ECLI:NL:PHR:2026:492

ECLI:NL:PHR:2026:492

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 24/03896
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Valsheid in geschrift door destijds kandidaat-raadslid gemeente Teylingen. Art. 225.1 Sr. Middel over bewezenverklaarde opzet op valselijk opmaken van verklaring vermissing reisdocument/rijbewijs gemeente Teylingen faalt. Middel dat klaagt over strafmotivering slaagt, nu uit verhandelde t.t.z. niet kan volgen dat journalistieke activiteiten van verdachte aan orde zijn gekomen en hof ten onrechte in strafmotivering heeft betrokken dat verdachte ten tijde van begaan feit gemeenteraadslid was. Strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot vernietiging van de strafoplegging en in verband daarmee tot terugwijzing van de zaak naar het hof.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03896

Zitting 2 juni 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 22 oktober 2024 door het gerechtshof Den Haag wegens "valsheid in geschrift" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte heeft G. Spong, advocaat in Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

Het middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte opzet, inclusief voorwaardelijk opzet, had op het valselijk opmaken van het formulier ‘verklaring vermissing reisdocument/rijbewijs gemeente [plaats] ’.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 3 december 2021 te [plaats] , gemeente [plaats] , een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een 'Verklaring vermissing reisdocument/rijbewijs gemeente [plaats] ’ valselijk heeft opgemaakt, door in dat geschrift, waarmee verdachte aangifte deed van vermissing van zijn rijbewijs,

- na te laten te vermelden dat zijn rijbewijs op 16 augustus 2021 in beslag was genomen door de Franse autoriteiten en

- na te laten te vermelden bij wie het rijbewijs vermoedelijk in het bezit was en

- te vermelden dat verdachte de vermissing van het rijbewijs had geconstateerd op 3 december 2021 en

- op de vraag "Omschrijving reden en omstandigheden bij het verlies/diefstal/beschadiging:” op te geven “vermist”,

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”

De bewezenverklaring rust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Proces-verbaal van aangifte van de politie Eenheid Den Haag d.d. 25 augustus 2022 onder nummer PL1500-2022253087-2, voor zover inhoudende (p. 5-7):

Ik, [aangever] , ben werkzaam als vakspecialist burgerzaken team kwaliteit en ontwikkeling bij de gemeente [plaats] . Zodoende ben ik ook bevoegd tot het doen van aangifte namens de gemeente [plaats] .

Op 3 augustus 2022 kwam er op onze afdeling een brief binnen van het RDW, waarin stond vermeld dat zij een brief hadden ontvangen van de Franse autoriteiten. In deze brief stond vermeld dat het rijbewijs van [verdachte] was ingevorderd. Het RDW wilde graag dat wij onderzoek hier naar zouden doen, omdat het rijbewijs van [verdachte] volgens hun systeem door onze gemeente als vermist was opgegeven.

In de brief stond vermeld dat er door een bevoegde Franse autoriteit was besloten dat [verdachte] drie maanden een rij ontzegging had gekregen in Frankrijk en dat zijn rijbewijs was ingevorderd.

Wij hebben vervolgens onderzoek gedaan in onze systemen waar wij mee werken. Daarbij hebben wij het archief geraadpleegd waarin alle verklaringen vermissing reisdocument / rijbewijs van de gemeente [plaats] staan. Daarbij kwam een document naar voren waarin [verdachte] op 3 december 2021 zijn rijbewijs als vermist heeft opgegeven bij de gemeente [plaats] . In deze verklaring, die [verdachte] zelf moet invullen, heeft hij aangegeven dat zijn rijbewijs vermist is en dat hij dat op 3 december 2021 heeft geconstateerd. Ook staat vermeld dat hij niet weet wanneer hij zijn rijbewijs voor het laatst had gezien/gebruikt.

De verklaring is toch door [verdachte] op 3 december 2021 in ondertekend. Daarbij geeft hij aan dat dit plaatsvond in [plaats] , maar dat is niet juist, want het was in [plaats] , aangezien daar het gemenete huis is.

2. Proces-verbaal van verhoor van de verdachte van de politie Eenheid Den Haag d.d. 30 september 2022 onder nummer PL1500-2022253087-3, voor zover inhoudende (p. 10-15):

V: vraag verbalisanten

A: antwoord verdachte

O: opmerking verbalisanten

V: U wordt verdacht van valsheid in geschrifte, gepleegd op 3 december 2021 in het gemeentehuis van [plaats] , locatie [plaats] . Een verklaring van vermissing.

O: Ik heb een kopie van de verklaring die u [toen] heeft ingevuld voor uw rijbewijs.

V: Klopt het dat u dit formulier heeft ingevuld?

A: Ja

V: Is dit uw handtekening?

A: Ja

3. Een geschrift, zijnde een 'Verklaring vermissing reisdocument/rijbewijs gemeente [plaats] ’, ingevuld door [verdachte] d.d. 3 december 2021:

Het hiervoor vermelde bewijsmiddel is slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

4. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 oktober 2024,

-zakelijk weergegeven-:

U zegt mij dat mijn rijbewijs toen, op 16 augustus 2021, door de Franse politie is ingenomen in Frankrijk en dat ik heb verklaard dat een agent daarbij zou hebben gezegd dat ik mijn rijbewijs na 1 à 2 weken zou terugkrijgen. Dat klopt ook.

U houdt mij voor dat op het formulier staat 'Heeft u een vermoeden wie het document nu in bezit heeft?' en dat ik daar niets heb ingevuld. Dat klopt. Het kon bij de Franse justitie zijn of vermist zijn geraakt bij de post.

U zegt mij dat ik op het formulier achter 'Datum waarop het verlies / diefstal / beschadiging is geconstateerd’ '3-12- 2021' heb ingevuld, terwijl ik eerder heb verklaard dat ik, toen ik mijn rijbewijs na 3 maanden nog steeds niet had terugontvangen, had geconcludeerd dat mijn rijbewijs vermist was geraakt bij de post of bij de Franse justitie. Dat heb ik inderdaad verklaard.

U zegt mij dat ik mijn rijbewijs voor het laatst heb gezien toen ik het op 16 augustus 2021 aan de Franse politie moest overhandigen en dat ik later een brief heb ontvangen dat ik 3 maanden een rijontzegging in Frankrijk had gekregen. U vraagt mij of je, gelet daarop, kan zeggen dat het rijbewijs vermist is geraakt of dat het zich, wellicht ten onrechte, nog in Frankrijk zou bevinden en of ik daar dan niet naar had moeten informeren. U heeft gelijk, Ik heb veel dingen qua controleren niet goed gedaan, zo simpel is het. Ik wilde de hele kwestie achter mij laten.

Ik vulde het formulier in, om een nieuw rijbewijs te kunnen krijgen.

U houdt mij voor dat ik bij de vraag 'Ik heb het document de laatste keer gebruikt op ... of rond ...' achter 'op' een vraagteken heb ingevuld. U vraagt mij of dit niet op 16 augustus 2021 was, de datum van de inname in Frankrijk. Er stond op het formulier dat ik het naar waarheid moest invullen. In mijn herinnering had het ook op 15 of 17 augustus geweest kunnen zijn. Als ik achter 'op' dan 16 augustus 2021 had ingevuld, was dat misschien niet waar geweest. U zegt mij dat er staat 'op ... of rond ...'. Ik heb inderdaad een vraagteken achter 'op' ingevuld.”

Het hof heeft het verweer van de verdediging als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het valselijk opmaken van het formulier "Verklaring vermissing reisdocument/rijbewijs gemeente [plaats] ” (hierna: het formulier) en daarom moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft op 3 december 2021 bij het gemeentehuis te [plaats] opgave gedaan van vermissing van zijn rijbewijs door op die dag het daartoe bestemde formulier in te vullen en te ondertekenen. Vervolgens heeft hij het formulier verstrekt aan de dienstdoende medewerkster publiekszaken ter verdere afhandeling. Dit ingevulde formulier zit in het strafdossier.

Op het formulier dient allereerst te worden aangegeven op welke datum het verlies, de diefstal of de beschadiging is geconstateerd. De verdachte heeft hier ‘3 december 2021‘ ingevuld. Bij de politie heeft hij hierover verklaard dat hij er op die dag van uitging dat zijn rijbewijs vermist was geraakt. Dit terwijl, zoals de verdachte wist, het rijbewijs op 16 augustus 2021 door de Franse politie in beslag was genomen wegens een forse snelheidsovertreding. Dit was op de eerste vakantiedag van de verdachte en zijn gezin in Frankrijk. Ondanks deze wetenschap heeft de verdachte tevens op het formulier - door middel van het plaatsen van vraagtekens - aangegeven niet te weten op of rond welke datum en waarvoor hij zijn rijbewijs het laatst heeft gebruikt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij sinds de inbeslagname van zijn rijbewijs elke dag heeft gewacht op het terugkrijgen daarvan. Hij "stond ermee op en ging ermee naar bed", aldus zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep. Aanvankelijk verwachtte hij dat hij zijn rijbewijs binnen 1 à 2 weken na inbeslagname zou terugkrijgen, omdat de Franse politie hem dat zou hebben meegedeeld. Toen dat niet gebeurde, stelt hij er vanuit te zijn gegaan dat het rijbewijs na drie maanden zou arriveren, omdat hij ongeveer anderhalve maand na de inbeslagname een brief ontving van de Franse autoriteiten met de mededeling dat hem in Frankrijk voor drie maanden de rijbevoegdheid was ontzegd. Toen hij ook na drie maanden het rijbewijs niet terug had ontvangen, kwam hij naar eigen zeggen tot de conclusie dat het verloren was geraakt in de Franse bureaucratie, dan wel zoek was geraakt in de post. Dit terwijl hij desgevraagd ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij in de tussenliggende periode geen pogingen heeft ondernomen om in contact te treden met de Franse autoriteiten, de RDW of andere instanties om te informeren naar de mogelijkheden om de teruggave van zijn rijbewijs te bewerkstelligen. Nu de verdachte de op het formulier genoemde opties van verlies, diefstal of beschadiging niet van toepassing achtte, meent hij terecht op het formulier, bij de vraag 'Omschrijving reden en omstandigheden bij het verlies/diefstal/beschadiging’ te hebben aangetekend dat zijn rijbewijs was 'vermist’. Volgens de verdachte is de wijze waarop hij het formulier heeft ingevuld dus juist.

Het hof volgt de verdachte hierin niet. Door na te laten de op het formulier gevraagde informatie (kort gezegd: de datum en omstandigheden van het kwijtraken van het rijbewijs) te verstrekken terwijl hij deze informatie wel had en kende, heeft de verdachte essentiële informatie onvermeld gelaten, terwijl op hem de rechtsplicht rustte deze te verstrekken.

Dit blijkt ook uit het feit dat onderaan het formulier is vermeld dat het aanvragen van een reisdocument of rijbewijs op grond van valse gegevens strafbaar is. Gelet op de inbeslagname door de Franse autoriteiten was zijn aantekening op dat formulier dat het rijbewijs (slechts) 'vermist' was voorts onwaar. Het kan niet anders dan dat de verdachte zich er terdege van bewust was dat hij op deze wijze de werkelijkheid geweld aandeed. Aldus heeft hij zich schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van het betreffende formulier. Niet in geschil is dat het formulier een geschrift is dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, zoals in de tenlastelegging is vermeld.

Het hof acht verder bewezen dat de verdachte het oogmerk had om dit formulier als echt en onvervalst te (laten) gebruiken. Hij ging er, zo blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, vanuit dat hij op basis van het door hem ingevulde en ondertekende formulier zonder discussie een nieuw rijbewijs zou verkrijgen. Dit laatste is in eerste instantie ook gelukt. De gemeente [plaats] is pas later op de hoogte geraakt van het feit dat het rijbewijs van de verdachte in beslag was genomen door de Franse politie en heeft vervolgens aangifte van valsheid in geschrifte gedaan.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.”

Art. 225 lid 1 Sr luidt als volgt:

“Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Het valselijk opmaken of vervalsen in de zin van art. 225 lid 1 Sr omvat het op die handeling gerichte opzet. De valsheid van een stuk kan er onder meer uit bestaan dat de inhoud niet overeenstemt met de werkelijkheid. Het nalaten van het vermelden van bepaalde gegevens of feiten kan onder omstandigheden ook valsheid opleveren. Daarvan is onder meer sprake indien de niet-vermelde informatie essentieel is of indien sprake is van een rechts- respectievelijk ambtsplicht tot vermelding. Met betrekking tot de vraag of het niet vermelden van bepaalde feiten en/of omstandigheden valsheid oplevert, is beslissend of de werkelijkheid geweld wordt aangedaan.

Onderhavige situatie, waarin een rijbewijs ongeldig is verklaard in een andere lidstaat van de Europese Unie, doet vooraleerst de vraag rijzen naar de status van het rijbewijs in Nederland als gevolg van een in Frankrijk opgelegde rijontzegging. Een ongeldigverklaring van een rijbewijs in een bepaalde EU-lidstaat geldt enkel in die staat zelf en heeft daarmee niet direct ook rechtswerking in Nederland. De Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) biedt met betrekking tot de ongeldigverklaring van het rijbewijs geen raamwerk voor de uitbreiding van die rechtswerking, nu die wet slechts van toepassing is voor zover het gaat om rechterlijke uitspraken betreffende de oplegging van ‘vrijheidsbenemende- en voorwaardelijke sancties’. Ook het Kaderbesluit 2008/947/JBZ inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen voorziet niet in de wederzijdse erkenning van de rijontzegging (zie daartoe art. 4). De mogelijkheid die op grond van Richtlijn 2006/126/EG (de ‘rijbewijs-richtlijn’) thans slechts bestaat is dat de lidstaat die de rijontzegging oplegt de ‘inwisseling’ van het rijbewijs vordert (art. 11 lid 2) en dat ingewisselde rijbewijs terugzendt naar de autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven onder vermelding van de redenen (art. 11 lid 3), waarna de lidstaat die het rijbewijs heeft afgegeven de afgifte aan de aanvrager weigert (art. 11 lid 4). Deze procedure vergt evenwel een bepaald voortvarend handelen en een deugdelijk administratief proces. Met het oog op het verzekeren van de intracommunautaire handhaving heeft de Commissie op 1 maart 2023 een richtlijn aangenomen die het hiervoor bedoelde ‘vacuüm’ beoogt tegen te gaan. Daarnaast verdient vermelding dat op 5 november 2025 de Richtlijn (EU) 2025/2206 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2025 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2025/2205 wat betreft bepaalde rijontzeggingen in het publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd. Die richtlijn regelt dat onder meer een rijontzegging die is afgegeven in een EU-lidstaat gelding heeft in de gehele EU, omdat de lidstaat die het rijbewijs heeft afgegeven verplicht is de ontzegging uit te voeren (art. 15 quater). De lidstaat die een dergelijke straf oplegt, is verplicht hiervan kennis te geven aan de lidstaat die het rijbewijs heeft afgegeven (art. 15 bis). De lidstaten dienen vóór 26 november 2028 de bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen en dienen per 26 november 2029 de bepalingen toe te passen (art. 2). Daarbij is tevens aangekondigd dat per 2030 het rijbewijs van lidstaten van de Europese Unie digitaal wordt.

Terug naar de onderhavige zaak. Het middel keert zich, zoals gezegd, tegen de bewezenverklaring van het opzet op het valselijk opmaken van het formulier ‘Verklaring vermissing reisdocument/rijbewijs gemeente [plaats] ’. Het middel klaagt dat het gelet op de beperkte keuze die het formulier gaf, de ‘enkele omstandigheid’ dat de verdachte heeft nagelaten de op het formulier gevraagde informatie op te nemen niet, althans niet zonder meer ‘valselijk opmaken’ oplevert en het oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich er terdege van bewust was dat hij op deze wijze de werkelijkheid geweld aandeed, onbegrijpelijk is.

Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte op 3 december 2021 een schriftelijke verklaring heeft ingevuld, inhoudende dat zijn rijbewijs ‘vermist’ was. Daarbij heeft hij, terwijl hij dat wist, achterwege gelaten dat zijn rijbewijs op 16 augustus 2021 in Frankrijk in beslag was genomen en hem aldaar de rijbevoegdheid was ontzegd voor de duur van drie maanden, terwijl de verdachte ondanks deze wetenschap wél op het formulier – door middel van het plaatsen van vraagtekens – heeft aangegeven niet te weten op of rond welke datum en waarvoor hij zijn rijbewijs het laatst heeft gebruikt. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de verdachte daarmee essentiële informatie achterwege heeft gelaten, in weerwil van de op hem rustende rechtsplicht die informatie te verstrekken. Dit blijkt volgens het hof ook uit het feit dat onderaan het formulier is vermeld dat het aanvragen van een rijbewijs op grond van valse gegevens strafbaar is. Voorts heeft het hof geoordeeld dat – gelet op de omstandigheden waaronder de verdachte het rijbewijs kwijt is geraakt – de door de verdachte aantekening ‘vermist’ onwaar was. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich er terdege van bewust was dat hij op deze wijze de werkelijkheid geweld aandeed.

Ter onderbouwing van de klacht wijst de steller van het middel op HR 24 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7941. In die zaak werd de verdachte – een politieagent – vervolgd vanwege het valselijk opmaken van bestanden in een Vreemdelingen Administratie Systeem, omdat hij daarin niet vermeldde dat een vergunning tot verblijf was afgegeven. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen niet méér volgde dan dat de verdachte ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde vreemdelingen telkens heeft nagelaten in genoemd systeem op te nemen dat een vergunning tot verblijf was afgegeven en die enkele omstandigheid niet het ‘valselijk opmaken’ oplevert.

Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, kan uit voormeld arrest niet worden afgeleid dat het enkele niet vermelden van ‘bepaalde gegevens’, geen ‘valselijk opmaken’ oplevert, reeds niet nu de aard van de niet-vermelde gegevens relevant is voor die vraag. Daarbij kon uit de bewijsvoering die het hof ten grondslag had gelegd aan zijn bewezenverklaring niet zonder meer volgen dat de verdachte het niet vermelden van de gegevens ‘opzettelijk’ had gedaan en er in dat verband evenmin uit de tenlastelegging kon volgen dat er sprake was van het in strijd handelen met enige rechtsplicht. Tot slot kon uit het arrest niet volgen welke betekenis in de kleine kring van gebruikers van het systeem aan niet-registratie wordt toegekend.

Het middel gaat er naar mijn mening aan voorbij dat het hof zijn bewezenverklaring op meer heeft gebaseerd dan de ‘enkele omstandigheid’ dat de verdachte heeft nagelaten de op het formulier gevraagde informatie op te nemen. De verdachte heeft immers, gevraagd naar de datum van het verlies, de diefstal of de beschadiging, 3 december 2021 ingevuld in de wetenschap dat zijn rijbewijs reeds op 16 augustus 2021 in beslag was genomen. Tevens heeft de verdachte ondanks deze wetenschap op het formulier – door middel van het plaatsen van vraagtekens – aangegeven niet te weten op of rond welke datum en waarvoor hij zijn rijbewijs het laatst heeft gebruikt. Daarbij is door de verdachte – in weerwil van de vraag op het formulier – onvermeld gelaten wat de omstandigheden van het kwijtraken van het rijbewijs inhielden, terwijl het geen betoog behoeft dat die omstandigheden essentieel waren voor de beoordeling van de aanvraag en het niet vermelden van die omstandigheden de werkelijkheid geweld aan hebben gedaan. Die omstandigheden kunnen immers niet het predikaat ‘vermist’ – zoals bedoeld in het formulier – dragen. Op basis van voornoemde vaststellingen heeft het hof niet onbegrijpelijk tot het oordeel kunnen komen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk opmaken van een vals geschrift.

Het middel faalt.

3. Het tweede middel

Het middel klaagt over de strafmotivering.

Met betrekking tot de oplegging van de straf heeft het hof het volgende overwogen:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een formulier waarin opgave is gedaan van vermissing van zijn rijbewijs valselijk opgemaakt en daarvan gebruik gemaakt bij de gemeente. Zijn bedoeling hiermee was om snel en eenvoudig een nieuw rijbewijs te verkrijgen, terwijl correcte vermelding van de relevante omstandigheden dat waarschijnlijk zou hebben bemoeilijkt. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat moet kunnen worden ontleend aan formulieren ter aanvraag van een door de overheid af te geven document. Instanties zoals de gemeente dienen er vanuit te kunnen gaan dat dit soort formulieren overeenkomstig de werkelijkheid worden ingevuld. Nu de verdachte op het moment van het begaan van het feit was verkozen als gemeenteraadslid van de betreffende gemeente en hij bovendien zelf als journalist kritisch schrijft over overheidshandelen, had zeker van hem mogen worden verwacht dat hij integer zou hebben gehandeld. Dat hij dit heeft nagelaten, rekent het hof hem aan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Hij moet daarom ais een zogenaamde “first-offender” worden aangemerkt.

Alles afwegende, en met name gelet op de persoon van de verdachte, is het hof van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf, zoals geëist door de advocaat- generaal, onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof acht een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie.”

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 oktober 2022 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“[…]

U vraagt mij wat volgens mij de gevolgen zouden zijn geweest als ik het formulier wel goed had ingevuld. Waarschijnlijk had dat helemaal geen gevolgen gehad. Ik was op dat moment nog geen gemeenteraadslid en ook geen bestuurder, ik was een inwoner van de gemeente. Wel stond ik toen voor de gemeenteraadsverkiezing op de vierde plek van de kandidatenlijst van het [politieke partij] .

[…]

U wijst mij erop dat ik journalist ben, lokaal actief en ‘inwoner’ heb vermeld in plaats van het op het formulier gebruikte ‘burger’, wat erop duidt dat ik kritisch naar het formulier heb gekeken. Dat klopt, maar gaat voorbij aan mijn toenmalige gemoedstoestand.

[…]

De verdachte legt op vragen omtrent de persoonlijke omstandigheden een verklaring af, inhoudende:

U, voorzitter, zegt mij dat ik geen justitiële documentatie heb. U zegt mij dat ik destijds voor de gemeenteraad kandidaat was voor het [politieke partij] . U vraagt mij hoe dit toen verder is gegaan. De burgemeester heeft enkele dagen na de aangifte tegen mij alle fractievoorzitters van de politieke partijen in [plaats] daarover geïnformeerd. Het [politieke partij] heeft toen het vertrouwen in mij verloren en gezegd 'hier scheiden onze wegen'. Ik ben toen de gemeenteraadsverkiezingen ingegaan met mijn eigen partij, de Partij voor [plaats] . Ik heb nu een zetel in de gemeenteraad en doe dit werk nog steeds met volle overgave. Ik heb ook nog een eigen bedrijf voor het schrijven van artikelen. Door deze kwestie ben ik echter veel klanten kwijtgeraakt. Het heeft in heel veel media gestaan, niet alleen lokaal, ook landelijk. Mijn naam is wat besmeurd. Toen ik in eerste aanleg werd vrijgesproken, heb ik dat in verschillende media wereldkundig gemaakt.

U vraagt mij naar mijn inkomen. Ik ben heel gelukkig met mijn vrouw en zij heeft een vaste baan. Alleen had ik het niet gered. We hebben twee meerderjarige kinderen. Ze wonen nog thuis. U vraagt mij of ik nog maatschappelijk actief ben. Ja, maar ik heb wel een aantal zaken moeten opgeven door deze kwestie. Ik ben ambassadeur van park Overbosch, scheidsrechter en lid van [A] . Ik ben gevraagd om daarvan voorzitter te worden, maar dat kon niet door dit hoger beroep. Ook ben ik lid van de Raad van Toezicht van de bibliotheek. Ik heb sollicitaties uitgestuurd, maar ben nergens voor een gesprek uitgenodigd. Als ik nu word veroordeeld, heeft dat effect op persoonlijk, bestuurlijk en zakelijk vlak. Mijn kinderen worden dan kinderen van een veroordeeld crimineel. Ik kan wel zonder VOG mijn werk als gemeenteraadslid voortzetten.”

In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt, beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.

Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is. Geen rechtsregel verzet zich er bovendien tegen dat de rechter naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting bij de strafoplegging rekening houdt met feiten en omstandigheden die kunnen gelden als omstandigheden waaronder het feit is begaan en die als zodanig uit het dossier of het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Als het proces-verbaal van de terechtzitting, noch de overige stukken waarvan de Hoge Raad kennisneemt, evenwel steun bieden voor de vaststellingen van het hof ten behoeve van de strafoplegging, zijn deze niet zonder meer begrijpelijk en is de strafoplegging daarom ontoereikend gemotiveerd.

Het middel keert zich, zoals al aangegeven, tegen de strafmotivering. Het bevat – mede gelet op de toelichting – klachten over de vaststellingen van het hof dat de verdachte op het moment van het begaan van het feit was verkozen als gemeenteraadslid van de betreffende gemeente en hij bovendien zelf als journalist kritisch schrijft over overheidshandelen. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de journalistieke activiteiten van de verdachte en de inhoud daarvan niet aan de orde zijn gekomen en dat de verdachte op het moment van het begaan van het feit nog niet was verkozen als gemeenteraadslid.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is de verdachte er door de voorzitter slechts op gewezen dat hij journalist is, hetgeen hij heeft beaamd en heeft de verdachte zelf verklaard dat hij een eigen bedrijf heeft voor het schrijven van artikelen. Hieruit volgt nog niet dat het functioneren van de verdachte als journalist, die kritisch schrijft over overheidshandelen, ter terechtzitting is besproken. De klacht is daarmee terecht voorgesteld.

Ten aanzien van de klacht dat het hof in de strafmaatoverwegingen ten onrechte heeft betrokken dat de verdachte ten tijde van het begaan van het feit op 3 december 2021 was ‘verkozen’ als gemeenteraadslid van de gemeente [plaats] , wijst de steller van het middel erop dat de verdachte ten tijde van het begaan van het feit slechts ‘kandidaat’-gemeenteraadslid was. Ook hier heeft de steller van het middel een punt, aangezien uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep naar voren komt dat de verdachte destijds nog slechts kandidaat-gemeenteraadslid was.

Het vorenstaande brengt met zich dat de vaststellingen van het hof dat de verdachte op het moment van het begaan van het feit was verkozen als gemeenteraadslid van de betreffende gemeente en hij bovendien zelf als journalist kritisch schrijft over overheidshandelen niet zonder meer begrijpelijk zijn aangezien noch het proces-verbaal van de terechtzitting, noch de overige stukken waarvan in cassatie kennis wordt genomen, daarvoor steun bieden. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht. De verdere klacht dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op het strafmaatverweer van de verdachte – welke in mijn optiek overigens faalt – behoeft daarmee geen bespreking.

Het middel slaagt.

4. Slotsom

Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt. Omdat het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening daarvan op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand.

Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand