2. Proces-verbaal van bevindingen p. 9, voor zover inhoudende:
Op dinsdag 29 september 2020 heb ik verbalisant de in beslag genomen telefoon van de onderaan dit proces-verbaal genoemde betrokkene [verdachte] bekeken op relevante berichten (…). Ik verbalisant zag wel dat er in één whatsapp-gesprek gesproken wordt over de verkoop van de “adelaars”.
3. Verklaring van verdachte, p. 17, voor zover inhoudende:
V: U heeft mij 25 augustus verteld dat u ze verkoopt?
A: Dat klopt, vanuit verzamelaars die bij mij thuis zijn geweest en daar de mal hebben gezien, hebben mij gevraagd of ik deze wil verkopen. Ik doe dit niet. Daarom hebben ze mij gevraagd of ik een afgietsel wil maken. (…) Ik heb er daarom een paar gemaakt. Puur voor verzamelaars die er naar vragen. (…) Ik heb er 14 gegipst. 2 heb ik er weggedaan.
V: Hoeveel heeft u er al verkocht?
A: Twee stuks.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, PL2100-202045611-11, d.d. 30 april 2021, met bijlagen, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] , voor zover inhoudende:
Op verzoek van justitie heb ik nader onderzoek gedaan naar de telefoon van [verdachte] . Mij werd verzocht te kijken naar de telefoonnummers van de kopers van de afgietsels van de “Adelaars”.
Ik ben tijdens mijn zoektocht op een gesprek gestuit tussen ene “ [betrokkene 1] ” en [verdachte] . In dit gesprek wordt aan [verdachte] gevraagd of hij afgietsels verkoopt waarna [verdachte] aangeeft er enkele op voorraad te hebben en deze voor 150,00 euro verkoopt. Uiteindelijk blijkt uit het appgesprek dat de koop niet doorgaat daar de koper de prijs te hoog vindt.
Bijlage Proces-verbaal nummer PL2100-202045611-11 – 10
[betrokkene 1] d.d. 17-05-2020: oké wat vraag je er voor
[verdachte] d.d. 17-05-2020: 150
[betrokkene 1] d.d. 17-05-2020: is toch n gips afdruk?
[verdachte] d.d. 17-05-2020: ja heb ‘m met extra harde gips gemaakt met versteviging erin
Bijlage Proces-verbaal nummer PL2100-202045611-11 – 12
[betrokkene 1] d.d. 10-03-2020: Hey [verdachte] verkoop je ook de sampels van de eagel?
[verdachte] d.d. 17-05-2020: Hey [betrokkene 1] , ik zie nu je bericht pas, stond in m’n spam
[verdachte] d.d. 17-05-2020: ja heb er wel enkele voor de verkoop
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2024, voor zover inhoudende:
Ik heb 14 afgietsels gemaakt met de mal en daarvan heb ik er twee verkocht.
U, voorzitter, houdt mij voor dat uit het dossier volgt dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij € 75,00 voor een afgietsel heeft betaald, dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij € 50,00 voor een afgietsel heeft betaald en dat ik tegen [betrokkene 1] in een chat heb gezegd dat hij € 150,00 voor een afgietsel zou moeten betalen. Ik antwoord u dat dat kan kloppen.”
6. De politierechter heeft ten aanzien van het bewezen verklaarde onder meer het volgende overwogen:
“Ten aanzien van de gipsafdrukken is de politierechter van oordeel dat uit de verklaring van verdachte daaromtrent, te weten dat hij deze heeft gemaakt voor verzamelaars die ernaar vragen en dat hij twee van de veertien afdrukken heeft verkocht, volgt dat hij de gipsafdrukken ter verspreiding in voorraad heeft gehad. Ook volgt uit zijn verklaring ter terechtzitting dat hij wist dat de uitlating (de adelaar met het hakenkruis) beledigend kan zijn, kan aanzetten tot haat of discriminatie, van Joodse mensen. Deze wetenschap weerhield verdachte ervan om de gipsafdrukken openbaar te maken, aldus verdachte. Dit doet er echter niet aan af dat hij de gipsafdrukken in voorraad had, met het doel om ze te verspreiden (onder verzamelaars). Nu deze gipsafdrukken, anders dan (wellicht) de mal, niet beschouwd kunnen worden als militaire curiosa, is naar het oordeel van de politierechter sprake van voorwerpen als bedoeld in artikel 137e Sr. Gelet op het voorgaande kan het tenlastegelegde, voor zover het de gipsen replica’s betreft, wettig en overtuigend worden bewezen.”
Een nadere omschrijving van het eerste middel
7. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
8. Bestreden wordt het oordeel dat de verdachte de gegipste replica’s met daarop een afbeelding van een adelaar met een hakenkruis, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, ter verspreiding in voorraad had. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdachte een verzamelaar is die het nationaalsocialistische dan wel nazistische gedachtegoed niet wilde verspreiden en dat hij de gegipste replica’s van de adelaar met het hakenkruis niet openbaar te koop heeft aangeboden, maar deze slechts op verzoek onder verzamelaars wilde verspreiden.
Het beoordelingskader
9. De vraag is welke voorwerpen onder de reikwijdte van artikel 137e lid 1 Sr vallen. Daarvoor is bepalend of de voorwerpen een uitlating bevatten die beledigend is voor een groep mensen, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, godsdienst, levensovertuiging, geslacht, seksuele gerichtheid of handicap. In de eerste plaats kunnen de in voorwerpen vervatte uitlatingen, onmiskenbaar en niettegenstaande het gebruik ervan, discriminatoir of grievend (in de zin van artikel 137e Sr) zijn. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt evenwel dat de uitlatingen niet uitsluitend op zichzelf moeten worden bezien. Voorwerpen kunnen ook onder de reikwijdte van artikel 137e Sr vallen, voor zover deze uitlatingen bevatten die in de gegeven omstandigheden van het geval en in het licht van de mogelijke associaties die zij wekken, aanzetten tot haat tegen of discriminatie van personen.
10. Een voorwerp waarop een (Duitse) adelaar met een hakenkruis is afgebeeld kan onder omstandigheden als voorwerp in de zin van artikel 137e Sr worden beschouwd. Een relevante omstandigheid kan zijn dat de verdachte tot doel had het nationaalsocialistische gedachtegoed uit te dragen of te verspreiden. Daarentegen kan de omstandigheid dat de verdachte het voorwerp (uitsluitend) ten verkoop in voorraad had voor verzamelaars van militaire curiosa aan de ‘kwaadaardigheid’ van het voorwerp en aldus aan de bewezenverklaring in de weg staan.
11. De rechter kan niet tot een bewezenverklaring komen als de verdachte ‘ten behoeve van zakelijke berichtgeving’ heeft gehandeld. De rechtspraak van de Hoge Raad biedt weinig aanknopingspunten voor een definitie die het delictsbestanddeel ‘anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving’ adequaat afbakent. Onder ‘zakelijke berichtgeving’ wordt in ieder geval begrepen dat met het handelen van de verdachte een wetenschappelijk, journalistiek of voorlichtend doel wordt gediend. Uit de rechtspraak kan wel worden afgeleid dat de verkoop aan historici of verzamelaars daarmee niet zonder meer wordt gelijkgesteld. Voor de vaststelling dat de verdachte ten behoeve van zakelijke berichtgeving heeft gehandeld, lijkt ten minste te worden vereist dat de voorwerpen uitsluitend aan historici of verzamelaars worden verkocht en dat de verdachte zich heeft vergewist van de identiteit van de koper en diens reden voor de koop. Indien die informatie ontbreekt, blijft immers de mogelijkheid bestaan dat de grievende voorwerpen in handen van willekeurige derden terechtkomen en kan zodoende niet worden aangenomen dat het ter verspreiding in voorraad hebben van die voorwerpen enkel een voorlichtend doel diende.
De bespreking van het eerste middel
12. Uit de bewijsvoering kan onder meer het volgende worden afgeleid. De verdachte was in het bezit van een gietmal van een adelaar met een hakenkruis. Met behulp van die gietmal heeft de verdachte veertien gipsen afgietsels gemaakt met als doel deze te verkopen aan verzamelaars dan wel liefhebbers. Aan potentiële kopers liet de verdachte weten dat hij de replica’s in de verkoop heeft. De verdachte hanteerde verschillende verkoopprijzen. Eén potentiële koper zag van de koop af, omdat hij de prijs van € 150 te hoog vond. Van de veertien replica’s waren er reeds twee verkocht.
13. Het hof heeft geoordeeld dat de afgietsels als een voorwerp in de zin van artikel 137e Sr moeten worden beschouwd en dat de verdachte niet ten behoeve van zakelijke berichtgeving heeft gehandeld. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet in de eerste plaats niet af dat de verdachte het nationaalsocialistische gedachtegoed niet wilde verspreiden. Voor het bewijs van het in artikel 137e lid 1 Sr strafbaar gestelde handelen is immers niet vereist dat de verdachte voor ogen stond om dit gedachtegoed te verspreiden. Ook de omstandigheid dat de afgietsels zijn vervaardigd “voor verzamelaars die ernaar vragen” maakt het voorgaande niet anders, nu in de bewijsvoering besloten ligt dat de verdachte de afgietsels niet uitsluitend aan verzamelaars verkocht, althans zich niet vergewiste van de identiteit van de koper en diens reden voor de koop. In het bestreden arrest ligt bovendien het niet-onbegrijpelijke oordeel besloten dat de verdachte een financieel belang had bij de verkoop van de afgietsels, terwijl van een journalistiek, wetenschappelijk of (anderszins) voorlichtend doel niet is gebleken.
14. Het middel faalt.
Het tweede middel
15. Met het tweede middel wordt opgekomen tegen (de motivering van) de beslissing van het hof tot onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen ‘matrijs gietmal adelaar met hakenkruis’. Aangevoerd wordt dat het daaraan ten grondslag liggende oordeel dat de gietmal niet als militair curiosum moet worden beschouwd, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
De beslissing tot onttrekking aan het verkeer en de motivering daarvan
16. Het hof heeft ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp overwogen:
“(…) De verdachte heeft uitdrukkelijk geen afstand gedaan van het beslag dat rust op de ‘matrijs gietmal adelaar met hakenkruis’. Dit voorwerp ligt daarom thans opnieuw ter beoordeling aan het hof voor.
Bij gelegenheid van onderzoek werd onder de verdachte een ‘matrijs gietmal adelaar met hakenkruis’ aangetroffen. Niet tegenstaande de omstandigheid dat de verdachte partieel is vrijgesproken van het hem tenlastegelegde voor zover dit ziet op "de gipsmal met daarop een afbeelding van een adelaar met in zijn klauwen een hakenkruis” stelt het hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het strafdossier vast dat die inbeslaggenomen gietmal (gipsmal) wel tot het begaan van het bewezenverklaarde feit was bestemd. De verdachte heeft immers met die gietmal meerdere replica’s van de adelaar met hakenkruis gemaakt en verkocht. In die replica's zijn uitlatingen vervat die Joden beledigen dan wel aanzetten tot haat en/of discriminatie en/of gewelddadig optreden jegens hen. Daar komt nog bij dat de verdachte het bewezenverklaarde feit zou kunnen blijven plegen indien hij de beschikking zou hebben over de gietmal, daar hij met de met de gietmal een werktuig in handen heeft waarmee replica’s gemaakt kunnen blijven worden; door de verdachte of door derden die hierover op enig moment de beschikking zouden kunnen krijgen.
Gelet daarop en gelet op de aard van dat goed is het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet en het algemeen belang. Het hof zal daarom de onttrekking aan het verkeer bevelen van de ‘matrijs gietmal adelaar met hakenkruis’. Dat de gietmal volgens de verdachte een historische waarde vertegenwoordigt, maakt voor het hof de beslissing ten aanzien van het beslag niet anders, nu van een militair curiosum niet is gebleken. Voor zover de verdachte zulks heeft willen aantonen door middel van de in hoger beroep ingebrachte verklaring van [bestandsnaam] van IMCS-Nederland V.O.F. d.d. 18 maart 2023, acht het hof deze verklaring daartoe ontoereikend.”
De bespreking van het tweede middel
17. Het hof heeft, anders dan de politierechter, geoordeeld dat de in beslag genomen gietmal tot het begaan van het bewezen verklaarde feit was bestemd en dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Ter motivering van dat oordeel heeft het hof overwogen dat de verdachte met de gietmal meerdere afgietsels heeft vervaardigd en verkocht, terwijl daarin grievende uitlatingen als bedoeld in artikel 137e Sr zijn vervat, en dat het behoud van die gietmal ertoe kan leiden dat de gegipste replica’s opnieuw worden vervaardigd.
18. Anders dan de steller van het middel meent, was het hof niet gehouden de beslissing tot onttrekking aan het verkeer nader te motiveren. De opvatting die aan het middel ten grondslag ligt, te weten dat een voorwerp dat als militair curiosum kan worden aangemerkt niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, vindt geen steun in het recht. De beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de gietmal is dan ook niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
Slotsom
19. De middelen falen.
20. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden. Gelet op de strafmodaliteit, te weten een geheel voorwaardelijke geldboete, kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG