3. Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel bestaat uit vier onderdelen.
Onderdeel 1
Onderdeel 1 is gericht tegen r.o. 2.2 van de bestreden beschikking, waarin het hof het volgende heeft overwogen (mijn onderstreping; A-G):
“2.2 De moeder heeft bezwaar gemaakt tegen acceptatie door het hof van de door de vader aan het hof gezonden e-mailberichten van 29 oktober 2024 en 13 november 2024 met producties. Deze e-mails zijn volgens haar in strijd met de goede procesorde door vader zelf, zonder tussenkomst van een advocaat, ingediend. Zoals het hof op de mondelinge behandeling heeft beslist, worden de bij het e-mailbericht van de vader van 29 oktober 2024 gevoegde producties wel aan het procesdossier toegevoegd, omdat de vader zelf producties in het geding mag brengen ter ondersteuning van zijn ter zitting te voeren mondelinge verweer, mits deze niet later zijn ingediend dan op de in artikel 1.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven genoemde tiende kalenderdag voor de mondelinge behandeling. Op de door de vader bij zijn e-mailbericht van 13 november 2024 gevoegde producties wordt dan ook geen acht geslagen, omdat deze te laat zijn ingediend. Hetzelfde geldt voor de namens de moeder bij journaalbericht van 13 november 2024 overgelegde productie XXI.
Het hof slaat voorts geen acht op de verzoeken en standpunten, voor zover deze door de vader zijn opgenomen in zijn e-mailberichten van 29 oktober 2024 en 13 november 2024. Het hof verwijst in dat verband naar de zogenoemde ‘twee-conclusieregel’. Deze regel houdt in dat partijen in één schriftelijk stuk hun standpunt moeten uiteenzetten en dat het aanvoeren van standpunten in nadere stukken in beginsel niet mogelijk is (artikel 347 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding gelezen met artikel 362 Rv).”
De overweging over het niet toestaan van de aanvullende producties van 13 november 2024 (eerste onderstreping) wordt in het onderdeel 1 aangeduid met letter a en de overweging over de verzoeken en standpunten in de e-mailberichten van 29 oktober en 13 november 2024 (tweede onderstreping) met letter b. De subonderdelen 1.1 tot en met 1.3 richten zich tegen overweging a. Subonderdeel 1.4 richt zich tegen overweging b.
Ik zie aanleiding om met subonderdeel 1.4 te beginnen. De subonderdelen 1.1 tot en met 1.3 komen hierna onder 3.22 e.v. aan bod.
Subonderdeel 1.4 klaagt dat het hof met overweging b heeft miskend dat de aard van het geschil met zich kan brengen dat een uitzondering op de in beginsel strakke tweeconclusieregel moet worden aanvaard. Bij de geschillenregeling van artikel 1:253a BW is sprake van een dergelijk geschil, zeker nu het hof een beslissing moet nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt en waarbij het hof mede daarom ook diverse ambtshalve bevoegdheden ter beschikking heeft, aldus het subonderdeel.Het subonderdeel wijst er verder op dat de vader in zijn e-mailbericht van 29 oktober 2024 ook omstandigheden aan de orde heeft gesteld die niet eerder aan de orde konden worden gesteld. Voor het overige betreffen de in het e-mailbericht van 29 oktober 2024 genoemde omstandigheden slechts een uitdieping van het bestaande verweer en/of een verweer dat in het verlengde ligt van de door partijen omlijnde rechtsstrijd in hoger beroep. Dat geldt ook voor de omstandigheden die zijn benoemd in het e-mailbericht van 13 november 2024, aldus, kort weergegeven, het subonderdeel.Volgens het subonderdeel had het hof gezien het voorgaande acht moeten slaan op de nadere standpunten van de vader.
Dit subonderdeel slaagt.
In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen ingevolge artikel 1:253a BW geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. In het kader van deze zogeheten geschillenregeling neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a lid 1, tweede volzin, BW).
Indien een van de ouders met het kind wenst te verhuizen en de andere ouder daarmee niet instemt, kunnen de ouders op grond van artikel 1:253a lid 1 BW een beslissing vragen over dit geschil. Daarbij geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het volgende beoordelingskader:
“3.3 Vooropgesteld dient te worden, dat uit de omstandigheid dat in art. 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen (…)”
De tweeconclusieregel brengt mee dat grieven, eisveranderingen of -vermeerderingen (in verzoekschriftprocedures: verandering of vermeerdering van het verzoek), nieuwe verweren en nieuwe feiten en stellingen in beginsel uiterlijk in de memorie van grieven of in de memorie van antwoord (in de verzoekschriftprocedure: in het verzoekschrift of in het verweerschrift) naar voren moeten worden gebracht. De tweeconclusieregel dient het belang van de concentratie van het processuele debat en van een spoedige afdoening van een geschil. In de rechtspraak van de Hoge Raad zijn op deze regel drie categorieën van uitzonderingen aanvaard. Een van die uitzonderingen houdt verband met de aard van het geschil.
Met betrekking tot de aard van een op grond van artikel 1:253a BW aan de rechter voorgelegd verhuisgeschil, en de consequenties daarvan voor de gelding van de tweeconclusieregel, heeft de Hoge Raad in een recente uitspraak van 16 mei 2025 het volgende overwogen (mijn onderstreping):
“3.2 Grieven en veranderingen of vermeerderingen van het verzoek in hoger beroep dienen in beginsel bij verzoek- of verweerschrift te worden aangevoerd respectievelijk plaats te vinden. Dit lijdt echter onder meer uitzondering indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden. Evenals voor de vaststelling van alimentatie en voor de vaststelling van een omgangsregeling, geldt voor een beslissing van de rechter op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen en voor een op grond van diezelfde bepaling gedaan verzoek om een ouder die zonder toestemming met minderjarigen is verhuisd, te bevelen om terug te verhuizen, dat deze dienen te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter. Bovendien neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a lid 1, tweede volzin, BW). Om deze redenen is het ook bij de beslissing op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen of een verzoek tot het geven van een bevel om terug te verhuizen, gewettigd dat de rechter in hoger beroep rekening mag – en in beginsel ook moet – houden met een grief of wijziging van het verzoek die na het verzoek- of verweerschrift wordt aangevoerd respectievelijk plaatsvindt.
Blijkens het proces-verbaal heeft de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard:
“Ik vind dat de kinderen moeten terugverhuizen en wil dat het hoofdverblijf van de kinderen bij mij wordt bepaald. Ik heb altijd goed voor de kinderen gezorgd. Het liefst zou ik dan co-ouderschap willen, binnen een straal van vijf kilometer, zodat de kinderen zelf naar hun vader of moeder kunnen. Die 30 kilometer is zomaar gekozen bij de zitting bij de rechtbank. Ik zou eerder denken aan tien kilometer.”
Uit rov. 6.5.10 van de beschikking van het hof wordt niet duidelijk of het hof de hiervoor in 3.3 geciteerde opmerking van de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep als een wijziging van zijn verzoek in het incidentele hoger beroep of zijn verweer heeft opgevat. Uit hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, volgt dat het hof, zo dat het geval is, niet in strijd heeft gehandeld met de tweeconclusieregel door hierop acht te slaan.Uit hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen blijkt dat het debat tussen partijen de vraag betrof bij wie van hen de minderjarigen zouden wonen en waar dat zou zijn, te weten bij de man in [plaats], bij de vrouw in [woonplaats] of bij de vrouw op beperkte afstand van [plaats]. Bij de beoordeling van dit geschilpunt diende het hof het belang van de minderjarigen te betrekken (zie art. 1:253a BW). Daarmee is in overeenstemming dat het hof grote vrijheid had alles wat door partijen was aangevoerd bij zijn beoordeling te betrekken. Dat betekent dat het hof bij zijn beslissing acht kon slaan op de hiervoor in 3.3 geciteerde opmerking van de man en overeenkomstig de daarbij uitgesproken wens van de man kon beslissen.
(…)”
In de onderhavige zaak heeft de vader in de aanloop naar de mondelinge behandeling bij het hof van 14 november 2024 op 29 oktober onderscheidenlijk 13 november 2024 – zonder tussenkomst van een advocaat – e-mailberichten aan het hof gezonden, waarbij hij inhoudelijk op de zaak is ingegaan en enkele aanvullende stukken heeft toegestuurd. De advocaat van de moeder heeft bij brief aan het hof van 13 november 2024 bezwaar gemaakt tegen het e-mailbericht met toelichting en stukken van 29 oktober 2024. Daarbij heeft hij betoogd dat “stukken enkel en alleen in het geding [kunnen] worden gebracht door advocaten”, alsmede dat het stuk een extra schriftelijke ronde betreft en dat dit niet is geoorloofd.
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof is voor zover hier van belang het volgende te lezen (p. 1-2):
“Mr. Sardjoe [advocaat van de moeder; A-G]:
Ik heb al schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de door de vader ingediende stukken. Ik herhaal dat bezwaar nu hier. Die stukken zijn niet alleen te laat maar ook zonder tussenkomst van een advocaat door de vader ingediend.
In vind dat het hof die stukken buiten beschouwing moet laten.
De voorzitter:
De vader kan inderdaad, zonder advocaat, geen proceshandelingen verrichten. Dan gaat het bijvoorbeeld over het indienen van een beroep- of verweerschrift.
Producties mag hij wel indienen, maar het verzoek dat de vader gisteren nog in zijn stukken heeft verwoord, kan dus niet zonder advocaat.
Vader:
Ik vind het heel spannend om hier te zitten. Ik heb geen advocaat, maar ik wilde de zitting toch laten doorgaan, voor de kinderen. Ik wil een uitspraak. Ik had gevraagd aan het hof om de stukken nog toe te sturen, dat mocht. Dat betreft mijn e-mailbericht van 29 oktober 2024. Als ik nu hoor dat het niet mag, dan wil ik me kunnen verweren.
Mr. Sardjoe:
Ik blijf erbij dat die stukken niet meegenomen mogen worden. Ook wil ik niet dat de zaak wordt uitgesteld, als de vader dat bedoelt. Mijn bezwaar betreft beide e-mailberichten van de vader met nastukken.
De voorzitter:
Die producties bij het e-mailbericht van 29 oktober 2024 mogen sowieso wel door de vader worden ingediend zonder advocaat. Bovendien zijn die tijdig ingediend.
Mr. Sardjoe:
Maar ook in beide stukken neemt de vader weer een nieuwe ronde. Ik handhaaf mijn visie: niet meenemen.
De voorzitter:
Ik schors even voor overleg.
Bij terugkeer in de zittingzaal heropent de voorzitter de mondelinge behandeling en verklaart:
Gelet op de twee-conclusieregel: alle stellingen moeten worden opgenomen in het hoger beroepschrift en in het verweerschrift. Voor zover de vader in zijn berichten van 29 oktober 2024 en 13 november 2024 nieuwe stellingen of verzoeken heeft verwerkt: daar zal het hof geen acht op slaan. De bij het bericht van 29 oktober 2024 gevoegde producties worden wel geaccepteerd. De producties bij het bericht van 13 november 2024 zijn te laat ingediend en die worden om die reden niet geaccepteerd.”
In lijn met hetgeen de voorzitter ter zitting heeft verklaard, heeft het hof in r.o. 2.2 van de bestreden beschikking onder verwijzing naar de tweeconclusieregel overwogen dat het geen acht slaat op de verzoeken en standpunten, voor zover deze door de vader zijn opgenomen in zijn e-mailberichten van 29 oktober en 13 november 2024.
Aldus heeft het hof mijns inziens miskend, zoals het subonderdeel terecht betoogt, dat in deze procedure op grond van artikel 1:253a BW met betrekking tot een verhuisgeschil, een uitzondering op de tweeconclusieregel moet worden aanvaard. Daarvoor is redengevend, zoals de Hoge Raad in zijn hiervoor onder 3.10 genoemde uitspraak van 16 mei jl. heeft geëxpliciteerd, dat een beslissing van de rechter op grond van artikel 1:253a BW in, kortweg, een verhuiszaak dient te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter, en dat de rechter een zodanige beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Met dit laatste is ook in overeenstemming dat de rechter grote vrijheid heeft alles wat door partijen wordt aangevoerd, bij zijn beoordeling te betrekken, aldus de Hoge Raad.
Door onder verwijzing naar de tweeconclusieregel “verzoeken en standpunten” van de vader in de e-mailberichten van 29 oktober en 13 november 2024 buiten beschouwing te laten zoals het hof heeft gedaan, heeft het hof dit een en ander miskend. In zoverre treft subonderdeel 1.4 dus doel.
Daarmee komt het er niet op aan, zoals in het subonderdeel verder naar voren is gebracht, dat de in de betreffende e-mailberichten genoemde omstandigheden deels niet eerder naar voren konden worden gebracht en voor een ander deel slechts een uitdieping van het bestaande verweer betreffen.
Aan het slagen van de hiervoor genoemde klacht van subonderdeel 1.4 staat mijns inziens overigens niet in de weg dat de beide emailberichten door de vader zonder tussenkomst van een advocaat aan het hof zijn gestuurd.
Voor de verzoekschriftprocedure geldt een beperkte verplichte procesvertegenwoordiging. De wettelijke regeling van de verzoekschriftprocedure bevat alleen voor het verzoekschrift en het verweerschrift de eis dat deze door een advocaat worden ondertekend (art. 278 lid 3 en art. 282 lid 1 Rv, in hoger beroep in verbinding met art. 362 Rv). Partijen kunnen zonder advocaat (“in persoon”) op de mondelinge behandeling verschijnen (art. 279 lid 3 Rv).
De Hoge Raad heeft met betrekking tot de reikwijdte van de verplichte procesvertegenwoordiging in verzoekschriftprocedures het volgende overwogen:
“3.2.5. (…) Hetgeen hierna ten aanzien van de procureur wordt overwogen geldt (…) evenzeer voor de advocaat.
(…)
3.2.9.1. In verzoekschriftprocedures waarin voor de partijen verplichte procesvertegenwoordiging geldt (hierna: procureurszaken), moeten zij zich bij het verrichten van formele proceshandelingen, zoals het indienen van verzoekschrift of verweerschrift, laten vertegenwoordigen door een procureur, en kunnen zij zich ook overigens laten vertegenwoordigen door een procureur, zoals blijkt uit art. 279 lid 3 dat in procureurszaken partijen die voor de mondelinge behandeling zijn opgeroepen, toestaat niet in persoon maar bij procureur ter terechtzitting te verschijnen.”
Niet geheel duidelijk is wat, afgezien van het indienen van een verzoekschrift en van een verweerschrift, onder het “verrichten van formele proceshandelingen” moet worden verstaan. Voormalig A-G Rank-Berenschot heeft in haar conclusie van 5 juni 2015 mijns inziens terecht geschreven dat in de literatuur in het algemeen wordt aangenomen dat in verzoekschriftprocedures een beperkte procesvertegenwoordigingsplicht geldt die meebrengt “dat afgezien van het ondertekenen van (aanvullend) verzoekschrift (of verweerschrift) geen procesvertegenwoordiging door een advocaat vereist is voor andere handelingen zoals het overleggen van stukken, de indiening van een nadere toelichting of het corresponderen met de betreffende gerechtelijke instantie”. Ook meer recent wordt in de literatuur deze visie in het algemeen gevolgd.
Uit r.o. 2.2 van de bestreden beschikking, waarin het hof spreekt van “verzoeken en standpunten”, lijkt te volgen dat naar het oordeel van het hof de e-mailberichten van de vader, in ieder geval mede, een nadere toelichting bevatten. Uit het voorgaande blijkt dat daarvoor geen verplichte procesvertegenwoordiging nodig is.
Dan kom ik nu toe aan de subonderdelen 1.1 tot en met 1.3. Deze zijn als gezegd gericht tegen de beslissing van het hof in r.o. 2.2 dat, kort gezegd, op de door de vader bij zijn e-mailbericht van 13 november 2024 gevoegde producties geen acht wordt geslagen, omdat deze te laat zijn ingediend; zie het citaat hiervoor onder 3.2, eerste onderstreping (in het onderdeel aangeduid met letter a, zie hiervoor onder 3.3).
Subonderdeel 1.1 stelt voorop dat de in artikel 87 lid 6 Rv genoemde termijn van tien dagen voor de mondelinge behandeling voor het indienen van stukken ingevolge artikel 362 Rv in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv van toepassing is, tenzij de aard van de zaak of de procedure zich hiertegen verzet. Het subonderdeel klaagt dat het hof die tenzij-bepaling van artikel 279 lid 6 Rv heeft miskend. Volgens het subonderdeel verzet de aard van de geschillenregeling van artikel 1:253a BW zich tegen de toepassing van artikel 87 lid 6 Rv, zeker nu het hof een beslissing moet nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt en het hof mede daarom ook diverse ambtshalve bevoegdheden heeft. Voor zover het geldende procesreglement afwijkt van (doel en strekking van) artikel 279 lid 6 Rv, derogeert die laatstgenoemde bepaling als formele wet aan het procesreglement, aldus het subonderdeel.
Voor zover artikel 87 lid 6 Rv wel van toepassing zou zijn (ingevolge artikel 362 in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv), betoogt subonderdeel 1.2 dat het hof niet kenbaar heeft onderzocht of het buiten beschouwing laten van stukken die met schending van die termijn zijn ingediend, in strijd met de goede procesorde is. Het subonderdeel klaagt dat het hof daarmee het wettelijk kader heeft miskend, mede gezien de aard van de onderhavige procedure en bezien in het licht van het feit dat de moeder geen bezwaar heeft gemaakt tegen het indienen van stukken en één dag voor de mondelinge behandeling zelf nog een productie heeft ingediend. Voor zover het geldende procesreglement afwijkt van artikel 87 lid 6 Rv (in verbinding met artikel 362 en 279 lid 6 Rv), derogeert die bepaling als formele wet aan het procesreglement, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 1.3 klaagt dat voor zover het hof het een en ander niet heeft miskend, het zijn oordeel vanwege het voorgaande onvoldoende heeft gemotiveerd, door niet kenbaar het in artikel 279 lid 6 en/of artikel 87 lid 6 Rv bedoelde wettelijke kader te betrekken.
Deze subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Daarbij stel ik het volgende voorop.
Artikel 87 lid 6 Rv
Sinds de invoering van de Spoedwet KEI op 1 oktober 2019 is in artikel 87 lid 6 Rv het volgende bepaald:
Onverminderd artikel 85, worden processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk bij dagvaarding dan wel conclusie van antwoord en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding gebracht, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet.
Artikel 87 lid 6 Rv is overgenomen uit de KEI-wetgeving en komt naar de strekking overeen met artikel 30k lid 5 KEI-Rv. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 30k KEI-Rv blijkt dat het doel van deze termijn van tien kalenderdagen is dat de rechter en partijen voldoende gelegenheid hebben de stukken, conclusies en akten voor aanvang van de mondelinge behandeling te bestuderen. De gedachte is dat het bijdraagt aan een goede zitting als tien dagen voor de zitting het gehele dossier compleet ter beschikking ligt voor alle procesdeelnemers.Deze bepaling bevat een signaal dat stukken zo snel mogelijk ingediend moeten worden. Dat is vanuit een oogpunt van hoor en wederhoor wenselijk, en met tijdige indiening van stukken wordt bijgedragen aan een efficiënt procesverloop en het optimaal benutten van de mondelinge behandeling. Tegelijk is het belang van de waarheidsvinding ermee gediend dat de rechter kan kennisnemen van relevante bewijsstukken die in de procedure worden gebracht. Dat kan ervoor pleiten dat de rechter in bepaalde gevallen soepel is met het toelaten van stukken die te laat in het geding worden gebracht.
Sanctie artikel 87 lid 6 en uitzondering goede procesorde
Over de sanctie op het overschrijden van de tiendagentermijn van artikel 87 lid 6 Rv dat stukken door de rechter buiten beschouwing worden gelaten, en de uitzondering daarop, is in de memorie van toelichting bij artikel 30k lid 5 KEI-Rv het volgende te lezen:
“Wanneer stukken te laat worden overgelegd, laat de rechter deze buiten beschouwing (vijfde lid). Dit is anders indien de goede procesorde zich daartegen verzet. Zo kan het doelmatig zijn dat partijen nog later dan tien dagen voor de mondelinge behandeling stukken indienen wanneer een omgangsregeling of alimentatie wordt gevorderd en een van de ouders enkele dagen voor de zitting is verhuisd of van baan is veranderd. In dergelijke gevallen is het van belang dat deze informatie in de procedure kan worden betrokken.”
De rechter kan een niet-tijdig in het geding gebracht stuk dus niet buiten beschouwing laten op de enkele grond dat het niet met inachtneming van de tiendagentermijn in het geding is gebracht. Hij zal in het kader van de toepassing van artikel 87 lid 6 Rv steeds een op de zaak toegesneden afweging moeten maken of de goede procesorde zich verzet tegen het buiten beschouwing laten van een na de termijn ingediend stuk. Met A-G De Bock ben ik van mening dat dit in wezen hetzelfde afwegingskader is als volgt uit de bestaande rechtspraak van de Hoge Raad. Bij de te maken afweging kunnen naar ik aanneem ook in dit kader onder meer een rol spelen of de stukken qua aard en omvang eenvoudig te doorgronden zijn, of de stukken eerder in het geding hadden kunnen worden gebracht en of de wederpartij bezwaar heeft tegen het alsnog in het geding brengen ervan.
Overeenkomstige toepassing in verzoekschriftprocedures?
Artikel 87 lid 6 Rv is ingevolge de schakelbepaling van artikel 279 lid 6 Rv van overeenkomstige toepassing in verzoekschriftprocedures, “tenzij de aard van de zaak of de procedure zich hiertegen verzet”. De tiendagentermijn geldt in beginsel dus ook in familiezaken, die in meerderheid in de verzoekschriftprocedure worden behandeld. Ingevolge artikel 362 Rv is artikel 279 lid 6 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.
Uit de procesreglementen blijkt in welke familiezaken de rechtbanken en de hoven de tiendagentermijn hanteren en in welke zaken niet.
Procesreglementen rechtbanken
De procesreglementen van de rechtbanken lijken als uitgangspunt te hanteren dat de tiendagentermijn niet geldt in familiezaken. Daarbij lijken ze zich te baseren op de uitzondering van artikel 279 lid 6 Rv dat de aard van de zaak of de procedure zich verzet tegen de toepasselijkheid van artikel 87 lid 6 Rv in familiezaken. Sinds 1 maart 2021 bevatten alle Procesreglementen familie- en jeugdrecht immers een termijn van drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling voor het indienen van processtukken. Zo luidt artikel 1.13 van het Procesreglement Gezag en Omgang, ook van toepassing op verhuisgeschillen op grond van artikel 1:253a BW (mijn onderstreping; A-G):
“Processtukken worden uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediend, tenzij de wet of het procesreglement voorschrijft dat de stukken eerder moeten worden ingediend.”
Die termijn van drie werkdagen heeft geen wettelijke basis. Blijkens de toelichting bij de versie van de Procesreglementen waarin deze driedagentermijn werd geïntroduceerd, is deze termijn bedoeld “om de goede procesorde beter te bewaken dan thans mogelijk is”. Deze termijn voor het overleggen van stukken kan dus worden gezien als een aansporing aan het adres van advocaten en procespartijen om, ondanks het niet gelden van de wettelijke tiendagentermijn, toch tijdig stukken in het geding te brengen.
Artikel 1.13 Procesreglement Gezag en Omgang voorziet in een uitzondering op de hoofdregel van de driedagentermijn, in geval de wet of het procesreglement voorschrijft dat stukken eerder ingediend moeten worden. Van deze uitzondering is sprake in het Procesreglement Scheiding en het Procesreglement Alimentatie en Bijstandsverhaal. In deze procesreglementen wordt voor scheidingszaken, alimentatiezaken en bijstandsverhaalzaken wel een tiendagentermijn gehanteerd voor het indienen van stukken. Zo luidt artikel 7.8 van het Procesreglement Scheiding als volgt (mijn onderstreping; A-G):
“Een partij die tijdens de mondelinge behandeling nog een proceshandeling wenst te verrichten of stukken in het geding wenst te brengen, zorgt ervoor dat de rechtbank en iedere belanghebbende uiterlijk tien dagen voor de dag van de mondelinge behandeling een afschrift van het te nemen processtuk of de in het geding te brengen stukken hebben ontvangen.”
Procesreglement hoven
Anders dan de procesreglementen van de rechtbanken neemt het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven de wettelijke tiendagentermijn voor het indienen van stukken wel als uitgangspunt. Artikel 1.4.5 in het algemene deel van dit Procesreglement luidt, met verwijzing naar artikel 87 lid 6 Rv (mijn onderstreping; A-G):
“1. Een belanghebbende die niet-digitaal procedeert en die na de indiening van het beroepschrift en het verweerschrift (op het incidenteel hoger beroep) nog stukken in het geding wenst te brengen, zorgt ervoor dat het hof en iedere overige belanghebbende zo spoedig mogelijk, maar tot uiterlijk tien kalenderdagen voor de mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 87 lid 6 in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv, een afschrift van het in te dienen processtuk of de in het geding te brengen bewijsstukken hebben ontvangen. Dit wordt gedaan overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1.1.9, 1.1.19 en 1.1.20 voor het indienen van stukken.
Het in te dienen processtuk of de in het geding te brengen bewijsstukken worden in het aantal zoals vermeld in Bijlage I ingediend, met inachtneming van artikel 1.1.9.
2. Een belanghebbende die digitaal procedeert dient de onder 1. Genoemde stukken digitaal in, zoveel mogelijk met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 1. is bepaald.
Stukken die na die termijn of op de mondelinge behandeling in het geding worden gebracht, worden door het hof buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet.
(…)”
Het is mij overigens niet duidelijk waarom deze bepaling zich beperkt tot het indienen van stukken door belanghebbenden, en niet door alle partijen (vgl. de desbetreffende bepalingen in de procesreglementen van de rechtbanken).
Genoemd procesreglement van de hoven kent voor slechts één categorie familiezaken een uitzondering op de wettelijke tiendagentermijn, te weten de kinderbeschermingszaken. Artikel 2.4.6 van het voor familiezaken geldende procesreglement van de hoven luidt als volgt (mijn onderstreping; A-G):
“In afwijking van het bepaalde in artikel 1.4.5 kunnen in zaken betreffende een maatregel van kinderbescherming ook binnen de in dit artikel genoemde termijn van tien kalenderdagen nog stukken worden overgelegd die van belang zijn en niet eerder konden worden ingediend.”
Alleen in kinderbeschermingszaken lijkt “de aard van de zaak of de procedure” (zie art. 279 lid 6 Rv) zich volgens het procesreglement dus te verzetten tegen de toepasselijkheid van de tiendagentermijn van artikel 87 lid 6 Rv.
Artikel 2.4.6 staat in het “bijzonder deel” van het procesreglement voor de hoven. Dit deel bevat bijzondere regels per verzoek, zo ook (in paragraaf 2.4) voor “jeugdzaken”. Dit begrip “jeugdzaken” wordt in artikel 2.4.2 van het procesreglement omschreven als “zaken betreffende gezag, verblijfplaats, omgang, informatie en consultatie ten aanzien van minderjarigen, alsmede maatregelen van kinderbescherming”. Daaronder vallen dus ook verhuisgeschillen op grond van artikel 1:253a BW. Maar omdat artikel 2.4.6 zich uitdrukkelijk beperkt tot kinderbeschermingszaken, geldt op grond van het procesreglement voor verhuiszaken in hoger beroep de wettelijke tiendagentermijn voor het indienen van stukken (zie immers art. 1.4.5 van het procesreglement, hiervoor onder 3.36 geciteerd).
Termijn voor het indienen van stukken in verhuiszaken
Uit het voorgaande blijkt dat rechtbanken en hoven volgens hun procesreglementen andere termijnen voor het indienen van stukken in verhuiszaken op grond van artikel 1:253a BW hanteren. De rechtbanken gaan uit van een termijn van drie werkdagen en de hoven van een termijn van tien kalenderdagen.
De hamvraag is of in verhuiszaken op grond van artikel 1:253a BW de “aard van de zaak of de procedure” zich verzet tegen de toepasselijkheid van de wettelijke tiendagentermijn van artikel 87 lid 6 Rv (zie de schakelbepaling van artikel 279 lid 6 Rv). Ik ben van mening dat deze vraag bevestigend beantwoord moet worden. Dat betekent dat partijen mijns inziens in dergelijke verhuiszaken in beginsel (zie hierna onder 3.44) dus ook korter dan tien kalenderdagen voor de mondelinge behandeling, en ook korter dan drie werkdagen voordien, in het geding mogen brengen.
Ik wijs daartoe op hetgeen de Hoge Raad in zijn uitspraak van 16 mei 2025 (zie hiervoor onder 3.10) heeft overwogen. Daaruit vloeit immers voort dat de beslissing van de rechter in een verhuisgeschil op grond van artikel 1:253a BW (i) dient te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter, en dat (ii) de rechter een zodanige beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a BW), waarmee in overeenstemming is dat de rechter grote vrijheid heeft “alles wat door partijen is aangevoerd bij zijn beoordeling te betrekken”. Die combinatie van karakteristieken, die maken dat in een procedure als de onderhavige een uitzondering op de tweeconclusieregel geldt, maken mijns inziens ook dat de aard van de zaak of de procedure zich tegen overeenkomstige toepassing van de tiendagentermijn van artikel 87 lid 6 Rv verzet.
Dat artikel 87 lid 6 Rv op grond van artikel 279 lid 6 Rv niet van overeenkomstige toepassing is in verhuiszaken op grond van artikel 1:253a BW, betekent echter niet dat de rechter in die zaken stukken die kort voor de mondelinge behandeling in het geding worden gebracht, zonder meer zou moeten toelaten. De rechter dient dat aan de hand van de eisen van een goede procesorde te beoordelen (vgl. hiervoor onder 3.29-3.30).
De rechter die een kort voor de mondelinge behandeling in het geding gebracht stuk toelaat, zal erop moeten letten dat aan het beginsel van hoor en wederhoor recht wordt gedaan en zo nodig maatregelen moeten treffen om wederhoor te waarborgen.
Ik keer terug naar de klachten van de subonderdelen 1.1 tot en met 1.3. Daar kan ik kort over zijn. Die slagen alle.
Zoals hiervoor onder 3.42 en 3.43 reeds is opgemerkt, doet zich mijns inziens in deze procedure – waarbij een verhuisgeschil op grond van artikel 1:253a BW aan de rechter is voorgelegd – het in artikel 279 lid 6 Rv genoemde geval voor dat de aard van de zaak of de procedure zich tegen overeenkomstige toepassing van artikel 87 lid 6 Rv verzet. Subonderdeel 1.1 dat klaagt dat het hof de toepasselijkheid van deze tenzij-bepaling heeft miskend, slaagt dan ook.Dat betekent als gezegd (zie hiervoor onder 3.44) niet zonder meer dat het hof ook acht had moeten slaan op de door de vader bij zijn e-mailbericht van 13 november 2024 (en dus daags voor de mondelinge behandeling) in het geding gebrachte stukken. Mijns inziens had het hof moeten beoordelen of het kort voor de mondelinge behandeling in het geding brengen ervan strijd met de goede procesorde oplevert. Dat heeft het hof niet (kenbaar) gedaan.
Ook als de regeling van artikel 87 lid 6 Rv wel van overeenkomstige toepassing zou zijn, had het hof niet kunnen volstaan met de constatering dat de door de vader bij zijn e-mailbericht van 13 november 2024 gevoegde producties “te laat”, want niet met inachtneming van de in artikel 1.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (en art. 87 lid 6 Rv) genoemde tiendagentermijn, zijn ingediend. Ingevolge voornoemde bepalingen wordt een na de termijn in het geding gebracht stuk door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Niet blijkt dat het hof een dergelijke beoordeling heeft verricht. Subonderdeel 1.2 dat klaagt dat het hof het wettelijk kader (art. 87 lid 6 Rv) heeft miskend, treft daarom eveneens doel.
Subonderdeel 1.3 betoogt tot slot met succes dat als het hof dit een en ander niet heeft miskend, het zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
Onderdeel 1 slaagt dus in al zijn subonderdelen. Tot besluit merk ik op dat het verwijzingshof, als het de e-mailberichten van de vader en de daarbij behorende, nog niet toegelaten, producties alsnog in zijn beoordeling betrekt, de moeder in de gelegenheid zal moeten stellen zich daarover uit te laten.
Onderdeel 2
Onderdeel 2 is gericht tegen r.o. 5.8 tot en met 5.14 van de bestreden beschikking, waarin het hof, kort weergegeven, heeft geoordeeld dat het verzoek van de vader tot het verkrijgen van vervangende toestemming om te verhuizen alsnog moet worden afgewezen en dat de vader met de kinderen zal moeten terugverhuizen naar een woning in de omgeving van [plaats 1] en binnen een straal van 10 km van de in het ouderschapsplan bedoelde school. Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Onderdeel 2 valt uiteen in enkele subonderdelen.
Gelet op het slagen van onderdeel 1 zal het verwijzingshof na vernietiging en verwijzing eerst moeten beoordelen of, en zo ja in hoeverre het de op 29 oktober 2024 en 13 november 2024 door de vader in het geding gebrachte e-mailberichten met, nog niet toegelaten, producties alsnog toelaat. Indien dat hof de genoemde stukken geheel of gedeeltelijk toelaat, zal het de verhuisgerelateerde verzoeken van partijen opnieuw moeten beoordelen, mede met inachtneming van deze alsnog toegelaten stukken. Bij die stand van zaken acht ik het niet zinvol de klachten van onderdeel 2 te bespreken.
Onderdelen 3 en 4
Onderdeel 3 is gericht tegen r.o. 5.5, waar het hof kort gezegd de standpunten van de vader in hoger beroep samengevat heeft weergegeven. Volgens het onderdeel ligt in de voorafgaande onderdelen besloten dat r.o. 5.5 een onjuiste (want onvolledige) althans onbegrijpelijke samenvatting geeft van het verweer van de vader, omdat geen rekening is gehouden met de standpunten van de vader zoals deze zijn weergegeven in zijn e-mailberichten van 29 oktober 2024 en 13 november 2024 (zie onderdeel 1) en evenmin met de standpunten van de vader in eerste aanleg (waarop onderdeel 2 mede betrekking heeft).
De vader heeft bij zijn klacht over de weergave door het hof van zijn standpunt geen zelfstandig belang. Het onderdeel faalt dan ook.
Onderdeel 4 tot slot bevat een voortbouwklacht, die is gericht tegen r.o. 5.16 (beslissing over de hoofdverblijfplaats van de dochter), r.o. 5.17 (beslissing over de zorgregeling) en het dictum van de bestreden beschikking. Deze slaagt in het verlengde van onderdeel 1.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 januari 2025, zoals aangevuld bij herstelbeschikking van 17 juni 2025, en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G