ECLI:NL:PHR:2026:529

ECLI:NL:PHR:2026:529

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 25-05-2026
Zaaknummer 23/00486
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen (art. 3.1 Ontgrondingenwet (oud)), valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr), opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift (art. 225.2 Sr), allen meermalen gepleegd en begaan door een rechtspersoon. A-g maakt ambtshalve opmerkingen over verjaring. 1. Verwerping verweer strekkende tot n-o OM. 2. Heeft verdachte ‘zonder vergunning’ ontgrond? 3 en 4. Opzet, is sprake van bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans? De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 23/00489 en 23/00485.

Uitspraak

Nummer23/00486 E

Zitting 26 mei 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn arrest van 7 februari 2023 (parketnr. 21-001626-21) het vonnis van de rechtbank Overijssel van 25 maart 2021 bevestigd behalve ten aanzien van de strafoplegging. Bij dit vonnis is de verdachte veroordeeld wegens feit 1 “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, feit 2 “valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, feit 3 “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, feit 4 “valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” en feit 5 “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”. Het hof heeft de gronden van het vonnis aangevuld met overwegingen over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) en over het bewijs. Het hof heeft de strafoplegging vernietigd en bepaald dat ter zake van feit 1 geen straf op maatregel wordt opgelegd en de verdachte voor de overige feiten veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 50.000,-, met een proeftijd van drie jaren.

2. Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de betrokkene met nummer 23/00489 en de zaak 23/00485. In zaak 23/00489 zal ik vandaag ook concluderen. In de zaak 23/00485 heeft de Hoge Raad op 18 februari 2025 al arrest gewezen (in verband met het overlijden van [betrokkene 1] ).

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel betreft de verwerping van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Het tweede middel betreft het oordeel dat de verdachte ‘zonder vergunning’ heeft ontgrond. Het derde en het vierde middel betreffen het bewezen verklaarde opzet bij respectievelijk feit 1 en de feiten 2 tot en met 5. Het vijfde middel betreft de redelijke termijn in cassatie. Voordat ik de middelen bespreek, ga ik ambtshalve echter in op de verjaring van feit 1.

Ambtshalve opmerkingen over de verjaring van feit 1

5. Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat:

zij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013, in de gemeente Terschelling en/of in de gemeente Vlieland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, zonder vergunning heeft ontgrond, immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader(s),

- op 07 juni 2011 en 11 juni 2011 en 15 juni 2011 en 27 juni 2011, in het Stortemelk (zeegat van het Vlie), althans in de Noordzeekustzone/Waddenzee Noord-Nederland, zonder vergunning (in totaal) ongeveer 1400 kubieke meter, althans een hoeveelheid, schelpen gewonnen, en/of

- op 12 juli 2011 en 21 juli 2011 in het Stortemelk (zeegat van het Vlie), althans in de Noordzeekustzone/Waddenzee Noord-Nederland, zonder vergunning (in totaal) 700 kubieke meter, althans een hoeveelheid, schelpen gewonnen, en/of

- op 07 mei 2012 en 09 mei 2012 en 15 mei 2012 en 18 mei 2012 en 24 mei 2012 in het Stortemelk (zeegat van het Vlie), althans in de Noordzeekustzone/Waddenzee Noord-Nederland, zonder vergunning (in totaal) ongeveer 1750 kubieke meter, althans een hoeveelheid, schelpen gewonnen, en/of

- op 03 september 2012 en 08 september 2012 en 17 september 2012 en 24 september 2012 en 26 september 2012 in het Stortemelk (zeegat van het Vlie), althans in de Noordzeekustzone/Waddenzee Noord-Nederland, zonder vergunning (in totaal) ongeveer 1750 kubieke meter, althans een hoeveelheid, schelpen gewonnen, en/of

- op 03 april 2013 en 09 april 2013 en 15 april 2013 en 22 april 2013 en 24 april 2013 in het Stortemelk (zeegat van het Vlie), althans in de Noordzeekustzone/Waddenzee Noord-Nederland, zonder vergunning (in totaal) ongeveer 1750 kubieke meter, althans een hoeveelheid, schelpen gewonnen, en/of

- op 08 november 2013 en 14 november 2013 en 19 november 2013 en 27 november 2013 in het Stortemelk (zeegat van het Vlie), althans in de Noordzeekustzone/Waddenzee Noord- Nederland, zonder vergunning (in totaal) ongeveer 1400 kubieke meter, althans een hoeveelheid. Schelpen gewonnen;”

6. De bewezenverklaring van feit 1 houdt ten laste van de verdachte in dat:

zij op meer tijdstippen in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013 in Nederland opzettelijk zonder vergunning heeft ontgrond, immers heeft zij, verdachte,

- op 7 juni 2011, 11 juni 2011, 15 juni 2011 en 27 juni 2011 in het Stortemelk (zeegat van het Vlie) zonder vergunning een hoeveelheid schelpen gewonnen en

- op 12 juli 2011 en 21 juli 2011 in het Stortemelk (zeegat van het Vlie) zonder vergunning een hoeveelheid schelpen gewonnen en

- op 7 mei 2012, 9 mei 2012, 15 mei 2012, 18 mei 2012 en 24 mei 2012 in het Stortemelk (zeegat van het Vlie) zonder vergunning een hoeveelheid schelpen gewonnen en

- op 3 september 2012, 8 september 2012, 17 september 2012, 24 september 2012 en 26 september 2012 in het Stortemelk (zeegat van het Vlie) zonder vergunning een hoeveelheid schelpen gewonnen en

- op 3 april 2013, 9 april 2013, 15 april 2013,22 april 2013 en 24 april 2013 in het Stortemelk (zeegat van het Vlie) zonder vergunning een hoeveelheid schelpen gewonnen en

- op 8 november 2013, 14 november 2013, 19 november 2013 en 27 november 2013 in het Stortemelk (zeegat van het Vlie) zonder vergunning een hoeveelheid schelpen gewonnen;”

7. Het hof heeft ten aanzien van de “Oplegging van straf en/of maatregel” onder meer het volgende overwogen:

Het hof heeft geconstateerd dat de onder 1 tenlastegelegde feiten zo lang geleden zijn gepleegd dat het al gedeeltelijk is verjaard - voor zover het de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 betreft - en op korte termijn in zijn geheel zal verjaren in verband met de absolute verjaringstermijn als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof voorziet dat de aankomende verjaring reeds reden voor cassatie zou kunnen zijn. Om verdere procedures te voorkomen, en omdat het karakter en de verjaringstermijn van het onder 1 ten laste gelegde delict verschillen van die van de overige tenlastegelegde feiten, zal het hof de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde geen straf of maatregel opleggen.”

8. Het opzettelijk zonder vergunning ontgronden, als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de inmiddels vervallen Ontgrondingenwet (hierna: Ogw), was strafbaar gesteld bij artikel 1a aanhef en onder 2º (oud) van de Wet op de economische delicten en werd conform artikel 2 onder 1 (oud) en artikel 6 lid 1 onder 2º van de Wet op de economische delicten bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Op grond van artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 Sr beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren. Deze verjaringstermijn vangt op grond van artikel 71 Sr aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd.

9. Het onder 1 ten laste gelegde feit is volgens de tenlastelegging gepleegd op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013. De laatste ontgrondingshandeling die in feit 1 feitelijk ten laste is gelegd, zou zijn gepleegd op 27 november 2013. Dat betekent dat het recht tot strafvordering ten aanzien van feit 1 vanaf 28 november 2025 wegens verjaring is vervallen.

10. In cassatie wordt echter niet geklaagd over de verjaring van dit feit. Voor het geval de verjaring reeds voor het indienen van de schriftuur op 10 april 2025 was voltooid, leidt dit daarom niet tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak.

11. Voor zover het recht tot strafvordering van dit feit wegens verjaring na het indienen van de schriftuur is vervallen – dit betreft de ten laste gelegde periode van 10 april 2013 tot en met 31 december 2013 – heeft de verdachte daarnaast onvoldoende belang bij ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak. Deze partiële cassatie heeft immers geen invloed op de kwalificatie en bovendien heeft het hof in verband met de aankomende verjaring van feit 1 expliciet overwogen geen straf of maatregel op te leggen voor dit feit.

Het eerste middel

12. Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid van het OM blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt dat de staat ernstig tekort is geschoten in haar handhavingsplicht waardoor de verdachte (onbewust) jarenlang is doorgegaan met het winnen van schelpen op locaties buiten het vergunde gebied, terwijl bestuursrechtelijke handhaving – wanneer meteen was ingegrepen – had kunnen volstaan. Vanuit het uitgangspunt dat het strafrecht een uiterst middel hoort te zijn, is het onbegrijpelijk dat het hof niet heeft geoordeeld dat het ernstig tekortschietende handelen van de staat aan strafrechtelijke vervolging in de weg staat.

De overwegingen van rechtbank en hof

13. De rechtbank heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie onder meer het volgende overwogen:

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek al dan niet strafvervolging moet plaatsvinden. Dit wordt ook wel aangeduid als het opportuniteitsbeginsel. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing en wel in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

De rechtbank volgt de verdediging niet in het betoog dat er in dit geval geen plaats is voor strafrechtelijke vervolging, omdat in het kader van de Ogw bestuursrechtelijke handhaving voorop staat. Overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Ogw is in artikel 1a, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) aangemerkt als een economisch delict. Hieruit volgt dat sprake is van een (strafbaar) feit dat strafrechtelijk kan worden vervolgd. In de Ogw is geen bevoegdheid neergelegd om dit feit (onder omstandigheden) af te doen met een bestuurlijke boete. Verder acht de rechtbank van belang dat op dit feit tot 30 april 2014 de “Richtlijn voor strafvordering grondstromen” van toepassing was. In deze richtlijn was bepaald dat als geen vergunning was aangevraagd altijd proces-verbaal diende te worden opgemaakt, dat bij het ontgraven / onttrekken van maximaal 25.000 m3 een transactie diende te worden aangeboden en dat bij het ontgraven/onttrekken van meer dan 25.000 m3 direct gedagvaard diende te worden. Uit het dossier blijkt dat in dit geval de verdenking bestaat dat verdachte in de periode van 2011 tot en met 2013 meer dan 25.000 m3 schelpen heeft gewonnen zonder ontgrondingsvergunning. Ook de Landelijke Handhavingsstrategie, die op 24 april 2014 is vastgesteld, staat niet aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg. Deze heeft onder meer betrekking op de Ogw. De Landelijke Handhavingsstrategie leent zich er naar inhoud en strekking niet toe jegens verdachten als rechtsregel te worden toegepast en kan niet worden aangemerkt als recht in de zin van artikel 79 RO. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 17 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:436).

De rechtbank is voorts van oordeel dat - nog daargelaten dat bij vervolging van de Staat en in beginsel ook van openbare lichamen dient te worden uitgegaan van strafrechtelijke immuniteit - geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat de gevallen van verdachte en de Staat niet vergelijkbaar zijn. Verdachte heeft een geheel andere rol gespeeld bij de schelpenwinning dan de Staat. Verdachte is degene die de schelpen heeft gewonnen. Voor zover de Staat als de rechthebbende op de winlocaties is aan te merken, komt daarbij dat de omstandigheid dat de Staat de gegevens van de black box tot zijn beschikking had en aan de hand van die gegevens had kunnen weten waar verdachte de schelpen won, nog niet betekent dat de Staat dit ook daadwerkelijk wist. Ook kan uit de omstandigheid dat de Staat bij het toezicht op de schelpenwinning steken heeft laten vallen, niet worden afgeleid dat de Staat bewust toestemming heeft gegeven voor het winnen van schelpen zonder ontgrondingsvergunning.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel ook niet kan slagen. Er is geen sprake van het instellen of voorzetten van de vervolging nadat door het Openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat zij niet (verder) zal worden vervolgd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven in de regel niet kan worden ontleend. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1563). Verder verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft overwogen over de rol van de Staat. Verdachte heeft uit de omstandigheden dat de Staat met behulp van de black box gegevens kon nagaan waar de schelpen werden gewonnen en dat (desondanks) niet handhavend is opgetreden, niet de conclusie kunnen trekken dat schelpenwinning op die locaties was toegestaan. Uit het dossier blijkt niet dat de Staat deze schelpenwinning actief of passief heeft gedoogd. Daarvoor is vereist dat de Staat deze schelpenwinning bewust heeft toegestaan en daarvan is niet gebleken. Mede om die reden heeft verdachte aan het uitblijven van handhavend optreden niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat zij niet zou worden vervolg voor het winnen van schelpen zonder ontgrondingsvergunning. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het bevoegd gezag nooit enige uitlating heeft gedaan, waaruit verdachte de conclusie heeft kunnen trekken dat het winnen van schelpen op de desbetreffende locaties was toegestaan of werd gedoogd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval, zoals hiervoor bedoeld, waarin het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is op de grond dat het instellen of voortzetten van de vervolging niet te verenigen is met het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel of een ander beginsel van goede procesorde.

(…)

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het door de verdediging gevoerde ontvankelijkheidsverweer.

14. Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank als volgt aangevuld:

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat er zowel binnen het bestuursrecht als het civiele recht voldoende middelen bestonden om corrigerend op te treden, zodat er geen plaats is voor een strafrechtelijke vervolging. Daarnaast is er volgens de verdediging gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat verdachte en haar bestuurder [betrokkene 1] zijn vervolgd en de Staat als privaatrechtelijke partij en tevens toezichthouder, niet. Ten slotte is aangevoerd dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel in combinatie met een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de Staat het in eerste instantie heeft nagelaten om handhavend op te treden terwijl de controlerende instanties op de hoogte waren van de winlocaties van verdachte, en de daadwerkelijke strafvervolging vervolgens veel te lang heeft geduurd. Alles samen maakt volgens de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ingestelde strafvordering.

Het hof overweegt, in aanvulling op hetgeen door de rechtbank op pagina 8 tot en met 10 van het vonnis is overwogen, dat al de door de verdediging aangevoerde omstandigheden, ook in samenhang bezien, niet maken dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte.

Van gelijke gevallen in de zin van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake, nu de rol van verdachte en die van de overheid als eigenaar van de gronden een geheel andere is. De overheid heeft door middel van het uitgeven van vergunningen, of door het niet verlenen daarvan, in beginsel voldaan aan zijn verplichting om te verhinderen dat zonder vergunning wordt ontgrond. Dat diezelfde overheid pas laat heeft ingegrepen met betrekking tot de overtreding van het verbod van artikel 3 van de Ontgrondingenwet (hierna: Ogw) door verdachte, is in het licht van het gelijkheidsbeginsel niet relevant. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan verdachte daaraan geen rechten ontlenen.

Verder overweegt het hof dat de in het kader van het gelijkheidsbeginsel aangehaalde Aanwijzingen voor de regelgeving evenmin in de weg staan aan ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aangezien zij naar inhoud en strekking niet zijn aan te merken is als recht in de zin van artikel 79 van het Wet op de Rechterlijke Organisatie, waardoor geen horizontale of verticale werking door partijen aan die bepalingen kan worden ontleend.

Er is geen sprake, van een situatie waarin geen redelijk denkend lid van het openbaar ministerie tot een vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte had kunnen komen. Het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.

De bespreking van het eerste middel

Het beoordelingskader: vervolging in strijd met beginselen van een goede procesorde

15. In artikel 167 lid 1 Sv is aan het OM de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of – naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek – vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

16. Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat uitlatingen die door het OM zijn gedaan of aan het OM zijn toe te rekenen, dan wel gedragingen die met dergelijke uitlatingen gelijk kunnen worden gesteld, bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan een gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven in de regel niet worden ontleend.

17. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig belang dat door strafrechtelijke handhaving wordt beschermd gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Aan het oordeel dat het OM om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld.

De bespreking van het middel

18. Het hof heeft het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring verworpen. Het heeft daartoe vastgesteld dat artikel 3 lid 1 van de Ogw een economisch delict is dat strafrechtelijk kan worden vervolgd en de Ogw geen bevoegdheid bevat om dit feit af te doen met een bestuurlijke boete. Bovendien heeft het hof vastgesteld dat op 30 april 2014 de Richtlijn voor strafvordering grondstromen van toepassing was, waarin was bepaald dat als geen vergunning was aangevraagd altijd proces-verbaal diende te worden opgemaakt en dat bij het ontgraven/onttrekken van meer dan 25.000 m3 direct gedagvaard moest worden. Uit het dossier blijkt dat de verdenking bestaat dat de verdachte in de periode van 2011 tot en met 2013 meer dan 25.000 m3 heeft gewonnen. De Landelijke Handhavingsstrategie die op 24 april 2014 is vastgesteld, staat daarbij niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie omdat deze niet is aan te merken als recht in de zin van artikel 79 RO.

19. Het hof heeft verder overwogen dat er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat de rol van de verdachte en die van de overheid als eigenaar van de gronden een geheel andere (en dus onvergelijkbaar) was. De omstandigheid dat de staat de gegevens van de black box tot zijn beschikking had en had kunnen weten waar de verdachte de schelpen had gewonnen, betekent nog niet dat de staat dit ook daadwerkelijk wist. Dat de overheid pas laat heeft ingegrepen, is in het licht van het gelijkheidsbeginsel niet relevant. Ook de Aanwijzingen voor de regelgeving staan niet aan ontvankelijkheid van het OM in de weg omdat zij niet zijn aan te merken als recht in de zin van artikel 79 RO.

20. Het vertrouwensbeginsel is volgens het hof niet geschonden. Er was geen sprake van het instellen of voorzetten van de vervolging nadat door het OM uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) waren gedaan waardoor bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat zij niet (verder) zou worden vervolgd. Uit de omstandigheid dat de staat steken heeft laten vallen bij het toezicht op de schelpenwinning kan niet worden afgeleid dat de staat bewust toestemming heeft gegeven voor het winnen van schelpen zonder ontgrondingsvergunning. En de verdachte kon aan het uitblijven van handhavend optreden niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat zij niet zou worden vervolgd voor het winnen van schelpen zonder ontgrondingsvergunning.

21. Het hof oordeelt ten slotte dat er geen sprake is van een situatie waarin geen redelijk denkend lid van het OM tot een vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte had kunnen komen.

22. Het oordeel van het hof dat het OM ontvankelijk is in de vervolging getuigt, gelet op het geldende kader, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt.

Het tweede middel

23. Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte ‘zonder vergunning heeft ontgrond’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt dat de verdachte beschikte over een ontgrondingsvergunning, maar heeft gehandeld in strijd met een vergunningsvoorwaarde door schelpen te winnen op een plaats waarop de vergunning geen betrekking had, en dat toepassing van artikel 5.20 van de Aanwijzing voor de regelgeving betekent dat handelen in strijd met een vergunningsvoorschrift niet impliceert dat zonder vergunning wordt gehandeld.

De overwegingen van de rechtbank en het hof

24. De rechtbank heeft voor zover van belang voor de beoordeling van het middel het volgende overwogen:

“4.4.2 Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De rechtbank leidt uit de hiervoor samengevat weergegeven bewijsmiddelen af dat verdachte op de onder 1 in de tenlastelegging vermelde data schelpen heeft gewonnen in het Stortemelk / Zeegat van het Vlie. Verder leidt de rechtbank uit deze bewijsmiddelen af dat dit gebied onderdeel uitmaakt van het wingebied de Noordzeekustzone en dat het verdachte op grond van (de voorschriften bij) de haar voor de periode van 2011 tot en met 2013 verleende ontgrondingsvergunning niet was toegestaan om in dit gebied schelpen te winnen.

Naar aanleiding van het betoog van de verdediging dat niet kan worden bewezen dat verdachte schelpen heeft gewonnen (en dus heeft ontgrond) zonder vergunning, omdat zij wel over een ontgrondingsvergunning beschikte, overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Ogw is het verboden om te ontgronden zonder vergunning. Het winnen van schelpen uit/van de zeebodem is een vorm van ontgronden. Daaruit volgt dat deze gedraging verboden is, tenzij daarvoor een ontgrondingsvergunning is verleend.

In het kader van (het verlenen van vergunningen voor) ontgronden door het winnen van schelpen wordt, voor zover in deze zaak van belang, onderscheid gemaakt tussen het winnen van schelpen in het wingebied de Noordzee enerzijds en het winnen van schelpen in het wingebied de Waddenzee en Noordzeekustzone anderzijds. Dit blijkt niet alleen uit het beleid van de Rijksoverheid, maar ook uit de omstandigheid dat zowel over de periode vóór 2011 als over de periode na 2013 aan verdachte afzonderlijke ontgrondingsvergunningen zijn verleend voor het winnen van schelpen in het wingebied de Noordzee enerzijds en voor het winnen van schelpen in het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone anderzijds.

Verdachte, beschikte in de periode van 2011 tot en met 2013 alleen over een ontgrondingsvergunning voor het winnen van schelpen in het wingebied de Noordzee. In voorschrift 1.1 van deze vergunning is het wingebied gedefinieerd doordat is bepaald dat de winning alleen mag worden uitgevoerd binnen het gebied zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende indicatieve tekening NZWS 2010-0132 . Op deze tekening is te zien, zoals de rechtbank ook ter zitting heeft waargenomen en met [betrokkene 1] heeft besproken, dat de strook zee tussen de Waddeneilanden en direct ten Westen van Texel en direct ten Noorden van de overige Waddeneilanden niet behoort tot het gebied waarin het winnen van schelpen op grond van de vergunning is toegestaan. Dit gedeelte van de Noordzee is in andere documenten aangeduid als de Noordzeekustzone. Ook in deze uitspraak zal dit gebied hierna worden aangeduid als de Noordzeekustzone.

De reikwijdte van de aan verdachte verleende ontgrondingsvergunning wordt in geografische zin beperkt door voorschrift 1.1. Het winnen van schelpen in de Noordzeekustzone valt door deze beperking buiten de reikwijdte van de verleende vergunning. Daardoor wordt deze gedraging niet door de vergunning gedekt.

Uit het voorgaande volgt dat aan verdachte in de periode van 2011 tot en met 2013 geen vergunning is verleend voor het winnen van schelpen in het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone. Dat in het dictum van de vergunning geen onderscheid wordt gemaakt tussen de Noordzee en de Noordzeekustzone als wingebied doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De reikwijdte van de vergunning wordt niet alleen bepaald door het dictum, maar ook door de in de vergunning(svoorschriften) opgenomen beperkingen en de bij de vergunning behorende tekening. Dat deze tekening in de vergunning(voorschriften) is aangeduid als indicatief, betekent niet dat deze tekening gezien de betekenis die daaraan volgens de vergunning(svoorschriften), in het bijzonder voorschrift 1.1., moet worden toegekend, de reikwijdte van de vergunning niet kan inperken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gebieden waar het winnen van schelpen wel en niet is toegestaan op deze tekening duidelijk en zonder voorbehoud zijn aangegeven.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte, voor zover zij in de periode van 2011 tot en met 2013 schelpen heeft gewonnen in het wingebied de Noordzeekustzone, heeft ontgrond zonder vergunning. Daarom verwerpt de rechtbank het verweer.

25. Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank als volgt aangevuld:

“Ten aanzien van artikel 3 en 3a van de Ontgrondingenwet

Ter terechtzitting in hoger beroep is nogmaals door mr. [betrokkene 4] bepleit dat verdachte niet zonder vergunning heeft ontgrond, omdat zij in de periode van 2011 tot en met 2013 een ontgrondingsvergunning had voor de Noordzee. In voorschrift 1.1. is het wingebied gedefinieerd doordat is bepaald dat de winning alleen mag worden uitgevoerd binnen het gebied zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende indicatieve tekening met nummer NZWS 2010-0132 . Het winnen van schelpen buiten het aangegeven gebied valt volgens de verdediging aan te merken als het handelen in strijd met voorschriften van een bestaande vergunning, welk verbod is opgenomen in artikel 3a van de Ogw, en valt niet onder het zonder een vergunning ontgronden uit artikel 3 van de Ogw.

Het hof overweegt, dat voor zover artikel 3a Ogw van toepassing is, in ieder geval ook artikel 3 Ogw van toepassing is, omdat vaststaat dat verdachte in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013 in de Waddenzee en Noordzeekustzone schelpen heeft gewonnen terwijl zij daarvoor in die periode geen vergunning had.

Dat verdachte een begrip voor de Noordzee hanteert waarin geen onderscheid bestaat tussen de Noordzee en de Noordzeekustzone, dient voor haar rekening en risico te blijven. Op grond van de diverse vergunningen die aan verdachte zijn vertrekt, moet haar dat onderscheid duidelijk zijn geweest.

De bespreking van het tweede middel

Inleiding: een kwestie van semantiek

26. Het middel berust op de opvatting dat in de onderhavige zaak geen sprake kon zijn van handelen zonder een vergunning omdat de verdachte wel over een vergunning beschikte en dat de verdachte slechts de vergunningsvoorschriften heeft overtreden door schelpen te winnen buiten het wingebied waarop die vergunning betrekking had.

Beoordelingskader: handelen zonder vergunning en handelen in strijd met vergunningsvoorschriften

27. Wat betreft de vraag in hoeverre een verdachte ‘zonder vergunning’ kan handelen indien hij of zij wel beschikt over een vergunning, merk ik het volgende op. Uit (oudere) jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden opgemaakt dat handelen in strijd met beperkingen of voorschriften waaronder de vergunning is verleend, ook kan betekenen dat (tevens) wordt gehandeld zonder vergunning. Zo oordeelde de Hoge Raad in een arrest van 3 april 1951, waarin was ten laste gelegd dat de verdachte grint had vervoerd zonder daartoe strekkende vergunning en aan de verdachte werd verweten dat hij niet had voldaan aan een vordering om de papieren van de lading ter inzage te geven, terwijl dat een aan de vergunning verbonden voorwaarde was, dat “zo een vervoerder de aan zijn vergunning verbonden voorwaarden niet nakomt, aangenomen moet worden dat hij op het ogenblik of gedurende het tijdvak dat zulks plaats vindt niet vervoert met vergunning en derhalve in overtreding is”. Ik wijst daarbij ook op een arrest van 23 februari 1993, waarin sprake was van het lozen van andere stoffen dan op grond van de vergunning was toegestaan.

28. Hendriks merkt over het onderscheid tussen enerzijds handelen zonder vergunning en anderzijds handelen in strijd met vergunningsvoorschriften op dat vergunningsvoorschriften lijken te kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën: (1) voorschriften die niet (mede) de reikwijdte van het vergunde bepalen en (2) voorschriften die de reikwijdte van de vergunning wel mede bepalen. Indien sprake is van de eerste categorie voorschriften zou overtreding ervan niet meebrengen dat de handeling geacht wordt te zijn geschied zonder vergunning, indien een voorschrift wel (mede) de reikwijdte van de vergunning bepaalt, brengt overtreding daarvan echter mee dat de handeling kan worden beschouwd als te zijn verricht zonder vergunning.

De bespreking van het middel

29. In de onderhavige zaak is vastgesteld dat de verdachte in de bewezen verklaarde periode alleen over een ontgrondingsvergunning beschikte voor het winnen van schelpen in het wingebied de Noordzee. In voorschrift 1.1 van deze vergunning is het wingebied gedefinieerd. De strook zee direct ten westen van Texel en direct ten noorden van de overige Waddeneilanden, zulks met inbegrip van de gronden van het Stortemelk en het zeegat van het Vlie, behoort als onderdeel van de Noordzeekustzone niet tot het gebied waarin het winnen van schelpen op grond van de vergunning is toegestaan. Gelet daarop heeft het hof geoordeeld dat de reikwijdte van de aan de verdachte verleende ontgrondingsvergunning in geografische zin wordt beperkt door voorschrift 1.1 en dat het winnen van schelpen in de Noordzeekustzone door deze beperking buiten de reikwijdte van de verleende vergunning valt. Dat oordeel getuigt, gelet op het voorgaande, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

30. Het middel faalt.

Het derde en het vierde middel

31. Het derde middel richt zich tegen het bij feit 1 bewezen verklaarde opzet, het vierde middel richt zich tegen het bij de feiten 2 tot en met 5 bewezen verklaarde opzet. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

32. Aangevoerd wordt dat de verdachte steeds in de veronderstelling is geweest dat het Stortemelk c.q. het zeegat van het Vlie behoorde tot het gebied ‘Noordzee’ en dat zij onbewust en onbedoeld (a) buiten het toegestane wingebied schelpen heeft gewonnen, (b) bij de opgave van de gewonnen schelpen onbewust een onjuiste winplaats heeft opgegeven en (c) van die valselijk opgemaakte elektronische opgaven gebruik heeft gemaakt. De verdachte vertrouwde erop dat zij door Rijkswaterstaat zou worden gewaarschuwd als uit de registraties in de ‘black box’ zou blijken dat zij buiten het toegestane wingebied schelpen zou hebben gewonnen. De nalatigheid van de verdachte kan worden aangemerkt als ‘aanmerkelijk onoplettend’ of ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ maar levert geen opzet op, nu de vereiste bewustheid heeft ontbroken. Het oordeel van het hof dat de verdachte de feiten wel degelijk opzettelijk heeft gepleegd, geeft daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is onbegrijpelijk.

Bewezenverklaring en bewijsvoering

33. De bewezenverklaring van feit 1 is hiervoor onder 6 weergegeven. De bewezenverklaring van de feiten 2 tot en met 5 houdt in dat:

2. zij op meer tijdstippen in de période van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014 in Nederland zeven elektronische opgaven, te weten

a. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand juni 2011 door winzuiger Waddenzee en

b. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand juli 2011 door winzuiger Waddenzee en

c. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand mei 2012 door winzuiger Waddenzee en

d. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand september 2012 door winzuiger Waddenzee en

e. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2013 door winzuiger Waddenzee en

f. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand november 2013 door winzuiger Waddenzee en

g. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand januari 2014 door winzuiger Waddenzee,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk (in strijd met de waarheid) heeft opgemaakt, immers heeft zij, verdachte,

a. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 7 juni 2011, 11 juni 2011 en 15 juni 2011 een hoeveelheid van 1.050 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] en

b. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 12 juli 2011 en 21 juli 2011 een hoeveelheid van 700 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] en

c. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 7 mei 2012, 9 mei 2012,15 mei 2012, 18 mei 2012 en 24 mei 2012 een hoeveelheid van 1.750 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] en

d. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 3 september 2012, 8 september 2012, 17 september 2012, 24 september 2012 en 26 september 2012 een hoeveelheid van 1.750 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] en

e. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 3 april 2013, 9 april 2013, 15 april 2013, 22 april 2013 en 24 april 2013 een hoeveelheid van 1.750 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] en

f. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 8 november 2013, 14 november 2013, 19 november 2013 en 27 november 2013 een hoeveelheid van 1.400 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] en

g. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 15 januari 2014, 20 januari 2014 en 22 januari 2014 een hoeveelheid van 1.050 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 2] ,

terwijl in werkelijkheid die schelpen waren gewonnen in de Waddenzee/Noordzeekustzone, zulks met het oogmerk om die elektronische opgaven als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3. zij op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014 in Nederland telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van zes valselijk opgemaakte elektronische opgaven, te weten

a. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand juni 2011 door winzuiger Waddenzee en

b. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand juli 2011 door winzuiger Waddenzee en

c. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand mei 2012 door winzuiger Waddenzee en

d. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand september 2012 door winzuiger Waddenzee en

e. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2013 door winzuiger Waddenzee en

f. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand november 2013 door winzuiger Waddenzee,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, door

a. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand juni 2011 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 7 juni 2011, 11 juni 2011 en 15 juni 2011 een hoeveelheid van 1.050 m3 schelpen was gewonnen in winplaats Noordzee onder [vergunning 1] , op 30 juni 2011 per mail te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en

b. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand juli 2011 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 12 juli 2011 en 21 juli 2011 een hoeveelheid van 700 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] , op 10 augustus 2011 per mail te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en

c. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand mei 2012 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 7 mei 2012, 9 mei 2012, 15 mei 2012, 18 mei 2012 en 24 mei 2012 een hoeveelheid van 1.750 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] omstreeks 1 juni 2012 te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en

d. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand september 2012 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 3 september 2012, 8 september 2012, 17 september 2012, 24 september 2012 en 26 september 2012 een hoeveelheid van 1.750 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] , op 8 oktober 2012 per mail te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en

e. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2013 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 3 april 2013, 9 april 2013,15 april 2013, 22 april 2013 en 24 april 2013 een hoeveelheid van 1.750 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] , op 1 mei 2013 per mail te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en

f. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand november 2013 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 8 november 2013, 14 november 2013, 19 november 2013 en 27 november 2013 een hoeveelheid van 1400 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] , op 16 december 2013 per mail te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf;

4. zij op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018 in Nederland zeven elektronische opgaven, te weten

a. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2015 door winzuiger Waddenzee en

b. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand mei 2015 door winzuiger Waddenzee en

c. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand september 2016 door winzuiger Waddenzee en

d. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand juni 2017 door winzuiger Waddenzee en

e. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand augustus 2017 door winzuiger Waddenzee en

f. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2017 door winzuiger Waddenzee en

g. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2018 door winzuiger Waddenzee,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk (in strijd met de waarheid) heeft opgemaakt, immers heeft zij verdachte

a. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 9 april 2015, 11 april 2015, 16 april 2015, 17 april 2015 en 29 april 2015 een hoeveelheid van 1,750 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] en

b. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 22 mei 2015 een hoeveelheid van 350 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] en

c. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 6 september 2016, 9 september 2016, 12 september 2016 en 20 september 2016 een hoeveelheid van 1.934 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] en

d. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 16 juni 2017, 19 juni 2017 en 21 juni 2017 een hoeveelheid van 1.509 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] en

e. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 1 augustus 2017 en 27 augustus 2017 een hoeveelheid van 1.006 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 4] en

f. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid was vermeld dat op 20 april 2017 een hoeveelheid van 503 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] en

g. op die elektronische opgave in strijd met de waarheid vermeld dat op 3 april 2018 en 19 april 2018 een hoeveelheid van 1.006 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 4] ,

terwijl in werkelijkheid die schelpen waren gewonnen in de Waddenzee/Noordzeekustzone, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

5. zij op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018 in Nederland telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van zeven valselijk opgemaakte elektronische opgaven, te weten

a. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2015 door winzuiger Waddenzee en

b. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand mei 2015 door winzuiger Waddenzee en

c. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand september 2016 door winzuiger Waddenzee en

d. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand juni 2017 door winzuiger Waddenzee en

e. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand augustus 2017 door winzuiger Waddenzee en

f. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2017 door winzuiger Waddenzee en

g. een elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2018 door winzuiger Waddenzee,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, door

a. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2015 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 9 april 2015, 11 april 2015, 16 april 2015, 17 april 2015 en 29 april 2015 een hoeveelheid van 1.750 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] , op 11 mei 2015 per mail te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en

b. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand mei 2015 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 22 mei 2015 een hoeveelheid van 350 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] , op 8 juni 2015 per mail te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en

c. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand september 2016 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 6 september 2016, 9 september 2016, 12 september 2016 en 20 september 2016 een hoeveelheid van 1.934 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] , op 13 oktober 2016 per mail te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en

d. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand juni 2017 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 16 juni 2017, 19 juni 2017 en 21 juni 2017 een hoeveelheid van 1.509 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] , op 18 juli 2017 per mail te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en

e. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand augustus 2017 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 1 augustus 2017 en 27 augustus 2017 een hoeveelheid van 1.006 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 4] , op 11 oktober 2017 per mail te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en

f. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2017 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 20 april 2017 een hoeveelheid van 503 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] , op 13 met 2017 per mail te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en

g. die elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2018 door winzuiger Waddenzee, waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat op 3 april 2018 en 19 april 2018 een hoeveelheid van 1.006 m3 schelpen was gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 4] , op 12 mei 2018 per mail te verzenden aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf.

34. De bewezenverklaring is (onder meer) gegrond op de volgende bewijsvoering (met weglating van voetnoten):

4.4.1 De bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde

(…)

De gang van zaken binnen het bedrijf van verdachte

Het bedrijf van verdachte houdt zich onder meer bezig met het winnen en verkopen van schelpen. De enige bestuurder van verdachte is [A] B.V. [betrokkene 1] is sinds 27 december 1985 bestuurder van [A] B.V. Hij bekleedt de functie van algemeen directeur en is zelfstandig bevoegd.

Verdachte maakt voor het winnen (zuigen) van schelpen gebruik van het schip de [naam] . [betrokkene 1] is de schipper. Hij bepaalt welke route genomen wordt en waar de schelpen gewonnen (gezogen) worden. [betrokkene 1] heeft de leiding over het schip. Hij en zijn zoon [betrokkene 2] zijn altijd met zijn tweeën op het schip. Op het schip is een black box ingebouwd. De black box is een gesloten systeem waar [betrokkene 1] en zijn zoon niet aan kunnen komen. De black box registreert wanneer het schip vaart, stil ligt en zuigt.

[betrokkene 1] doet de administratie van verdachte en ook de administratie op het schip. Hij bepaalt wat er wordt opgegeven aan het RVB. Hij schrijft maandelijks de data en de winplaatsen van de in die maand gemaakte reizen op een blaadje. Vervolgens worden deze gegevens op verzoek van [betrokkene 1] namens verdachte via de computer naar het RVB gestuurd. Daarna krijgt [betrokkene 1] een rekening van het RVB met een prijs per kuub gewonnen schelpen. Het RVB berekent de kosten die aan verdachte in rekening worden gebracht per opgegeven m3 schelpen aan de hand van de in de opgaven vermelde winplaats. Ook kan het RVB aan de hand van deze opgaven de maximale hoeveelheid te winnen schelpen per kavel bijhouden, voor zover dit op de vergunning van toepassing is.

Verdachte heeft in 2004 van een schriftelijke waarschuwing gekregen in verband met de verdenking Van een overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Ogw op 1 juli 2003 in de Waddenzee.

De ontgrondingsvergunningen

In het beleid van de Rijksoverheid wordt in het kader van (het verlenen van vergunningen voor) ontgronden door het winnen van schelpen onderscheid gemaakt tussen het winnen van schelpen in het wingebied de Noordzee enerzijds en het winnen van schelpen in het wingebied de Waddenzee en Noordzeekustzone anderzijds. Dit beleid is (onder meer) neergelegd in de Partiële herziening Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning van november 2001, de Tweede Partiële herziening Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning van juni 2004 en de Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren van 1 oktober 2010.

[betrokkene 1] regelt de vergunningen van verdachte. Hij kreeg de vergunningen voor het winnen van schelpen toegestuurd en daar zaten kaarten bij. [betrokkene 1] heeft deze kaarten niet heel precies bestudeerd. Hij wist dat hij niet buiten de op de kaarten aangegeven grenzen mocht winnen.

In de periode vóór 2011 had verdachte zowel een vergunning om schelpen te winnen op de Noordzee als een vergunning om schelpen te winnen in de Waddenzee.

Op 12 oktober 2007 heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) verdachte op grond van artikel 3, eerste lid, van de Ogw vergunning (met nummer WSV/2068) verleend voor het van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 winnen van 180.000 m3 schelpen op de Noordzee. In voorschrift 1 is bepaald dat de winning uitsluitend mag worden uitgevoerd binnen het gebied zoals aangegeven op de bij dat besluit behorende indicatieve tekening NZWS 2007-0169 .

Op 7 november 2007 heeft de staatssecretaris verdachte op grond van artikel 3, eerste lid, van de Ogw vergunning (met [vergunning 5] ) verleend voor het van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 winnen van 49.100 m3 schelpen in de Waddenzee inclusief aangrenzende buitendelta’s in de Noordzeekustzone. In voorschrift 1 is bepaald dat de winning van schelpen uitsluitend mag plaatsvinden binnen de gebieden die zijn aangegeven op de bij die beschikking behorende overzichtstekening GISNNAWZ-2007- 0007 .

Voor de periode vanaf 2011 heeft [betrokkene 1] ingeschreven bij het RVB voor een quotum voor de Waddenzee. Verdachte heeft voor deze periode geen kavels gekregen. Zonder kavels kon verdachte geen schelpen uit dat gebied kopen van het RVB. Daarom had verdachte niets aan een vergunning voor het winnen van schelpen in de Waddenzee in de periode vanaf 2011 en heeft [betrokkene 1] deze vergunning niet aangevraagd. Verdachte had in de jaren 2011, 2012 en 2013 geen vergunning voor de Waddenzee.

Op 30 juni 2010 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister) verdachte op grond van artikel 3, eerste lid, van de Ogw vergunning (met [vergunning 1] ) verleend voor het van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013 winnen van 150.000 m3 schelpen op de Noordzee.

In voorschrift 1.1 is bepaald dat de winning alleen mag worden uitgevoerd binnen het gebied zoals aangegeven op de bij dat besluit behorende indicatieve tekening NZWS 2010-0132 .

In voorschrift 6.1 is bepaald dat de vergunninghouder uiterlijk veertien dagen na afloop van de kalendermaand schriftelijk aan de contactambtenaar een overzicht verstrekt van de maandelijks op een bepaalde locatie (gerelateerd aan de vaarwegmarkering) gemaakte reizen en gewonnen hoeveelheid schelpen in m3.

Op de indicatieve tekening NZWS 2010-0132 , die ter zitting is getoond en met [betrokkene 1] is besproken en waarbij is vastgesteld dat het dossier meerdere vergelijkbare kaarten bevat, is met een gele kleur aangegeven waar het winnen van schelpen is toegestaan. Tussen de Waddeneilanden, direct ten Westen van Texel en direct ten Noorden van de overige Waddeneilanden ligt een brede strook die niet geel, maar blauw van kleur is. Deze strook heeft een breedte van meerdere kilometers en is breder dan de Waddeneilanden.

Op 24 januari 201 1 heeft [betrokkene 1] namens verdachte een e-mail verstuurd aan een medewerker van Rijkswaterstaat. Deze e-mail had betrekking op de aan een ander bedrijf verleende vergunning voor het winnen van schelpen. In deze e-mail is aangegeven dat het onderwerp daarvan is: “Vergunning voor het winnen van schelpen in de Waddenzee en aangrenzende buitendelta's in de Noordzeskustzone voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013.”

Voor de periode van 2014 tot en met 2016 heeft [betrokkene 1] opnieuw ingeschreven bij het RVB voor een quotum voor de Waddenzee. Verdachte heeft het hoogste geboden op acht kavels voor de Waddenzee en de Noordzeekustzone en zij heeft deze kavels van ieder 16.000 m3 toegewezen gekregen. Verdachte had in de jaren 2014, 2015 en 2016 een vergunning voor de Noordzee en een vergunning voor de Waddenzee.

Op 2 augustus 2013 heeft de minister verdachte op grond van artikel 3, eerste lid, van de Ogw vergunning (met nummer RWS-2013/40090) verleend voor het van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 winnen van 75.000 m3 schelpen op de Noordzee.

In voorschrift 1.1 is bepaald dat de winning alleen mag worden uitgevoerd binnen het gebied zoals aangegeven op de bij dat besluit behorende indicatieve tekening NZWS 2013-0178.

In voorschrift 5.1 is bepaald dat de vergunninghouder uiterlijk veertien dagen na afloop van de kalendermaand schriftelijk aan de contactambtenaar een overzicht verstrekt van de maandelijks op een bepaalde locatie (gerelateerd aan de vaarwegmarkering) gemaakte reizen en gewonnen hoeveelheid schelpen in m3.

Op indicatieve tekening NZWS 2013-0178 is met een gele kleur aangegeven waar het winnen van schelpen is toegestaan. Tussen de Waddeneilanden, direct ten Westen van Texel en direct ten Noorden van de overige Waddeneilanden ligt een brede strook die niet geel, maar blauw van kleur is. Deze strook heeft een breedte van meerdere kilometers en is breder dan de Waddeneilanden.

Op 16 januari 2014 heeft de minister verdachte op grond van de Ogw vergunning (met nummer RWS-2014/951) verleend Voor het van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 winnen van 128.000 m3 schelpen per jaar uit de Waddenzee en Noordzeekustzone.

In voorschrift 1 is bepaald dat de winning van schelpen uitsluitend mag plaatsvinden binnen de gebieden die zijn aangegeven op de bij die beschikking behorende overzichtstekeningen in bijlage 2: ScheIpenwinning beschikking 2014-2016 inclusief detaiIkaarten.

In voorschrift 7.1 is bepaald dat de vergunninghouder uiterlijk veertien dagen na afloop van de kalendermaand aan het bevoegd gezag een overzicht verstrekt van de maandelijks op een bepaalde locatie gemaakte reizen en gewonnen hoeveelheid schelpen per gebied in m3.

In voorschrift 7.2 is bepaald dat de melding, met vermelding van (onder meer) winplaats (gerelateerd aan: zeegat, binnen of buiten PKB-gebied, gemeente, geul en vaarweg markering) en het nummer van de vergunning dient te worden gedaan conform de staat die beschikbaar wordt gesteld door het bevoegd gezag.

Voor de periode van 2017 tot en met 2019 heeft verdachte het hoogste ingeschreven op vier kavels in de Waddenzee en de Noordzeekustzone en heeft zij deze kavels van ieder 16.000 m3 toegewezen gekregen.

Op 6 februari 2017 heeft de minister verdachte op grond van artikel 3, eerste lid, van de Ogw vergunning (met [vergunning 4] ) verleend voor het van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 winnen van 90.000 m3 schelpen op de Noordzee.

In voorschrift 1.1 is bepaald dat de winning alleen mag worden uitgevoerd binnen het gebied zoals aangegeven op de bij dat besluit behorende indicatieve tekening M160811591 2016-003.

In voorschrift 5.1 is bepaald dat de vergunninghouder uiterlijk veertien dagen na afloop van de kalendermaand schriftelijk aan de contactambtenaar een overzicht verstrekt van de maandelijks op een bepaalde locatie (gerelateerd aan de vaarwegmarkering) gemaakte reizen en gewonnen hoeveelheid schelpen in m3.

Op indicatieve tekening M160811591 2016-003 is met een gele kleur aangegeven waar het winnen van schelpen is toegestaan. Tussen de Waddeneilanden, direct ten Westen van Texel en direct ten Noorden van de overige Waddeneilanden ligt een brede strook die niet geel, maar wit van kleur is. Deze strook heeft een breedte van meerdere kilometers en is breder dan de Waddeneilanden.

Op 17 februari 2017 heeft de minister verdachte op grond van artikel 3 van de Ogw vergunning (met nummer RWS-2017/6729) verleend voor het van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 winnen van 66.000 m3 schelpen per jaar uit de Waddenzee en Noordzeekustzone.

In voorschrift 1.1 is bepaald dat de winning van schelpen uitsluitend mag plaatsvinden binnen de gebieden die zijn aangegeven op de bij die beschikking behorende. overzichtstekeningen in bijlage 2.

In voorschrift 7.1 is bepaald dat de vergunninghouder uiterlijk veertien dagen na afloop van de kalendermaand aan het bevoegd gezag een overzicht verstrekt van de maandelijks gemaakte reizen en gewonnen hoeveelheid schelpen in m3 per schelpenwingebied.

In voorschrift 7.2 is bepaald dat in de melding (onder meer) de volgende gegevens moeten worden opgenomen: winplaats en hoeveelheid schelpen in m3 per schelpenwingebied (onderverdeeld in (onder meer) Vlie Noordzeekustzone en Vlie Waddenzee) en het nummer van de vergunning.

Het winnen van schelpen door verdachte en de opgave daarvan

In het dossier zitten kaarten waarop de locaties zijn aangegeven waar het schip volgens de door de black box gegenereerde gegevens schelpen heeft gewonnen. [betrokkene 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat deze locatiegegevens kloppen. Op deze kaarten is de begrenzing aangeduid tussen het gebied waarvoor de vergunning voor het wingebied de Noordzee geldt enerzijds en het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone anderzijds.

Uit de door de black box gegenereerde gegevens blijkt dat op 7, 11, 15 en 27 juni 2011 met de winzuiger met de naam Waddenzee (hierna: het schip) schelpen zijn gewonnen in het Stortemelk / Zeegat van het Vlie. Met de namen Stortemelk en Zeegat van het Vlie wordt (in dit geval) hetzelfde (deel)gebied aangeduid. Het Stortemelk / Zeegat van het Vlie is gelegen in het wingebied de Noordzeekustzone, waarvoor verdachte in de periode van 2011 tot en met 2013 geen vergunning had. In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand juni 2011 is opgegeven dat op 7, 11 en 15 juni 2011 met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 1.050 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] . Deze opgave is op 30 juni 2011 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden aan Zandzaken Zuid. Zandzaken Zuid is een afdeling van het RVB.

Uit de door de black box gegenereerde gegevens blijkt dat op 12 en 21 juli 2011 met het schip schelpen zijn gewonnen in het Stortemelk / Zeegat van het Vlie. In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand juli 2011 is opgegeven dat op de genoemde data met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 700 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] . Deze opgave is op 10 augustus 2011 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden aan Zandzaken Zuid.

Uit de door de black box gegenereerde gegevens blijkt dat op 7, 9, 15, 18 en 24 mei 2012 met het schip schelpen zijn gewonnen in het Stortemelk / Zeegat van het Vlie. In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand mei 2012 is opgegeven dat op de genoemde data met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 1.750 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] . Op de opgave is aangetekend dat deze is ingekomen op 1 juni 2012.

Uit de door de black box gegenereerde gegevens blijkt dat op 3, 8, 17, 24 en 26 september 2012 met het schip schelpen zijn gewonnen in het Stortemelk / Zeegat van het Vlie. In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand september 2012 is opgegeven dat op de genoemde data met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 1.750 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] . Deze opgave is op 8 oktober 2012 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden aan Zandzaken Zuid.

Uit de door de black box gegenereerde gegevens blijkt dat op 3, 9, 15, 22 en 24 april 2013 met het schip schelpen zijn gewonnen in het Stortemelk / Zeegat van het Vlie. In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2013 is opgegeven dat op de genoemde data met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 1.750 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] . Deze opgave is op 1 mei 2013 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden aan Zandzaken Zuid.

Uit de door de black box gegenereerde gegevens blijkt dat op 8, 14, 19 en 27 november 2013 met het schip schelpen zijn gewonnen in het Stortemelk / Zeegat van het Vlie. In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand november 2013 is opgegeven dat op de genoemde data met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 1.400 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 1] . Deze opgave is op 16 december 2013 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden aan Zandzaken Zuid.

In de periode van 2014 tot en met 2018 heeft verdachte de schelpen die zij heeft gewonnen buiten Vlieland opgegeven op de vergunning voor de Noordzee. In deze periode was de prijs die in rekening werd gebracht voor in de Noordzee gewonnen schelpen veel lager dan de prijs die in rekening werd gebracht voor in de Waddenzee gewonnen schelpen.

Uit de door de black box gegenereerde gegevens blijkt dat op 15, 20 en 22 januari 2014 met het schip schelpen zijn gewonnen in het Stortemelk. In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand januari 2014 is opgegeven dat op de genoemde data met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 1.050 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 2] . Deze opgave is op 6 februari 2014 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden aan Zandzaken Zuid. Het RVB heeft op 14 februari 2014 aan verdachte een bedrag van € 1,791,41 inclusief btw gefactureerd. Deze factuur heeft betrekking op het winnen van 1.050 m3 schelpen uit de Noordzee in de maand januari 2014 tegen een tarief van € 1,41 exclusief btw per m3.

Per e-mail van 20 november 2014 zijn door of namens [betrokkene 1] de opgaven over de maand oktober 2014 verzonden aan de [betrokkene 3] , werkzaam bij het RVB (hierna: [betrokkene 3] ). In reactie op deze e-mail heeft [betrokkene 3] [betrokkene 1] er per e-mail van 21 november 2014 (onder meer) op gewezen dat naar zijn idee de opgaven niet kloppen met de aan verdachte verleende vergunningen, dat [vergunning 2] geldt voor de Waddenzee en Noordzeekustzone en dat [vergunning 3] geldt voor de Noordzee. [betrokkene 3] heeft aangegeven dat hij de facturen heeft aangepast aan de in de opgaven vermelde vergunningen en hij heeft [betrokkene 1] verzocht om de gegevens voortaan juist te vermelden.

Uit de door de black box gegenereerde gegevens blijkt dat in het jaar 2015 met het schip alleen schelpen zijn gewonnen in de Waddenzee/Noordzeekustzone en niet in de Noordzee.

In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2015 is opgegeven dat op 9, 11, 16, 17 en 29 april 2015 met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 1.750 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] . Deze opgave is op 11 mei 2015 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden aan [betrokkene 3] .

In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand mei 2015 is opgegeven dat op 22 mei 2015 met het schip een hoeveelheid van 350 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] . Deze opgave is op 8 juni 2015 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden ter attentie van [betrokkene 3] .

Uit de door de black box gegenereerde gegevens blijkt dat in het jaar 2016 met het schip alleen schelpen zijn gewonnen in de Waddenzee/Noordzeekustzone en niet in de Noordzee.

In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand september 2016 is opgegeven dat op 6, 9, 12 en 20 september 2016 met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 1.934 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] (de rechtbank begrijpt: [vergunning 3] ). Deze opgave is op 13 oktober 2016 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden aan Zandzaken Zuid ter attentie van [betrokkene 3] .

Op 27 maart 2017 hebben doorzoekingen plaatsgevonden in de woning van [betrokkene 1] en in het schip. Daarbij is administratie inbeslaggenomen en zijn digitale gegevens veiliggesteld.

Uit de door de black box gegenereerde gegevens blijkt dat in het jaar 2017 met het schip alleen schelpen zijn gewonnen in de Waddenzee/Noordzeekustzone en niet in de Noordzee.

In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2017 is opgegeven dat op 20 april 2017 met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 503 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] (de rechtbank begrijpt: [vergunning 3] ). Deze opgave is op 13 mei 2017 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden aan het RVB, Zandzaken Zuid, ter attentie van [betrokkene 3] .

In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand juni 2017 is opgegeven dat op 16, 19 en 21 juni 2017 met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 1.509 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 3] (de rechtbank begrijpt: [vergunning 3] ). Deze opgave is op 18 juli 2017 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden aan het RVB, Zandzaken Zuid, ter attentie van [betrokkene 3] .

In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand augustus 2017 is opgegeven dat op 1 en 27 augustus 2017 met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 1.006 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 4] . Deze opgave is op 11 oktober 2017 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden aan het RVB, Zandzaken Zuid, ter attentie van [betrokkene 3] .

Uit de door de black box gegenereerde gegevens blijkt dat in het jaar 2018 met het schip alleen schelpen zijn gewonnen in de Waddenzee/Noordzeekustzone en niet in de Noordzee.

In de elektronische opgave van de gewonnen schelpen in de maand april 2018 is opgegeven dat op 3 april 2018 en 19 maart 2018 (de rechtbank begrijpt: 19 april 2018) met het schip (in totaal) een hoeveelheid van 1.006 m3 schelpen is gewonnen in de winplaats Noordzee onder [vergunning 4] . Deze opgave is op 12 mei 2018 door of namens [betrokkene 1] per e-mail verzonden aan het RVB, Zandzaken Zuid, ter attentie van [betrokkene 3] .

4.4.2 Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De rechtbank leidt uit de hiervoor samengevat weergegeven bewijsmiddelen af dat verdachte op de onder 1 in de tenlastelegging vermelde data schelpen heeft gewonnen in het Stortemelk / Zeegat van het Vlie. Verder leidt de rechtbank uit deze bewijsmiddelen af dat dit gebied onderdeel uitmaakt van het wingebied de Noordzeekustzone en dat het verdachte op grond van (de voorschriften bij) de haar voor de periode van 2011 tot en met 2013 verleende ontgrondingsvergunning niet was toegestaan om in dit gebied schelpen te winnen.

(…)

Naar aanleiding van het betoog van de verdediging dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het ontgronden zonder vergunning, omdat zij ervan uitging dat het winnen van schelpen op de desbetreffende locaties was toegestaan op grond van de aan haar verleende vergunning, overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte is een professioneel bedrijf dat zich al vele jaren bedrijfsmatig bezighoudt met het winnen van schelpen van/uit de bodem van de zee. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, wordt deze handeling aangemerkt als ontgronding en is dit verboden, tenzij men beschikt over een vergunning. Verdachte beschikte in de periode van 2011 tot en met 2013 over een vergunning op grond waarvan het haar was toegestaan een bepaalde hoeveelheid schelpen te winnen in het wingebied de Noordzee. Op basis van voorschrift 1.1 van de vergunning is op de bij deze vergunning gevoegde indicatieve tekening het gebied aangeduid waarin het verdachte uitsluitend was toegestaan om schelpen te winnen. Op grond van dit strakke voorschrift en ook uit de aard van de door verdachte gevoerde onderneming volgt dat verdachte oplettend moest zijn en nauwkeurig moest controleren in welk(e) gebied(en) zij schelpen mocht winnen. Dit geldt temeer omdat verdachte in 2004 al eens een schriftelijke waarschuwing had gekregen in verband met de verdenking van een overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Ogw op 1 juli 2003 in de Waddenzee.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte onvoldoende gecontroleerd in welk(e) gebied(en) zij schelpen mocht winnen en is zij daardoor ernstig tekortgeschoten in haar onderzoeksplicht. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij wist dat bij de vergunningen kaarten waren gevoegd en dat hij niet buiten de op de kaarten aangegeven grenzen mocht komen. De rechtbank begrijpt hieruit dat [betrokkene 1] wist dat hij geen schelpen mocht winnen buiten het gebied dat in de tekening was aangeduid als gebied waar uitsluitend schelpenwinning was toegestaan. Ondanks deze wetenschap heeft [betrokkene 1] de bij de vergunning gevoegde kaart (de rechtbank begrijpt: de indicatieve tekening) niet heel precies bestudeerd.

De rechtbank is van oordeel dat op de indicatieve tekening duidelijk is aangegeven dat het winnen van schelpen tussen de Waddeneilanden en in een brede Strook zee direct ten Westen van Texel en direct ten Noorden van de andere Waddeneilanden niet was toegestaan. Voor zover (de betekenis van) deze tekening voor [betrokkene 1] onduidelijk was, had hij daarover navraag moeten doen bij de bevoegde instanties.

Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat [betrokkene 1] wist of in ieder geval had moeten weten dat in het kader van (het verlenen van vergunningen voor) ontgronden door het winnen van schelpen onderscheid wordt gemaakt tussen het wingebied de Noordzee enerzijds en het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone anderzijds. Daartoe overweegt zij dat verdachte voor de periode van 2008 tot en met 2010 niet alleen beschikte over een vergunning voor het winnen van schelpen in het wingebied de Noordzee, maar ook over een vergunning voor het winnen van schelpen in de “Waddenzee inclusief aangrenzende buitendelta’s in de Noordzeekustzone”. Dat de aanduiding Noordzeekustzone niet voorkomt in de aan verdachte verleende vergunning voor de periode van 2011 tot en met 2013 doet hier niet aan af. Verder acht de rechtbank in dit kader van belang dat [betrokkene 1] op 24 januari 2011 namens verdachte een e-mailbericht heeft verstuurd aan een medewerker van Rijkswaterstaat met het onderwerp "vergunning voor het winnen van schelpen in de Waddenzee en aangrenzende buitendelta's in de Noordzeekustzone voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013”. Uit dit e-mailbericht, hoewel dat betrekking heeft op de vergunning van een ander bedrijf, kan worden afgeleid dat men zich binnen het bedrijf van verdachte bewust moet zijn geweest van het bestaan van (de buitendelta’s in) de Noordzeekustzone en de omstandigheid dat dit gebied (in ieder geval in het kader van de vergunning van het andere bedrijf) ook in de periode van 2011 tot en met 2013 als wingebied werd onderscheiden van het wingebied dat als de Noordzee werd en wordt aangeduid. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het verdachte duidelijk was, en in ieder geval behoorde te zijn, dat de vermeldingen Waddenzee, Noordzeekustzone respectievelijk Noordzee in het kader van de op grond van de Ogw verleende vergunningen een andere betekenis hadden dan louter en alleen die van de geografische aanduiding van die gebieden.

Op grond van de bovenstaande omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [betrokkene 1] (ten minste) bewust de aanmerkelijke kans (in de zin van een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid) heeft aanvaard dat het winnen van schelpen in de Noordzeekustzone niet werd gedekt door de aan verdachte verleende ontgrondingsvergunning en dat bij het winnen van schelpen in dit gebied dus sprake was van ontgronden zonder vergunning.

De rechtbank is van oordeel dat dit (voorwaardelijk) opzet van [betrokkene 1] , gelet op zijn functie als (indirect) algemeen directeur en zijn grote rol binnen het bedrijf, aan verdachte kan worden toegerekend. Hieruit volgt dat de rechtbank het verweer verwerpt.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft gepleegd.

(…)

4.4.3 Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde

(…)

De rechtbank acht op grond van de hiervoor samengevat weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de veertien opgaven die in de tenlastelegging onder 2 en 4 zijn beschreven valselijk heeft opgemaakt. Verdachte heeft in deze opgaven vermeld dat op de daarin genoemde data schelpen zijn gewonnen in de winplaats (het wingebied) de Noordzee, terwijl deze schelpen in werkelijkheid waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee en/of de Noordzeekustzone. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen wordt in het kader van (het verlenen van vergunningen voor) ontgronden door het winnen van schelpen onderscheid gemaakt tussen het wingebied de Noordzee enerzijds en het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone anderzijds. Hieruit volgt dat onder het wingebied de Noordzee niet ook het wingebied de Noordzeekustzone valt.

(…)

Verder acht de rechtbank op grond van de hiervoor samengevat weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de dertien opgaven die in de tenlastelegging onder 3 en 5 zijn beschreven, alsof zij echt en onvervalst waren, door deze opgaven toe te sturen aan het RVB.

(…)

Naar aanleiding van het betoog van de verdediging dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het valselijk opmaken van de opgaven en het gebruikmaken van valselijk opgemaakte opgaven, omdat zij ervan uitging dat deze opgaven juist waren, verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar hetgeen zij hiervoor onder 4.4.2 heeft overwogen over het (voorwaardelijk) opzet op het ontgronden zonder vergunning.

Daarnaast overweegt zij dat [betrokkene 1] zich ook bewust moet zijn geweest van het belang van het onderscheid tussen de Noordzee enerzijds en de Waddenzee en de Noordzeekustzone anderzijds als wingebieden en dus ook van het belang van het opgeven van de juist winplaats (en het juiste vergunningsnummer).

Ten aanzien van. de zes bij de feiten 2 en 3, onder a. tot en met f., beschreven opgaven is daarbij van belang dat verdachte in de periode van 2011 tot en met 2013 niet beschikte over een vergunning voor het winnen van schelpen in het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone. Door in deze opgaven te (doen) vermelden dat de schelpen waren gewonnen in het wingebied de Noordzee (en daarbij het vergunningsnummer van de vergunning voor het winnen van schelpen in het wingebied de Noordzee op te (doen) geven), deed [betrokkene 1] het in strijd met de waarheid voorkomen alsof de schelpen waren gewonnen in vergund gebied.

Ten aanzien van de bij feit 2, onder g., en de zeven bij de feiten 4 en 5 beschreven opgaven is daarbij van belang dat verdachte in de periode van 2014 tot en met 2018 zowel beschikte over een vergunning voor het winnen van schelpen in het wingebied de Noordzee als over een vergunning voor het winnen van schelpen in het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone. [betrokkene 1] wist dat het RVB de facturen voor de gewonnen schelpen opstelde op basis van de opgaven. Ook wist hij dat verdachte in deze periode voor schelpen die werden gewonnen in het wingebied de Noordzee aan het RVB een (veel) lagere prijs moest betalen dan voor schelpen die werden gewonnen in het wingebied de Waddenzee. De prijs die verdachte moest betalen voor schelpen die werden gewonnen in het wingebied de Noordzeekustzone was gelijk aan de prijs voor schelpen die werden gewonnen in het wingebied de Waddenzee. Door in de opgaven te (doen) vermelden dat de schelpen waren gewonnen in de winlocatie Noordzee (en daarbij in de meeste gevallen het vergunningsnummer van de vergunning voor het winnen van schelpen in het wingebied de Noordzee op te (doen) geven), heeft [betrokkene 1] bewerkstelligd dat het RVB voor deze schelpen het lagere tarief in rekening bracht.

Ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde acht de rechtbank verder nog het volgende van belang. In een e-mailbericht van 21 november 2014 heeft een medewerker van het RVB verdachte erop gewezen dat in de opgaven van oktober 2014 verkeerde vergunningsnummers zijn vermeld en verdachte verzocht om de gegevens voortaan juist te vermelden. Op 27 maart 2017 hebben doorzoekingen plaatsgevonden in het schip en in de woning van [betrokkene 1] . Daarbij is administratie inbeslaggenomen en zijn gegevensdragers veiliggesteld. Naar het oordeel van de rechtbank hadden deze gebeurtenissen voor [betrokkene 1] reden moeten zijn om nog eens goed na te gaan of wel juist werd gehandeld en om vanaf die momenten extra goed te letten op de gegevens die in de opgaven werden vermeld.

De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene 1] , gelet op het voorgaande, (ten minste) bewust de aanmerkelijke kans (in de zin van een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid) heeft aanvaard dat in de opgaven een winplaats (en in de meeste gevallen ook een vergunningsnummer) werd vermeld die in strijd met de waarheid was, dat deze opgaven daardoor valselijk werden opgemaakt en dat vervolgens van deze valselijk opgemaakte opgaven gebruik werd gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit (voorwaardelijk) opzet van [betrokkene 1] , gelet op zijn functie als enig (indirect) algemeen directeur en zijn grote rol binnen het bedrijf, aan verdachte worden toegerekend. Hieruit volgt dat de rechtbank het verweer verwerpt.

(…)

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de onder 2, 3,4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd, voor zover het de in de tenlastelegging expliciet benoemde opgaven betreft.

De bespreking van het derde en vierde middel

Een nadere omschrijving van de klachten

35. De steller van het middel voert aan dat de nalatigheid van de verdachte kan worden aangemerkt als ‘aanmerkelijk onoplettend’ of ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ en er dus kan worden gesproken van culpa, maar dat deze kwalificaties niet voldoende zijn voor het bewijs van opzet omdat de bewustheid dat er niet correct werd gehandeld bij [betrokkene 1] heeft ontbroken.

De vaststellingen van het hof

36. De bewezenverklaring van het opzet is in het kort gegrond op de volgende vaststellingen en overwegingen:

- de verdachte heeft schelpen gewonnen in de Noordzeekustzone, terwijl de verdachte niet beschikte over een vergunning om daar schelpen te winnen en de verdachte heeft opgegeven dat deze schelpen zijn gewonnen in de Noordzee (feit 1, feit 2 onder a tot en met f, en feit 3);

- de verdachte heeft schelpen heeft gewonnen in de Waddenzee/Noordzeekustzone, terwijl zij beschikte over vergunningen voor het winnen van schelpen in zowel de Noordzee als de Waddenzee/Noordzeekustzone, maar heeft opgegeven dat deze schelpen zijn gewonnen in de Noordzee (feit 2 onder g, feit 4 en feit 5);

- de verdachte heeft in 2004 een schriftelijke waarschuwing gekregen in verband met de verdenking van een overtreding van artikel 3 lid 1 Ogw op 1 juli 2003 in de Waddenzee;

- bij de vergunningen voor het winnen van schelpen waren geografische kaarten gevoegd;

- [betrokkene 1] – de bestuurder van de verdachte die de administratie doet en bepaalt wat er wordt opgegeven aan het RVB (Rijksvastgoedbedrijf) – heeft de kaarten niet heel precies bestudeerd, maar wist dat hij niet buiten de op de kaarten aangegeven grenzen mocht winnen;

- de verdachte had in de periode vóór 2011 zowel een vergunning om schelpen te winnen op de Noordzee als een vergunning om schelpen te winnen in de Waddenzee “inclusief aangrenzende buitendelta’s in de Noordzeekustzone”;

- [betrokkene 1] heeft op 24 januari 2011 namens de verdachte een e-mail die betrekking had op een aan een ander bedrijf verleende vergunning, verstuurd aan een medewerker van Rijkswaterstaat met het onderwerp “Vergunning voor het winnen van schelpen in de Waddenzee en aangrenzende buitendelta's in de Noordzeekustzone voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013”;

- in de periode van 2014 tot en met 2018 was de prijs die in rekening werd gebracht voor in de Noordzee gewonnen schelpen veel lager dan de prijs die in rekening werd gebracht voor in de Waddenzee gewonnen schelpen;

- [betrokkene 1] is er in november 2014 door [betrokkene 3] , werkzaam bij het RVB, op gewezen dat de opgaven van de verdachte naar zijn idee niet klopten met de aan de verdachte verleende vergunningen. [betrokkene 3] heeft hem verzocht om de gegevens voortaan juist te vermelden;

- op 27 maart 2017 hebben doorzoekingen plaatsgevonden in het schip en in de woning van [betrokkene 1] , waarbij administratie in beslag is genomen en gegevensdragers zijn veiliggesteld.

37. Het hof heeft voor het bewijs gebruikgemaakt van de verklaring van [betrokkene 1] dat bij de vergunningen voor het winnen van schelpen kaarten gevoegd, maar dat hij die kaarten niet heel precies heeft bestudeerd. Hoewel in de bewijsoverwegingen is geoordeeld dat [betrokkene 1] “(ten minste) bewust de aanmerkelijke kans (…) heeft aanvaard” – waarmee de mogelijkheid lijkt te worden opengehouden dat de verdachte vol opzet had op de bewezen verklaarde feiten – kan uit deze vaststelling van het hof en de overige bewijsoverwegingen worden opgemaakt dat het hof niet heeft geoordeeld dat (het niet anders kan dan dat) de verdachte wist dat de gewonnen schelpen niet in de Noordzee waren gewonnen, maar dat hij ‘slechts’ de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.

38. Dat er in deze zaak sprake was van een aanmerkelijke kans dat de schelpenwinning plaatsvond in niet-vergund gebied, wordt in cassatie niet bestreden. Enkel wordt bestreden dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Deze bewuste aanvaarding heeft het hof gebaseerd op de redenering dat de verdachte, op grond van diverse omstandigheden, oplettend had moeten zijn en nauwkeurig had moeten controleren in welk gebied zij schelpen mocht winnen. Door dit onvoldoende te controleren is zij ernstig tekortgeschoten in haar onderzoekplicht. Deze omstandigheden waren:

(i) de verdachte was een professioneel bedrijf dat zich al vele jaren bedrijfsmatig bezighield met het winnen van schelpen;

(ii) voorschrift 1.1 van de vergunning, waarbij een indicatieve tekening van het gebied was gevoegd waarin de verdachte schelpen mocht winnen, was een strak voorschrift;

(iii) de verdachte had eerder een schriftelijke waarschuwing gehad in verband met de verdenking van een overtreding van artikel 3 lid 1 Ogw op 1 juli 2003 in de Waddenzee;

(iv) de verdachte wist of had moeten weten dat er onderscheid wordt gemaakt tussen het wingebied Noordzee enerzijds en het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone anderzijds,

en bovendien (ten aanzien van de feiten 2 tot en met 5):

(v) de verdachte had zich bewust moeten zijn van het belang van het onderscheid tussen enerzijds de Noordzee en anderzijds de Waddenzee en Noordzeekustzone; door ten aanzien van de feiten 2 en 3, onder a tot en met f, te vermelden dat de schelpen waren gewonnen in de Noordzee deed hij het immers in strijd met de waarheid voorkomen alsof de schelpen waren gewonnen in vergund gebied. En door ten aanzien van feit 2, onder g en de feiten 4 en 5 te vermelden dat de schelpen waren gewonnen in de Noordzee heeft [betrokkene 1] bewerkstelligd dat het RVB voor deze schelpen het lagere tarief in rekening bracht;

(vi) de verdachte was er bij e-mailbericht van 21 november 2014 op gewezen dat in de opgaven van oktober 2014 verkeerde vergunningsnummers waren vermeld.

Beoordelingskader: waakzaamheidsopzet

39. Onder omstandigheden kan het bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans gelegen in zijn in het achterwege laten van toezicht of onderzoek. Dit is het geval indien het bewijs van opzet kan worden gebaseerd op een onderzoekplicht die samenhangt met de verhoogde alertheid die de mens in een bepaalde context dient te hebben, vanwege de min of meer geijkte risico’s die daaraan, naar de ervaringsregels uitwijzen, zijn verbonden. Deze vorm van opzet wordt ook wel ‘waakzaamheidsopzet’ genoemd. Zo heeft de Hoge Raad de bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet in stand gelaten in een zaak waarin de verdachte, een professional in de uitzendbranche, onvoldoende adequaat toezicht had gehouden op de echtheid van identiteitsdocumenten. Hetzelfde geldt in een zaak waarin de verdachte zijn koffer vlak voor vertrek uit Suriname naar Nederland gedurende enkele uren had meegegeven aan een voor hem onbekende man, terwijl hij wist dat verdovende middelen vanuit Suriname naar Nederland per vliegtuig worden gesmokkeld. Ook liet de Hoge Raad de bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet ongemoeid in een zaak waarin het hof had geoordeeld dat de verdachte, exploitant van een markt, zich door het achterwege laten van iedere controle willens en wetens had blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de ruimte ter beschikking kwam van anderen dan degenen die zich als deelnemer aan de markt hadden laten inschrijven, onder wie personen die handelden in de uitoefening van een bedrijf.

40. Maar de jurisprudentie van de Hoge Raad bevat ook voorbeelden waarin de motivering van het voorwaardelijk opzet niet toereikend werd geacht. In een zo’n zaak oordeelde het hof dat een verdachte, die had verklaard dat hij in de veronderstelling was dat hij € 9.000,- bij zich had waaronder naar hij dacht € 3.000,- die zijn vrouw hem had overhandigd, wat achteraf € 4.000,- bleek te zijn, voorwaardelijk opzet had op het niet voldoen aan de verplichting tot het doen van aangifte als bedoeld in artikel 10:1 lid 4 van de Algemene douanewet. De Hoge Raad achtte dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Uit de door het hof in overweging genomen omstandigheid dat de verdachte de in ontvangst genomen biljetten had moeten tellen, vloeide volgens de Hoge Raad niet zonder meer voort dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat hij € 10.000,- bij zich droeg. In een andere zaak oordeelde het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat hij bij het aanvragen van een verblijfsvergunning een vervalst document indiende. Daaraan legde het hof ten grondslag dat van aanvragers van een verblijfsvergunning mag worden verwacht dat zij de nodige zorgvuldigheid betrachten bij het indienen van zo’n aanvraag en zelf de authenticiteit van de bij de aanvraag gevoegde documenten controleren. Tevens legde het hof aan zijn oordeel ten grondslag dat de verdachte de aanvraag, met de daarbij behorende bijlagen, had ondertekend en ingediend, terwijl het zonneklaar was dat deze bijlagen doorslaggevend waren voor de beoordeling van de aanvraag. De Hoge Raad achtte dat oordeel echter niet toereikend gemotiveerd. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte niet de zorgvuldigheid die van een aanvrager van een verblijfsvergunning mag worden verwacht, in acht had genomen, volgde nog niet dat hij daarmee bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document was gevoegd.

De beoordeling van de klachten

41. De vraag is derhalve of de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden voldoende zijn om te constateren dat de verdachte handelde met ‘waakzaamheidsopzet’. De enkele omstandigheid dat de verdachte de tekeningen bij de vergunning niet heel precies heeft bestudeerd, is daarvoor mijns inziens niet voldoende. Dat laat immers de door de steller van het middel geopperde mogelijkheid open dat de verdachte wel dacht te weten waar de grens tussen de Waddenzee en de Noordzeekustzone enerzijds en de Noordzee anderzijds was getrokken en er – zij het achteraf ten onrechte – op vertrouwde dat zij schelpen in de Noordzee won. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad zou dat naar mijn mening onvoldoende zijn om de stap van culpa naar voorwaardelijk opzet te zetten. Het hof heeft het oordeel over voorwaardelijk opzet echter niet alleen gegrond op dit verzuim, maar daaraan nog meer omstandigheden ten grondslag gelegd. Deze omstandigheden, in het bijzonder dat de verdachte een professioneel bedrijf was die in het verleden ook al had beschikt over een separate vergunning voor schelpenwinning in de Waddenzee en aangrenzende buitendelta’s in de Noordzeekustzone én dat de verdachte in 2003 al een keer een waarschuwing had gekregen in verband met de verdenking van een overtreding van artikel 3 lid 1 Ogw, maken dat het oordeel van hof niet onbegrijpelijk is en ook toereikend gemotiveerd. Het oordeel van het hof getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting.

42. De middelen falen.

Het vijfde middel

43. Het middel voert aan dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, omdat de stukken door het hof te laat zijn ingezonden.

44. Namens de verdachte is op 9 februari 2023 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 24 januari 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met meer dan een jaar is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve wijs ik er daarnaast op dat de Hoge Raad meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen, zodat ook in zoverre de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Nu aan de verdachte echter slechts een geheel voorwaardelijke geldboete is opgelegd, kan worden volstaan met de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.

Afronding

45. De eerste vier middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van artikel 81 lid 1 RO. Het vijfde middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.

46. Naast hetgeen ik hiervoor over de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie heb opgemerkt, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

47. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand