ECLI:NL:PHR:2026:484

ECLI:NL:PHR:2026:484

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 10-05-2026
Zaaknummer 25/01535
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Bewezenverklaring van o.m. doodslag (art. 287 Sr). 1. Bewijsklachten. 2. Verweer over ontbreken causale relatie tussen handelen verdachte en dood slachtoffer toereikend gemotiveerd verworpen? Middelen falen. Conclusie strekt tot verwerping (art. 81.1 RO).

Uitspraak

Nummer 25/01535

Zitting 12 mei 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 9 april 2025 (parketnr. 21-002640-24) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter zake van 1. “doodslag” en 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarbij heeft het hof de verdachte ter beschikking gesteld met voorwaarden, zoals nader in het arrest bepaald, en bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opgelegd en de onttrekking aan het verkeer bevolen van een stroomstootwapen en een alarmpistool. Ten slotte heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en schadevergoedings-maatregelen opgelegd.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Y. Moszkowicz, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld, die zijn gericht tegen de bewezenverklaring van doodslag.

De bewezenverklaring en de bewijsvoering ten aanzien van feit 1

3. Ten laste van de verdachte is onder feit 1 primair bewezen verklaard dat:

“hij omstreeks 23 november 2022 te Lelystad [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door geweld toe te passen op [slachtoffer] door met kracht de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en dicht te houden, ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 te Amsterdam is overleden.”

4. De bewezenverklaring van feit 1 primair steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, d.d. 23 november 2022, opgenomen op de pagina’s 23 en 24 van het dossier met nummer 2022349191 en MD2R022180 (‘Einddossier FIAT p. 1 330’) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 23 november 2022 omstreeks 02:20 uur werd ik op de [a-straat 1] te [plaats] aangesproken door [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] , wonende op de [a-straat 1] te [plaats] . Door [verdachte] werd mij de slaapkamer aangewezen waar zijn vrouw zou liggen. Toen ik de slaapkamer betrad zag ik dat er tussen het bed en de kast zich een loopruimte van bevond. Ik zag dat in dit looppad een vrouw op de grond lag. Deze vrouw bleek later te zijn genaamd: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] op haar buik lag. Ik zag en voelde dat zij geen enkel teken van leven vertoonde. Ik voelde aan haar enkel of haar lichaam nog warmte afgaf. Ik voelde hierbij wel enige warmte. Vervolgens ben ik samen met ambulancepersoneel en mijn collega [verbalisant 2] de vrouw gaan reanimeren. Nadien is de vrouw overgebracht naar het Amsterdams Medisch Centrum (AMC).

2. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 december 2022, opgenomen op de pagina's 147 tot en met 153 van het dossier met nummer 2022349191 en MD2R022180 (‘Einddossier FIAT p. 1-330’) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

In dit proces-verbaal worden de audiobestanden welke op de telefoon van de verdachte [verdachte] zijn veiliggesteld, beluisterd en woordelijk uitgewerkt. De audiobestanden zijn opgenomen op 22 november 2022 te 22:29 uur.

V: Vrouw (slachtoffer)

M: Man (verdachte)

V: Bel de politie, alsjeblieft.

M: Je probeert mijn te vermoorde he.

V: Ik probeer je niet te vermoorden. Ik… Bel de politie alsjeblieft.

V: [verdachte] , bel de politie. Haal ze hier bij. Alsjeblieft. Haal ze hier bij. Ik zeg alles. Haal ze hier bij.

M: Het is een dikke overdosis he. (je hoort een man hijgen)

M: Als ik je laat liggen zo. Dit is al 30 keer meer. Dit is gewoon… zo’n bek heb ik erin gooid. Dus ik denk, ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent.

M: En je vader is ook zo dood gegaan he.

M: Die hebben ze ook vermoord en je moe.

V: Nee. Wil je alsjeblieft de politie bellen? (hoor de vrouw hijgen)

M: Nee nee nee. Ik denk dat ik de politie niet eens bel (je hoort de man hijgen)

V: Nou oke. Dan bel je niet, dan laat je mij dood gaan.

M: Waarom heb jij mij dit aangedaan [slachtoffer] .

V: Ik heb jou niets aangedaan [verdachte] .

M: Nee.

V: Ik heb jou echt niets aangedaan.

M: Waarom?

V: [verdachte] , ik heb jou niets aangedaan.

M: Wat ben je toch allemaal aan het doen jonge.

V: Er is niks met mij.

M: Waarom ben je mij aan het drogeren dan.

V: Ik ben joe niet aan het drogeren.

M: Oh nee.

V: Je hem toch flessies water.

M: Ja, die heb je ook gevuld.

V: Die heb ik niet gevuld. Hoe kan ik die nu vullen.

M: Der waren een paar die waren open.

V: [verdachte] , nee.

M: Daar was water uut.

V: Nee nee.

M: Wel.

V: [verdachte] ben toch de hele dag bie joe west. Wanneer moet ik dat doan hebben dan.

M: Nee. Ik ben weg west.

M: Wat heb jij jaren met mij uutvreetn.

V: Ik heb niks met joe uutvreetn.

V: Ik heb niks, nee nee niet doen. Au, niet doen, niet doen.

V: Ik heb niks doan, ik wil joe toch niks an doen, ik probeer je toch te helpen.

M: Ja maar wat is dat voor spul dan dat daarin zit dan.

V: Watte.

M: Die poeder.

V : Dat is vitamine c.

M: Nee dat is geen vitamine c.

V: Dat is vitamine c.

M: Waarom ben je nou in een keer zo stoned dan.

V: Ik ben niet stoned.

M: Echt wel

V: Ik krieg alleen een hele slechte adem, omdat je op mien buuk zitn.

M: Wat wil ie mit mie uutspokn [slachtoffer] .... (niet te verstaan)

V: Ik probeer joe te helpen [verdachte] .

M: Waar mit, de dood in.

V: [verdachte] , ik krijg toch geen lucht, je zit op mij.

M: Wat is er, wat ben je aan het doen, wat ben je aan het doen, wat is er.

V: Ik ben niks aan het doen.

M: Wel.

V: Ik ben ook bange veur joe.

V: Ik ben echt bange veur joe.

M: Jaha.

V: Hoe jij nou nu mij behandelt.

M: Gisteren, gisteren, toen jij kookt hebben, met die .. hoe heet dat.. met die dinges .. die babi pangang met die chachoei (fon) dan ging mijn hartslag mien jong, die ging te keer als een idioot.

V: Dat heb ik toch niet gedaan, ik heb dat toch uit een bakkie gepakt. Dat heb ik toch niet doan dat komt toch bij die chinees weg. En dat andere, die sate zat toch ook in pakjes.

M: ja dat zat in pakkies maar daar zit ook wat in, daarom wilde jij niet zoveel sate hebben.

V: Ik heb toch dezelfde sate als jou gehad.

M: Wat is er wat is er, nou drink het op dan, zal ik joe nog een bakkie maakn?

V: ja nou maak maar een bakkie dan.

M: dan drink je het op

V: ja dan drink ik het op

M: er is wat aan de hand

V: er is niks aan de hand

M: der is wat aan de hand

V: er is niks aan de hand (vrouw huilt)

V: nee [verdachte] maak nog maar een bakkie thee voor mij

M: Wat ik van joe wil, dat je eerlijk bent en tegen mij proat’n.

V: Dat heb ik toch gedaan [verdachte] , ik kom er niet deur bij jou.

M: Nee, nee ik maak je van kant hoor.

M: Nee, [slachtoffer] luister ik maak je van kant, echt woar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant.

V: Haal de politie er dan bij.

M: Nee

M: Ik weet niet wat er aan de hand is, maar ik weet wel (niet te verstaan) Ik weet wel dat dit niet goed is.

V: Dit is toch niet goed hoe je mij behandelt.

V: Ja nou ik praat, wat wil je weten dan? Wat wil je horen?

M: Wat je met mij uitvreet.

V: Ik vreet niks met joe uut, [verdachte] . Ik vreet echt niets met joe uut.

M: Wel.

V: Nee.

M: Ik geleuf er geen fuck van. Ik geleuf er geen fuck van [slachtoffer] , echt niet. Ik geleuf er helemaal geen fuck van. Ik geleuf er geen fuck van, echt niet, nee, echt niet hoor, nee.

M: Er klopt iets niet hoor [slachtoffer] .

M: Dat klopt niet. Toen ik net bij Tjechie vertrokken ben he, mien concentratie he..ja (maakt geluidjes). Iedere keer weg.

V: Ja maar je waar 'n moe.

M: Nee, Ik was ik was niet moe.

V: Ik heb toch niets gedaan [verdachte] .

M: Wel, nee, jij niet, die andere misschien.

M: Krieg ik weer een dreuge bek.

V: Ja, ik ook ik heb ook een hartstikke dreuge mond.

M: Hoe komt dat?

V: Ja, stress.

M: Nee

V: Is spanning.

M: Komt door ketamine.

V: [verdachte] , ik heb geen ketamine, laat het maar onderzoeken het is geen ketamine het is vitamine C.

M: Ik geloof er geen fuck va.

V: Nou dan geef maar een glas vitamine C, of ketamine. Geef maar een glas ketamine.

M: Waarom is het altijd zo 'n klein schepje wat je er in doet.

V: Ja, anders ist te veel. Der staat een dosering op.

M: Ik geleuf er geen ..

V : een theelepeltje.

M: Ik geleuf er geen fuck van jonge

V: Pak die pot dan.

M: Ja, ja, ja, als ik daar heen loop, dan ben jij weg.

V: Ik weet niet wat je aan het doen bent hoor, ik weet het echt niet wat je aan doen bent.

M: Ik geleuf er geen fuck van.

M: Waarom ben ik iedere keer zo raar dan?

3. Een schriftelijk stuk, ter weten een Letselrapportage van GGD Amsterdam d.d. 25 november 2022 met bijbehorende fotobijlage, opgemaakt door [naam 1] , forensisch arts, opgenomen op de pagina’s 56 tot en met 72 van een dossier met nummer 2022349191 (‘FO- dossier p. 1-159’), onder meer inhoudende:

Naam: [slachtoffer]

Datum letselonderzoek: 25 november 2022

Datum incident: 23 november 2022

Gemelde toedracht: Volgens politie uit geluidsopname op te maken dat er handgemeen heeft plaatsgevonden.

Vermoeden inwendig letsel: Ja

Ernst van het letsel: zeer ernstig, waarschijnlijk niet met leven verenigbaar

Letsel(s)

1. lichaamsdeel: hoofd

Beschrijving: rechter bovenooglid blauwpaarse verkleuring. Linker bovenooglid een halfcirkelvormige donkerblauwe verkleuring.

Soort: bloeduitstorting

Past gemelde toedracht hij letsel: mogelijk

2. lichaamsdeel: hoofd

Beschrijving: onder rechteroog een tweetal kleine huidbeschadigingen.

Soort: huidbeschadiging

Past gemelde toedracht bij letsel: mogelijk

3. lichaamsdeel: hoofd

Beschrijving: midden op onderlip, momenteel moeilijk te beoordelen door de beademing, een verticale bruinrode verkleuring. Ongeveer 2 cm lange korstvorming.

Soort: scheurwond

Past gemelde toedracht hij letsel: mogelijk

4. lichaamsdeel: rug

Beschrijving: op rechterschouder een tweetal grote hematomen. Eén van ongeveer 4 bij 4 cm, één van 1,5 bij 3 cm.

Soort: bloeduitstorting

Past gemelde toedracht bij letsel: mogelijk

5. lichaamsdeel: rug

Beschrijving: op linkerschouder aan de rugzijde een blauwe verkleuring van 4 bij 3 cm. Tevens een zeer oppervlakkige ontvelling, enkel de opperhuid ''opgestroopt" over een gebied van ongeveer 6 bij 2 cm.

Soort: bloeduitstorting

Past gemelde toedracht bij letsel: mogelijk

6. lichaamsdeel: rechterarm

Beschrijving: op rechterbovenarm een blauwe verkleuring van 2,5 bij 2 cm. Ter hoogte van rechterelleboog, aan de buitenzijde, een grote blauwe verkleuring van ongeveer 8 bij 8 cm. Aan binnenzijde van rechteronderarm een blauwe verkleuring van ongeveer 3 bij 2 cm. Aan bovenzijde van rechteronderarm een blauwe verkleuring van 4 bij 2 cm.

Soort: bloeduitstorting

Past gemelde toedracht bij letsel: mogelijk

7. lichaamsdeel: linkerarm

Beschrijving: aan binnenzijde van linker elleboog een blauwe verkleuring van ongeveer 6 bij 6 cm. Aan binnenzijde bovenarm een blauwe verkleuring van ongeveer 2 hij 2 cm. Aan buitenzijde bovenarm een blauwe verkleuring van ongeveer 2 bij 2 cm.

Soort: bloeduitstorting

Past gemelde toedracht bij letsel: mogelijk.

4 . Een schriftelijk stuk, te weten een Schouwverslag van GGD Amsterdam d.d. 30 november 2022, opgemaakt door [naam 2] , GGD-arts, opgenomen op de pagina's 77 tot en met 79 van het dossier met nummer 2022349191 (‘FO-dossier p. 1-159’), onder meer inhoudende:

Cliënt: [slachtoffer]

Datum schouw: 30 november 2022

Informatie verkregen van huisarts in [plaats] (telefonisch contact op 01-12-22): patiënte eigenlijk gezond.

Bloeduitstortingen, veelal geelblauw verkleurd, links en rechts op de borst, op linkerschouder, armen beiderzijds, handrug rechts, binnenzijde linker pols, bovenbenen beiderzijds [...], onderbenen beiderzijds en rechtervoet. Een aantal hiervan […] maar zeker niet alle, kunnen verklaard worden door medisch handelen in het AMC.

Conclusie 51-jarige vrouw overleden op 30-11-2022 te Amsterdam. Niet overtuigd van natuurlijk overlijden, m.n. door tactische informatie van politie (over thuissituatie met partner) en de hoeveelheid bloeduitstortingen over het lichaam. Overleden door hersenschade door zuurstofgebrek bij een hartstilstand. Voor suïcide geen aanwijzingen (niet bekend met psychiatrische aandoeningen of eerdere zelfmoordpogingen hij huisarts). Ook stompe geweldsinwerking is mogelijk, zoals bv. smoren of dichtknijpen van de hals, gezien de hoeveelheid bloeduitstortingen over het lichaam. Tenslotte is natuurlijk overlijden ook nog mogelijk, maar acht ik minder waarschijnlijk.

5. Een schriftelijk stuk, te weten een rapport van Maastricht UMC+ d.d. 2 januari 2023, opgemaakt door [naam 3] , forensisch radioloog, en [naam 5] , forensisch radiologisch consulent, opgenomen op de pagina’s 114 en 117 van het dossier met nummer 2022349191 (‘FO-dossier p. 1-159’), onder meer inhoudende:

Datum beeldvorming: 1-12-2022

CT-Total body en MR Hoofd en hals

Huid en onderhuidse weefsel van de hals:

• Zwelling van de dieper gelegen wekedelen ter plaatse van de linkerzijde van het schildkraakbeen;

• Zwelling van de onderhuidse wekedelen aan de linkerzijde van de hals;

• Zwelling van de onderhuidse wekedelen op de overgang hals/schouder links;

• Zwelling van de onderhuidse wekedelen in over de parotisspeekselklier rechts. Schildkraakbeen;

• Fractuur van het linker conus superior (bovenste hoorntje) van het schildkraakbeen met zwelling in de omliggende wekedelen.

6. Een schriftelijk stuk, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 8 april 2023, opgemaakt door [naam 4] , arts en forensisch patholoog, opgenomen op pagina’s 126, 128, 131 tot en met 133 van het dossier met nummer 2022349191 (‘FO- dossier p. 1-159’), onder meer inhoudende:

Overledene

Naam: [slachtoffer]

Verkregen informatie

In het ziekenhuis kon geen ziekelijke oorzaak voor het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand worden vastgesteld. Vanwege hersenbeschadiging bij doorgemaakt zuurstofgebrek was er sprake van een uitzichtloze situatie; derhalve werd de behandeling op 30 november 2022 gestaakt. Betrokkene overleed dezelfde dag omstreeks 18:49 uur.

Interpretatie van resultaten

Traumatische afwijkingen

Er was een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen (sub C3) door stomp botsende, (samen)drukkende en/of toesnoerende krachtinwerking. Dergelijke krachtinwerking op de hals kan in geval van belemmering van de bloedsomloop naar het hoofd door zuurstofgebrek van de hersenen leiden tot of bijdragen aan het ontstaan van een reanimatiebehoeftige toestand.

Ziekelijke afwijkingen

Er waren met het blote oog en lichtmicroscopisch geen ziekelijke afwijkingen die het overlijden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis kunnen zijn geweest

Conclusie

Bij het forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer] , 51 jaar oud, waren er tekenen van krachtinwerking op de hals wat kan hebben geleid tot reanimatiebehoeftige toestand en het uiteindelijke overlijden, al dan niet in combinatie met versmachting.

7. Een schriftelijk stuk, te weten een aanvullend bericht van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 6 juli 2023, opgemaakt door [naam 4] , arts en forensisch patholoog, opgenomen op de pagina's 1 t/m 3 van " Aanvulling NFI m.b.t. gestelde vragen patholoog", onder meer inhoudende:

Onderwerp: Aanvullend bericht inzake NFI-zaak betreffende [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1971

Op 3 juli 2023 ontving ik aanvullende vragen in relatie tot bovengenoemd forensisch pathologisch onderzoek. Deze vragen worden hieronder beantwoord.

Vraag 1 "Zijn er aanwijzingen uit het medisch dossier en/of de sectie dat het slachtoffer bekend was met hartklachten?" Op basis van de beschikbare medische gegevens en het forensisch pathologisch onderzoek zijn er geen aanwijzingen voor ziekelijke hartafwijkingen.

Vraag 3 "Is het mogelijk dat sprake is van verwurging, leidend tot bewusteloosheid en een coma, zonder dat sprake is van zichtbare sporen van verwurging aan de hals?" Alleszins was er een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen met omgevende bloeduitstorting, wat duidt op een krachtsinwerking op de hals.

Vraag 4 "Kan schildkraakbeen breken als gevolg van een reanimatie? Wat is de kans dat schildkraakbeen breekt als gevolg van een reanimatie? [...] En zo ja, is dat van toepassing in onderhavige zaak? Zijn er aanwijzingen dat het schildkraakbeen is gebroken als gevolg van de reanimatie?"

Concluderend is het zeer onwaarschijnlijk dat deze breuk is veroorzaakt door reanimatiehandelingen.

8. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof van 26 maart 2025, zakelijk weergegeven:

Voor zover ik weet zijn er geen andere mensen in onze woning binnengekomen in de nacht van 22 op 23 november 2022.”

5. Ten aanzien van het bewijs heeft het hof de overwegingen van de rechtbank tot de zijne gemaakt en aanvullende overwegingen opgenomen. De bewijsoverwegingen houden dan het volgende in:

“Vaststelling van de feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis over de vaststelling van de feiten, het onderdeel ‘toedienen van het medicijn’ en de oorzaak van de reanimatiebehoeftige toestand het volgende overwogen (…):

Vaststelling van de feiten Op 23 november 2022 omstreeks 02:17 uur is bij de meldkamer een melding binnengekomen van verdachte dat hij zich samen met zijn vrouw (hierna: [slachtoffer] ) in hun woning in [plaats] bevond. [slachtoffer] zou een overdosis hebben gehad en op dat moment bewusteloos zijn. Als de politie enkele minuten later ter plaatse komt, wordt [slachtoffer] in de slaapkamer naast het bed in een reanimatiebehoeftige toestand aangetroffen. De hulpdiensten zijn daar gestart met de reanimatie van [slachtoffer] , waarna zij is overgebracht naar het ziekenhuis in Amsterdam. Vervolgens is [slachtoffer] op 30 november 2022 in het ziekenhuis overleden.

Uit een geluidsopname die verdachte heeft gemaakt in de avond van 22 november 2022 omstreeks 22:30 uur en uit de verklaring van verdachte zelf, volgt dat verdachte en [slachtoffer] die avond een handgemeen hebben gehad en dat verdachte toen [slachtoffer] bij haar keel heeft vastgepakt. Ook is verdachte op [slachtoffer] gaan zitten, waarna [slachtoffer] heeft aangegeven dat zij moeite had met ademhalen. Hoewel [slachtoffer] na deze geweldshandelingen nog aanspreekbaar lijkt te zijn, moet zij ergens tussen dit moment en het moment enkele uren later waarop de politie ter plaatse kwam (omstreeks 02:20 uur) in een reanimatiebehoeftige toestand zijn terechtgekomen.

Partiële vrijspraak: toedienen medicijn

De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door haar een geneesmiddel toe te dienen. Verdachte zal dan ook partieel worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onderdeel ‘toedienen van een medicijn, althans een geneesmiddel’.

Oorzaak reanimatiebehoeftige toestand

Uit het rapport van de patholoog volgt dat zowel stomp botsende, (samen)drukkende en/of toesnoerende krachtinwerking op de hals kunnen hebben geleid tot of bijgedragen hebben aan de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] . Uit het rapport van de toxicoloog blijkt dat een bijdrage van buspiron aan het overlijden niet kan worden geconcludeerd noch kan worden uitgesloten. Nu de oorzaak van het reanimatiebehoeftig worden (en het overlijden) van [slachtoffer] niet met 100% zekerheid kan worden vastgesteld, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de rechtbank ondanks deze onzekerheid tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag kan komen.

Het hof neemt bovenstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.

Alternatieve scenario 's

De verdediging heeft ter terechtzitting bij het hof twee alternatieve scenario’s aangevoerd. Die zijn ook aangevoerd in eerste aanleg. De rechtbank heeft in haar vonnis over het eerste alternatieve scenario ‘inname buspiron door [slachtoffer] ’ het volgende overwogen (…):

Van belang is allereerst dat in het bloed van [slachtoffer] buspiron en het omzettingsproduct hydroxybuspiron zijn aangetoond. Het scenario dat de verdediging heeft benoemd is dat [slachtoffer] een toxische hoeveelheid buspiron kan hebben ingenomen.

De gemeten concentratie (van ongeveer 0,0020 mg/l) is een therapeutisch (werkzame) concentratie. Het bewustzijn/gedrag van [slachtoffer] was ten tijde van het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand dus waarschijnlijk (therapeutisch) beïnvloed door het aanwezige buspiron. Hoeveel hoger de concentratie was ten tijde van het reanimatiebehoeftig worden kan volgens de deskundige moeilijk worden ingeschat, omdat de omzetting en uitscheiding van buspiron tussen personen verschilt en beïnvloed kunnen zijn tijdens de ziekenhuisopname.

Nu namens verdachte is aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] door inname van een toxische concentratie Buspiron om het leven is gekomen, wijst de rechtbank op de inhoud van het rapport van de forensisch toxicoloog van 29 februari 2024 naar aanleiding van aanvullende vragen die de rechtbank heeft gesteld. Daaruit volgt dat het in theorie mogelijk is dat de [toen] gemeten buspironconcentratie van ongeveer 0,0020 mg/l bloed ten tijde van het reanimatiebehoeftig worden een toxische concentratie is geweest. Het kan echter ook nog steeds een therapeutische concentratie zijn geweest. Verder wordt uitgelegd dat in de literatuur voor zover bekend geen gevallen zijn beschreven waarbij personen reanimatiebehoeftig zijn geworden door inname van buspiron of zijn overleden door (overdosering met) buspiron. [...] De rechtbank acht dit door de verdediging geschetste alternatieve scenario dan ook niet aannemelijk geworden.

Het hof overweegt dat, nu niet aannemelijk is geworden dat buspiron de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] is geweest, het voor het oordeel van het hof niet relevant is of [slachtoffer] zelf deze medicatie heeft ingenomen of dat de medicatie op andere wijze (zoals toegediend door verdachte) in haar bloed is gekomen.

De rechtbank heeft in haar vonnis omtrent het alternatieve scenario ‘koolstofmonoxide’ het volgende overwogen (…):

De rechtbank vindt eveneens onvoldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer] door een koolmonoxidevergiftiging in een reanimatiebehoeftige toestand terecht is gekomen en uiteindelijk is overleden. Hiervoor bestaan geen aanwijzingen. Daar komt bij dat uit het dossier volgt dat er in de nacht van 23 november 2022 - direct na het aantreffen van [slachtoffer] - en de daaropvolgende dag meerdere politiefunctionarissen voor langere tijd in de woning aanwezig zijn geweest ten behoeve van het verrichten van (forensisch) onderzoek. Het had dan ook voor de hand gelegen dat één of meerdere van deze personen onwel zouden zijn geworden in het geval er daadwerkelijk sprake was geweest van hoge koolmonoxide waarden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niets gebleken.

Het hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.

Geweldshandelingen en causaliteit

Vervolgens staat het hof voor de vraag of verdachte in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 opzettelijk de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft verricht, ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 is overleden.

De rechtbank heeft hieromtrent onder meer het volgende overwogen (…):

Voorop staan de bevindingen uit het forensische dossier. De forensisch patholoog komt tot de conclusie dat de krachtinwerking op de hals van [slachtoffer] , in de vorm van stomp botsende, (samen)drukkende en/of toesnoerende krachtinwerking op de hals, wat heeft geleid tot een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen, kan hebben geleid tot of bijgedragen hebben aan het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] .

Daar komen op basis van de bewijsmiddelen in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten bij. In de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 bevond verdachte zich samen met [slachtoffer] in hun gezamenlijke woning. Er zijn geen aanwijzingen dat er die avond nog andere personen aanwezig zijn geweest in de woning. Verdachte heeft daarover ook niets verklaard. Verdachte en [slachtoffer] hadden in de periode voorafgaand aan 23 november 2022 relatieproblemen en hadden het voornemen om van elkaar te scheiden. Verdachte verkeerde daarbij al langere tijd, ook in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022, in de waan dat [slachtoffer] hem wilde vergiftigen met ketamine. Uit de geluidsopname blijkt dat verdachte [slachtoffer] hiervan beschuldigde, dat [slachtoffer] dit bleef ontkennen en dat verdachte gefrustreerd raakte. Ook heeft verdachte tijdens de opname meerdere keren tegen [slachtoffer] gezegd dat hij haar dood wilde maken. Verder blijkt uit de geluidsopname dat hij dusdanig geweld tegen haar gebruikte dat zij in haar adem werd belemmerd.

Bij [slachtoffer] is enkele uren later, kort nadat zij in reanimatiebehoeftige toestand is aangetroffen, letsel vastgesteld; er zijn verspreid over haar lichaam meerdere bloeduitstortingen geconstateerd. Over deze blauwe plekken verklaart de schouwarts dat een aantal, maar zeker niet alle, verklaard kunnen worden door medisch handelen in het AMC. Daarnaast was [slachtoffer] een relatief jonge vrouw en hebben de patholoog en schouwarts gerapporteerd dat zij gezond was. Ook kon er volgens voornoemde deskundigen geen ziekelijke oorzaak voor het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand worden vastgesteld en was er waarschijnlijk geen sprake van natuurlijk overlijden. (...)

Het hof neemt ook deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte fors geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] . Volgens het forensische rapport van [naam 4] , arts en forensisch patholoog, was sprake van een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen, die veroorzaakt is door stomp botsende, (samen)drukkende en/of toesnoerende krachtinwerking, met zwelling in de omliggende wekedelen. Het is daarnaast volgens de patholoog zeer onwaarschijnlijk dat deze breuk het gevolg is van reanimatiehandelingen.

Het hof constateert dat het letsel typerend is voor verwurgingshandelingen. Daar komt bij dat uit een geluidsopname blijkt dat verdachte eerder die dag al tegen het slachtoffer heeft gezegd dat hij haar om het leven zou brengen. Op die geluidsopname is onder meer het volgende te horen:

M (het hof begrijpt: verdachte): Nee, ik maak je van kant hoor

V (het hof begrijpt: [slachtoffer] ): Ja nou … dat

M: Nee, nee. [slachtoffer] luister, ik maak je van kant, echt woar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant.

Uit de geluidsopname blijkt niet dat verdachte op het moment van dat handgemeen al de keel van [slachtoffer] vastgepakt heeft. Op dezelfde geluidsopname is te horen dat verdachte en [slachtoffer] na het handgemeen normaal met elkaar spreken. Het hof gaat er daarom vanuit dat het letsel aan het schildkraakbeen niet toen al is ontstaan maar dat er daarna een breuk is ontstaan in haar schildkraakbeen en zij in een reanimatiebehoeftige toestand is geraakt. Daarnaast zijn rondom haar ogen en op meerdere plaatsen op haar lichaam blauwe plekken aangetroffen. Dergelijke verwondingen, en vooral de hoeveelheid ervan, dragen bij aan de overtuiging van het hof dat een later incident moet hebben plaatsgevonden, waarbij ook dit letsel aan [slachtoffer] is toegebracht.

Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat er in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022, voor zover hij weet, geen andere mensen binnen in de woning zijn gekomen. Het is het hof niet gebleken dat er andere mensen in de woning waren die nacht.

Het hof is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat [slachtoffer] door verwurgingshandelingen van verdachte in een reanimatiebehoeftige toestand is gekomen. Die gedragingen zijn in de keten van gebeurtenissen een noodzakelijke factor geweest voor het ingetreden gevolg, te weten het overlijden van [slachtoffer] .

Voorts is het hof van oordeel dat het overlijden van [slachtoffer] redelijkerwijs aan de gedragingen van verdachte kunnen worden toegerekend. Zonder zijn handelingen zou [slachtoffer] niet in een reanimatiebehoeftige toestand zijn gekomen en zou zij niet in een zodanige toestand zijn geraakt dat haar nabestaanden de moeilijke, maar medisch en ethisch navolgbare beslissing hebben genomen de apparatuur die haar in leven hield uit te laten zetten.

Opzet

De gedragingen van verdachte zijn zozeer gericht geweest op het dodelijk verwonden van [slachtoffer] , dat dit naar het oordeel van het hof vol opzet op het dodelijk letsel bij haar oplevert. Verdachte heeft de keel van [slachtoffer] kennelijk zo lang en met zodanige kracht dichtgeknepen dat zij in een reanimatiebehoeftige toestand is geraakt en daardoor letsel heeft opgelopen. Het dichtknijpen van de keel op de wijze waarop verdachte dat gedaan heeft, is naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] , dat het niet anders kan dan dat de verdachte haar met deze handeling heeft willen doden. Deze wens heeft verdachte tijdens het handgemeen in de keuken, dat auditief is opgenomen, zelfs meermalen uitgesproken. Het hof is daarom van oordeel, anders dan de rechtbank, dat de verdachte zogenaamd vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

Conclusie

Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte zich op 23 november 2022 in Lelystad schuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] , zoals hierna weergegeven. (…)

Bewezenverklaring

Het hof is aldus van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof heeft, anders dan de rechtbank, niet kunnen vaststellen dat het overlijden van [slachtoffer] is veroorzaakt doordat verdachte op [slachtoffer] is gaan zitten en daarmee uitwendige druk op haar borstkas heeft uitgeoefend waardoor haar ademhaling enige tijd zou zijn belet of belemmerd. Die handelingen vonden kennelijk plaats ten tijde van de eerdergenoemde geluidsopname. Het hof acht, zoals hiervoor is uiteengezet, wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met kracht de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dicht heeft gehouden, ten gevolge waarvan zij is overleden.”

De klachten van het eerste middel

6. Het eerste middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. De tweede deelklacht bevat een motiveringsklacht over het oordeel dat de verdachte (vol) opzet had op de dood van [slachtoffer] .

Een nadere omschrijving van de eerste deelklacht

7. Deze deelklacht is gericht tegen het oordeel dat na het handgemeen tussen de verdachte en [slachtoffer] , op 22 november 2022 omstreeks 22:30 uur, en voor het moment waarop de gealarmeerde hulpdiensten arriveerden, te weten op 23 november 2022 omstreeks 02:20 uur, de verdachte geweldshandelingen moet hebben verricht waardoor [slachtoffer] in een reanimatiebehoeftige toestand is gekomen en uiteindelijk is overleden. Tegen dit oordeel wordt aangevoerd dat de bewijsmiddelen niets inhouden over wat zich tussen 22:30 uur en 02:20 uur heeft afgespeeld, terwijl er veel onzekerheid bestaat over de oorzaak van het letsel van [slachtoffer] alsmede van de reanimatiebehoeftige toestand. Bovendien wordt geklaagd over het passeren van alternatieve scenario’s.

De bespreking van de eerste deelklacht

8. Het hof heeft het volgende vastgesteld. Op 23 november 2022 omstreeks 02:20 uur troffen de hulpdiensten, na een melding van de verdachte, [slachtoffer] in hun woning in een reanimatiebehoeftige toestand aan. [slachtoffer] werd na reanimatie naar het ziekenhuis overgebracht, waar zij op 30 november 2022, na de staking van de medische behandeling, is overleden. Het lichaam van [slachtoffer] vertoonde meerdere bloeduitstortingen en aan de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen is een breuk geconstateerd. Uit een audio-opname van een interactie tussen [slachtoffer] en de verdachte, op 22 november 2022 omstreeks 22:30 uur, blijkt dat [slachtoffer] op dat moment nog aanspreekbaar was. Het hof is er daarom van uitgegaan dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel aan het schildkraakbeen niet tijdens die interactie is ontstaan en dat er op een later moment een incident moet hebben plaatsgevonden waardoor zij in de reanimatiebehoeftige toestand is gekomen.

9. Het hof heeft bovendien vastgesteld:

(i) het letsel aan het lichaam van [slachtoffer] is typerend voor verwurgingshandelingen;

(ii) “stomp botsende, (samen)drukkende en/of toesnoerende krachtinwerking op de hals”, met een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen tot gevolg, kan volgens de forensisch patholoog hebben geleid tot of bijgedragen aan de reanimatiebehoeftige toestand, terwijl het zeer onwaarschijnlijk is dat het letsel is veroorzaakt door de reanimatie;

(iii) er waren die nacht in de woning geen andere personen aanwezig;

(iv) de verdachte heeft blijkens de geluidsopname eerder die avond meermaals gezegd dat hij [slachtoffer] om het leven zou brengen, en

(v) het lichaam van [slachtoffer] vertoonde een zodanige hoeveelheid verwondingen dat ook daaruit kan worden afgeleid dat er na 22:30 uur nog een geweldsincident moet hebben plaatsgevonden.

Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat [slachtoffer] door verwurgingshandelingen door de verdachte in een reanimatiebehoeftige toestand is gekomen en – uiteindelijk – is overleden.

10. Daarnaast heeft het hof een tweetal door de verdediging ter terechtzitting aangedragen alternatieve scenario’s als onaannemelijk terzijde geschoven. Dat zijn: (1) de reanimatiebehoeftige toestand is ontstaan door de aanwezigheid van een te hoge dosis buspiron in het bloed, waarbij bovendien een aanvullende beïnvloeding door THC niet kan worden uitgesloten, en (2) de reanimatiebehoeftige toestand is ontstaan door koolstofmonoxidevergiftiging. De verwerping van het eerste alternatieve scenario verwijst naar het rapport van de forensisch toxicoloog van 29 februari 2024, inhoudende dat de gemeten concentratie buspiron in het bloed van [slachtoffer] een therapeutische concentratie betrof en, hoewel het lastig is om de concentratie ten tijde van het reanimatiebehoeftig worden te bepalen en het theoretisch mogelijk is dat deze concentratie op dat moment toxisch was, er in de literatuur geen gevallen bekend zijn van personen die door inname van het middel zijn overleden. Het tweede alternatieve scenario is wegens gebrek aan aanwijzingen verworpen. Daarbij nam het hof aanmerking dat als de koolstofmonoxidewaarden in de woning te hoog waren, de politiefunctionarissen die voor onderzoek langere tijd in de woning aanwezig zijn geweest ook onwel zouden zijn geworden, terwijl dat niet is gebleken.

11. Ik meen dat het hof zijn oordeel dat de verdachte de keel van [slachtoffer] met kracht heeft dichtgeknepen en dichtgehouden, ten gevolge waarvan zij is overleden, niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend heeft gemotiveerd. Het hof heeft uiteengezet welke gedragingen hebben geleid tot de reanimatiebehoeftige toestand en het latere overlijden van [slachtoffer] en geoordeeld dat de verdachte daarvoor verantwoordelijk moet worden gehouden. Daarnaast heeft het hof de door de verdediging als uitdrukkelijk onderbouwde standpunten voorgedragen alternatieve scenario’s gemotiveerd verworpen. Anders dan de steller van het middel betoogt, was het hof niet tot een nadere motivering gehouden. Dat niet ieder detail van de door de verdediging aangedragen argumentatie bij de verwerping van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten is betrokken, maakt dat niet anders, omdat de motiveringsplicht van de rechter als bedoeld in artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv zo ver niet reikt.

12. De eerste deelklacht faalt.

De bespreking van de tweede deelklacht

13. De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel dat de verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer] onbegrijpelijk is en ten onrechte niet nader is gemotiveerd, omdat in de bewijsmiddelen feiten en omstandigheden besloten liggen waaruit kan worden afgeleid dat het vereiste opzet ontbrak.

14. Voor zover de deelklacht zo moet worden begrepen dat het hof niet tot een bewezenverklaring kon komen omdat de bewijsmiddelen bij een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard een andere bewijsbeslissing toelaten, wordt de vrije selectie en waardering van het bewijs door de feitenrechter miskend. Die selectie en waardering kunnen in cassatie bovendien slechts beperkt worden getoetst.

15. Het hof heeft gemotiveerd uiteengezet dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Daarbij heeft het hof in acht genomen dat de verdachte blijkens de audio-opname meermaals heeft gezegd dat hij [slachtoffer] wilde doden. Het hof heeft toegelicht dat de gedragingen van de verdachte, vanwege het geconstateerde letsel, zozeer gericht moeten zijn geweest op het dodelijk verwonden van [slachtoffer] , dat hij met vol opzet moet hebben gehandeld. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Het standpunt van de steller van het middel dat het hof gehouden was het bewezen verklaarde opzet nader te motiveren, gaat dus niet op.

16. De tweede deelklacht faalt eveneens. Daarmee faalt het eerste middel.

Het tweede middel en de toelichting daarop

17. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het door de verdediging ter terechtzitting voorgedragen verweer over het ontbreken van een causale relatie tussen het handelen van de verdachte en de dood van [slachtoffer] ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof, door de gedragingen van de verdachte slechts als onmisbare schakel te beschouwen, bij de weerlegging van het causaliteitsverweer blijk heeft gegeven van een onjuist dan wel onvolledig toetsingskader van de redelijke toerekening. Het oordeel van het hof dat de dood van [slachtoffer] aan de verdachte kan worden toegerekend is volgens de steller van het middel onbegrijpelijk, temeer omdat er onduidelijkheid bestaat over de oorzaak van de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] en de wijze waarop zij in het ziekenhuis is behandeld, en omdat de causale relatie tussen de gedragingen van de verdachte en de dood van [slachtoffer] (verder) werd bemoeilijkt door de beslissing van de familie van [slachtoffer] om de behandeling te staken.

De bespreking van het tweede middel

18. Het hof heeft de gedragingen van de verdachte aangemerkt als een onmisbare c.q. noodzakelijke schakel in de causale keten die eindigt met het overlijden van [slachtoffer] . Hiertoe heeft het hof overwogen dat het geconstateerde letsel typerend is voor verwurgingshandelingen en vastgesteld dat “stomp botsende, (samen)drukkende en/of toesnoerende krachtinwerking op de hals”, met een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen tot gevolg, de reanimatiebehoeftige toestand en de dood van [slachtoffer] heeft kunnen veroorzaken. Daarnaast heeft het hof de door de verdediging aangedragen alternatieve scenario’s voor het overlijden gemotiveerd verworpen.

19. Dit betekent dat het hof heeft vastgesteld dat de omschreven verwurgingshandelingen naar hun aard geschikt zijn om de reanimatiebehoeftige toestand en de dood van [slachtoffer] teweeg te brengen, terwijl mogelijke alternatieve oorzaken hiervoor als onwaarschijnlijk terzijde kunnen worden gesteld. Bovendien heeft het hof bewezen geacht dat de verdachte daadwerkelijk dit op haar dood gerichte geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend. Met de door mij voorgestelde verwerping van het eerste middel mag in cassatie van deze vaststellingen worden uitgegaan.

20. Dat de dood van [slachtoffer] redelijkerwijze aan de verdachte kan worden toegerekend, heeft het hof in beginsel uit deze feiten en omstandigheden kunnen afleiden. Bovendien heeft het hof kunnen oordelen dat tussenkomende factoren, te weten (i) het tijdsverloop (van één week) tussen het moment van het door de verdachte op haar hals uitgeoefende geweld en het overlijden van [slachtoffer] , en (ii) de beslissing om de zinloze medische behandeling in het ziekenhuis te staken, niet in de weg staan aan een toerekening van de dood van [slachtoffer] aan de verdachte. De verdachte die het ingetreden gevolg immers gewild heeft, kan – binnen de grenzen van de redelijkheid – bezwaarlijk van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid worden ontheven als door een onvoorziene samenloop van omstandigheden het gevolg pas na enige tijd en/of na tussenkomst van andere schakels intreedt.

Slotsom

21. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

22. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand