ECLI:NL:PHR:2026:481

ECLI:NL:PHR:2026:481

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer 22/04640
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen handel - waaronder verlengde uitvoer - van verdovende middelen, het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen, deelname aan criminele organisatie a.b.i. 11b Opiumwet en medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. verdovende middelen. Middelen 1 en 2 komen tevergeefs met bewijsklachten op tegen bewezenverklaring. Middel 3 bevat terechte klachten over de strafmotivering, maar die behoeven niet tot cassatie te leiden. Middel 4 klaagt over schending van redelijke inzendtermijn en slaagt. AG merkt ambtshalve op dat redelijke termijn van berechting in cassatie ook is overschreden. Voorts ambtshalve opmerking over verjaring van onder 6 bewezenverklaarde medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hasjiesj. De conclusie strekt ertoe dat uitspraak hof t.a.v. beslissing over het onder 6 bewezenverklaaarde en duur opgelegde gevangenisstraf wordt vernietigd, OM niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging terzake van feit 6, de duur van opgelegde gevangenisstraf wordt verminderd en het beroep voor het overige wordt verworpen. Samenhang met 22/04601, 22/04578, 22/04598 en 22/04549.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/04640

Zitting 12 mei 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 december 2022 het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017 bevestigd met uitzondering van de bewezenverklaring van feit 3, de kwalificaties van het onder 1A, 1B en 3 bewezenverklaarde, de door de rechtbank genomen beslagbeslissing met betrekking tot de beslagnummers 1 en 10 en de opgelegde straf. Het hof heeft de verdachte wegens 1A. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 1B. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2A. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet”, 4. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd”, 5. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 6. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest. Het hof heeft tevens beslist over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

Er bestaat samenhang met de zaken 22/04549 ( [medeverdachte 1] ), 22/04578 ( [medeverdachte 2] ), 22/04598 ( [medeverdachte 3] ) en 22/04601 ( [medeverdachte 4] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

Namens de verdachte heeft T. Straten, advocaat in Maastricht , vier middelen van cassatie voorgesteld.

2. De eerste twee middelen

Aangezien de eerste twee middelen klagen over verschillende, maar nauw samenhangende onderdelen van de bewezenverklaring zie ik aanleiding om beide middelen gezamenlijk te bespreken.

Het eerste middel keert zich tegen de gehele bewezenverklaring en klaagt dat het bewezenverklaarde niet zonder meer uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Het klaagt in de kern dat uit de door het hof genoemde feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over alle verdovende middelen en versnijdingsmiddelen die zijn aangetroffen in de panden aan de [a-straat 1] te [plaats] en de [b-straat 1] te [plaats] en dat de verdachte een belangrijke rol speelde als beheerder van stashlocaties, zodat de gehele bewezenverklaring – die telkens op de rol van de verdachte als ‘stashbeheerder’ is gebaseerd – niet begrijpelijk is.

Het tweede middel keert zich tegen het onder 1A, 1B en 2A bewezenverklaarde en bevat de klacht dat het medeplegen van de uitvoer van verdovende middelen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. In beide middelen wordt verder nog geklaagd dat het hof niet met voldoende mate van precisie heeft verwezen naar de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (ik begrijp hier en hierna: [getuige 2]) en voor zover het hof die redengevend heeft geacht, dit in strijd is met art. 6 EVRM.

Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat hij:

“1.

A.

meermalen in de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en/of cocaïne met bestemming Frankrijk en/of België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en/of cocaïne werd(en) verkocht aan Belgische en Franse klanten

en

B.

meermalen in de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2.

A.

meermalen in de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die hennep en/of hasjiesj met bestemming Frankrijk en/of België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en/of hasjiesj werd(en) verkocht of verstrekt aan Belgische en Franse klanten;

3.

in de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf): [betrokkene 1] en [verdachte] en [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid, en/of artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk

- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en/of cocaïne en/of hennep en/of hasjiesj en

- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en/of cocaïne en

- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en/of cocaïne en/of hennep en/of hasjiesj;

4.

op 19 november 2013 in de [plaats] en de [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen:

- in een pand aan de [b-straat 1] ongeveer 62.850 gram van een mengsel van coffeïne en paracetamol en

- in een pand aan de [a-straat 1] 860 gram inositol,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders telkens wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;

5.

op 19 november 2013 in de [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- in een pand aan de [b-straat 1] te [plaats] ongeveer 3.900 gram heroïne,

- in een pand aan de [b-straat 1] te [plaats] ongeveer 200 gram cocaïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1;

6.

op 19 november 2013 in de [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [b-straat 1] te [plaats] 123 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

Het hof heeft in de aanvulling op het arrest – voor zover hier van belang – als volgt overwogen (met weglating van voetnoten):

“Betrokkenheid van [verdachte]

Het hof bespreekt hierna de bewijsmiddelen ter onderbouwing van de stelling dat [verdachte] is betrokken bij de internationale handel in verdovende middelen als lid van een criminele organisatie.

Verdovende middelen en versnijdingsmiddel op de [b-straat]

Op de eerste plaats stelt het hof vast dat [verdachte] tijdens de doorzoeking van zijn ouderlijk huis op de [a-straat 1] in [plaats] op 19 november 2013 is aangehouden op zijn slaapkamer op zolder. In de kledingkast op die slaapkamer is toen in een dichtgeritste kledinghoes een pakket aangetroffen waarin ongeveer een kilogram cocaïne bleek te zitten. Op de overloop bij deze slaapkamer lag in een ruimte onder het schuine dak een tas met daarin hersluitbare zakken met het opschrift “INOSITOL 250 gr € 50”. Het bleek te gaan om 860 gram inositol, een stof waarvan bekend is dat het gebruikt wordt bij het versnijden van cocaïne. Ter gelegenheid van de zitting bij het hof heeft [verdachte] verklaart dat hij de cocaïne heeft neergelegd in de slaapkamer voor een vriend. Omdat [verdachte] geen concrete en verifieerbare informatie heeft gegeven over zijn vriend, verwerpt het hof met de rechtbank [verdachte] verklaring als onaannemelijk. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de drugs aan [verdachte] zelf, althans aan de organisatie, toebehoren. Nu naast zijn kamer op de overloop van de zolderverdieping inositol verborgen lag dat gebruikt kan worden om cocaïne te versnijden, gaat het hof ervan uit dat [verdachte] ook de beschikkingsmacht had over de inositol. Voor het hof is hiermee gegeven dat [verdachte] de kilo cocaïne op 19 november 2013 opzettelijk aanwezig heeft gehad in [plaats] en daar toen de inositol voorhanden heeft gehad.

Is [verdachte] iemand die alleen opereert of is hij onderdeel van een groter geheel? Het hof is van oordeel dat dit laatste het geval is en overweegt daartoe het volgende.

Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] aan de [a-straat 1] in [plaats] is behalve de cocaïne en de inositol ook een sleutelbos in beslag genomen in de hal van deze woning. Uit onderzoek is gebleken dat aan die bos een sleutel van de woning van [medeverdachte 1] aan de [b-straat 1] in [plaats] zit. In die woning in [plaats] zijn, zoals hierboven al is beschreven, handelshoeveelheden heroïne en de versnijdingsmiddelen coffeïne en paracetamol voor heroïne in beslag genomen en verder cocaïne en hasjiesj. Een deel van die versnijdingsmiddelen is aangetroffen in een tas in de woonkamer en op de handvatten van deze tas zijn vingerafdrukken van [verdachte] en [medeverdachte 1] geïdentificeerd. Verder is er op een tafel in de schuur van de woning van [verdachte] in [plaats] een telefoon in beslag genomen, het telefoonnummer ( [telefoonnummer 1] ) van de simkaart aangetroffen in die telefoon is van 14 mei 2013 tot en met 4 juli 2013 in dit onderzoek afgeluisterd. De gebruiker van dit nummer was voornamelijk [medeverdachte 1] .

Dan is er nog de Renault Twingo, met [kenteken] , van [verdachte] . In de achterbak van deze auto is een zuigmonster genomen en het Nederlands Forensisch Instituut heeft vastgesteld dat dit zuigmonster heroïne, coffeïne en paracetamol bevat. En tot slot moet nog genoemd worden de telefoonlijst die is aangetroffen in de behuizing van de computer op de tafel in de slaapkamer van [verdachte] . Zijn vingerafdrukken zijn op het papier van die lijst aangetroffen. De lijst zelf bevat, zoals eerder in dit vonnis al is beschreven, een lijst met Belgische en Franse telefoonnummers. Dat zijn voor zover vastgesteld is kunnen worden, telefoonnummers van kopers van verdovende middelen die bellen of sms’en naar de gouden lijn en vice versa.

Voor het hof staat vast op basis van de combinatie van deze elementen - de cocaïne, de inositol, de tas met coffeïne en paracetamol, de Renault Twingo met de heroïne, cocaïne en paracetamol, de telefoon, de sleutel van de [b-straat 1] en de telefoonlijst met telefoonnummers van Belgische en Franse kopers - en de adressen [a-straat 1] in [plaats] en [b-straat 1] in [plaats] dat [verdachte] en [medeverdachte 1] deel uitmaken van hetzelfde netwerk dat verdovende middelen aan Fransen en Belgen levert. Zowel de woning in [plaats] als die in [plaats] dienden als “stash”, als plaats om de te verkopen verdovende middelen op te slaan totdat ze verkocht kunnen worden aan de klanten die, zoals al is beschreven, die middelen in Zuid Limburg tegen de grens met België geleverd krijgen. Daarbij neemt het hof eveneens in aanmerking dat op de [a-straat 1] in [plaats] , tevens het telefoonnummer met het nummer eindigend op [telefoonnummer 2] , de zgn. Gouden Lijn is aangetroffen.

Hun samenwerking krijgt reliëf door een gesprek dat gevoerd wordt tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] , de oudere broer van [verdachte] . Deze twee hebben op 15 mei 2013 om 21:59 uur een gesprek met elkaar en dan zegt [betrokkene 1] tegen [medeverdachte 1] : "... moet je [verdachte] bellen mijn broertje, vraag hem maar ... Heeft ie aan [betrokkene 3] gegeven volgens mij is die daar nog.” Even later, om 22:18 uur, belt [medeverdachte 1] naar de gebruiker van de [telefoonnummer 3] en vraagt wat er met die andere is. De gebruiker van de [telefoonnummer 3] weet kennelijk wie hij aan de lijn heeft, want hij geeft meteen antwoord. [medeverdachte 1] vraagt hem dan of hij het ding wel aan die [betrokkene 3] heeft gegeven. De gebelde zegt: “Al lang, al lang. ... Die heb ik al lang gegeven gelijk toen ik daar kwam ... Het is al geregeld.” Met de politie deelt het hof de conclusie dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] en dat hij in opdracht van zijn broer [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] dingen aflevert. De gesprekken maken ook duidelijk dat het niet nodig is dingen expliciet te benoemen: iedereen weet over welke “dingen” het gaat. Het is overigens in hoger beroep ook niet door de verdachte betwist dat verdachte de gebruiker was van dit telefoonnummer.

Het hof heeft gezien dat de [getuige 1] heeft verklaard dat hij de persoon op foto 24 (het hof: [verdachte] ) herkent als leverancier van drugs op de plek in de buurt van [plaats] . Een andere getuige, [getuige 2] , heeft nogal nietszeggend verklaard dat de persoon op de foto 24 hem iets zegt.

Conclusies met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte

[verdachte] speelt binnen de groep Seville 2 naar het oordeel van het hof een bescheiden maar belangrijke rol: hij beheert immers een stashlocatie en heeft de beschikking over de sleutel van de andere stashlocatie, levert “dingen”, zijn auto is gebruikt om verdovende middelen mee te vervoeren gezien het zuigmonster en hij bezit een lijst met de namen en telefoonnummers van kopers van verdovende middelen, een waardevol bezit voor een verkooporganisatie van verdovende middelen. Wie een sleutel van een stashplaats heeft waar een tas met versnijdingsmiddelen met zijn vingerafdrukken staat, wie zelf verdovende middelen en bijbehorende versnijdingsmiddelen onder zich heeft in handelshoeveelheden en in wiens auto verdovende middelen worden vervoerd, heeft wetenschap van en beschikkingsmacht over de verdovende middelen en versnijdingsmiddelen in beide stashlocaties, en wel samen met de beheerder van die andere stashlocatie. Met de telefoonlijst waarop buitenlandse telefoonnummers staan is bewezen dat hij wist of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het hier ging om export van verdovende middelen naar het buitenland.

Over de duur van de betrokkenheid van [verdachte] bevat het dossier geen andere informatie dan die welke al is vermeld. Dat betekent dat hij niet eerder dan omstreeks 15 mei 2013 in verband is te brengen met de activiteiten van de groep Seville 2. [verdachte] is op 15 mei 2013 actief en weet dan, gelet op de inhoud van het hierboven weergegeven gesprek, goed waar het over gaat. Dat betekent dat het hof tot een bewezenverklaring zal komen van ‘omstreeks de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013’.

Strafrechtelijke kwalificatie per feit.

Feiten 1A, 1B, 2A, 2B: handel en uitvoer in harddrugs en softdrugs

Onder de feiten 1 en 2 wordt de verdachte, kort samengevat, verweten dat hij samen met anderen opzettelijk in harddrugs en softdrugs heeft gehandeld en zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het uitvoeren van deze drugs.

Uit de tussenconclusie van de bewijsmiddelen volgt reeds dat het hof bewezen acht dat de groep Seville 2 zich schuldig maakte aan de handel in harddrugs en de uitvoer van harddrugs en softdrugs.

Uit de vorenomschreven feitelijke rol die het hof aan de verdachte toedicht, blijkt dat de verdachte deel uitmaakte van de groep Seville 2. Samengevat komt zijn rol er op neer dat hij voorraden aanwezig had. Hij had ook een telefoonlijst met namen en telefoonnummers van kopers onder zich. Op die manier vervult hij een essentiële rol binnen een groep die handelt in verdovende middelen, want zonder voorraad en administratie van kopers valt er niet veel te verkopen. Zijn auto is bovendien gebruikt om verdovende middelen mee te vervoeren.

Medeplegen

Onder de feiten 1 en 2 wordt verdachte verweten dat hij dit samen met anderen heeft gedaan. Medeplegen heet dit in juridische termen. Die andere personen staan genoemd in de tenlastelegging en zijn tevens aangemerkt als medeverdachten. Zij zouden binnen de groep verschillende rollen hebben vervuld in het kader van de drugshandel.

[…]

Rollen van de medeverdachten binnen de groep Seville 2

[betrokkene 1] zorgde voor het contact met de buitenlandse kopers. Hij nam de bestellingen aan, gaf opdrachten om de klanten te bedienen en drugs te verpakken. [betrokkene 1] bracht ook wel zelf de drugs naar de koper. Hij was ook aanspreekbaar voor klachten en bezorgperikelen. Hij werd door koper [betrokkene 4] herkend. [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij zijn Nederlandse leverancier van heroïne al tien jaar kent en dat hij diens nummer [telefoonnummer 2] al anderhalf jaar kent. Hij geeft bij foto 6 (hof: [betrokkene 1] ) aan dat dat mogelijk [betrokkene 6] is, maar dat hij er niet helemaal zeker van is, omdat [betrokkene 6] toen hij hem zag, een ander kapsel had. Het hof merkt op dat hij het desondanks goed heeft gezien: [betrokkene 1] is inderdaad de man die zich aan de [telefoonnummer 2] [betrokkene 6] noemt.

In de slaapkamer van [verdachte] werd een kilogram cocaïne bewaard. Ook lag hier bijna een kilogram inositol, dat als versnijdingsmiddel voor cocaïne kan worden gebruikt. In zijn woning lag ook een sleutel die toegang gaf tot de woning van [medeverdachte 1] in [plaats] . In die [plaats] woning werd ook een tas aangetroffen, waarin versnijdingsmiddelen werden bewaard. De op die tas aangetroffen vingerafdrukken kunnen worden herleid naar [verdachte] . [verdachte] kan dus net als [medeverdachte 1] worden aangemerkt als stashbeheerder. De auto van [verdachte] is gebruikt om verdovende middelen in te vervoeren.

[betrokkene 2] vervulde de koeriersrol. Verschillende kopers die verdovende middelen kochten via de [telefoonnummer 2] hebben hem herkend als een van de bestuurders van het voertuig van de dealers. Hij haalde de kopers op de ontmoetingsplaats op en bracht hen dan naar de plaats van de transactie. Daarna bracht hij de kopers weer terug naar hun auto. Voor [betrokkene 7] was [betrokkene 2] samen met [betrokkene 1] het gezicht van de drugsdealers.

Conclusie

Ten aanzien van de verdachten [betrokkene 1] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] is het hof van oordeel dat er sprake was van een samenwerkingsverband gericht op de drugshandel in harddrugs en softdrugs dat voldoet aan de vereisten voor medeplegen. Dit oordeel is gebaseerd op vorenomschreven rollen en de daaruit vloeiende bijdrage aan de tenlastegelegde drugshandel. Dezelfde conclusie wordt getrokken voor de uitvoer van harddrugs.

Feit 3: deelname aan criminele organisatie

Niet alleen het handelen in drugs in samenwerkingsverband wordt aan de verdachte verweten, maar de officier van justitie meent dat dit samenwerkingsverband dusdanig duurzaam en gestructureerd was dat het zich ook laat kwalificeren als een criminele organisatie. Aan de verdachte wordt aldus onder feit 3 ook verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, zoals bedoeld in artikel 1 la van de Opiumwet, het huidige artikel 11b van de Opiumwet.

[…]

Feitelijke invulling

Het hof ziet voor het bestaan van een criminele organisatie in de zin van artikel 11a (oud) van de Opiumwet voldoende bewijs, gelet op de bewijsmiddelen die zijn gebruikt voor de overige bewezenverklaarde feiten, alsmede op wat hierna wordt overwogen.

De eerder genoemde samenwerking had een duurzaam karakter en was gestructureerd van aard. De leden van de organisatie hadden ieder hun eigen taken, gericht op de handel en uitvoer van met name harddrugs, die zij in samenwerkingsverband gedurende bijna negen maanden lang uitvoerden.

Zoals in 2.1. is weergegeven had de organisatie een speciaal telefoonsysteem ingesteld. De kopers van verdovende middelen konden hun bestelling plaatsen via de gouden lijn. De verbinding werd automatisch van de gouden lijn doorgeschakeld naar het [telefoonnummer 4] . Aan de beheerder van dat nummer kon vervolgens de bestelling worden doorgegeven. De gouden lijn werd ondanks het automatisch doorschakelen continu beheerd, omdat de sms-berichten met bestellingen en afspraken die binnenkwamen op de gouden lijn alleen maar handmatig konden worden doorgezet naar het doorschakelnummer [telefoonnummer 4] . Het telefoontoestel met het gouden lijn, het nummer eindigend op [telefoonnummer 2] is aangetroffen op de [a-straat ] te [plaats] , het adres van verdachte.

Uit het bovenstaande volgt dat meerdere getuigen aangegeven dat de organisatie al geruime tijd in bedrijf was. Zo verklaarde onder meer [betrokkene 5] op 19 november 2013 dat hij al een jaar, anderhalf jaar belt naar de gouden lijn. Ook [betrokkene 7] verklaarde sinds november 2011 bij de organisatie zijn verdovende middelen te kopen. [betrokkene 4] maakt op 28 augustus 2012 zijn eerste rit naar Nederland om verdovende middelen te kopen bij de organisatie.

Voorts hadden alle leden van de organisatie hun eigen taak en waren er verscheidene locaties behorende bij de organisatie met diverse doeleinden. De verschillende rollen zijn reeds hierboven omschreven.

Er was hiermee sprake van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en van een gestructureerde rolverdeling. De organisatie had tot oogmerk de uitvoer, handel en bezit van harddrugs, alsmede de handel in softdrugs en de verschillende daarmee samenhangende en voor de drugshandel wezenlijke werkzaamheden. [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] , [betrokkene 2] en verdachte kunnen daarom worden gezien als deelnemers aan een criminele organisatie die het plegen van drugsdelicten, mede omvattend het buiten het grondgebied van Nederland brengen van harddrugs, tot oogmerk had.

Conclusie

Het hof acht bewezen dat er in de tenlastegelegde periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013 sprake was van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid en artikel 11 derde en vierde lid van de Opiumwet.

Gelet op de hiervoor omschreven rol van de verdachte binnen de organisatie, zal hij worden veroordeeld voor deelname hieraan voor een kortere periode, te weten vanaf omstreeks 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013.

Feit 4: voorbereidingshandelingen drugshandel

Onder feit 4 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 19 november 2013 verschillende stoffen aanwezig heeft gehad die als versnijdingsmiddel voor heroïne en cocaïne worden gebruikt. Dit wordt aangemerkt als een voorbereidingshandeling voor de drugshandel en de uitvoer van drugs zoals strafbaar gesteld in de Opiumwet.

Het hof dient aldus te bewijzen dat er stoffen of goederen voorhanden waren, dat dit voorhanden hebben een voorbereidingshandeling in het kader van de Opiumwet is en dat de verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het voorhanden hebben van de aangetroffen stoffen of goederen. Om die strafrechtelijke verantwoordelijkheid te bewijzen moet er met betrekking tot de aangetroffen stoffen of goederen sprake zijn van:

a) wetenschap bij de verdachte en

b) beschikkingsmacht door de verdachte.

Het hof acht, onder verwijzing naar de hierboven opgenomen bewijsmiddelen, bewezen dat:

- in het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] ongeveer 62.850 gram van een mengsel van coffeïne en paracetamol aanwezig was;

- in het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] 860 gram van een mengsel bevattende inositol aanwezig was.

Uit de reeds aangehaalde NFI-rapporten volgt dat deze stoffen als versnijdingsmiddelen worden gebruikt voor heroïne en cocaïne. Een versnijdingsmiddel is een stof waarmee de harddrugs worden vermengd. Het versnijden van harddrugs is een fenomeen dat met name bekend is bij heroïne, cocaïne, amfetamine en in mindere mate XTC. Door vermenging van pure harddrugs met een of meer versnijdingsmiddelen kan de drugshandelaar zijn opbrengst vergroten.

In samenhang bezien met de bewezenverklaarde handel in verdovende middelen en het eveneens aantreffen van heroïne en cocaïne aan de [b-straat] en cocaïne op de [a-straat ] , kan het voorhanden hebben van de coffeïne, paracetamol en inositol worden aangemerkt als voorbereidingshandeling in het kader van de Opiumwet.

De inositol op de overloop naast de kamer van de verdachte op de zolderverdieping, in de ouderlijke woning van de familie [verdachte] . Het hof heeft al vastgesteld dat zij van oordeel is dat de verdachte wetenschap van en beschikkingsmacht had over de aangetroffen inositol. De coffeïne en de paracetamol zijn echter niet direct onder de verdachte aangetroffen, maar in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] die werd bewoond door [medeverdachte 1] . Toch concludeert het hof dat de verdachte ook op de hoogte was van deze stoffen en hierover kon beschikken. Dit vloeit voort uit het zojuist omschreven samenwerkingsverband gericht op de drugshandel en de uitvoer van drugs, zoals onder de feiten 1 en 2 bewezen is verklaard. Om in verdovende middelen te kunnen handelen is naar het oordeel van het hof vereist dat die verdovende middelen en ook de versnijdingsmiddelen op voorraad zijn. Hieruit volgt dat de deelnemers aan het samenwerkingsverband ook nauw en bewust hebben samen gewerkt ten aanzien van het tenlastegelegde aanwezig hebben van handelsvoorraden, aangezien de handel anders niet kan functioneren. Dat deze verdovende middelen verdeeld over verschillende stashlocaties lagen, doet hier niets aan af. De relatie tussen deze twee panden volgt ook uit het feit dat in het pand aan de [a-straat 1] in [plaats] een sleutel is gevonden van het pand aan de [b-straat 1] in [plaats] , waaruit de beschikkingsmacht geconcludeerd kan worden. Verder stond in de woonkamer van de woning aan de [b-straat 1] een tas met daarin versnijdingsmiddelen en op de handvatten van deze tas zijn dactyloscopische sporen van [verdachte] en [medeverdachte 1] geïdentificeerd.

Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte, gelet op zijn rol binnen Seville 2 als stashbeheerder, wetenschap van en beschikkingsmacht had over de voorraden. Onder die voorraden vallen ook de aangetroffen versnijdingsmiddelen op de verschillende stashlocaties. Daarmee is bewezen dat de verdachte samen met [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] versnijdingsmiddelen voorhanden heeft gehad, met als doel de verkoop van de verdovende middelen voor te bereiden.

Feiten 5 en 6: opzettelijk voorhanden hebben harddrugs en softdrugs

In principe gelden ten aanzien van de feiten 5 en 6 dezelfde overwegingskaders als hiervoor aangehaald: het hof moet bewijzen dat er bij de Opiumwet verboden stoffen aanwezig waren en dat er met betrekking tot die aangetroffen stoffen sprake was van:

a) wetenschap bij de verdachte en

b) beschikkingsmacht door de verdachte.

Het hof acht, onder verwijzing naar de in hoofdstuk 2.2 opgenomen bewijsmiddelen, bewezen dat aanwezig was:

- in een pand aan de [a-straat 1] te [plaats] , ongeveer 1.000 gram cocaïne;

- in een pand aan de [b-straat 1] te [plaats] , ongeveer 3.900 gram heroïne;

- in een pand aan de [b-straat 1] te [plaats] , ongeveer 200 gram cocaïne; en

- in een pand aan de [b-straat 1] te [plaats] , ongeveer 123 gram hasjiesj.

De goederen waren dus voorhanden in panden gelieerd aan de groep Seville 2, waaronder de woning van de verdachte. Het aanwezig hebben van 1.000 gram cocaïne acht het hof bewezen, omdat dit in de slaapkamer van de verdachte is aangetroffen en verdachte heeft verklaard dat hij deze kilo cocaïne daar heeft neergelegd. Dit is echter niet (meer) aan de verdachte ten laste gelegd, dus een daadwerkelijke veroordeling voor het bezit van die kilo cocaïne kan niet volgen. De officier van justitie heeft nog aangevoerd dat het bezit van die kilo cocaïne onder het aanwezig hebben van cocaïne kan worden geschaard, zoals tenlastegelegd onder feit 1B. Het aanwezig hebben van de harddrugs is onder dat feit echter als subsidiaire variant tenlastegelegd en nu het hof komt tot een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde handelingen, komt zij aan de beoordeling van het aanwezig hebben niet meer toe.

De vraag is nu of de verdachte ook wist dat er harddrugs en softdrugs op de andere stashlocaties lagen en of hij hierover kon beschikken.

Ten aanzien van de cocaïne, heroïne en hasjiesj in de woning aan de [b-straat 1] te [plaats] beantwoordt het hof deze vraag met ja, omdat hier eveneens van toepassing is hetgeen het hof hierboven heeft opgemerkt over het samenwerkingsverband tussen de leden van de groep Seville 2. De opzet was gericht op de handel en de uitvoer van harddrugs en softdrugs en zonder voorraad is er geen handel mogelijk. Bovendien lag er een sleutel van de [b-straat 1] in [plaats] in de woning van de verdachte en zijn zijn vingerafdrukken gevonden op een tas met versnijdingsmiddelen in de woning aan de [b-straat 1] . Uit deze gegevens leidt het hof af dat de verdachte toegang had tot die woning aan de [b-straat 1] en wist wat zich daar bevond.

Het hof komt tot een ander oordeel waar liet de 1,5 gram heroïne betreft, die in de woning van verdachtes broer [betrokkene 1] aan de [c-straat] te [plaats] zijn gevonden. Dit is immers geen handelshoeveelheid en daarom kan niet gesteld worden dat het opzet van de groep Seville 2 mede gericht was op het in voorraad hebben van die hoeveelheid heroïne. Van de daaruit afgeleide wetenschap en beschikkingsmacht bij de verdachte kan daarom geen sprake zijn.

Het hof acht aldus bewezen dat de verdachte samen met anderen opzettelijk de hierboven genoemde hoeveelheden harddrugs en softdrugs aanwezig heeft gehad op 19 november 2013.”

Zoals weergegeven, klaagt het eerste middel in de kern dat het oordeel van het hof dat de verdachte wetenschap had van en de beschikkingsmacht had over de verdovende middelen en versnijdingsmiddelen in de stashlocaties en dat de verdachte een belangrijke rol speelde als beheerder van stashlocaties, niet uit de door het hof genoemde feiten en omstandigheden kan volgen en dat daarom de gehele bewezenverklaring – die op de rol van de verdachte als ‘stashbeheerder’ is gebaseerd – niet begrijpelijk is.

Het hof heeft de rol van de verdachte getypeerd als ‘beheerder van een stashlocatie’, die in het bezit is van een sleutel van de andere stashlocatie. Door het hof is vastgesteld dat de verdachte ‘dingen’ levert en zijn auto is gebruikt om verdovende middelen mee te vervoeren. Ook heeft het hof vastgesteld dat hij een lijst in zijn bezit had, met daarop namen en telefoonnummers van (onder meer buitenlandse) kopers van verdovende middelen. Het hof heeft het oordeel over de rol van de verdachte gebaseerd op de volgende vaststellingen.

De verdachte is aangetroffen in zijn slaapkamer op de zolder van de [a-straat 1] in [plaats] , alwaar ook ongeveer een kilogram cocaïne is gevonden. Voorts is op de overloop bij deze slaapkamer, in een ruimte onder het schuine dak, 860 gram inositol – een versnijdingsmiddel voor cocaïne – aangetroffen. De verklaring van de verdachte dat hij de cocaïne in de woning voor een vriend heeft neergelegd, heeft het hof onaannemelijk geacht. Tijdens de doorzoeking is in voornoemde woning tevens een sleutelbos aangetroffen met daaraan onder meer een sleutel voor het pand van [medeverdachte 1] aan de [b-straat 1] te [plaats] . In laatstgenoemd pand zijn handelshoeveelheden heroïne, coffeïne, paracetamol, cocaïne en hasjiesj aangetroffen. Een deel van de in die woning aangetroffen versnijdingsmiddelen is aangetroffen in een tas in de woonkamer en op de handvatten van deze tas zijn vingerafdrukken van de verdachte en [medeverdachte 1] aangetroffen. In de schuur behorende bij de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , waar de verdachte is aangetroffen, werd tevens een telefoon aangetroffen waarbij een simkaart hoorde met [telefoonnummer 1] . Dat nummer werd voornamelijk gebruikt door [medeverdachte 1] en werd door het hof getypeerd als de ‘gouden lijn’, zijnde de ‘drugslijn’. Tot slot werden in de auto van de verdachte naar aanleiding van een zuigmonster sporen van drugs aangetroffen en werd in de slaapkamer van de verdachte een lijst aangetroffen met daarop telefoonnummers van (Franse en Belgische) kopers van verdovende middelen die de drugs bestelden via genoemde ‘gouden lijn’. Het hof heeft op basis van het vorenstaande vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte 1] deel uitmaakten van hetzelfde netwerk.

Het medeplegen van het aanwezig hebben van de drugs in de beide ‘stashlocaties’ heeft het hof gebaseerd op zowel hetgeen is aangetroffen in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , de in die woning gevonden sleutel van het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] , de aanwezigheid van een tas met daarin versnijdingsmiddelen in de woning in [plaats] terwijl die tas vingerafdrukken bevatte van de verdachte en [medeverdachte 1] , het zelf aanwezig hebben van verdovende middelen en bijbehorende versnijdingsmiddelen door de verdachte in de woning aan de [a-straat ] en het vervoeren van verdovende middelen in diens auto. Het hof heeft vervolgens bewijsoverwegingen gewijd aan de successievelijk tenlastegelegde feiten.

Anders dan de steller van het middel, die alle vaststellingen van het hof – en daarmee alle stukjes bewijs – afzonderlijk beschouwt, meen ik dat het hof op basis van het geheel van de onder randnummers 2.7 en 2.8 genoemde vaststellingen – in onderling verband en samenhang bezien – tot het niet-onbegrijpelijke oordeel heeft kunnen komen dat de verdachte wetenschap en beschikkingsmacht heeft gehad over alle verdovende middelen en versnijdingsmiddelen die zijn aangetroffen in de panden aan de [a-straat 1] te [plaats] en de [b-straat 1] te [plaats] en een belangrijke rol speelde als beheerder van een stashlocatie. Daartoe wijs ik erop dat uit die vaststellingen kan worden afgeleid dat de verdachte een rol als stashbeheerder vervulde in het samenwerkingsverband dat was gericht op drugshandel en wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de voorraden in beide stashlocaties. Uit de vaststellingen blijkt immers dat in en nabij de slaapkamer van de verdachte verdovende middelen en versnijdingsmiddelen zijn gevonden, alsmede dat in de woning van de verdachte een sleutel is aangetroffen van het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] , alwaar grote hoeveelheden verdovende middelen en versnijdingsmiddelen zijn aangetroffen, onder meer in een tas waarop vingerafdrukken van de verdachte op zaten. Verder is in de schuur behorende bij de woning van de verdachte een telefoon aangetroffen met daarop de ‘drugslijn’ van de organisatie, terwijl in de slaapkamer van de verdachte een lijst is aangetroffen met daarop telefoonnummers van (Franse en Belgische) kopers van verdovende middelen die de drugs bestelden via genoemde ‘drugslijn’.

Voorts klaagt het tweede middel dat het medeplegen van de uitvoer van verdovende middelen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Het medeplegen van deze uitvoer heeft het hof gebaseerd op voornoemde feiten en omstandigheden betreffende de rol van de verdachte in combinatie met de vaststelling dat er in de slaapkamer van de verdachte een telefoon is aangetroffen met daarop de ‘gouden lijn’ en eveneens een lijst met buitenlandse telefoonnummers van (evenzo buitenlandse) afnemers van drugs die bestellingen plaatsten bij de ‘gouden lijn’.

Naar mijn oordeel heeft het hof op basis van al deze vaststellingen zonder meer tot het oordeel kunnen komen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste van hem bewezenverklaarde. Uit de vaststellingen volgt immers dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en daarover de (gezamenlijke) beschikkingsmacht had. In het verlengde van het vorenstaande meen ik – gelet op het aantreffen van de ‘gouden lijn’ bij de verdachte en een lijst met buitenlandse telefoonnummers – dat ook het medeplegen van de uitvoer van verdovende middelen uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

Hetgeen de steller van het middel aanvoert, doet aan het voorgaande niet af. In feite komen de argumenten van de steller er in de kern op neer dat elk feit dat het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de verdachte heeft geparticipeerd in een drugsorganisatie ook anders kan worden gewogen. Voor een dergelijk feitelijk verweer is in cassatie geen ruimte. Het gaat er slechts om of het hof deze feiten op een begrijpelijke manier heeft gewogen en gewaardeerd en tot het oordeel heeft kunnen komen dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan, hetgeen het geval is. Daarop stuiten de door de steller van het middel geponeerde argumenten af.

Het tweede middel klaagt tot slot nog dat als het hof de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] redengevend heeft geacht voor de onder 1A en B en 2 bewezenverklaarde feiten, het hof niet met voldoende mate van precisie heeft verwezen naar de verklaringen van deze getuigen en dit in strijd is met art. 6 EVRM.

Met betrekking tot de verklaring van [getuige 1] heeft het hof in de aanvulling op zijn arrest overwogen dat deze getuige heeft verklaard dat hij de persoon op foto 24 – zoals gezegd, de verdachte – herkent als leverancier van drugs op de plek in de buurt van [plaats] . Daarbij wordt echter niet verwezen naar een daaraan ten grondslag liggend bewijsmiddel. Voor zover het middel hierover klaagt is het terecht voorgesteld. Ik meen evenwel dat de voor het bewijs gebruikte verklaring van [getuige 1] van ondergeschikte betekenis is in het geheel van de bewijsvoering – welke onder meer meerdere herkenningen bevat – zodat het belang bij cassatie op dit punt mist.

Ten aanzien van de verklaring van de [getuige 2] heeft het hof in de aanvulling op zijn arrest overwogen dat hij ‘nogal nietszeggend’ heeft verklaard dat de persoon op foto 24 [dat betreft een foto van de verdachte, D.P.] hem iets zegt. Daarmee mist de klacht die gebaseerd is op de veronderstelling dat het hof de verklaring van voormelde [getuige 2] tot het bewijs heeft gebezigd feitelijke grondslag.

De middelen falen.

3. Het derde middel

Het middel klaagt over de motivering van de opgelegde gevangenisstraf.

4.

op 19 november 2013 in de [plaats] en de [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen:

- in een pand aan de [b-straat 1] ongeveer 62.850 gram van een mengsel van coffeïne en paracetamol en

- in een pand aan de [a-straat 1] .860 gram inositol,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders telkens wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten.”

Het hof heeft in zijn strafmaatoverwegingen onder meer overwogen:

“Het gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en - in mindere mate - hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes - in de vorm van hennep of hasjiesj - werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij/zij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct - al dan niet in een reserveband - werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [betrokkene 8] , [betrokkene 9] . [betrokkene 10] , [medeverdachte 4] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 13] , [betrokkene 14] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 15] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel.

Door deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Het hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij een stashlocatie beheerde, “dingen" leverde, zijn auto - gezien het zuigmonster uit de kofferbak - kennelijk gebruikte of ter beschikking stelde om verdovende middelen mee te vervoeren en dat hij in het bezit was van een lijst met namen en telefoonnummers van kopers van verdovende middelen en daarmee over het klantenbestand van de organisatie beschikte.”

Het middel klaagt dat noch uit de bewezenverklaring, noch uit de bewijsmiddelen volgt dat – zoals het hof in de strafmotivering heeft overwogen – de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die in ieder geval bestond uit [betrokkene 8] , [betrokkene 9] . [betrokkene 10] , [medeverdachte 4] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 13] , [betrokkene 14] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 15] en evenmin dat de verdachte zich in verband daarmee schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van een telefooncarrousel.

De steller van het middel wijst er om te beginnen terecht op dat noch uit de bewezenverklaring, noch uit de bewijsmiddelen van het hof blijkt dat de criminele organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen, in ieder geval heeft bestaan uit [betrokkene 8] , [betrokkene 9] . [betrokkene 10] , [medeverdachte 4] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 13] , [betrokkene 14] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 15] . Uit de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde volgt immers dat de daarin bedoelde criminele organisatie naast de verdachte heeft bestaan uit [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] en in de bewijsvoering komen de namen [betrokkene 8] , [betrokkene 9] . [betrokkene 10] , [medeverdachte 4] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 13] , [betrokkene 14] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 15] niet voor. Gelet op processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep heeft de verdachte weliswaar tegelijk met deze personen terecht gestaan, maar uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte deel uitmaakte van de groep Seville 2, die naast de verdachte bestond uit [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] .

Uit de in cassatie thans eveneens voorliggende zaken betreffende [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] blijkt dat in de strafmotivering van de onderhavige zaak de namen worden vermeld van een ander samenwerkingsverband dat ook in het onderzoek Seville is onderzocht. Dat samenwerkingsverband wordt door het hof aangeduid als ‘Seville 1’. De verdachte maakte echter enkel deel uit van de groep ‘Seville 2’, zodat het middel daarover terecht klaagt. De verdachte heeft volgens het hof wel deelgenomen aan een criminele organisatie, maar gelet op de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde en de bewijsvoering daarvan, betreft de in de strafmotivering genoemde samenstelling van de betreffende criminele organisatie een kennelijke misslag, die naar mijn oordeel geen gevolgen heeft voor de beslissing tot strafoplegging en aldus niet tot cassatie behoeft te leiden.

Daarnaast heeft het hof in zijn strafmotivering genoemd dat de verdachte zich ‘in verband met die organisatie’ schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel. Over deze overweging klaagt het middel eveneens terecht, nu het daarin vervatte verwijt niet ten laste van de verdachte is bewezenverklaard. Het slagen van die klacht behoeft naar mijn oordeel bij gebrek aan belang evenmin tot cassatie te leiden. Immers, nu genoemd feit niet aan de verdachte was tenlastegelegd, moet het ervoor worden gehouden dat de vermelding van dat feit een kennelijke misslag betreft en de vermelding ervan van geen enkele betekenis is geweest voor de strafoplegging.

Het middel is terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden.

4. Het vierde middel

Het middel klaagt dat de redelijke termijn van inzending van de stukken in de cassatiefase is overschreden.

Op 12 december 2022 is door de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof van 1 december 2022. De stukken van het geding zijn vervolgens op 27 juni 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

Het voorgaande brengt mee dat de redelijke termijn van inzending – die in dit geval acht maanden bedraagt – fors is overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.

Ambtshalve merk ik verder op dat de Hoge Raad meer dan twee jaren na het instellen van het beroep in cassatie uitspraak zal doen, zodat ook de redelijke termijn van berechting in cassatie zal worden overschreden. Die termijn was reeds bij de ontvangst van de stukken door het hof overschreden.

Het vorenstaande dient ertoe te leiden dat de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf zal verminderen.

5. Ambtshalve

Zoals eerder reeds is aangegeven, is ten laste van de verdachte onder 6 bewezenverklaard dat hij:

“op 19 november 2013 in de [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [b-straat 1] te [plaats] ongeveer 123 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

Het bewezenverklaarde opzettelijk aanwezig hebben van hasjiesj is strafbaar gesteld in art. 3 onder C van de Opiumwet en werd ten tijde van het bewezenverklaarde feit ingevolge art. 11 lid 2 van de Opiumwet (oud) bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren (hetgeen nu nog steeds het geval is).

Art. 70 lid 1 onder 2 Sr bepaalt dat het recht tot strafvervolging door verjaring vervalt in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Art. 72 lid 2 Sr houdt onder meer in dat het recht tot strafvordering vervalt ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan tweemaal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.

Het vorenstaande brengt mee dat het onder 6 bewezenverklaarde reeds op 20 november 2025 is verjaard. Nu de verjaring is ingetreden ná indiening van de schriftuur op 6 november 2025, dient de Hoge Raad hieromtrent ambtshalve in te grijpen.

6. Slotsom

De eerste drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vierde middel slaagt.

Ambtshalve heb ik – naast hetgeen ik onder 4.4 en 5 heb opgemerkt – geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over het onder 6 bewezenverklaarde medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het als feit 6 tenlastegelegde, tot vermindering van de gevangenisstraf vanwege het vervallen van het recht tot vervolging van het als feit 6 tenlastegelegde en de schending van de redelijke termijn, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand