PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04501
Zitting 22 mei 2026
CONCLUSIE IN HET INCIDENT
W.L. Valk
In de zaak
[broer 1]
tegen
[broer 2]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [broer 1] respectievelijk [broer 2] .
1. Inleiding en samenvatting
Deze zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. Zij was de moeder van [broer 2] , [broer 1] en [zus] . [zus] is inmiddels overleden en [nicht] is benoemd tot haar executeur. [broer 2] stelt dat de nalatenschap een vordering heeft op [broer 1] vanwege onrechtmatige onttrekkingen. Daardoor behoren volgens [broer 2] tot de activa van de nalatenschap vorderingen op [broer 1] die bij de verdeling moeten worden betrokken. Het hof heeft [broer 2] grotendeels in het gelijk gesteld, de omvang van de nalatenschap bepaald en de verdeling van de nalatenschap vastgesteld tussen [broer 2] , [broer 1] en [nicht] in de hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [zus] .
Dit incident betreft een verweerschrift houdende exceptio plurium litis consortium. [broer 1] heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof en heeft alleen [broer 2] in de cassatieprocedure betrokken. [broer 2] vordert in het incident dat [broer 1] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep omdat het cassatieberoep niet tevens is ingesteld tegen [nicht] , althans dat [broer 1] wordt gelast om op de voet van art. 118 Rv [nicht] , in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [zus] , tot cassatie te doen oproepen.
2. Feiten en procesverloop
Voor zover in het incident van belang kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan het bestreden arrest:
(i) De vader van [broer 2] , [broer 1] en [zus] , [vader] (hierna: vader) was gehuwd met [erflaatster] (hierna: erflaatster).
(ii) Vader is overleden op 4 september 2000 en erflaatster is overleden op 19 februari 2018.
(iii) Erflaatster heeft op 27 januari 1998 bij testament over haar nalatenschap beschikt. In het testament heeft erflaatster [zus] in de legitieme gesteld en heeft zij aangegeven hoe haar nalatenschap moet worden verdeeld.
(iv) Bij notariële akte van 1 februari 1994 heeft erflaatster aan [broer 1] een algemene volmacht verstrekt, kortgezegd om haar in alle opzichten te vertegenwoordigen en al haar rechten en belangen zonder uitzondering waar te nemen en uit te oefenen.
(v) In ieder geval vanaf 22 juni 2012 beheerde [broer 1] op basis van de volmacht het vermogen van erflaatster.
(vi) Erflaatster woonde tot 22 juni 2012 thuis. Na een val is zij op 22 juni 2012 gedwongen opgenomen in een crisisopvang van [GGZ] . Na een korte periode elders te hebben verbleven is zij op 15 april 2013 naar [verpleeghuis] verhuisd. Daar verbleef zij op een gesloten afdeling van het woonzorgcentrum tot aan haar overlijden op 19 februari 2018.
(vii) Op 9 juli 2012 is door [klinisch geriater] dementie, type M. Alzheimer met vasculaire kenmerken, gediagnostiseerd.
(viii) Op 6 mei 2014 is de woning van erflaatster verkocht en geleverd aan een derde partij. Op 8 mei 2014 werd een bedrag van € 83.614,85 bijgeschreven op de bankrekening van erflaatster bij de Regiobank.
(ix) [broer 2] en [zus] hebben de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard.
(x) De rechtbank heeft bij beschikking van 22 maart 2019 [notaris] tot vereffenaar benoemd.
(xi) Bij beschikking van de rechtbank van 26 maart 2021 is de verplichting om de nalatenschap te vereffenen volgens de wet opgeheven.
(xii) Het saldo op de bankrekeningen van erflaatster was per datum overlijden € 734,67 bij de Rabobank en op 12 juni 2019 € 786,32. Het saldo bij de Regiobank was per datum overlijden op 19 februari 2018 € 1.200,48 en op 3 september 2019 € 2.066,66.
Bij inleidende dagvaarding van 16 mei 2022 heeft [broer 2] in rechte betrokken [broer 1] en [nicht] , in haar hoedanigheid als executeur in het nalatenschap van [zus] , en – kort samengevat – onder andere gevorderd: (1) de omvang van de nalatenschap van erflaatster te bepalen; (2) de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast te stellen door de bezittingen en schulden toe te delen aan [broer 1] , tegen vergoeding door [broer 1] aan [broer 2] en de erfgenamen van [zus] ; (3) [broer 1] te veroordelen tot betaling aan [broer 2] van het vastgestelde bedrag.
Bij vonnis van 20 september 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant (zittingsplaats Den Bosch) de vorderingen van [broer 2] afgewezen.
[broer 2] is in hoger beroep gekomen tegen dit vonnis. Het hof Den Bosch heeft bij arrest van 9 september 2025 het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw recht doende onder andere:
1. bepaald dat de nalatenschap van erflaatster een omvang heeft van € 116.886,61;
2. de verdeling aldus vastgesteld dat de tot de nalatenschap van erflaatster behorende vordering op [broer 1] van € 116.886,61 zal worden toebedeeld aan [broer 1] , tegen betaling aan [broer 2] van een bedrag van € 43.832,48 als vergoeding wegens overbedeling en tegen betaling aan [nicht] in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [zus] van een bedrag van € 29.221,65 als vergoeding wegens overbedeling;
3. [broer 1] veroordeeld om aan [broer 2] het bedrag van € 43.832,48 ter zake de genoemde overbedelingsvordering te betalen.
Voor zover in dit incident van belang, laten de dragende overwegingen van het hof zich als volgt samenvatten:
a. [nicht] is niet verschenen. Tegen [nicht] is verstek verleend. Dit arrest wordt als een arrest op tegenspraak beschouwd. (onder 4.2)
b. Bij memorie van grieven heeft [broer 2] zijn vorderingen en de grondslagen daarvan gewijzigd. De eiswijziging is op zichzelf niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Tegen de niet verschenen [nicht] ligt dat anders. Het hof ziet geen aanleiding om [broer 2] de gelegenheid te bieden om de gewijzigde eis aan [nicht] te betekenen. Nu het hier gaat om een ondeelbare rechtsverhouding betekent dit dat het hof de gewijzigde eis niet alleen jegens [nicht] maar ook jegens [broer 1] buiten beschouwing zal laten. (onder 4.5.2-4.5.4)
c. De kern van het geschil betreft de vraag of tot de activa van de nalatenschap een vordering op [broer 1] behoort. Het hof komt ten aanzien van diverse posten tot het oordeel dat sprake is van een onrechtmatige onttrekking. Erflaatster was vanaf 2012 niet meer in staat haar financiële belangen te behartigen en te overzien wat er met haar geld gebeurde. [broer 1] heeft dit weliswaar betwist, maar onvoldoende gemotiveerd. Er is terughoudendheid geboden in het vaststellen van een verplichting van [broer 1] tot het afleggen van rekening en verantwoording. Deze terughoudendheid vindt een grens bij financiële handelingen die qua aard en/of omvang niet kunnen worden gerekend tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster. Het gevorderde bedrag kan niet tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster worden gerekend. Dit betekent dat [broer 1] gehouden is rekening en verantwoording af te leggen over dat bedrag. Wat betreft diverse posten heeft [broer 1] niet, althans onvoldoende aan zijn verplichting tot het doen van rekening en verantwoording voldaan. Het hof gaat voorbij aan het – niet gespecificeerde – aanbod van [broer 1] om hem in de gelegenheid te stellen nog nadere schriftelijke stukken over te leggen. Door op grote schaal financiële transacties te verrichten die aan [broer 1] ten goede zijn gekomen zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestond, heeft [broer 1] onrechtmatig gehandeld jegens erflaatster en de overige erfgenamen. (4.6.3-4.6.20)
d. Dit leidt tot de conclusie dat [broer 1] € 122.558,47 bij wijze van schadevergoeding moet terugbetalen aan de nalatenschap. De nalatenschap heeft ter hoogte van dit bedrag dus een vordering op [broer 1] . (onder 4.6.20)
e. De nalatenschap van erflaatster heeft een omvang van € 116.886,61. (onder 4.6.21-4.6.22)
f. Niet ter discussie staat dat het aandeel van [zus] 2/8e deel is en de aandelen van [broer 2] en [broer 1] 3/8e deel per persoon. Dit betekent dat aan [nicht] in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [zus] € 29.221,65 (namelijk 2/8 * € 116.886,61) toekomt en aan [broer 2] en [broer 1] ieder € 43.832,48 (namelijk 3/8 * € 116.886,61). (onder 4.6.23)
g. Het hof stelt de verdeling aldus vast dat de tot de nalatenschap van erflaatster behorende vordering van € 116.886,61 op [broer 1] aan [broer 1] zal worden toebedeeld, tegen betaling aan [broer 2] van een bedrag van € 43.832,48 als vergoeding wegens overbedeling en tegen betaling aan [nicht] in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [zus] van een bedrag van € 29.221,65 als vergoeding wegens overbedeling. (onder 4.6.23 en 4.6.24).
h. Hieruit volgt ook dat de vordering van [broer 2] om [broer 1] te veroordelen tot betaling van een bedrag aan hem toewijsbaar is tot een bedrag van € 43.832,48 en dat het meer of anders gevorderde moet worden afgewezen. (onder 4.6.25)
Bij procesinleiding van 9 december 2025 heeft [broer 1] tijdig cassatieberoep ingesteld. [broer 1] heeft alleen [broer 2] in cassatie betrokken. Op 13 maart 2026 heeft [broer 2] een verweerschrift, houdende exceptio plurium litis consortium en incidentele vordering tot gedwongen tussenkomst (art. 118 Rv) ingediend. [broer 2] vordert in het incident:
1) [broer 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep; of (althans)
2) [broer 1] te gelasten om op de voet van art. 118 Rv [nicht] , in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [zus] – c.q. privatieve vertegenwoordiger van haar erfgenamen – als mede-eiser tot cassatie te doen oproepen tegen een nader te bepalen roldatum en de behandeling van de zaak aan te houden om na verschijning van [nicht] het geding in cassatie te vervolgen.
Op 17 april 2026 heeft [broer 1] in het incident een verweerschrift ingediend en geconcludeerd primair dat de incidentele vorderingen worden afgewezen, en subsidiair dat [broer 1] gelegenheid zal worden gegeven op de voet van art. 118 Rv [nicht] , in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [zus] , als mede-eiser te doen oproepen.
3. Beoordeling van de incidentele vordering
De exceptio plurium litis consortium – ofwel het verweer van de processueel ondeelbare rechtsverhouding – bestaat erin dat meerdere partijen in het geding hadden moeten worden betrokken. Het doel van het verweer is het bewerkstelligen dat de uitspraak aangaande de rechtsverhouding ten opzichte van alle betrokkenen gezag van gewijsde verkrijgt. Alleen dan is de uitspraak effectief en praktisch uitvoerbaar, omdat de beslissing ten aanzien van alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen hetzelfde luidt.
Volgens vaste rechtspraak wordt de exceptio plurium litis consortium slechts gehonoreerd indien sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. Van een dergelijke rechtsverhouding is pas sprake indien het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van al die betrokken partijen in dezelfde zin luidt, waarbij de bijzonderheden van het geval van doorslaggevende betekenis kunnen zijn. Dit mag slechts worden aangenomen indien de aard en inhoud van de rechtsverhouding daartoe nopen. Soms vloeit rechtstreeks uit de wet voort dat noodzakelijk is dat anderen in de procedure worden betrokken (bijvoorbeeld art. 3:218, 3:245 en 5:95 BW). In andere gevallen ligt het processueel ondeelbare karakter van de rechtsverhouding besloten in de aard van de rechtsverhouding zelf. Voor het geval van een vordering tot boedelbeschrijving en verdeling van een nalatenschap heeft uw Raad de vuistregel aanvaard dat dit in beginsel een processueel ondeelbare rechtsverhouding betreft.
Uit het dossier blijkt dat de notaris de uiterste wilsbeschikking van erflaatster zo heeft uitgelegd dat [zus] mede-erfgenaam is in de nalatenschap (net als [broer 2] en [broer 1] ), nu de uiterste wilsbeschikking niets vermeldt over de benoeming van erfgenamen. Verder is een boedelverdeling tussen de kinderen opgenomen waarbij [zus] een vordering in geld is toegedeeld ter grootte van haar legitieme portie. De notaris benoemt dat de uiterste wilsbeschikking is opgesteld onder het erfrecht van vóór de huidige wet en nadien nimmer is gewijzigd, zodat blijkens de overgangsregeling voor de bepaling van het legitieme breukdeel aansluiting moet worden gezocht bij de wettelijke regeling voor 2003. Onder het oude recht (van voor 1 januari 2003) had een legitimaris recht zijn legitieme te ontvangen als erfgenaam (art. 4:960 BW (oud)). In andere woorden: [zus] is als erfgenaam in de legitieme gesteld en kan dus meedelen in de nalatenschap zelf.
Naar ik begrijp is [nicht] de executeur van [zus] . De executeur vertegenwoordigt de erfgenamen bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte zolang als het beheer van de goederen der nalatenschap voortduurt. Het privatieve karakter van de executele werkt ook door naar de procesbevoegdheid. Art. 4:145 lid 2 BW dient zo gelezen te worden dat aan de executeur een exclusieve bevoegdheid toekomt om in rechte op te treden.
Niet in geschil is dat het aandeel in de nalatenschap van [zus] 2/8e deel is en de aandelen van [broer 2] en [broer 1] ieder 3/8e deel (hiervoor 2.5 onder f). Een 2/8e deel echter van wat? Dat was bij het hof wel in geschil en is dat in cassatie nog steeds. Volgens het hof behoort tot de nalatenschap een vordering tot schadevergoeding op [broer 1] ter grootte van € 122.558,47. In cassatie komt [broer 1] daartegen met diverse klachten op. Mijns inziens is niet goed voor twijfel vatbaar dat aldus sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. Zou het resultaat van het cassatieberoep van [broer 1] zijn dat het arrest van het hof wordt vernietigd en zou na verwijzing worden beslist dat tot de nalatenschap geen vordering tot schadevergoeding op [broer 1] behoort, althans een vordering tot een lager bedrag dan € 122.558,47, dan is niet werkbaar dat dit wel tussen [broer 1] en [broer 2] zou gelden, maar niet tussen enerzijds [broer 1] en [broer 2] en anderzijds (de erfgenamen van) [zus] . Dat inderdaad sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding spoort ook met de hiervoor onder 3.2 bedoelde vuistregel van uw Raad. Zoals gezegd, ook [zus] is erfgenaam. En het hof heeft de omvang van de nalatenschap vastgesteld en die nalatenschap verdeeld. [broer 1] vergist zich dus dat de cassatieprocedure geen gevolgen zou hebben voor de verdeling van de nalatenschap. Indien degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding nalaat alle partijen op te roepen, dan dient gelegenheid te worden geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv binnen een daartoe te stellen termijn. Het voorgaande geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel, het beroep in cassatie daaronder begrepen. Anders dan (de cassatieadvocaat van) [broer 2] veronderstelt, is in geval van een processueel ondeelbare rechtsverhouding niet-ontvankelijkheid dus niet meer aan de orde. Het wordt pas anders indien geen gebruik zou worden gemaakt van de geboden gelegenheid om de derde op te roepen; dan volgt wel alsnog niet-ontvankelijkverklaring.
Ik merk nog op dat zowel [broer 2] als [broer 1] erover spreekt dat [nicht] door [broer 1] ‘als mede-eiser’ zal worden opgeroepen. Dat lijkt mij minder juist. Het gevolg van de oproeping ex art. 118 Rv is slechts dat de derde partij wordt in het geding. Het hangt af van de proceshouding van de derde (na diens eventueel verschijnen) welke positie deze overigens in het geding inneemt.
Ten slotte nog dit. [broer 1] zegt om emotionele redenen zijn [nicht] niet in rechte te willen betrekken. De kwalificatie als ondeelbare rechtsverhouding berust op wat binnen een ordelijke rechtspraak onvermijdelijk is. Uiteraard is het aan [nicht] om na haar oproeping zelf te beslissen of zij al dan niet in rechte verschijnt.
4. Conclusie
Deze conclusie strekt ertoe dat aan eiser tot cassatie de oproeping wordt bevolen van [nicht] , in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [zus] .
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G