: of het noodzakelijk is, als de verdachte niet aanwezig is en evenmin een gemachtigd raadsman, om het onderzoek op de zitting aan te houden om de verdachte opnieuw te doen oproepen. Verder lijken de bewoordingen in rechtsoverweging 2.6.3 t/m 2.6.5 van dat arrest door de Hoge Raad te zijn ontleend aan de door de steller van het middel aangehaalde uitspraak van het EHRM in de zaak M.T.B. tegen Turkije. In die zaak overwoog het EHRM onder meer:
“53. Having regard to the foregoing, and bearing in mind the prominent place which the right to a fair trial holds in a democratic society within the meaning of the Convention (see Hokkeling v. the Netherlands, no. 30749/12, § 62, 14 February 2017), the Court is unable to subscribe to the Government’s argument that the trial court showed the requisite due diligence in its efforts to locate the applicant (see, mutatis mutandis, Davran v. Turkey, no. 18342/03, § 45, 3 November 2009, and Büyükdağ v. Turkey, no. 28340/95, § 67 in fine, 21 December 2000). In such a case, the submission that the national courts served the decision in accordance with the domestic legal provisions, a fact that is disputed between the parties in the present case, is not sufficient of itself to relieve the State of its obligations under Article 6 of the Convention.
[…]
62. In the instant case, the Court has already found that the trial court failed to show the requisite due diligence in its efforts to locate the applicant. Nevertheless, both the trial court and the Court of Cassation confined their examination to just that point and dismissed the applicant’s application, stating that the decision had been lawfully served on him, that is to say in accordance with the Notifications Act (…). They did not examine whether the applicant had in fact been notified or had unequivocally waived his right to appear and defend himself. Thus, the applicant’s applications for a fresh factual and legal determination of his case were rejected, in the absence of any indication that he had waived his right to be present during the trial, a situation previously described by the Court in Sejdovic (…) as a “flagrant denial of justice”.”
Uit deze uitspraak van het EHRM volgt dat de (door de autoriteiten ingeroepen) omstandigheid dat een beslissing naar nationaal recht rechtmatig is betekend (wat in deze zaak overigens werd betwist) op zichzelf niet betekent dat de autoriteiten hebben voldaan aan hun verplichtingen op grond van art. 6 EVRM in een geval waarin vaststaat dat zij niet de vereiste zorgvuldigheid in acht hebben genomen bij pogingen om de verdachte op te sporen (in deze zaak werd de verdachte als natuurlijk persoon berecht maar waren de inspanningen van de overheid beperkt gebleven tot het adres van de onderneming waarvan de verdachte voorzitter van de raad van bestuur was en was nooit geprobeerd om aan de verblijfplaats van de verdachte te betekenen, terwijl uit andere stukken bleek dat een woonadres van de verdachte bekend was en betekening c.q. opsporing van de verdachte op het woonadres ook mogelijk bleek te zijn). In zo’n geval moet door de rechter worden onderzocht of de verdachte daadwerkelijk in kennis is gesteld dan wel ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen.
Gelet op het voorgaande kan in een geval waarin de dagvaarding rechtsgeldig is betekend, maar waarin bijvoorbeeld het onbestelbaar retour komen van het stuk een duidelijke aanwijzing oplevert dat de verdachte niet daadwerkelijk in kennis is gesteld van de zitting, het door de Hoge Raad in zijn arrest van 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken onder 3.33 geformuleerde vermoeden van vrijwillige afstand van aanwezigheidsrecht alleen opgaan als kan worden vastgesteld dat (bij uitreiking in het buitenland: de geldende verdragsverplichtingen alsnog zijn nageleefd dan wel) de verdachte op andere wijze op de hoogte is gesteld of daadwerkelijk weet heeft van de zitting. Dit uitgangspunt stemt overeen met de rechtspraak van het EHRM en (de preambule bij) Richtlijn (EU) 2006/343. Daartoe is van belang dat uit de uitspraak M.T.B. tegen Turkije niet volgt dat de verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep – het gaat om het daadwerkelijk in kennis stellen (“had in fact been notified”) – en verder dat overweging 36 van de preambule van Richtlijn (EU) 2006/343 inhoudt dat het in kennis stellen van een verdachte of beklaagde van de terechtzitting moet worden begrepen als het “in persoon dagvaarden” van (dus niet: betekenen aan) de betrokkene of het anderszins aan de betrokkene verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting (dus slechts het bieden van de mogelijkheid tot het krijgen van kennis is vereist en niet het daadwerkelijk bewerkstelligen van wetenschap bij de verdachte).
Het voorgaande is ook niet in strijd met de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Dworzecki. In die zaak was volgens de steller van middel sprake van een “een dagvaarding (..) in het hoofdgeding, die niet rechtstreeks aan de betrokkene is betekend, maar die, op diens adres, is uitgereikt aan een volwassen huisgenoot die heeft toegezegd hem deze dagvaarding te overhandigen (..)”. Deze omstandigheid doet niet af aan het oordeel van de Hoge Raad in het arrest van 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:976, NJ 2017/251 dat Kaderbesluit 2002/584/JBZ geen betrekking heeft op de berechting van strafzaken (maar op het Europees aanhoudingsbevel en overlevering tussen lidstaten) en de daaraan gekoppelde gevolgtrekkingen dat de uitleg die het HvJ EU in deze zaak geeft aan de begrippen “persoonlijk […] gedagvaard” en “anderszins daadwerkelijk officieel in kennis […] gesteld” enkel betrekking heeft op de toepassing van de weigeringsgrond in art. 4bis lid 1 onder a sub i Kaderbesluit 2002/584/JBZ en niet op de wijze van betekening in strafzaken.
Evenmin kan iets anders worden afgeleid uit de door de steller van het middel aangehaalde uitspraken van het EHRM in de zaken Davran tegen Turkije, Reichman tegen Frankrijk en Viard tegen Frankrijk. In deze zaken wordt in meer algemene zin overwogen dat in het licht van art. 6 lid 1 EVRM de nationale autoriteiten onder meer in strafzaken het recht op toegang tot de rechter dienen te waarborgen, dat dit recht niet absoluut is en zich voor beperkingen leent mits deze proportioneel zijn en het recht daardoor niet in zijn essentie wordt aangetast, en dat – zoals in Davran tegen Turkije waarin het ging om de betekening van gerechtelijke stukken – de nationale autoriteiten “de se doter des moyens propres à assurer un réseau d'information entre les entités judiciaires de l'ensemble du pays.” (par. 45) Vrij vertaald houdt deze inspanningsverplichting in dat de Staat zich dient te voorzien van de middelen die nodig zijn om in het gehele land een informatienetwerk tussen de gerechtelijke instanties te waarborgen.
Het voorgaande brengt mijns inziens mee dat (ook) bij een rechtsgeldige betekening aan degene die zich op het BRP-adres van de verdachte bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen – behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel – kan worden gezegd dat de overheidsinstantie de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen bij de kennisgeving aan de verdachte en dat als de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen kan worden uitgegaan van het vermoeden van vrijwillige afstand van aanwezigheidsrecht. Dat in zodanig geval niet daadwerkelijk vaststaat dat de verdachte weet heeft van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep maakt dat niet anders, nu uit het voorgaande blijkt dat het Europees recht een dergelijke eis niet stelt en de uitreiking aan een ander op het BRP-adres van de verdachte bovendien voor eigen risico van de verdachte komt. Van de verdachte mag in zo’n geval immers worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt, meer in het bijzonder ook dat hij zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman – die uit eigen hoofde een afschrift van de appèldagvaarding ontvangt indien hij zich in hoger beroep heeft gesteld of is toegevoegd – zodat de verdachte in voorkomende gevallen (eveneens) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.
Terug naar de onderhavige zaak
Volgens de steller van het middel heeft het hof in de onderhavige zaak niet ondubbelzinnig vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet had van de zitting van 13 februari 2024 en maken de omstandigheden in deze zaak dat het hof niet heeft kunnen oordelen dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht noch dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht om de zaak voor te bereiden en zich te verdedigen en alle overige in art. 6 EVRM genoemde fundamentele rechten. In de eerste plaats wijst de steller van het middel erop dat de verdachte de in ons maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregel heeft genomen zich in te schrijven in de BRP en daarmee de verantwoordelijkheid om op de hoogte te blijven van de voortgang van de zaak. Anders dan in de zaak Dworzecki zou in het onderhavige geval niet zijn gebleken dat de uitreiking is geschied aan een huisgenoot van de verdachte, laat staan aan een volwassen huisgenoot. Daarbij merkt de steller van het middel op dat op een locatie als het onderhavige ‘ [A] ’ een zeer grote groep personen potentieel als ‘degene die zich op dat adres bevindt’ in de zin van art. 36e lid 2 onder a Sv kwalificeert. Verder wordt (in het licht van de zaak Dworzecki) nog opgemerkt dat hier sprake is van een vervolging wegens een ernstig strafbaar feit waarvoor de verdachte in eerste aanleg een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd. De wijze van kennisgeving in de onderhavige zaak zou onvoldoende waarborgen dat de verdachte daadwerkelijk op de hoogte was van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep.
De ‘Akte instellen hoger beroep’ in de onderhavige zaak houdt in dat een door mr. [betrokkene 1] gemachtigde griffiemedewerker op 20 november 2023 namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 16 november 2023. De akte vermeldt als adres van de verdachte ‘ [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] ’. Uit de aan de akte gehechte volmacht van mr. [betrokkene 1] blijkt dat de verdachte domicilie heeft gekozen op het kantoor van zijn raadsman gevestigd aan [b-straat 1] , [postcode 2] te [plaats] . Blijkens de tot de gedingstukken behorende “Akte van uitreiking Niet in persoon” is de (mede in de Engelse taal vertaalde) dagvaarding in hoger beroep op 23 januari 2024 uitgereikt op het adres [a-straat 1] [postcode 1] [plaats] “Aan een ander […], die belooft de brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven”. Die ander (ene “ [betrokkene 2] ”) heeft in de akte van uitreiking voor ontvangst getekend. De bijgevoegde ID-staat SKDB houdt in dat de verdachte vanaf 10 oktober 2023 op het adres “ [a-straat 1] [postcode 1] [plaats] ” in de BRP stond ingeschreven en dat zijn op 14 november 2023 laatst opgegeven woon-of verblijfplaats hetzelfde adres betreft. Dit is het adres van het 3-sterrenhotel ‘ [A] ’. Volgens de steller van het middel wordt dit ‘ [A] ’ deels gebruikt als opvanglocatie voor vluchtelingen uit Oekraïne en is de verdachte een van die vluchtelingen.
Uit het onder 3.2 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt voor zover hier van belang dat de verdachte en zijn (opvolgend) raadsman mr. W.H. Jebbink niet ter terechtzitting zijn verschenen. Ook heeft de advocaat-generaal bij het hof op die zitting medegedeeld “dat de verdachte zich niet in detentie bevond op de dagen ten tijde van de dagvaarding en drie dagen voor de zitting”. Vervolgens heeft de raadsheer vastgesteld dat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend en verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte. Het hof heeft daarna toepassing gegeven aan art. 416 lid 2 Sv en de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaard.
Het in deze overwegingen besloten liggende oordeel van het hof dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht is niet onbegrijpelijk gezien hetgeen hiervoor onder 3.6 t/m 3.18 uiteen is gezet. De onderhavige wijze van dagvaarden maakt het voor de verdachte mogelijk om kennis te krijgen van de terechtzitting, in de hiervoor onder 3.12 bedoelde zin. Dat het om een bijzondere locatie gaat doet daar niet aan af. Het hof heeft zonder schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen. Daarbij merk ik op dat het hoger beroep op verzoek van de verdachte is ingesteld, de verdachte in overeenstemming met de wettelijke voorschriften is gedagvaard, dat hij zich kennelijk niet bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsman – hoewel dat in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verlangd – en de raadsman, ondanks de mogelijkheid daartoe in hoger beroep, ook geen verzoek tot aanhouding van de zaak heeft gedaan met het oog op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door de verdachte, of het verkrijgen van een machtiging als bedoeld in art. 279 lid 1 Sv.
4. Afronding
Het middel faalt.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG