PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04623 B
Zitting 13 januari 2026
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
De rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 13 oktober 2023 (raadkamernummer 23/018361) het klaagschrift ex art. 552a Sv van de klager, dat betrekking heeft op 7 colli (of 331 kg) inbeslaggenomen 3-CMC, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld waarin de rechtmatigheid van de inbeslagneming aan de orde wordt gesteld.
2. De feiten
Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken kan het volgende worden opgemaakt.
Uit de kennisgeving van inbeslagname blijkt dat op 10 juli 2023 onder de klager op grond van artikel 94 Sv, 7 colli 3-CMC, AWB 607-30909723, zijnde 331 kg, met een waarde van € 134.000,- in beslag is genomen.
Op 18 juli 2023 is namens de klager een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave van de inbeslaggenomen goederen omdat deze niet in verband staan met enig strafbaar feit en het bezit van- en handel in de stof 3-CMC niet strafbaar is gesteld in de Opiumwet.
Op 12 september 2023 is 3-CMC als middel opgenomen in lijst I van de Opiumwet en is het aanwezig hebben van- en handelen met deze stof strafbaar geworden.
Klager is op 5 oktober 2023 als verdachte van overtreding van art. 174 of art. 175 Sr door de politie gehoord. Op grond van deze bepalingen is het (opzettelijk) verkopen van voor de gezondheid schadelijke waren waarbij dit schadelijk karakter wordt verzwegen, of waarbij de koper met dat schadelijk karakter niet bekend is (de culpose variant), strafbaar gesteld.
3. De behandeling van het klaagschrift in raadkamer
Het klaagschrift is op 13 oktober 2023 door de rechtbank behandeld en het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt het volgende in:
“Klager:
U vraagt mij of ik vaker met afnemers contact had over dit middel. Ik antwoord u dat ik dit middel eerder al had verkregen. Het zijn groothandelaren die het inkopen. Dat ging goed tot deze zending. U vraagt mij waarom zij het niet zelf inkochten. Dit is mijn business. Het is lastig om een vertrouwde persoon in India te vinden waar je geld naar overmaakt. Ik heb het daarvoor benodigde netwerk. Ik gebruik de term 1-3-chlorophenyl-2-methylamino propan-1- one hydrochloride, dat is de echte naam van de stof. Ik heb alle overheidsinstanties gebeld om een vergunning te krijgen om dit product zonder problemen te kunnen in- en verkopen. Zij hebben mij overal gezegd dat het een legaal product is en zij er geen zwart op wit papier voor konden vrijgeven omdat gewoon legaal was. Ik zag negatieve dingen over het product staan maar dat was niet de reden waarom ik het aankocht. Ik heb het gekocht omdat er aangegeven werd dat ik er geen problemen mee zou krijgen. Op het moment dat ik het inkocht kon je met een CAS-nummer via een HS-code nakijken of je het product mag importeren. Ik had DSV gesproken en daar zeiden ze ook dat dit vaker verzonden werd en ik hier geen problemen mee zou krijgen. Achteraf heb ik nu dus toch problemen gekregen. U vraagt mij wat voor negatieve dingen ik erover zag staan. Ik antwoord u dat als je op internet op de benaming zoekt je van alles tegenkomt. Ik wilde zeker weten dat het een legaal product is. U vraagt wat ik er zoal over gelezen heb. Ik antwoord u dat ik er van alles over las. Het komt zelfs voor in kankertabletten. Ons doel was het aanbieden aan groothandelaren die het willen verwerken in haar keratine.
Raadsvrouw:
De stof is onder het bedrijf van cliënt in beslag genomen. Op het moment van de inbeslagname was er wel de bedoeling maar nog geen feitelijke uitwerking in de wet. Op dat moment was het voor cliënt niet kenbaar dat het strafbaar was. Het was ook niet strafbaar want het was nog niet opgenomen in de Opiumwet. Er was daarom geen strafrechtelijk relevante reden voor inbeslagname. Inmiddels zijn we een hele tijd verder. Ik heb het verzoek in juli ingediend. Dat er in de tussentijd wel een bepaling in de Opiumwet is, kan niet aan cliënt worden tegengeworpen. Een burger wordt geacht de wet te kennen maar in de wet stond niet dat het een illegaal product betrof. Cliënt wilde het netjes doen en heeft navraag gedaan. Hij heeft ook eerdere zendingen gedaan waarbij DSV het de eerste twee keer ook afgehandeld heeft. Hij had geen aanwijzingen dat hij iets importeerde dat strafbaar zou zijn. Hij zag er gewoon handel in. Met een CAS-nummer mag je er vanuit gaan dat een product legaal is en dat je het mag importeren. Er is niet met een versluierde productnaam gewerkt. Er is betaald met de zakelijke rekening. Het is allemaal volgens de gewone weg gegaan. Er is geen sprake van een louche handel of iets dergelijks. Gelet op het legaliteitsbeginsel dient te worden uitgegaan van de voor cliënt meest gunstige bepaling. Op het moment van de inbeslagname zegt de wet dat de stof niet strafbaar is. Het klaagschrift is in juli ingediend. Cliënt weet niet van een lopende zaak of iets dergelijks. In september werd hij ineens door de politie gebeld met een paar vragen die zijn verwerkt in een proces-verbaal van verhoor verdachte. Cliënt belde mij achteraf dat hij gebeld was door de politie dat hij netjes antwoord heeft gegeven. Er is hem niet verteld dat hij verdachte was van een bepaald strafbaar feit. Er is ook niet verteld dat hij recht had op een advocaat. Hij had wel mijn gegevens doorgegeven, dat staat ook opgenomen in het proces-verbaal. Dat bevreemdt mij wel. Hij lijkt dan alsof hij niet als verdachte wordt gezien, maar er is een proces-verbaal verhoor verdachte opgemaakt dus kennelijk wordt hij wel verdacht. Cliënt heeft nogmaals aan mij bevestigd dat niet aan hem verteld is dat hij verdachte was. Ik heb daarna contact opgenomen met de officier van justitie. Die heeft het uitgezet bij het Landelijk Parket. U zegt mij dat in het proces-verbaal van bevindingen van 5 oktober 2023 staat dat aan klager de cautie is gegeven. Ik heb dat proces-verbaal niet maar dat hoor ik dan nu van u. Ik blijf bij mijn standpunt.
Klager wil het product niet terug want dan pleegt hij een strafbaar feit. Klager wordt door de inbeslagname flink in zijn belangen geschaad. Het verzoek is het klaagschrift gegrond te verklaren. Ik heb gebeld met het ketenbeslaghuis of de partij er überhaupt nog is of al is vernietigd. Als het beslag al is vernietigd wordt het praktische probleem opgelost. De partij is onterecht in beslag genomen. Later oordelend kan de rechter niet zeggen dat het strafbaar is voordat het strafbaar gesteld is. Ik wil dat klager schadeloos gesteld wordt. Met een gegrond klaagschrift kan hij een schadevergoeding vragen. Ik heb van de officier van justitie begrepen dat er opdracht is gegeven de stof te vernietigen.
Officier van justitie:
De partij is inmiddels vernietigd omdat het drugs betreft. De raadsvrouw wil dat het verzoek gegrond verklaard wordt zodat verdachte krijgt wat hij wil en de stof uit markt verdwijnt.
Het is geen koehandel. Het verzoek is ongegrond, De inbeslagname is van juli 2023. Uit de
stukken blijkt dat sprake is van een terechte inbeslagname. Er was sprake van een verdenking
van artikel 174/175 van het Wetboek van Strafrecht. Het is verboden iets op de markt te brengen dat schadelijk is voor de gezondheid en wat wordt verzwegen. Vasstond dat het een schadelijke stof was. De richtlijn lag er niet voor niks. De stof stond op het punt strafbaar gesteld te worden. Nederland liep achter. Als je doorvraagt, blijft klager schimmig. We moeten er vanuit gaan dat klager ook hij wist deze stof misbruikt werd als drugs. Dat staaft de gedachte dat er zeker sprake was van een gevaarlijke stof en van de verdenking van overtreding van artikel 174/175 van het Wetboek van Strafrecht. Het beslag is terecht en rechtmatig. Nu de stof op de lijst van de Opiumwet staat is het helemaal duidelijk. Meneer is als verdachte gehoord. We zijn nog aan het bedenken hoe we klager verder gaan vervolgen. Onderhavige zitting heeft een marginaal karakter. Zal de rechter later oordelen of de stof onttrokken wordt aan het verkeer. Ik denk dat het heel duidelijk is dat de kans op een onttrekking aan het verkeer huizenhoog is. Want het is gewoon drugs.
Hoe meneer benaderd zou zijn door de politie doet er voor nu niet toe. Klager heeft zijn best gedaan en allerlei mensen gebeld. Dat de stof niet strafbaar is op dat moment wil niet zeggen dat het niet schimmig is. De chemicaliën zijn misschien an sich niet strafbaar maar zullen later ook aan het verkeer onttrokken worden. Dat er eerder 3 CMC wel doorgelaten is moge zo zijn.
Raadsvrouw:
Er zijn allerlei stoffen die ook voor verkeerde doeleinden kunnen worden gebruikt. Dat dat kan wil niet zeggen dat het per se wordt gebruikt voor verkeerde doeleinden. Er is een onderbouwing waar het daadwerkelijk voor werd gebruikt.
Officier van justitie:
Dat argument zou gelden voor een 174/175 van het Wetboek van Strafrecht veroordeling. Links of rechtsom wordt het product onttrokken aan het verkeer. Het strafvorderlijk belang zit met name in het gegeven dat sprake is van een drug.”
4. De beschikking van de rechtbank
De beschikking van de rechtbank houdt het volgende in:
“Feiten
(…)
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp. Door en namens de klager is aangevoerd dat op het moment van de inbeslagname voor klager niet kenbaar was dat de import van 3 CMC strafbaar zou zijn. Klager heeft bij overheidsinstanties geïnformeerd en aan hem is verteld dat het legaal is om de stof in te kopen en te verkopen. Hij heeft dat ook twee keer succesvol gedaan. Het product had ook een CAS-nummer waardoor je via de HS code kon nakijken dat het product geïmporteerd mocht worden. Ook DSV gaf aan dat er geen problemen door de import zouden ontstaan. Er was op het moment van de inbeslagname geen strafrechtelijk relevante reden hiervoor, er is ten onrechte in beslag genomen. Klager heeft onderbouwd waarvoor hij de stof importeerde. Klager verzoekt het beklag gegrond te verklaren zonder teruggave zodat hij schadeloos gesteld kan worden.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen 3 CMC aan de klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet omdat het Openbaar Ministerie zal vorderen dat het voorwerp aan het verkeer zal worden onttrokken. Klager wordt verdacht van artikel 175 dan wel artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). 3 CMC was ten tijde van de inbeslagname een nieuwe psychoactieve stof. Volgens de richtlijn van de Europese Commissie hadden EU lidstaten uiterlijk 18 februari 2023 de strafbaarstelling van 3 CMC in hun wetgeving moeten opnemen. Op 12 september 2023 werd het besluit tot strafbaarstelling van 3 CMC in het staatsblad gepubliceerd. 3 CMC is inmiddels dus een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1. De stof is inmiddels vernietigd omdat het drugs betreft.
Beoordeling
(…)
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de 3-CMC rechtmatig in beslag is genomen. Er was immers een verdenking op grond van artikel 175/175 van het Wetboek van Strafrecht (AG TS, ik begrijp: art. 174 / 175 Sr) op grond waarvan het - kort gezegd - verboden is om iets op de markt te brengen dat schadelijk is. Verdachte had de 3-CMC aangekocht met de bedoeling om dit vervolgens te verkopen. Dit terwijl de 3-CMC, zoals blijkt uit de Richtlijn 2022/1326 van de Europese Commissie onder sub 12, in de Europese Unie geen erkende toepassing heeft. Bovendien was op dat moment reeds duidelijk dat en waarom Nederland de verplichting had om 3-CMC strafbaar te stellen. Verdachte kende zelf ook negatieve effecten van deze stof en bovendien was dit ook eenvoudig te achterhalen via openbare bronnen.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank verder te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, -ook in een zaak betreffende een ander dan de klager-, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Vaststaat dat 3 CMC sinds 12 september 2023 op lijst I van de Opiumwet staat en daarmee officieel een verboden drug is. De rechtbank is van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van deze partij 7 colli 3 CMC, AWB 607-30909723, 331 kg dan ook in strijd is met de wet of het algemeen belang. Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen stof zal onttrekken aan het verkeer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.”
5. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
De feiten zoals hiervoor geschetst roepen de vraag op of klager wel ontvankelijk is in zijn cassatieberoep vanwege de omstandigheid dat het beslag mogelijk reeds is geëindigd.
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van het klaagschrift door de rechtbank op 13 oktober 2023 houdt in dat de officier van justitie heeft medegedeeld dat de inbeslaggenomen 3-CMC reeds is vernietigd. In cassatie zijn hierover inlichtingen ingewonnen bij het openbaar ministerie. Uit die inlichtingen kan ik niet opmaken dat zich een in art. 134 lid 2 Sv genoemde omstandigheid heeft voorgedaan die zou meebrengen dat met de vernietiging, het beslag reeds (formeel) is beëindigd. In het bijzonder merk ik op dat een uitdraai uit het beslagportaal suggereert dat de vernietiging heeft plaatsgevonden met toepassing van art. 116 lid 2 aanhef en onder c Sv. Maar een daarvoor vereiste schriftelijke afstandsverklaring van de klager – die op de kennisgeving van inbeslagneming is aangemerkt als de beslagene – heb ik niet aangetroffen bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. Onder die omstandigheden staat het feit dat de inbeslaggenomen stof reeds is vernietigd niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
Verder merk ik op dat de raadsvrouw van de klager in raadkamer heeft gesteld dat de klager ‘het product’ niet terug wil omdat hij dan een strafbaar feit pleegt. Met dat laatste doelt de raadsvrouw er kennelijk op dat na de inbeslagneming, de stof 3-CMC per 12 september 2023 op lijst I van de Opiumwet is geplaatst.
Op de vraag of de klager wel voldoende belang heeft bij een beklag tegen de voortduring van het beslag op een voorwerp dat hij niet terug wil, kom ik bij de bespreking van het cassatiemiddel terug.
6. Het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel komt in de eerste plaats op tegen het oordeel van de rechtbank dat de 3-CMC rechtmatig in beslag is genomen omdat er een verdenking was op grond van art. 174/175 Sr. Dat oordeel is volgens het cassatiemiddel niet begrijpelijk omdat de rechtbank geen vaststellingen heeft gedaan met betrekking tot de bestanddelen van die strafbaarstellingen dat de verdachte het schadelijke karakter van de 3-CMC heeft verzwegen en/of hij dat goed moet hebben verkocht, te koop aangeboden, afgeleverd of uitgedeeld.
Bij de beoordeling van de klacht is van belang dat in het kader van een beklagprocedure, de vraag of ten tijde van de inbeslagneming jegens de klager een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond, beoordeeld dient te worden met het oog op beantwoording van de vraag of een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag. Het belang van strafvordering vordert onder meer het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4°Sr in samenhang met artikel 552f Sv. Het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv draagt daarbij een summier karakter, mede omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de strafzaak of ontnemingszaak te geven oordeel.
In dit geval heeft de rechtbank geoordeeld dat de 3-CMC in beslag is genomen omdat er een verdenking van overtreding van artikel 174 of 175 Sr was. Aan de klacht van het cassatiemiddel ligt de opvatting ten grondslag dat de rechtbank met het oog op de beoordeling van de rechtmatigheid van die inbeslagneming nadere vaststellingen had moeten doen over het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld of de bewijsbaarheid van de overtreding van die strafbepalingen. Dat standpunt stuit af op het hiervoor onder 6.2 weergegeven uitgangspunt dat de rechter niet behoort vooruit te lopen op het oordeel van de beslissing van de (zittings) rechter in de hoofdzaak. Alleen als ieder vermoeden van enig strafbaar feit geheel ontbreekt, een vermoedelijke strafbepaling onverbindend is of als er betrekkelijk evident niet aan de wettelijke voorwaarden voor verbeurdverklaring, onttrekking aan het verkeer, etc. is voldaan is, is er grond voor een oordeel dat het belang van strafvordering de voortzetting van het beslag niet (meer) vordert. Van een dergelijke situatie is in onderhavige zaak geen sprake.
Verder klaagt het cassatiemiddel dat de rechtbank had moeten beoordelen of “het beklag disproportioneel is”, gezien de waarde van de inbeslaggenomen stof van € 134.000,- en nu is aangevoerd dat de klager flink in zijn belangen wordt getroffen. Deze klacht faalt. De rechtbank kan gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, als is aangevoerd dat de persoonlijke belangen van de klager zwaarder moeten wegen dan de strafvorderlijke belangen. Daarover is ten overstaan van de beklagrechter niets concreets aangevoerd. De enkele stelling dat de klager in zijn belangen wordt getroffen omdat de in beslag genomen partij 3-CMC een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt, is niet voldoende om zo’n motiveringsplicht in het leven te roepen.
Tot slot kom ik nog terug op de vraag of de klager wel belang heeft bij het cassatieberoep, nu hij tijdens de behandeling in raadkamer in feite zijn verzoek tot teruggave van de in beslag genomen partij 3-CMC niet heeft gehandhaafd. De raadsvrouw heeft gesteld dat de klager de inbeslaggenomen stof niet meer terug wil, omdat hij zich dan strafbaar zou maken, maar dat hij niettemin verzoekt het klaagschrift gegrond te verklaren omdat hij dan schadeloos gesteld kan worden. Hij meent met een gegrond klaagschrift schadevergoeding te kunnen vragen. Waarop de klager dit baseert is door zijn raadsvrouw in raadkamer niet nader toegelicht, althans het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling meldt daar niets over. Mogelijk heeft de raadsvrouw het oog gehad op de optie dat de bewaarder op grond van art. 119 lid 2 Sv een geldbedrag aan de klager zal moeten uitkeren indien niet aan een last tot teruggave kan worden voldaan. Nu in raadkamer door de klager is afgezien van het verzoek aan de rechtbank een last tot teruggave te geven, lijkt dit een onbegaanbare weg. Het ligt mijns inziens evenmin in de rede dat de beklagrechter zich uitspreekt over de rechtmatigheid van het beslag op een voorwerp dat de klager niet terug wil.
7. Slotsom
Het middel faalt en kan op de voet van art. 81 lid 1 RO worden afgedaan.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG