ECLI:NL:PHR:2026:525

ECLI:NL:PHR:2026:525

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 24-05-2026
Zaaknummer 24/04678
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Overval op bedrijfspand Hoofddorp. Verdachte is na vrijspraak in eerste aanleg veroordeeld voor diefstal met geweld in vereniging gepleegd (art. 312 Sr). 1. Falende bewijsklachten. 2. Overschrijding inzendtermijn. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

“Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de drie tenlastegelegde feiten.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft zich – kort gezegd – aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank. Daarnaast is de herkenning van de verdachte niet solide en zegt het aangetroffen DNA van de verdachte op het kogelwerend [vest] niets over de betrokkenheid van de verdachte bij de overval.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast.

Op 26 mei 2015 rond 10.35 – 10.40 uur heeft een groep personen een gewapende overval gepleegd op een bedrijfspand aan de [a-straat 1] in Hoofddorp. De overvallers droegen bivakmutsen en hadden zware wapens mee, onder meer twee AK 47's (het hof begrijpt: AK 47 geweren) met geluidsdemper. Bij de overval is gebruik gemaakt van een witte Mercedes bus met een vals kenteken. De Mercedes bus vervoerde tenminste vijf personen, waarvan er vier het pand zijn ingegaan. Daar zijn drie slachtoffers bedreigd, vastgebonden en op één van hen is fors geweld toegepast. Naast de Mercedes hebben de overvallers zich bediend van een blauwe BMW. Ook deze auto was voorzien van een vals kenteken. De BMW was op 26 mei 2015 rond 08.07 uur op/nabij de plaats delict geparkeerd. Op grond van de ‘beveiligingsbeelden Aqua-IT’ in combinatie met de verklaring van de getuige [getuige 1] stelt het hof vast dat twee overvallers die in het pand zijn geweest, zijn weggereden in deze BMW, die vrijwel onmiddellijk werd gevolgd door de Mercedes bus. De buit bestond uit (in ieder geval) twee telefoons en een aantal dozen.

Verder gaat het hof ervanuit dat ook een grijze Skoda Octavia ten behoeve van de overval is gebruikt. De Skoda is op 26 mei 2015 rond 09.09 uur op/nabij de plaats delict geparkeerd, enkele plekken verder dan de BMW die daar een uur eerder was neergezet. Op het moment dat de overval in volle gang is, en er op de plaats delict (binnen en buiten het pand) gewapende overvallers lopen, loopt er (rond 10.36 uur) iemand om de Skoda en stapt in. De getuige [getuige 2] heeft (op beelden van haar bewakingscamera) gezien dat één van de overvallers een ’seintje dan wel handgebaar’ maakte ‘in de richting van de BMW en vermoedelijk Skoda’. Dat gebeurde vlak voordat de (andere) overvallers het pand verlieten. Daarop reed de BMW richting het pand en was de Skoda ineens vertrokken, aldus de getuige. De BMW stopt voor de Mercedes, waarna het bestuurdersportier enkele seconden wordt geopend en ervanuit de BMW in vloeiend Nederlands wordt geroepen 'kom snel, kom snel’. Vervolgens rijden de BMW en de Mercedes rond 10.40 met hoge snelheid weg van de plaats delict. Ondertussen is de Skoda om ongeveer 10.39 verschenen op de camerabeelden van [B] , een bedrijf dat is gelegen pal naast het terrein waar de overval plaatsvond. De Skoda staat vervolgens ongeveer een minuut stil en rijdt daarna weg. Ruim tien minuten later, om 10.52 uur, wordt voornoemde Mercedes, die met hoge snelheid is weggevlucht van de plaats delict, vanwege een snelheidsovertreding ‘geflitst’ op de Zwanenburgerdijk in Zwanenburg. Op de flitsfoto is te zien dat de Skoda vlak voor de Mercedes rijdt. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de Skoda bij [B] heeft gewacht en vervolgens gelijk op is gereden met de Mercedes. Aan de conclusie dat de Skoda ten behoeve van de overval is gebruikt draagt verder bij dat ook de Skoda was voorzien van valse kentekenplaten en dat deze auto net als de door de overvallers gebruikte BMW op de ochtend van de overval op nabij de plaats delict is geparkeerd.

Tussenconclusie I (aard van het delict en gebruikte voorwerpen)

De overval vond plaats op 26 mei 2015 vanaf ongeveer 10.35 in Hoofddorp en is gepleegd door tenminste 5 personen. Er is gebruik gemaakt van drie voertuigen die waren voorzien van valse kentekenplaten, van bivakmutsen en van zeer zware wapens (AK47 geweren). Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de overval grondig is voorbereid.

Het hof zal hierna eerst ingaan op de vraag in hoeverre de betrokkenheid van de verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] bij deze overval kan volgen. Vervolgens zal het hof diezelfde vraag ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 1] bespreken.

Appberichten tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] en ontmoetingen [A] op 25 en 26 mei 2015

Op maandag 25 mei 2015 en de vroege ochtend van dinsdag 26 mei 2015 hebben de verdachte [medeverdachte 2] en de verdachte [verdachte] contact via Whatsapp. Kennelijk proberen ze een afspraak te maken om elkaar te zien. [medeverdachte 2] appt op 25 mei 2015 om 14.10 uur dat hij ‘morgen of overmorgen wel ff langs (kan) komen’. [verdachte] antwoordt dat hij ‘morgen’ (26 mei 2015) ‘met een klus bezig is’. Uit het vervolg van het gesprek is af te leiden dat [medeverdachte 2] en [verdachte] elkaar aan het begin van de avond op 25 mei 2015 hebben gezien. Die samenkomst heeft rond 21.00 uur plaatsgevonden in ‘ [A] ’ aan [b-straat] in Noordwijk, zo leidt het hof af uit het ‘proces-verbaal ‘uitkijken beelden “ [b-straat] ” in combinatie met voornoemd appgesprek. Ongeveer een half uur later (21.32 uur) vertrekken ze bij [A] . Om 22.40 uur appt [medeverdachte 2] vervolgens aan [verdachte] “ik kom morgen wel” waarna wordt afgesproken dat [medeverdachte 2] op 26 mei 2015 om 6 uur ’s ochtends bij [verdachte] zal zijn. Ook heeft [verdachte] de dag voor de overval een Whatsapp gesprek gehad met [betrokkene 2] (voormalig eigenaar van [A] in Noordwijk), waarin te lezen is dat [verdachte] de volgende dag (dus op 26 mei 2015) ‘heel vroeg’ op moet en aan [betrokkene 2] bevestigt dat hij ‘zeker geen tel' meeneemt. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben op 26 mei 2015 kennelijk wederom in [A] in Noordwijk afgesproken, waar zij rond 06.15 uur naar binnen gaan.

Vervolgens komt rond 07.21 uur een witte Audi met kenteken [kenteken 2] aangereden bij [A] . De bestuurder van de Audi loopt naar de deur van [A] . De verdachte [medeverdachte 2] doet open en komt met een vuilniszak naar buiten. Hij wordt gevolgd door de verdachte [verdachte] die een grote zwarte sporttas draagt. De bestuurder van de Audi opent de achterbak waarna de vuilniszak en sporttas in de auto worden gelegd. Vervolgens stappen [verdachte] (als bestuurder), [medeverdachte 2] en de oorspronkelijke bestuurder van de Audi in en rijdt de auto weg. Gelet op het vroege tijdstip, de mededeling van [verdachte] dat hij die dag bezig zou zijn met een klus, de korte tijd dat de Audi is gestopt en het gegeven dat [medeverdachte 2] de deur opendoet met een vuilniszak reeds in zijn hand die hij in de Audi legt, trekt het hof de conclusie dat [medeverdachte 2] en [verdachte] kennelijk vooraf hadden afgesproken met de bestuurder van de Audi.

De Audi is (vrijwel) direct vanaf [A] richting Hoofdorp gereden, aangezien de auto rond 07.55 is gesignaleerd op de N201 in Hoofddorp.

(…)

Zoekslag op de telefoon van [verdachte] en overeenkomsten met ‘overvaller 3’

Van belang is dat op een tablet van de verdachte [verdachte] twee schermafbeeldingen zijn aangetroffen van nieuwsberichten van RTV Noord-Holland, gemaakt op 26 mei 2015 om 12.52 uur en 12.54 uur, die betrekking hebben op een overval in Hoofddorp. Ook is op de telefoon van de verdachte [verdachte] vanaf 14.54 uur gezocht naar nieuwberichten over de overval. Het hof acht dit van belang, omdat de verdachte [medeverdachte 2] is aangehouden op 26 mei 2015 om 15.00 uur, ruim twee uur nadat de zoektocht van de verdachte [verdachte] naar de nieuwsberichten was aangevangen. De door de verdachte [verdachte] ter terechtzitting gegeven verklaring voor het zoeken naar nieuwsberichten van de overval, die – kort gezegd – inhoudt dat de verdachte [verdachte] ging zoeken naar informatie over de zaak waarvoor zijn neef (het hof begrijpt: de verdachte [medeverdachte 2] ) was aangehouden – kan naar het oordeel van het hof aldus geen stand houden, nu de verdachte [medeverdachte 2] nog niet was aangehouden op het moment dat de verdachte [verdachte] naar berichtgeving hierover zocht. Voor zover de verdediging hieromtrent verweer heeft gevoerd, wordt dit verweer verworpen.

Voorts is relevant dat de politie – kort gezegd – overeenkomsten heeft geconstateerd / waargenomen tussen het signalement van [verdachte] op basis van de beelden bij [A] in de vroege ochtend van 26 mei 2015, en het signalement van één van de overvallers die het bedrijfspand is binnengegaan. Het gaat om de volgende overeenkomsten: kleur, lengte en model van de jas, kleur van de schoenen, de soort broek (spijkerbroek), en het postuur. Anders dan de raadsman van de verdachte [verdachte] lijkt te willen hebben betogen, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een herkenning van de verdachte [verdachte] , maar van een (op ambtseed opgemaakt) proces-verbaal waarin door verbalisanten waargenomen overeenkomsten zijn geverbaliseerd op onderdelen van het signalement. Deze overeenkomsten zijn op onderdelen voor de verdachte [verdachte] belastend, zonder dat sprake is van een herkenning van de (persoon van) de verdachte als zodanig. Gelet hierop, en in aanmerking genomen hetgeen daaromtrent door de verdediging is aangevoerd, ziet het hof geen (enkele) reden om het proces-verbaal van bevindingen van politieambtenaar [verbalisant] , van 19 oktober 2015 (doorgenummerde pagina 501 t/m 503) uit te sluiten voor het gebruik van het bewijs, zoals bepleit door de verdediging.

Nu het hof – kort gezegd – de onderzoeksresultaten van het NFI-onderzoek aan het kogelwerend vest dat nabij de kapperszaak is aangetroffen, niet voor het bewijs zal gebruiken voor zover de resultaten zouden uitwijzen dat daarop DNA van de verdachte [verdachte] is aangetroffen, zal het verweer van de verdediging in zoverre onbesproken blijven.

Tussenconclusie II (betrokkenheid [medeverdachte 2] en [verdachte] )

Uit het voorgaande leidt het hof het volgende af. [medeverdachte 2] heeft de BMW bestuurd die was betrokken bij de overval. Bovendien trekt het hof de conclusie dat [medeverdachte 2] één van de overvallers was die in het pand is geweest. Het hof baseert dit op de eerder genoemde verklaring dat de inzittenden van de BMW in het pand zijn geweest, het gegeven dat [medeverdachte 2] er kennelijk alles aan gelegen was om te ontsnappen aan de politie, de omstandigheid dat hij een kogelwerend vest droeg – hetgeen goed past bij het karakter van de overval waarbij zeer zware wapens zijn gebruikt – en de overeenkomsten in signalement. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat [verdachte] en [medeverdachte 2] in de zeer vroege ochtend kort voorafgaand aan de overval een ontmoeting hadden in Noordwijk, alwaar ze gevulde tassen in de auto plaatsen, waarna zij kennelijk gezamenlijk richting Hoofddorp zijn gereden, waar kort daarna de overval plaats vond, gaat het hof er verder vanuit dat de ‘klus’ waarover [verdachte] en [medeverdachte 2] in de appberichten spraken, de tenlastegelegde overval is geweest. Daarbij neemt het hof bovendien in aanmerking dat [verdachte] kort na de overval naar nieuwsberichten over die overval heeft gezocht, nog voordat de verdachte [medeverdachte 2] is aangehouden. In enige mate betrekt het hof daar nog bij dat voor het bestaan van enige andere (reguliere) ‘klus’ dan de overval geen enkele aannemelijke verklaring is gekomen.

Ofschoon de hiervoor genoemde ‘overeenkomsten’ tussen (het signalement) van [verdachte] en één van de overvallers op zichzelf beschouwd onvoldoende zijn om enkel op grond daarvan de conclusie te trekken dat het om dezelfde persoon gaat – daarvoor zijn die overeenkomsten te globaal -, is het hof van oordeel dat die conclusie wél kan worden getrokken als die overeenkomsten worden bezien in het licht van hetgeen hiervoor is vast gesteld en overwogen (de inhoud van de chats en de ontmoetingen bij [A] ). Het hof ziet zich in zijn oordeel op dit punt gesterkt door het gegeven dat de verdachte op vragen naar de inhoud van de chats, zijn aanwezigheid bij [A] , de inhoud van de tassen hetzij heeft gezwegen hetzij in zeer algemene, niet verifieerbare termen antwoord gegeven – of aantoonbaar onjuist heeft verklaard –, welke verklaringen het hof niet geloofwaardig acht. Aldus heeft hij de redengevendheid van deze feiten en omstandigheden niet ontzenuwd. Dit betekent dat het hof tot het oordeel komt dat ook [verdachte] op de plaats delict kan worden geplaatst, en dat ook hij één van de overvallers was die in het bedrijfspand is geweest.

Aanwezigheid verdachte [medeverdachte 1] bij [A] op 25 en 26 mei 2015

Zoals hiervoor overwogen zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] in de avond van 25 mei 2015 en in de vroege ochtend van 26 mei 2015 in [A] in Noordwijk geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt ten aanzien van die ontmoeting verder het volgende. Op 25 mei 2015 werd een witte Audi met kenteken [kenteken 2] gesignaleerd bij [A] . De Audi wordt om 21.04 uur geparkeerd naast [A] . Er stappen twee personen uit die contact maken met [medeverdachte 2] en [verdachte] . Gevieren gaan zij [A] binnen. De twee inzittenden van de Audi verlaten [A] om 21.31 uur en rijden met de Audi weg. Een kleine minuut later vertrekken ook [medeverdachte 2] en [verdachte] .

Het hof heeft voorts overwogen dat [medeverdachte 2] en [verdachte] de volgende dag - de dag van de overval - in de vroege ochtend bij [A] met diezelfde Audi zijn opgehaald. De persoon die hen kwam ophalen is volgens de politie, gelet op - kort gezegd - de overeenkomsten in signalement (onder meer postuur, manier van lopen en haardracht en kleur) 'met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid' dezelfde persoon die de avond daarvoor als bijrijder in de Audi zat en met [medeverdachte 2] en [verdachte] een ontmoeting had in [A] . Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het gaat om dezelfde auto, concludeert het hof dat het inderdaad gaat om dezelfde persoon.

Het hof is bovendien van oordeel dat deze persoon de verdachte [medeverdachte 1] is. Daartoe is het volgende – in onderling verband en samenhang bezien – relevant:

- uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van de Audi;

- ruim drie weken eerder werd [medeverdachte 1] als inzittende van de Audi gecontroleerd. Het signalement van [medeverdachte 1] [het hof begrijpt: ten tijde van die controle] vertoonde grote overeenkomsten met - naar het hof begrijpt uit het proces-verbaal bevindingen bovenkleding [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] , procesdossier p. 662 in het licht van het proces-verbaal bevindingen 123-2015128737 op p. 548 e.v. de persoon die op 25 mei 2015 uit [A] kwam en vervolgens als bijrijder in de witte Audi stapte;

- uit het dossier (in het bijzonder voornoemd proces-verbaal bevindingen bovenkleding [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] ) leidt het hof af dat [medeverdachte 1] beschikt over een rode jas met capuchon en dat vorenbedoelde bijrijder een rode jas met capuchon droeg;

- het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 2] van [medeverdachte 1] maakt om 21.33 uur, dus zeer kort nadat de inzittenden van de Audi op 25 mei 2025 [A] hadden verlaten (rond 21.31 uur), gebruik van een zendmast in Noordwijk die onder meer [A] onder bereik heeft. Het contact dat werd gelegd was met het telefoonnummer van [betrokkene 1] , de partner van [medeverdachte 1] in wier woning hij later is aangehouden;

- door [medeverdachte 1] werd ook een Blackberry met telefoonnummer [telefoonnummer 1] gebruikt. Deze telefoon was voorzien van een zogenoemde PGP functionaliteit waardoor versleutelde berichten konden worden verstuurd. Uit een zogenoemde ‘periodieke update’ door telecomprovider T-Mobile op 26 mei 2015 om 22.22.32 blijkt dat een zendmast aan de [e-straat] als op dat moment laatst bekende zendmast staat geregistreerd. Dit betekent dat dit telefoonnummer ten minste op enig moment tussen 20:22:32 en 22:22:32 deze zendmast heeft aangestraald, zo leidt het hof uit het proces-verbaal van bevindingen af. Binnen dat tijdsbestek gebruikt ook het telefoonnummer [telefoonnummer 2] van [medeverdachte 1] een zendmast in Noordwijk (een zendmast die bereik heeft op het adres [b-straat 1] , alwaar [A] was gevestigd);

- op 26 mei 2015 om 6.58.15 gebruikt de Blackberry [telefoonnummer 1] als op dat moment laatst geregistreerd paal een zendmast aan de [f-straat] , zo blijkt uit - kort gezegd - de ‘periodieke update’ van T-Mobile. Dit betekent dat tussen 4.58.15 en 6.58.15 deze mast is aangestraald met dit nummer. Deze mast heeft bereik in het gebied nabij de afslag Leidenschendam van de A4 naar de N14. Voornoemde Audi wordt om 6:58:19 geregistreerd op de A4 ten hoogte van Leidschendam.

Tussenconclusie III (aanwezigheid [medeverdachte 1] in [A] op 25 en 26 mei 2015)

Het hof komt tot de conclusie dat [medeverdachte 1] degene is geweest die [medeverdachte 2] en [verdachte] in de vroege ochtend van 26 mei 2015 bij [A] heeft opgehaald om met hen richting Hoofddorp (de plaats waar de overval plaatsvond) te rijden en dat er ook de avond ervoor tussen hen een ontmoeting is geweest in [A] . Dit gegeven bezien in samenhang met hetgeen ten aanzien van de betrokkenheid van [medeverdachte 2] en [verdachte] bij de overval is overwogen, waaronder in het bijzonder de omstandigheid dat er kort voor die ontmoeting tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] is gesproken over een ‘klus’, dat die klus naar het oordeel van het hof betrekking heeft op de grondig voorbereide overval en dat [medeverdachte 2] na de ontmoeting op 25 mei 2015 in [A] aan [verdachte] laat weten ‘morgen’ (de dag van de overval) te komen, brengt het hof tot de conclusie dat deze beide gebeurtenissen bij [A] in een betekenisvol verband staan tot de (organisatie van) de overval.

[medeverdachte 1] op de plaats delict

(…)

Slotsom

Het hof komt op basis van al het voorgaande en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien tot de slotsom dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] direct betrokken zijn geweest bij de overval. De overval is (onder meer) vanuit [A] in Noordwijk voorbereid op 25 en 26 mei 2015. Alle drie de verdachten zijn daarbij aanwezig geweest. Verder zijn alle drie de verdachten op de plaats delict te plaatsen. De verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn daadwerkelijk in het bedrijfspand geweest waar de overval plaatsvond. De verdachte [medeverdachte 1] is ook op de plaats delict geweest en heeft de Skoda met valse kentekenplaten bestuurd die vanaf de plaats delict gelijk op is gereden met de eveneens bij de overval betrokken Mercedes bus.

Voorgaande redengevende feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat elk van deze verdachten, mede gelet op de grondige voorbereiding waarmee de overval moet zijn gepaard, als medepleger bij de overval is betrokken.

De overige door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweren, worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. Deze verweren worden verworpen.”

De eerste deelklacht

De deelklacht en de toelichting daarop

8. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel dat het proces-verbaal van bevindingen waarin wordt gerelateerd dat er overeenkomsten zijn tussen de op camerabeelden waarneembare kenmerken van één van de overvallers en de verdachte, redengevend is voor de conclusie dat de verdachte één van de overvallers is geweest, in het licht van hetgeen de verdediging ter zitting heeft aangevoerd, zonder (nadere) motivering onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.

9. In de eerste plaats had het hof nader moeten motiveren waarom het proces-verbaal van bevindingen tot het bewijs kan dienen, ondanks het feit dat daarin niet tot uitdrukking komt op basis waarvan de kleur, het model en de lengte van de jas, de kleur van de schoenen en het postuur van de pers(o)on(en) op de camerabeelden overeenkomen. In de tweede plaats had het hof ambtshalve moeten vaststellen of op de camerabeelden door de betreffende persoon een spijkerbroek wordt gedragen, omdat de verdediging dit ter zitting heeft betwist, aldus de steller van het middel.

De bespreking van de eerste deelklacht

10. Ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte een betrouwbaarheidsverweer gevoerd. Als onderdeel van dat verweer is het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ingenomen dat – kort gezegd – de herkenning door de verbalisant, zoals gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen van 19 oktober 2015, mede vanwege de weinig specifieke kenmerken die in het proces-verbaal zijn omschreven, niet objectief en verifieerbaar is. Het hof heeft het verweer gemotiveerd verworpen en daartoe overwogen dat het proces-verbaal van bevindingen van 19 oktober 2015 geen herkenning van de verdachte als zodanig bevat, maar een verbalisering van de door de verbalisant waargenomen overeenkomsten op onderdelen van het signalement. “Gelet hierop, en in aanmerking genomen hetgeen daaromtrent door de verdediging is aangevoerd, ziet het hof geen (enkele) reden om het proces-verbaal (…) uit te sluiten voor het gebruik van het bewijs, zoals bepleit door de verdediging.”Daarnaast heeft het hof, onder “Tussenconclusie II (betrokkenheid [medeverdachte 2] en [verdachte] )”, overwogen dat de overeenkomsten tussen het signalement van de verdachte en één van de overvallers weliswaar te globaal zijn om enkel op grond daarvan de conclusie te trekken dat het om dezelfde persoon gaat, maar dat die conclusie niettemin kan worden getrokken als die overeenkomsten worden bezien in het licht van de inhoud van de chatgesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 2] en de ontmoetingen bij [A] , alsmede wat het hof daarover heeft vastgesteld en overwogen.

11. In de bewijsoverwegingen ligt dan ook als oordeel besloten dat het hof de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen, in afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, betrouwbaar en redengevend heeft geacht. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en is bovendien toereikend gemotiveerd. De responsieplicht van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv dwingt in een geval als de onderhavige niet tot een nadere motivering en evenmin tot een ambtshalve beoordeling van de camerabeelden.

De tweede deelklacht

De deelklacht

12. De tweede deelklacht houdt in dat het hof in zijn bewijsvoering feiten en omstandigheden heeft betrokken die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken, terwijl het hof evenmin heeft aangegeven aan welke wettige bewijsmiddelen de feiten en omstandigheden zijn ontleend.

Het bestreden oordeel

13. De steller van het middel doelt op de volgende bewijsoverwegingen (ik herhaal):

“- op 26 mei 2015 om 6.58.15 gebruikt de Blackberry [telefoonnummer 1] als op dat moment laatst geregistreerd paal een zendmast aan de [f-straat] , zo blijkt uit – kort gezegd – de ‘periodieke update’ van T-mobile. Dit betekent dat tussen 4.58.15 en 6.58.15 deze mast is aangestraald met dit nummer. Deze mast heeft bereik in het gebied nabij de afslag Leidschendam van de A4 naar de N14. Voornoemde Audi wordt om 6:58:19 geregistreerd op de A4 ten hoogte van Leidschendam.

Tussenconclusie III (aanwezigheid [medeverdachte 1] in [A] op 25 en 26 mei 2015)

Het hof komt tot de conclusie dat [medeverdachte 1] degene is geweest die [medeverdachte 2] en [verdachte] in de vroege ochtend van 26 mei 2015 bij [A] heeft opgehaald om met hen richting Hoofddorp (de plaats waar de overval plaatsvond) te rijden en dat er ook de avond ervoor tussen hen een ontmoeting is geweest in [A] . Dit gegeven bezien in samenhang met hetgeen ten aanzien van de betrokkenheid van [medeverdachte 2] en [verdachte] bij de overval is overwogen, waaronder in het bijzonder de omstandigheid dat er kort voor die ontmoeting tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] is gesproken over een ‘klus’, dat die klus naar het oordeel van het hof betrekking heeft op de grondig voorbereide overval en dat [medeverdachte 2] na de ontmoeting op 25 mei 2015 in [A] aan [verdachte] laat weten ‘morgen’ (de dag van de overval) te komen, brengt het hof tot de conclusie dat deze beide gebeurtenissen bij [A] in een betekenisvol verband staan tot de (organisatie van) de overval.”

De toelichting op de deelklacht

14. In de toelichting wordt betoogd dat uit de zendmastgegevens van de ‘BlackBerry [telefoonnummer 1] ’ niet zonder meer kan worden afgeleid dat het voertuig (de witte Audi) richting Hoofddorp is gereden, omdat vanaf/nabij de locatie van de afslag Leidschendam via de snelweg A4 ook in andere richtingen dan Hoofddorp kan worden gereden. Daarnaast voert de steller van het middel aan dat de reistijd tussen de locatie van de zendmast en de locatie van de overval in Hoofddorp dertig minuten bedraagt, terwijl de BlackBerry tweeëneenhalf uur vóór het tijdstip waarop de overval plaatsvond, aanstraalde. Om die reden(en) is de vaststelling van het hof niet begrijpelijk en/of is zij, zonder nadere motivering, niet redengevend voor de bewezenverklaring.

De bespreking van de tweede deelklacht

15. Uit de bewijsoverwegingen volgt, anders dan de steller van het middel betoogt, dat het hof heeft verwezen naar de inhoud van het bewijsmiddel waaraan het de feiten en omstandigheden heeft ontleend. Voor het overige raakt de deelklacht aan de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter die (in beginsel) in cassatie niet kan worden bestreden. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, volsta ik voor wat betreft de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel met de opmerking dat de enkele omstandigheid dat de inhoud van één of meer bewijsmiddelen óók een andere conclusie toelaat, niet meebrengt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is dan wel van een nadere motivering had moeten worden voorzien.

De derde en vierde deelklacht

De deelklachten en de toelichting daarop

16. De deelklachten 3 en 4 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Deze deelklachten houden – kort gezegd – in dat verschillende onderdelen van de bewijsvoering, mede in het licht van de ontkennende verklaringen van de verdachte, niet redengevend zijn voor de vaststelling dat de verdachte bij de overval betrokken (en aanwezig) is geweest. Daarnaast wordt in de toelichting betoogd dat de onschuldpresumptie is geschonden, doordat het hof uit het op bepaalde punten zwijgen door de verdachte de conclusie heeft getrokken dat er geen andere uitleg is voor het geheel aan het bewijs dan de uitleg die het hof eraan heeft gegeven.

De bespreking van de deelklachten

17. Hierover kan ik kort zijn. De klachten betreffen hoofdzakelijk een herhaling van zetten van dat wat de verdediging ter terechtzitting heeft aangevoerd. De steller van het middel bestrijdt in feite steeds één onderdeel van de bewijsvoering, terwijl het hof in zijn uitgebreide bewijsoverwegingen uiteengezet heeft dat uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, redengevende feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid, op grond waarvan het hof tot het oordeel is gekomen dat de verdachte, tezamen met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Hier zij andermaal gewezen op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter en het daarmee samenhangende gegeven dat het oordeel van de feitenrechter niet reeds onbegrijpelijk is als de weging van het bewijsmateriaal ook een andere uitkomst toelaat. ’s Hofs oordeel is dan ook niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.

18. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

19. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat het hof de stukken van het geding niet binnen de voorgeschreven inzendtermijn aan de Hoge Raad heeft toegezonden.

20. Het cassatieberoep is namens de verdachte op 23 december 2024 ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 november 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden, terwijl deze overschrijding niet meer kan worden gecompenseerd met een voortvarende afdoening. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

Slotsom

21. Het eerste middel faalt. Het middel gaat over het bewijs van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en daarom ligt afdoening op de voet van artikel 81 lid 1 RO niet voor de hand. Het tweede middel slaagt.

22. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand