ECLI:NL:PHR:2026:498

ECLI:NL:PHR:2026:498

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 09-06-2026
Datum publicatie 15-05-2026
Zaaknummer 24/02611
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2026:1276

Samenvatting

Conclusie AG. Poging tot doodslag door te steken in de borst en de buik (art. 45 en 287 Sr). Middel richt zich tegen de overwegging van het hof in de strafmotivering dat de verdachte met 'vol opzet' heeft gehandeld. Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02611

Zitting 9 juni 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 5 juli 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001365-23) wegens "poging tot doodslag", veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en in verband daarmee een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat uit de uiterlijke verschijningsvorm het volle opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer volgt. Uit de toelichting op het middel maak ik op dat het middel zich niet keert tegen de bewezenverklaring van het opzet als zodanig. Daarbij neem ik in aanmerking dat enkel wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat uit de uiterlijke verschijningsvorm vol opzet kan worden afgeleid, onjuist is. In het middel en de toelichting daarop wordt niet gesteld dat aan de zijde van de verdachte in het geheel geen sprake was van opzet op de dood van het slachtoffer of dat het opzet van de verdachte niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Wel wordt in de toelichting op het middel erop gewezen dat het hof bij de strafoverwegingen het volle opzet van de verdachte strafverzwarend heeft laten meewegen. Ik vat het middel daarom zo op dat het zich keert tegen de strafmotivering voor zover het hof daarin heeft overwogen dat het bij de bepaling van de straf “in het bijzonder nog in aanmerking [heeft] genomen dat de verdachte met vol opzet heeft geprobeerd het [slachtoffer] te doden.” Voor de beoordeling of het hof op juiste gronden het volle opzet van de verdachte strafverzwarend mee heeft laten wegen, zoek ik aansluiting bij de invulling die aan het volle opzet wordt gegeven in het kader van de bewijsvraag.

Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 30 september 2022 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

Deze bewezenverklaring berust op de bewijsmiddelen die in het bestreden arrest zijn opgenomen, waarnaar ik hier grotendeels verwijs. Daaronder is ook de aangifte van het [slachtoffer] . Aan dit bewijsmiddel 3 ontleen ik het volgende:

“Wij liepen richting de parkeerplaats en [verdachte] zei dat hij daar de wiet bij één jongen moest gaan halen. Daar aangekomen zei [verdachte] dat ik hem moest betalen. Ik moest alles geven wat in mijn zakken zat. Normaal heb ik wat meer cash bij mij en [verdachte] heeft dat wel eens gezien. Ik zei tegen hem: "Ik heb niets bij me, je bent gek geworden!" [verdachte] zei dat ik toch moest betalen en trok toen het mes. Hij zei dat het hem niks uitmaakte en dat ik moest betalen. [verdachte] stak meteen in het midden van mijn buik en vervolgens in mijn linker zij. Ik wist dat ik gestoken was en pakte zijn hand met het mes vast. Het was een soort schilmes met een groen-wit handvat. Ik wilde niet nog een keer gestoken worden en was bang dat hij mij dood wilde steken. Ik zag dat [verdachte] het mes van zijn rechter in zijn linkerhand wilde pakken. Ik kon mij niet meer veilig houden en wilde weg. De pijn in mijn buik werd steeds erger en ik duwde [verdachte] van mij af. Ik ken [verdachte] via-via, maar ken hem verder niet zo goed. Ik zie hem wel eens in een groep buiten. Wij hebben wel telefoonnummers uitgewisseld. Ik weet ook dat hij bij [A] gewerkt heeft. Een ex-vriendin van mij heeft daar met hem samengewerkt. Mijn ex-vriendin is [betrokkene 1] . Op dit moment lig ik op de ic-afdeling van het [B] ziekenhuis in [plaats] . Ik ben meteen geopereerd. Mijn darm was geraakt en kwam uit de wond in mijn buik. Ik heb op dit moment veel pijn in mijn buik bij de minste inspanning die ik doe. Ik krijg nu morfine tegen de pijn.”

De bewijsoverwegingen van het hof luiden, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel (met weglating van een voetnoot):

Standpunt van de verdediging

(…)

De verdediging heeft subsidiair bepleit dat de verdachte van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken. In dit verband is, kort samengevat, aangevoerd dat uit het dossier weliswaar blijkt dat sprake is van een steekwond, maar niet hoe lang of hoe diep die wond is. Volgens [slachtoffer] Zou hij zijn gestoken met een groen-wit schilmes. Het lemmet van een dergelijk mesje zal maximaal zes centimeter lang zijn. Uit het enkele feit dat de darmwand is geraakt, kan ook niet de diepte van de wond worden afgeleid. Gelet op de summiere informatie in het dossier kan niet worden vastgesteld dat sprake is van opzet op de dood, nu niet kan worden geconcludeerd dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond en evenmin dat die kans is aanvaard.

Oordeel van het hof

(…)

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dit handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag, zoals primair aan hem is tenlastegelegd. In dit verband overweegt het hóf het navolgende.

Uit de inhoud van het dossier blijkt dat [slachtoffer] in zijn linker borsthelft en in zijn buik is gestoken. Voorts bevinden zich foto's van de jas van de aangever in het dossier. Het hof heeft op die foto’s waargenomen dat het gaat om een dikke jas. Mede gelet hierop kan het niet anders zijn dan dat de verdachte met dermate veel kracht heeft gestoken dat hij de dikke jas en de overige kleding van [slachtoffer] op meerdere plekken heeft doorboord en bij de aangever twee steekwonden heeft toegebracht. Ten aanzien van de steekwond in de buik van [slachtoffer] blijkt dat daarbij een deel van de darm buiten het lichaam van [slachtoffer] is gekomen. Dit duidt naar het oordeel van het hof niet op slechts een oppervlakkig toegebrachte steekwond. Gelet op de uiterlijke verschijningsvormen kunnen verdachtes gedragingen redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan als handelingen gericht op het doden van [slachtoffer] . Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden, die hadden kunnen worden geraakt. Wanneer (een van) deze organen door een messteek worden geraakt, kan dat leiden tot de dood. Ook wanneer in de buik wordt gestoken bestaat het risico op letsel aan de inwendige buikorganen en letsel aan bloedvaten, waaronder slagaders, met een kans op veel bloedverlies en een overlijden ten gevolge daarvan. Nu de verdachte met kracht in de borst (vlak onder het hart) en in de buikholte heeft gestoken, kan naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] wilde doden. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte vol opzet had op het doden van [slachtoffer] en komt tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde.”

Bij de motivering van de opgelegde straf heeft het hof verder onder andere overwogen:

“De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag doordat hij het [slachtoffer] meermaals met een mes heeft gestoken. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat de steekpartij voor [slachtoffer] lichamelijk langdurig ernstige gevolgen heeft (gehad). Door de messteek in de buikholte zijn de buikspieren doorboord en is een deel van de darm van [slachtoffer] uit het lichaam gekomen en is hij met spoed geopereerd. De messteek in de linkerborst had het hart of een slagader van [slachtoffer] kunnen raken, waardoor hij ter plekke had kunnen overlijden. Door toedoen van de verdachte heeft het slachtoffer een groot ontsierend litteken op zijn buik waardoor hij blijvend aan de gebeurtenis zal worden herinnerd.

(…)

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de hiervoor omschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Het hof heeft hierbij in het bijzonder nog in aanmerking genomen dat de verdachte met vol opzet heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden. Hij heeft het slachtoffer vervolgens bloedend en kermend van de pijn op straat achtergelaten. Het slachtoffer is gelukkig naar een andere, drukkere, weg kunnen lopen en is daar door een voorbijrijdende agent aangetroffen. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen en geen enkel berouw getoond.”

De stellers van het middel voeren hiertegen aan dat In de bewijsmiddelen is vastgesteld dat de wil van de verdachte was gericht op het innen van een geldbedrag, hetgeen hij kracht heeft bijgezet door te steken. Verder zijn er volgens de stellers van het middel contra-indicaties voor vol opzet op de dood, te weten dat de verdachte niet in het hart van het slachtoffer heeft gestoken en dat hij het slachtoffer gewond, maar levend heeft achtergelaten. In dit verband wijzen de stellers van het middel naar het proefschrift van Arendse, waarin wordt beschreven dat de figuur van de ‘uiterlijke verschijningsvorm’ in de rechtspraak van de Hoge Raad niet (of nauwelijks) voorkomt in de motvering van de bewezenverklaring van vol opzet, dat wil zeggen een willens en wetens handelen primair gericht op het strafbare gevolg. Wel komt deze figuur expliciet terug in de standaardoverweging van de Hoge Raad over voorwaardelijk opzet.

In deze standaardoverweging zegt de Hoge Raad over de twee elementen van opzet, het weten en het willen, dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals bijvoorbeeld de dood - aanwezig is als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Daarvan is sprake als de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden én dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

“Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld of van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent wat tijdens de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.”

Daarmee is echter niet gezegd dat vol opzet niet uit uiterlijke omstandigheden kan worden afgeleid. Ook degene die bewust handelt met de enkele wil om bijvoorbeeld een ander te doden, zal niet altijd verklaren over wat er in hem is omgegaan op het moment van handelen, terwijl ook getuigenverklaringen daar dan geen inzicht in hoeven te geven. Toch kan dan uit zichtbaar ‘doelbewust’ handelen die wil worden afgeleid, bijvoorbeeld in het geval dat een verdachte rechtstreeks op een slachtoffer afloopt, een vuurwapen tevoorschijn haalt en gericht op het hoofd van het slachtoffer schiet. Uit dit waarneembare handelen kan dan toch een duidelijke aanwijzing worden ontleend dat de wil van de verdachte primair was gericht op het doden van het slachtoffer.

Het innerlijke willen en weten van een (zwijgende) verdachte kan, zo schrijft Reijntjes, onder toepassing van ervaringsregels worden afgeleid uit objectief waarneembare omstandigheden. Bij gebreke van een andere verklaring voor het gedrag, bijvoorbeeld van de verdachte, wordt de mogelijkheid dat de innerlijke gesteldheid van de verdachte niet correspondeert met het uiterlijk waarneembare gedrag, terzijde gesteld. Dat geldt zowel voor het bewijs van vol als voor voorwaardelijk opzet.Keijzer gaat hier eveneens van uit en merkt daarbij op dat deze ‘uiterlijke verschijningsvorm’ niet meer is dan een hulpmiddel dat niet zonder meer beslissend hoeft te zijn. Daarbij geldt dat verschillende delicten een gelijke uiterlijke verschijningsvorm kunnen vertonen. Ten slotte wijst hij erop dat die uiterlijke verschijningsvorm een “rechterlijke (re)constructie” is, aangezien de rechter de verschijningsvorm niet zelf heeft waargenomen. Beide auteurs laten daarmee ruimte voor het bestaan van hetgeen door de Hoge Raad wordt aangeduid als ‘contra-indicaties’. Daarbij gaat Keijzer nog verder door te betogen dat rechter niet zonder meer mag afgaan op de uiterlijke verschijningsvorm.

Aan het voorgaande, kort gezegd dat willen en weten zich kenbaar kan uiten, maar dat deze waarnemingen moet worden bezien in het geheel van wat het onderzoek heeft opgeleverd, doet niet af dat in de rechtspraak van de Hoge Raad de uiterlijke verschijningsvorm niet vaak in die bewoordingen in de beoordeling van het bewijs van vol opzet wordt betrokken.

In de onderhavige zaak heeft het hof aan waarneembare handelingen vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer tot twee keer toe heeft gestoken, te weten in de linker borsthelft vlak onder het hart en in de buik, met gevaar voor de buikorganen en bloedvaten, waaronder slagaders. Dit is gebeurd met zodanige kracht dat zowel een dikke jas werd doorboord als steekletsel werd toegebracht aan het slachtoffer. Dit heeft geleid tot een meer dan oppervlakkige steekwond in de buik, aangezien daarbij een deel van de darm buiten het lichaam is gekomen. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer wilde doden en dus vol opzet had op de dood.

Volgens de stellers van het middel had het hof deze conclusie niet kunnen trekken omdat in “in de bewijsmiddelen is vastgesteld dat de intentie/wil van verdachte het innen van een geldbedrag was hetgeen verdachte kracht bij heeft gezet door te steken”. Dat het hof in het licht van de genoemde waarneembare handelingen niet heeft aangenomen dat de verdachte de intentie had om met het toegepaste geweld enkel de verdachte te dwingen tot afgifte van geld en niet het slachtoffer te doden, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte zelf niet over zijn intentie heeft verklaard, maar alleen steeds heeft ontkend degene te zijn geweest die het slachtoffer heeft gestoken. Weliswaar heeft het slachtoffer verklaard dat de verdachte geld van hem wilde, maar mede gelet op der aard van het vervolgens toegepaste geweld, heeft het hof hier niet noodzakelijkerwijs uit hoeven afleiden dat dit geweld enkel in dienst stond van een afpersing. Voor verdere toetsing van dit oordeel is in cassatie geen plaats, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard.

Verder noemt het middel twee contra-indicaties voor het aannemen van vol opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer. Ten eerste dat de verdachte het slachtoffer niet ín het hart heeft gestoken. Ten tweede dat de verdachte het slachtoffer levend heeft achtergelaten. Beide argumenten worden voor het eerst in cassatie aangevoerd, zodat het geen verwondering hoeft te wekken dat het hof hier geen expliciet aandacht heeft besteed. Het impliciete oordeel van het hof dat beide omstandigheden onvoldoende zwaarwegende indicaties zijn om in de weg te staan aan het bewezen achten van vol opzet op het doden van het slachtoffer, acht ik niet onbegrijpelijk.

Het eerste argument gaat ervan uit dat de verdachte gericht heeft gestoken op een plaats náást het hart. Het hof heeft dit echter niet vastgesteld en is er juist van uitgegaan dat de messteek ook het hart of een slagader had kunnen raken. Wat de tweede gestelde contra-indicatie betreft, heb ik er moeite mee om dit gegeven, te weten het zonder hulp achterlaten van een bloedende man, waarvan de darmen deels uit de buik steken, op een kennelijk rustige weg om half twaalf ‘s nachts, te zien als een aanwijzing dat de verdachte het slachtoffer wilde laten leven. Dat het hof dit kennelijk op een zelfde manier waardeert, acht ik dan ook geenszins onbegrijpelijk.

Uit het vorenstaande volgt dat het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd bij de strafoplegging in het bijzonder in aanmerking heeft genomen dat de verdachte met vol opzet heeft geprobeerd het [slachtoffer] te doden.

3. Afronding

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 Wet RO ontleende motivering.

Ambtshalve wijs ik erop dat inmiddels meer dan zestien maanden zijn verstreken nadat op 10 juli 2024 beroep in cassatie is ingesteld. Dat betekent in dit geval dat inbreuk is gemaakt op het in artikel 6 lid 1 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Op basis van bestendige rechtspraak leidt dit tot strafvermindering.

Andere gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand