ECLI:NL:PHR:2026:53

ECLI:NL:PHR:2026:53, Parket bij de Hoge Raad, 13-01-2026, 24/02511

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer 24/02511
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. 26Sartell (samenhang met 24/02523, 24/02659 en 24/02527). 1. Medeplegen van het opzettelijk invoeren van ongeveer 3776 kg cocaïne (art. 2 onder A Opw) en 2. medeplegen van gewoontewitwassen (art. 420ter Sr). Het eerste middel klaagt dat het hof aan de bewezenverklaring van feit 1 een niet bestaand (althans niet naar de verdachte verstuurd) PGP-bericht ten grondslag heeft gelegd. Het hof lijkt het bericht vanwege de gelijkenissen tussen verschillende PGP-e-mailadressen ten onrechte te hebben beschouwd als verzonden aan de verdachte. Tot cassatie hoeft dat niet te leiden, omdat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op het betreffende PGP-bericht. Het tweede middel, dat met rechts- en motiveringsklachten opkomt tegen de bewezenverklaring van feit 2 (het medeplegen van gewoontewitwassen) faalt. Het derde middel, dat klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn, slaagt. Ook de behandeltermijn is in cassatie overschreden. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02511

Zitting 13 januari 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 2 juli 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001155-22) wegens “1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” en “2. medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en negen maanden, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr. Het hof heeft daarnaast beslissingen genomen over de inbeslaggenomen goederen, een en ander zoals vermeld in de bestreden uitspraak.

Er bestaat samenhang met de zaken 24/02523, 24/02754, 24/02659 en 24/02527. In de zaak 24/02754 is het cassatieberoep ingetrokken; in de overige zaken zal ik vandaag ook concluderen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.J. Bussink, advocaat in Den Haag, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel klaagt dat het hof aan de bewezenverklaring van feit 1 een niet bestaand (althans niet naar de verdachte verstuurd) PGP-bericht ten grondslag heeft gelegd. Het tweede middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring van feit 2. Het derde middel klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

2. Het eerste middel

Het eerste middel houdt in dat de bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde onbegrijpelijk is gemotiveerd, omdat het hof aan die bewezenverklaring een PGP-bericht ten grondslag heeft gelegd dat niet door de [medeverdachte 2] aan de verdachte is verstuurd.

Het hof heeft ten laste van de verdachte onder feit 1 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 14 april 2016 tot en met 1 juni 2016, te [plaats] ,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht,

ongeveer 3776 kilogram cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”

Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen, die over de betrokkenheid van de verdachte bij het bewezenverklaarde inhouden:

“4. Het proces-verbaal van politie nummer 2016179006 en documentcode 1606081303.OIG van 8 juni 2016 (pagina 311 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Scan), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Ik [verbalisant] , Opsporingsambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD pasnummer 1220085, werkzaam bij het […] team ( […] -team) verklaar inzake het onderzoek

Romp het volgende:

Op 2 juni 2016 werd een vordering ex artikel 126nd Strafvordering gedaan aan [A] B.V., [b-straat 1] [plaats] .

Gevorderd werd:

• Het complete dossier van de zending, omtrent de container MWCU623240-0, binnengekomen op 30 mei 2016 met het motorschip [naam 6] te [plaats] en

bestemd voor [B] BV.

Door mij werd onderzoek verricht in de verstrekte gegevens.

Containernummers MWCU6232400 en MWMU6377240 (1606021311.D01)

(…)

Gegevens ontvanger containers [plaats] {1606021311.D02)

Contract Owner:

[B] BV

[c-straat 1]

[plaats]

[…] , Netherlands

Consignee/Release to:

[C] BV

[d-straat 1]

[plaats]

Netherlands

[verdachte]

Tel [telefoonnummer]

e-mail: [emailadres 12]

(…)

7. Geschriften gevoegd als bijlagen bij het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-0567 van 20 juli 2020 (pagina 1343 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Scan), inhoudende:

PGP berichten van de PGP emailadressen [emailadres 1] , [emailsadres 9] en [emailadres 4] zijn als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

Datum/ Van Aan Inhoud

Tijd

(…) (…)

(…)

(…)

11.

Het proces-verbaal van politie nummer 2016179006 met documentnummer 1607261030.AMB van 28 juli 2016 (pagina 621 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Scan), inhoudende als relaas van de verbalisanten:

Op 26 juli 2016 werd door ons een onderzoek ingesteld in de door [C] BV en [D] BV verstrekte emailbestanden.

Op 10 mei verstuurde [verdachte] van [D] met gebruikmaking van het [emailadres 13] .nl ( [verdachte] ) een bericht naar [medeverdachte 4] met de vraag of er nieuwe container zendingen te verwachten waren.

Op 11 mei stuurt [medeverdachte 4] een mail naar [verdachte] met een boekingsdocument van [naam 1] , voor het transport van twee reefercontainers. Hierop stuurde [medeverdachte 4] op 12 mei 2016 een email naar [C] , met de containernummers MWMU6377240 en MWCU6232400 met een proforma factuur, met betrekking tot de aankoop van ananas bij [E] uit Costa Rica. Op 16 mei en 20 mei 2016 ontving [medeverdachte 4] mails van [emailadres 14] met daarin documenten met betrekking tot de verscheping van deze voornoemde containers.

Op 18 mei 2016 verstuurde [medeverdachte 4] een email naar [C] dat er een volgende boeking was geplaatst met betrekking het transport van twee reefer containers met de vertrek datum 22 mei 2016.

Op 24 mei 2016 vond er een mailwisseling plaats tussen [medeverdachte 4] en [verdachte] met betrekking tot een factuur van de voornoemde containers en dat deze op tijd betaald moeten worden om vertraging te voorkomen. [medeverdachte 4] mailde vervolgens terug dat hij de factuur had betaald. Vervolgens vroeg [verdachte] of hij [F] kon informeren dat de containers daar worden aangeleverd.

Door [medeverdachte 4] werd dit bevestigd.

Op 30 mei 2016 13:05 uur ontving [C] een mail van de rederij [naam 1] , dat de container met containernummer MWMU6377240, door de douane geselecteerd was voor een scan. Vervolgens mailde [C] aan [medeverdachte 4] dat hier rekening mee gehouden kon worden in verband met de met de verkoop van de inhoud. Vervolgens verstuurde [verdachte] op 30 mei 2016 te 15:17 uur het

bericht dat zijn chauffeur, zich bij de […] terminal had gemeld voor het afhalen van de betrokken container MWCU6232400. En dat en doordat deze container geblokkeerd was, niet opgehaald kon worden. [verdachte] mailde vervolgens naar [medeverdachte 4] , of hij bij [naam 1] kon informeren wat er aan de hand was, zodat hierop [D] vervolgens [F] kon informeren. Hierop mailde [medeverdachte 4] naar [naam 1] met het vraag wat de reden was van de blokkade. Om 15:21 uur mailde [verdachte] dat

hij zelf naar [naam 1] gebeld had en dat hij daarbij te horen kreeg, dat zij [D] niet konden helpen, omdat [C] niet de importeur van de container was. Om 16:45 uur ontving [verdachte] een email van [naam 1] waarbij gemeld werd dat de container MWCU6232400 door de douane geselecteerd was voor een scan.

Op 3 juni 2016 mailde [medeverdachte 4] naar [emailadres 14] .com dat hij de container MWCU6232400, niet accepteerde omdat in deze container vreemde pallets stonden. [medeverdachte 4] verzond daarbij diverse foto's van de container, de genoemde vreemde pallets en een verbroken zegel.

Op 7 juni 2016 mailde [medeverdachte 4] die hierbij gebruik maakte van het [emailadres 15] , naar en [C] met boodschap dat er problemen waren met de mailserver van [B] en dat hij alleen

bereikbaar zou zijn op het mailadres, [emailadres 15] .

(…)

13.

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-0158 van 1 april 2020 (pagina 1709 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Scan), inhoudende als relaas van de verbalisanten:

Door mij zijn de PGP berichten van [verdachte] onderzocht over de periode van 10 november 2015 tot en met 30 mei 2016.

Door mij is tijdens het onderzoek gezien dat [verdachte] contact heeft gehad met onder andere de gebruikers:

[emailadres 5] , in dit proces-verbaal aangeduid als [medeverdachte 2]

[emailadres 1] , in dit proces-verbaal aangeduid als [medeverdachte 2]

[emailadres 9] , in dit proces-verbaal aangeduid als [medeverdachte 2]

[emailadres 7] , in dit proces-verbaal aangeduid als [medeverdachte 4]

[emailadres 3] , in dit proces-verbaal aangeduid als [medeverdachte 1] .

(…)

15.

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-141 van 10 maart 2020, met bijlage (pagina 1865 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Scan), inhoudende als relaas van de verbalisant:

In onderstaande periode van 12 april 2016 tot en met 1 juni 2016, vonden er diverse berichten wisselingen plaats tussen [emailadres 3] en de gebruikers van PGP

emailadressen.

Hieronder een schematische weergave van de emailadressen met de bijbehorende na(a)m(en), alsmede hoe de gebruiker/-ster in het vervolg van dit proces-verbaal zal worden genoemd.

Het bestreden arrest houdt over de bewezenverklaring van feit 1 verder in:

“Door de verdediging is naar voren gebracht dat de verdachte weliswaar van plan was mee te doen met de invoer van drugs, maar dat hij feitelijk geen rol van betekenis heeft gespeeld bij de invoer van de tenlastegelegde container met cocaïne. Hij heeft nooit van de hoed en de rand geweten als het gaat om de bewuste container. De verdachte en zijn bedrijven zijn enkel zakelijk betrokken geweest bij de invoer van deze container.

Het hof verwerpt dit verweer onder verwijzing naar de gebezigde bewijsmiddelen waaruit onder meer het volgende blijkt.

Op 10 november 2015 verschaft de verdachte aan de [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) via PGPSafe informatie over de route van containers uit “Costa” (het hof begrijpt: Costa Rica) in de haven van [plaats] en de gang van zaken rond het scannen van containers in het algemeen en een specifieke container in het bijzonder.

In april 2016 vinden diverse PGPSafe-chatgesprekken plaats waaraan de verdachte deelneemt. Het hof leidt uit deze gesprekken af dat de verdachte het opzet heeft om via zijn bedrijf en samen met anderen containers met cocaïne in te voeren.

Het hof wijst in dat kader op de chatgesprekken van april 2016 met de [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ). Zo bericht de [medeverdachte 4] op 12 april 2016 om 21.02 uur aan de [verdachte] : “Afgelopen zondag (het hof begrijpt: zondag 10 april 2016) zijn er netjes weer 2 bakken (hof: containers) vertrokken. Heb straks de docs op de mail zal ik dan doormailen naar jullie. Vraagje, denk dat we binnen een paar weken gaan draaien. In principe hoef je de ananassen niet te vervangen. Heb je al een beetje gepland voor jezelf hoe je t aan kan pakken.” De verdachte antwoordt om 21.08 uur dezelfde dag: “Van de 3 bakken die nu op de terminal staan zijn er 2 op groen gezet en 1 op rood. Dat is goed gegaan. De 2MWCU container die as weekend binnen komen moet er ook 1 op groen gezet worden. Als het zover komt en er wordt gezet, ga ik alles in orde maken hier en stem ik het met jou nog af hoeveel er uit gaan. waarschijnlijk gaan we eind april begin mei werken.” De [medeverdachte 4] antwoordt om 21.15 uur aan de verdachte: “Oke top. Zoals t nu verloopt ben ik tevreden. We schakelen snel en kort en daar houd ik wel van. Als we dit zo vast kunnen houden hebben we een mooi lijntje lopen.” Later in dit gesprek, om 21.40 uur, vraagt de [medeverdachte 4] aan de verdachte hoe hij het vindt lopen. De verdachte antwoordt om 22.39 uur dat het goed loopt en “Moeten straks als er gezet is even het doornemen en dan komt het goed.” Het hof kan dit gesprek niet anders begrijpen, dan dat er een paar weken na 12 april 2016 naast de ananassen, nog iets anders ‘gezet’ zal gaan worden en dat de wijze van afhandeling van deze container door de douane belangrijk is.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt voorts dat de verdachte en zijn bedrijf op zakelijke wijze betrokken waren bij de inklaring van de tenlastegelegde container met ananassen en de verdere douane-afhandeling.

Naast het zakelijke email-verkeer over deze container heeft ook communicatie via PGPSafe chats plaats gevonden. Zo geeft de [medeverdachte 2] op 14 april 2016 om 03:14 uur de gegevens van dit transport door aan de verdachte: “ [naam 6] 15may/30may”. [naam 1] is de rederij waarmee de tenlastegelegde container met ananassen vanuit Costa Rica is vervoerd naar [plaats] . [naam 6] is de naam van het motorschip waarmee de container is vervoerd. 30 mei 2016 is de datum waarop deze container in [plaats] is aangekomen.

Op 30 mei 2016 wordt rond het middaguur bekend dat de container door de douane gescand is.

Om 14.48 uur wordt op die dag het volgende bericht verstuurd door de [medeverdachte 2] :

“… Als die bak naar de kkr is gewoon afleveren bij het bedrijf kerel. [accountnaam 7] en [accountnaam 3] allebei hun pgp in het water ... (hof: onderstreping door verzender bericht) Bij-het bedrijf zullen ze er wel op klappen maar die weten nix ..., We gaan niemand laten pakken pff. Kkrtyfuszooi Ik ben er ziek van.”

Om 16.32 uur op 30 mei 2016 herhaalt de [medeverdachte 2] deze instructie:

“… Laat [accountnaam 3] en [accountnaam 7] hun pgp weggooien kerel. NU. Ze gaan daar 100% binnen klappen en de computer halen als ze pgps vinden is dat niet goed... Regel NU.

Op 31 mei 2016 om 04.05 uur stuurt de [medeverdachte 2] het volgende PGPSafe-bericht:

“Scenario uithaal In alle scenario's is het volgende van toepassing; Bak wordt opgehaald en weggereden van de terminal Tussenstop voor controle van het zegel; Waar de tussenstop gemaakt moet worden is voordat de vrachtwagen bij het beneluxplein is dit ivm de logica van de route ivm kapot zegel naar het bedrijf heel zegel naar [accountnaam 7] wie het zegel controleerd is de chauffeur of nog beter iemand anders die dat snel en sneaky doet terwijl de chauffeur een bak koffie pakt... Doorrijden na de tussenstop. Bij een zegel met een ander nummer of gelijmd zegel of andere kleur etcetc actie direct afblazen en bak afleveren bij het bedrijf Bij een zegel wat perfect is doorrijden naar de loods van […] Afkoppelen loods Achteruit naar binnen, en afkoppelen en weggaan om zo de chauffeur en dus ook [accountnaam 7] “schoon” te houden er wordt wel tijd verloren met het manouvreren maar dit is de enige mogelijkheid in combinatie met de valse mail van het fruitbedrijf naar [accountnaam 7] om bij eventuele arrestatie een opening te houden voor de advocaten om mensen vrij te krijgen. Na het afkoppelen (…)HiernaNa de constatering dat de container al leeggehaald is maar bij […] in de loods staat moet er gemaild worden met het bedrijf waar de container naar toe moet en hier word hij dan uiteindelijk afgeleverd. BELANGRIJKDit alles kan alleen als er vals gemaild wordt namens het fruitbedrijf met een door onszelf gemaakte mail die lijkt op hun originele mail naar [accountnaam 7] met de opdracht de container te parkeren tot nader order. […] kan dan zeggen dat hij die mail nooit heeft gestuurd en [accountnaam 7] kan zeggen dat hij opdracht kreeg om te handelen als hierboven beschreven. (...)”

De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep erkend dat hij ‘ [accountnaam 7] ’ genoemd wordt en dat wanneer in de pgp-berichten over ‘ [accountnaam 7] ’ gesproken wordt hij daarmee bedoeld wordt.

Het hof leidt uit het voorgaande en ook de in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen bewijsmiddelen, bezien in onderling verband en samenhang verder het volgende af.

In april 2016 geeft de verdachte er blijk van bereid en in staat te zijn mee te doen met de invoer van drugs. Voorafgaand aan dit transport ontvangt de verdachte via PGPSafe informatie over de aankomst van de container. Het is de [medeverdachte 2] die deze informatie op die wijze geeft en niet een reguliere zakenpartner via de zakelijke bedrijfsemail. Wanneer de container gescand is wordt op 30 mei 2016 twee keer de dringende instructie herhaald dat ‘ [accountnaam 7] ’, dus de verdachte, zijn pgp in het water moet gooien. Alle instructies zijn erop gericht sporen van betrokkenheid te wissen en ‘ [accountnaam 7] ’ en de chauffeur ‘schoon’ te houden en een opening te houden voor de advocaten om de mensen vrij te krijgen. Deze instructies zouden zinloos zijn wanneer naar de mening van de [medeverdachte 2] de verdachte uitsluitend zakelijk betrokken was bij dit transport. Bezien in onderling verband en samenhang met de PGPSafe-gesprekken in november 2015 en april 2016 interpreteert het hof deze gesprekken als bewijs van strafbare betrokkenheid van de verdachte bij de invoer van deze partij cocaïne. Het ontbreken van verdere chatgesprekken met verdachte over dit transport merkt het hof niet als ontlastend aan gezien de dringende instructies die erop gericht zijn alle sporen te wissen en onder meer ‘ [accountnaam 7] ’, dus de verdachte, schoon te houden.

Ook het verweer dat onvoldoende bewijs aanwezig is om medeplegen ten aanzien van dit transport aan te nemen wordt door het hof verworpen. Op 14 april 2016 ontvangt de verdachte van [medeverdachte 2] via PGPSafe bericht over dit transport. Uit de hiervoor geciteerde pgp-chat van 31 mei 2016 leidt het hof af dat indien de container door de douane geopend is geweest (blijkens afwijkingen in het zegel) de container rechtstreeks afgeleverd dient te worden bij het bedrijf dat de container besteld heeft. Indien het zegel intact is, gaat de container eerst naar de loods van […] (het hof begrijpt gezien de context van de gesprekken: [accountnaam 7] , de verdachte). In dat geval is immers de kans aanwezig dat de cocaïne nog in de container aanwezig is en veilig in deze loods uit de container gehaald kan worden. Bezien in combinatie met de zakelijke werkzaamheden ten behoeve van het inklaren van de container levert dit een voldoende nauwe en bewuste samenwerking op om medeplegen aan te kunnen nemen.”

Het middel klaagt dat het hof een PGP-bericht dat is verzonden vanaf het [emailadres 1] (het hof heeft [medeverdachte 2] geïdentificeerd als gebruiker van dit e-mailadres) naar [emailadres 2] ten onrechte heeft beschouwd als een bericht dat door [medeverdachte 2] is verstuurd aan de verdachte. Het gaat om het volgende bericht:

Het hof heeft de verdachte geïdentificeerd als de gebruiker van het [emailadres 6] . In de bewijsoverwegingen (weergegeven in randnummer 2.4) schrijft het hof dat [medeverdachte 2] op 14 april 2016 om 03:14 uur de gegevens van het transport (van de container met de tenlastegelegde partij cocaïne) doorgeeft aan de verdachte middels de tekst “ [naam 6] 15may/30may”. Dit bericht is verstuurd naar [emailadres 2] . Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat het hof de verdachte (of enig ander) als gebruiker van dit e-mailadres heeft geïdentificeerd. Het lijkt er daarom op dat het hof het bericht, vermoedelijk vanwege de gelijkenissen tussen de e-mailadressen “ [emailadres 6] ” en “ [emailadres 2] ”, ten onrechte heeft beschouwd als verzonden aan de verdachte. Het middel klaagt daarover terecht.

Het voorgaande leidt ertoe dat het in randnummer 2.5 weergegeven bericht en de overwegingen van het hof over dit bericht geen steun geven aan de bewezenverklaring van feit 1. Tot cassatie hoeft dat evenwel niet te leiden, omdat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op voornoemd bericht en de overwegingen van het hof daarover. De bewijsoverwegingen houden over het chatbericht onder meer in:

“In april 2016 geeft de verdachte er blijk van bereid en in staat te zijn mee te doen met de invoer van drugs. Voorafgaand aan dit transport ontvangt de verdachte via PGPSafe informatie over de aankomst van de container. Het is de [medeverdachte 2] die deze informatie op die wijze geeft en niet een reguliere zakenpartner via de zakelijke bedrijfsemail.

Ook het verweer dat onvoldoende bewijs aanwezig is om medeplegen ten aanzien van dit transport aan te nemen wordt door het hof verworpen. Op 14 april 2016 ontvangt de verdachte van [medeverdachte 2] via PGPSafe bericht over dit transport. Uit de hiervoor geciteerde pgp-chat van 31 mei 2016 leidt het hof af dat indien de container door de douane geopend is geweest (blijkens afwijkingen in het zegel) de container rechtstreeks afgeleverd dient te worden bij het bedrijf dat de container besteld heeft. Indien het zegel intact is, gaat de container eerst naar de loods van P (het hof begrijpt gezien de context van de gesprekken: [accountnaam 7] , de verdachte). In dat geval is immers de kans aanwezig dat de cocaïne nog in de container aanwezig is en veilig in deze loods uit de container gehaald kan worden. Bezien in combinatie met de zakelijke werkzaamheden ten behoeve van het inklaren van de container levert dit een voldoende nauwe en bewuste samenwerking op om medeplegen aan te kunnen nemen.”

Uit het chatbericht leidt het hof af dat het contact over de aankomst van de container niet met een reguliere zakenpartner via de zakelijke bedrijfsmail verloopt, maar via PGP-berichten. Dat er over het transport van containers (in meer algemene zin) privécontact bestaat tussen de verdachte en [medeverdachte 2] blijkt eveneens uit de in bewijsmiddel 13 opgenomen PGP-berichten. Daaruit blijkt ook dat de verdachte met andere medeverdachten contact heeft over het transport van containers waarin ‘gezet’ gaat worden. Zo is in bewijsmiddel 13 een PGP-bericht opgenomen dat de verdachte op 12 april 2016 heeft verstuurd aan [medeverdachte 4] en dat inhoudt: “Van de 3 bakken die nu op de terminal staan zijn er 2 op groen gezet en 1 op rood. Dat is goed gegaan. De 2MWCU container die as weekend binnen komen moet er ook 1 op groen gezet worden. Als het zover komt en er wordt gezet, ga ik alles in orde maken hier en stem ik het met jou nog af hoeveel er uit gaan. waarschijnlijk gaan we eind april begin mei werken.” Op de terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2024 verklaart de verdachte over de inhoud van dit bericht: “U houdt mij voor het chatgesprek op bladzijde 1213 van het Zaaksdossier Scan waarin ik aangeef dat van de drie bakken die nu op de terminal staan er twee op groen zijn gezet en een op rood, dat als het zover is en er wordt ‘gezet’, en dat we waarschijnlijk eind april, begin mei gaan werken. U zegt mij dat dit er toch op wijst dat ik wetenschap had van wat er aan zou komen, en u vraagt mij wat wordt bedoeld met ‘als het zover is en er wordt gezet’. Ik ga ervan uit dat met ‘gezet’ wordt bedoeld dat er cocaïne in de container wordt gezet”. Uit het bericht volgt eveneens dat de verdachte weet heeft van de periode waarin het vervoer en de aankomst van de containers plaatsheeft. Die wetenschap volgt ook uit bewijsmiddel 11, waarin het zakelijke contact over het vervoer van de containers tussen de verdachte en [medeverdachte 4] is weergegeven.

Voor het overige heeft het hof het door de [medeverdachte 2] verstuurde bericht enkel in samenhang met andere PGP-berichten gebezigd voor het bewijs dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de invoer van een partij cocaïne. Uit de bewijsmiddelen (opgenomen in randnummer 2.3) kan worden afgeleid dat de verdachte met [medeverdachte 4] zowel via het zakelijke verkeer als privé contact heeft over de te volgen werkwijze omtrent de invoer van de container(s). Uit de aard van deze berichten, alsmede de berichten die door [medeverdachte 2] worden verstuurd nadat is gebleken dat het transport is onderschept, blijkt genoegzaam dat de verdachte betrokken is geweest bij de invoer van de partij cocaïne en dat hij wetenschap heeft gehad van de inhoud van de onderschepte container. Ik wijs wat betreft die wetenschap ook op de berichten van 9 mei 2016, over ‘ [betrokkene 1] ’ die – zo begrijp ik – de verdachte heeft opgegeven als inklaarder van een container en de reacties daarop in de richting van de verdachte. [medeverdachte 2] laat de verdachte weten: “Laat die bak gaan”, “Niet inklaren”, “Niet ophalen”. [betrokkene 2] laat de verdachte weten: “Want als wat in die bakken van [betrokkene 1] zet dan je naar de gevangenis en klapt alles wat je er achter aan doet. Dus ook ons bakken”, “Als die [betrokkene 1] wat gaan doen met anderen dan is het zwaar kop munt (…) Als daar iets er in zit dan zit je vast maat (…) En als die van ons een week later aan komt klapt ie er achter aan Dus ik moet zeker weten dat in die bak niets er in zit anders kunnen we aan komende weekend niets weg sturen”.

De bewijsvoering geeft voldoende steun aan de bewezenverklaring, ook wanneer de overwegingen van het hof over het op 14 april 2016 om 03:14 uur door [medeverdachte 2] gestuurde bericht buiten beschouwing worden gelaten.

Het eerste middel faalt.

3. Het tweede middel

Het tweede middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring van feit 2. Volgens de steller van het middel heeft het hof een onjuist beoordelingskader aangelegd en/of ontoereikend gemotiveerd waarom het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.

Het hof heeft ten laste van de verdachte onder feit 2 bewezenverklaard dat:

“2.hij in de periode van 4 mei 2015 tot en met 8 september 2020, te [plaats] , in elk geval in Nederland, en te [plaats] en te [plaats] ,

tezamen en in vereniging met anderen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

hierin bestaande dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), van een of meerdere voorwerpen, te weten:

(zaaksdossier [e-straat] )

- een geldbedrag van in totaal EUR 644.000,00, geheel of ten dele aangewend voor de aankoop van een woning met adres [e-straat 1] te [plaats] ; en

(zaaksdossier [f-straat] )

- een geldbedrag van in totaal EUR 307.578,11, geheel of ten dele aangewend voor de aankoop van een woning (appartement) met adres [f-straat 1] te [plaats] ; en

(zaaksdossier Austria)

- een geldbedrag van in totaal EUR 18.000,00, geheel of ten dele aangewend voor de aflossing van een lening bij de Interbank; en

- een geldbedrag van in totaal EUR 18.500,00, aangewend voor de aankoop van een voertuig, te weten een BMW X3 ( [kenteken] )

en

deze voorwerpen heeft omgezet

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wisten dat de hiervoor genoemde voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – (deels) afkomstig waren uit enig misdrijf.”

Het hof heeft over de bewezenverklaring van feit 2 overwogen:

“Bij feit 2 gaat het om de vraag of bewezen kan worden dat de verdachte met de financiering van de aankoop van zijn woning te [plaats] ( [e-straat 1] ) ad € 644.000,-, van de aankoop van de woning van zijn schoonouders te [plaats] ( [f-straat 1] ) ad € 307.578,11, van de aflossing van een lening bij de Interbank ad € 18.000,- en van de aankoop van een BMW X3 genoemde bedragen heeft witgewassen en van dat witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Standpunt verdediging

De verdachte heeft verklaard dat de herkomst van de geldbedragen legaal is. Hij is dat echter nimmer nagegaan omdat hij aan [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) had gevraagd om te helpen bij de financiering. Via [betrokkene 3] is de verdachte in contact gekomen met [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) die een deel van de financiering voor zijn rekening heeft genomen. Nu de financiering heeft plaatsgevonden door private partijen die beroepshalve geen kredieten verstrekken en deze (grotendeels) is afgedekt met leningovereenkomsten heeft de verdachte in zijn ogen een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de herkomst van de gelden en is het aan het openbaar ministerie om te bewijzen dat de verklaringen van de verdachte en van de getuigen niet kunnen kloppen. Twijfel aan de verklaring van de verdachte alleen is niet voldoende. Nu het openbaar ministerie niet in deze bewijsopdracht is geslaagd, dient vrijspraak te volgen.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft betoogd dat de verdachte er niet in is geslaagd een concrete en min of meer verifieerbare verklaring te geven die niet hoogst onwaarschijnlijk is. Zij wijst daarbij onder meer op het feit dat voor geen van de leningen een zekerheid is gesteld, de feitelijke private financiers beroepshalve geen krediet verstrekken, de geldstromen om onduidelijke redenen via het buitenland verlopen en dat de in hoger beroep gehoorde getuigen elkaar tegenspreken. Voorts wijst zij op een bij de verdachte gevonden Excel-overzicht waarop bedragen staan vermeld die, gerangschikt in drie kolommen (“Betaald”, “Ontvangen”, “Verschil”), corresponderen met de verschillende bedragen die door verschillende financiers zijn verstrekt. Uit dit overzicht valt af te leiden dat de verdachte contante gelden aan [betrokkene 3] ter beschikking heeft gesteld waarna [betrokkene 3] er voor heeft gezorgd dat deze contante gelden als ogenschijnlijk afkomstig uit legitieme bronnen terecht kwamen bij de notarissen, Interbank en de verkoper van de BMW X3.

Overwegingen van het hof

Met betrekking tot het pand [e-straat 1] :

Op 11 december 2015 werd het pand [e-straat 1] te [plaats] door middel van een akte van levering bij de notaris geleverd aan de verdachte. De prijs bedroeg

€ 630.000,-. Uit het dossier (met name het schematisch weergegeven overzicht van geldstromen), valt af te leiden dat dit bedrag, plus een bedrag aan notariskosten, via de volgende geldstromen bij de notaris is binnengekomen:

50.000 op 9 december 2015 overgemaakt van de rekening van [verdachte]

96.000 op 10 december 2015 overgemaakt van de rekening van [verdachte]

250.000 op 30 november 2015 overgemaakt van een rekening van [J]

63.000 op 28 augustus 2015 overgemaakt van de Spaanse rekening van [verdachte]

185.000 op 26 november 2015 overgemaakt van de Spaanse rekening van [verdachte]

644.000

Bij de raadsheer-commissaris heeft getuige [betrokkene 3] verklaard dat [J] een vennootschap naar Zwitsers recht is waar [betrokkene 3] het bedrag van

€ 250.000,- had staan dat hij ten behoeve van de koop van [e-straat 1] aan de notaris heeft overgemaakt. De opdracht voor het doen van deze overboeking kwam van [J] , dat een adres heeft op de British Virgin Islands.

Voorts valt uit het dossier af te leiden dat de eerste twee genoemde bedragen (tezamen € 146.000,-) zijn samengesteld uit de volgende geldstromen:

40.000 op 10 december 2015 overgemaakt van de rekening [G] (hierna: [G] ) naar de rekening van [verdachte]

35.000 op 2 december 2015 overgemaakt van de rekening [betrokkene 5] naar de rekening van [verdachte]

35.000 op 2 december 2015 overgemaakt van de rekening [betrokkene 4] naar de rekening van [verdachte]

18.000 op 2 respectievelijk 3 december 2015 werd respectievelijk € 9.456,- en € 8.544,- (tezamen € 18.000,-) overgemaakt van de rekening van [betrokkene 6] naar de rekening van [verdachte]

18.000 op 10 december 2015 overgemaakt van de bonusrenterekening van [verdachte] naar de ING rekening van [verdachte] .

146.000

[betrokkene 3] heeft [verdachte] in contact gebracht met het bedrijf [G] in [plaats] , Oostenrijk. [G] handelt in tegels. Niet gebleken is dat het door [G] op 10 december 2015 overgemaakte bedrag van € 40.000,- op enige grondslag, zoals een lening, is gebaseerd.

Datzelfde geldt voor het van [betrokkene 6] ontvangen bedrag (ad € 18.000,-) en voor het door [betrokkene 5] , de broer van de verdachte, betaalde bedrag welk bedrag [betrokkene 5] op zijn beurt overigens op diezelfde dag had ontvangen van [betrokkene 4] .

Daarnaast heeft [betrokkene 4] ook nog rechtstreeks € 35.000,- op de rekening van [verdachte] overgemaakt.

Het bedrag van € 63.000,- betreft volgens de verdachte “eigen geld” dat hij op zijn Spaanse rekening had staan. Over de herkomst van dit “eigen geld” heeft de verdachte geen nadere informatie verschaft.

Het bedrag van € 185.000,- heeft de verdachte op 19 november 2015 op zijn Spaanse rekening ontvangen vanaf een Tsjechische bankrekening op naam van [betrokkene 4] . Ten aanzien van dit bedrag heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat dit afkomstig was van de opbrengst van de verkoop – door [betrokkene 4] – van enkele appartementen die hij in Roemenië bezat. Een verklaring voor de reden dat dit bedrag via een Tsjechische rekening is betaald, is niet gegeven.

Tezamen met de eerder genoemde twee bijdragen van [betrokkene 4] van elk € 35.000,- heeft [betrokkene 4] in totaal € 255.000,- (185.000 + 35.000 + 35.000) gefinancierd. Uit het dossier volgt dat van [betrokkene 4] geen andere inkomsten bekend zijn dan die uit een bijstandsuitkering.

Het hof stelt vast dat de financiering van de [e-straat 1] op het eerste gezicht heeft plaatsgevonden door acht verschillende private (rechts)personen (verdachte, [betrokkene 5] , [G] , [betrokkene 3] / [betrokkene 7] , [betrokkene 4] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en [H] ) vanuit vijf verschillende landen (Nederland, Spanje, Oostenrijk, Tsjechië/Roemenië, Singapore). Geen van de betreffende (rechts)personen verleent bedrijfsmatig kredieten. Deze opeenstapeling van verschillende financieringsbronnen en landen is een schoolvoorbeeld van een witwas typologie en levert een verdenking van witwassen op.

Met betrekking tot [f-straat 1] :

Op 9 mei 2016 werd het pand [f-straat 1] te [plaats] door middel van een akte van levering bij de notaris geleverd aan [betrokkene 10] en [betrokkene 11] , de schoonouders van de verdachte. De prijs bedroeg € 332.500,-. Door de verdachte is ten behoeve van dit pand aan de betreffende notaris in totaal € 307.578,11 overgemaakt. Uit het dossier (met name het schematisch weergegeven overzicht van geldstromen), valt af te leiden dat dit is gebeurd via de volgende geldstromen:

204.000 overgemaakt van de Spaanse rekening van [verdachte] aan de notaris

76.000 overgemaakt van de Luxemburgse rekening van [verdachte] aan de notaris

27.578,11 overgemaakt van de Nederlandse rekening van [verdachte] aan de notaris

307.578,11

Genoemd bedrag van € 204.000,- was afkomstig van [G] en werd in drie porties (van respectievelijk 74.000,-, 60.000,- en 70.000,-) door [verdachte] op 25, 28 en 29 april 2016 op zijn Spaanse rekening ontvangen.

Het bedrag van € 76.000,- was eveneens afkomstig van [G] en werd door [verdachte] op 27 april 2016 op zijn Luxemburgse rekening ontvangen.

[G] heeft in totaal derhalve € 280.000,- aan [verdachte] overgemaakt.

Deze 280.000 euro blijkt te zijn samengesteld uit de volgende geldstromen:

183.250 contant gestort op de rekening van [G]

30.800 vanaf privé-rekening van [betrokkene 12] en [betrokkene 13] , aandeelhouder respectievelijk bestuurder van [G] , naar rekening van [G] overgeboekt

52.100 storting dagomzet op de rekening van [G]

34.000 overgemaakt van de rekening [betrokkene 3] naar de rekening van [G]

300.150

De 183.250 kwam tot stand door 12 stortingen op eigen rekening (143.300) en 4 contante stortingen via een geldautomaat (39.950,-). Deze stortingen werden verricht in de periode van 21 tot en met 29 april 2016.

De 30.800 kwam tot stand via twee overboekingen op 29 april 2016 (respectievelijk 4.800 en 26.000).

De storting van 52.100 vond eveneens plaats in de periode van 21 tot en met 29 april 2016, via 4 stortingen via een geldautomaat. De 34.000 heeft betrekking op twee overboekingen op 22 en 28 april 2016 (respectievelijk 10.000 en 24.000).

Van het bedrag van € 27.578,11 dat door [verdachte] op 6 mei 2016 naar Notariskantoor [I] is overgemaakt vanaf zijn Nederlandse ING rekening, is € 27.000,- afkomstig van [betrokkene 5] die ditzelfde bedrag op

5 mei 2016 ontving van [betrokkene 3] .

Het hof stelt vast dat de financiering van [f-straat 1] op het eerste gezicht heeft plaatsgevonden door vijf verschillende private (rechts)personen (verdachte, [betrokkene 5] , [G] , [betrokkene 12] / [betrokkene 13] , [betrokkene 3] ) vanuit twee verschillende landen (Nederland, Oostenrijk). Geen van de betreffende (rechts)personen verleent bedrijfsmatig kredieten. Deze opeenstapeling van verschillende financieringsbronnen en landen levert naar het oordeel van het hof een verdenking voor witwassen op.

700.000

Bij een zoeking in een vakantiechalet van de verdachte is een usb-stick gevonden met daarop een Excelsheet-overzicht. De verdachte heeft verklaard dat dit overzicht door hem is gemaakt ten behoeve van zijn eigen administratie. Het overzicht laat verschillende ronde bedragen zien, verdeeld over drie kolommen respectievelijk genaamd “Betaald”, “Ontvangen” en “Verschil”.

Verschillende bedragen uit de kolom “Betaald” komen overeen met bovengenoemde transacties. Zo kan € 700.000 met als omschrijving “Oostenrijk” wijzen op het ‘betalen’ van 7 pakjes van elk € 100.000. Zowel in de kolom “betaald” als de kolom “Ontvangen” komt de vermelding “Spanje € 185.000” voor. Dit levert ten minste een sterk vermoeden op dat door [verdachte] 185.000 aan [betrokkene 3] contant is betaald en dat hetzelfde bedrag door [betrokkene 4] op de Spaanse rekening van [verdachte] is overgemaakt.

Voorts vermeldt de kolom “Betaald” de omschrijving “ [betrokkene 3] € 250.000”. In de kolom “Ontvangen” keert het bedrag van € 250.000 terug. Dit levert ten minste een sterk vermoeden op dat [verdachte] € 250.000 contant aan [betrokkene 3] heeft gegeven, welk bedrag hij vervolgens via diens [J] per bank heeft terugontvangen.

De kolom “Betaald” vermeldt “Notaris € 644.000”, hetgeen er op duidt dat de betalingen, waaronder de genoemde bedragen van € 185.000 en € 250.000, zijn gebruikt voor de financiering van het pand [e-straat 1] .

Op de derde regel van het overzicht staat bij de kolom “betaald” “ [betrokkene 3] € 30.000” en in de kolom “Ontvangen” “€ 12.000 (was € 18.000)” en “Is 2x € 9.000,00 gestort naar Interbank”. Hieruit rijst ten minste het sterke vermoeden dat [verdachte] 30.000 euro aan [betrokkene 3] heeft betaald, waaruit [betrokkene 3] voor hem de resterende lening van € 18.000 van Interbank heeft betaald. Deze afbetaling vond plaats, zo heeft de verdachte verklaard, teneinde een einde te maken aan een BKR registratie waardoor het voor [verdachte] mogelijk zou zijn een hypotheek bij een bank te krijgen.

Ook ten aanzien van de betaling aan Interbank is derhalve sprake van een vermoeden van witwassen.

In chatsessies tussen [betrokkene 3] en [verdachte] in februari en maart 2016 is te lezen dat er onenigheid is over het betalen – door [betrokkene 3] – van € 18.000,- ten behoeve van de koop (na inruil) van een BMW X3 voor de partner van [verdachte] , [betrokkene 14] . De auto is op 8 februari 2016 op naam van [betrokkene 14] gezet, maar [betrokkene 3] talmt met het betalen en dat wordt hem door [verdachte] kwalijk genomen. Uiteindelijk meldt [betrokkene 3] op 14 maart 2016 dat de auto is betaald.

Het hof concludeert dat ook ten aanzien van de betaling van de BMW X3 sprake is van een verdenking van witwassen.

In een chatsessie van 9 januari 2016 zegt [verdachte] tegen [betrokkene 3] het volgende: “Hey vriendje, wanneer wordt de lening gedaan? Kan ik alles weer opnemen om het bij de notaris te krijgen. Het zou fijn zijn als je van mijn eigen anders wat teruggeeft”

Ook dit wijst erop dat [verdachte] zijn geld contant bij [betrokkene 3] heeft ‘ingeleverd’ teneinde het vervolgens via hem of een door hem te vragen derde per bank weer terug te krijgen.

Het hof wijst ten slotte nog op pgp-chatgesprekken tussen [verdachte] en onder meer [medeverdachte 2] over ene [betrokkene 1] . Ontdekt is dat [verdachte] ook op documenten ten behoeve van [betrokkene 1] als inklaarder/transporteur van containers wordt vermeld. [verdachte] wordt eraan herinnerd dat die [betrokkene 1] “ons” voor die 300 te pakken heeft genomen en hij wordt erop gewezen (hij krijgt op z’n Hollands gezegd op z’n donder) dat hij daarmee de lijn en container van [medeverdachte 2] (waaronder de import van de container uit het Romp en Scan onderzoek) op het spel zet. Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] een vertrouwensrelatie heeft met [medeverdachte 2] . Dit wordt ook bevestigd door het gegeven dat [verdachte] zich kennelijk vrij voelt om aan [medeverdachte 2] , die duidelijk de lijnen uitzet en de leider van de drugstransporten is, zonder veel omhaal te vragen of deze hem 300.000 wil lenen om het mogelijk te maken dat zijn schoonouders het pand [f-straat 1] kunnen kopen. Opvallend is voorts dat [medeverdachte 2] dit niet weigert, maar zegt dat hij zijn mensen zal laten kijken of dit voor elkaar gemaakt kan worden en uit verschillende chats blijkt dat [medeverdachte 2] hier daadwerkelijk enige moeite in steekt. De vrijheid die [verdachte] voelde om het verzoek aan [medeverdachte 2] te doen en het gegeven dat [medeverdachte 2] niet zonder meer weigerde maken het aannemelijk dat zij op dat moment reeds wisten wat zij aan elkaar hadden.

Tegenover al het vorengaande heeft de verdachte niet veel meer ingebracht dan dat een groot deel van de financiering gedekt is met leningen en de financiering “dus” legaal was. Zowel de met [G] afgesloten leningsovereenkomst als de overeenkomsten met [betrokkene 4] wijken echter af van hetgeen bij dit soort overeenkomsten gebruikelijk is. Zo worden de leningen volgens [verdachte] al snel (binnen een half jaar tot een jaar) weer terugbetaald, maar is de looptijd van de leningen 5 jaar. Voor geen van de leningen is enige zekerheid gesteld, terwijl het toch om substantiële bedragen gaat – dit is volstrekt ongebruikelijk. En voorts heeft [verdachte] op geen van de leningen tot op heden enige rente of aflossing betaald en hebben de leningverstrekkers daar geen enkel punt van gemaakt. De advocatenbrief die op 29 mei 2020, enkele jaren na het aangaan van de lening, namens [G] is verzonden acht het hof in dit opzicht betekenisloos, al was het maar omdat er niet gebleken is dat er (vervolgens) verder enige actie is ondernomen.

Al met al is het hof van oordeel dat de verklaring die de verdachte over de herkomst van het geld heeft gegeven niet duidt op een legale herkomst. Ten aanzien van een aanzienlijk deel van de geldstromen is na nader onderzoek gebleken dat deze afkomstig zijn van contante stortingen. Het hof concludeert dan ook dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen die de verdachte heeft gebruikt voor de financiering van [e-straat 1] , [f-straat 1] en de BMW X3 en voor de aflossing van de Interbank lening afkomstig waren uit een misdrijf en dat de verdachte door omzetting van die geldbedragen witwashandelingen heeft gepleegd.”

De eerste deelklacht

De eerste deelklacht houdt in dat het hof het kader voor de beoordeling van de vraag of de in de tenlastelegging genoemde gelden ‘uit enig misdrijf afkomstig zijn’ niet, althans onjuist heeft toegepast door te overwegen dat “de verklaring die de verdachte over de herkomst van het geld heeft gegeven niet duidt op een legale herkomst” en dat “ten aanzien van een aanzienlijk deel van de geldstromen (…) na nader onderzoek (is) gebleken dat deze afkomstig zijn uit contante stortingen”.

De Hoge Raad heeft zijn jurisprudentie over het bewijs van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” in de zin van de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. Sr) in onder meer HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 als volgt samengevat:

“Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”

In de toelichting op het tweede middel wordt betoogd dat het hof door te overwegen dat “de verklaring die de verdachte over de herkomst van het geld heeft gegeven niet duidt op een legale herkomst” aan de verklaring van de verdachte een eis stelt die het recht niet kent, omdat het hof daarmee tot uitdrukking lijkt te brengen dat het aan de verdachte is om de legale herkomst van het geld aannemelijk te maken.

Over de verklaring van de verdachte ten aanzien van de herkomst van het geld heeft het hof overwogen dat “de verdachte niet veel meer (heeft) ingebracht dan dat een groot deel van de financiering gedekt is met leningen en de financiering “dus” legaal was”. Het hof heeft vervolgens toegelicht waarom deze wijze van verstrekking van leningen in het reguliere financiële verkeer zeer ongebruikelijk is, en geoordeeld dat de verklaring van de verdachte niet duidt op een legale herkomst van het geld. Ik begrijp de overwegingen van het hof, beschouwd tegen de achtergrond van de overige bewijsoverwegingen, zo dat het hof uit de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een stevig vermoeden van witwassen heeft afgeleid, waar door de verdachte maar weinig tegenover is gezet. Uit de overweging dat de verklaring van de verdachte niet duidt op een legale herkomst maak ik niet op dat het hof (impliciet) de eis heeft gesteld dat de verdachte de legale herkomst van het geld aannemelijk moet maken, maar dat het hof van oordeel is dat de verklaring van de verdachte geen aanwijzingen geeft dat het geld niet van misdrijf afkomstig is, en dat de verklaring het witwasvermoeden dus niet (in enige mate) heeft kunnen ontzenuwen. Het hof heeft hiermee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Daarmee is geen sprake van het onjuist toepassen van het in randnummer 3.5 weergegeven beoordelingskader.

In de eerste deelklacht wordt daarnaast opgekomen tegen (de positionering van) de overweging van het hof dat “ten aanzien van een aanzienlijk deel van de geldstromen (…) na nader onderzoek (is) gebleken dat deze afkomstig zijn uit contante stortingen”. Het hof heeft deze passage in de volgende context in het arrest opgenomen (reeds weergegeven in randnummer 3.3, maar hier voor het lezersgemak herhaald):

“Al met al is het hof van oordeel dat de verklaring die de verdachte over de herkomst van het geld heeft gegeven niet duidt op een legale herkomst. Ten aanzien van een aanzienlijk deel van de geldstromen is na nader onderzoek gebleken dat deze afkomstig zijn van contante stortingen. Het hof concludeert dan ook dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen die de verdachte heeft gebruikt voor de financiering van [e-straat 1] , [f-straat 1] en de BMW X3 en voor de aflossing van de Interbank lening afkomstig waren uit een misdrijf en dat de verdachte door omzetting van die geldbedragen witwashandelingen heeft gepleegd.”

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof de omstandigheid dat uit nader onderzoek is gebleken dat een aanzienlijk deel van de geldstromen afkomstig is uit contante stortingen had moeten beoordelen voorafgaand aan de verklaring van de verdachte, namelijk bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een vermoeden van witwassen. De willekeurige plaatsing van deze overweging tussen de verschillende stappen van het beoordelingskader raakt aan de begrijpelijkheid van de toepassing van dat kader, aldus de steller van het middel.

Uit de bewijsoverwegingen blijkt dat het hof de omstandigheid dat een aanzienlijk deel van de geldstromen afkomstig is uit contante stortingen (reeds) heeft betrokken bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een vermoeden van witwassen. Anders dan de steller van het middel suggereert, betreft dit dus geen ‘nieuwe’ omstandigheid, die het hof pas na de beoordeling van de verklaring van de verdachte in het witwasstappenplan betrekt. Met de overweging dat “ten aanzien van een aanzienlijk van de geldstromen (…) na nader onderzoek (is) gebleken dat deze afkomstig zijn van contante stortingen” heeft het hof kennelijk duidelijk willen maken dat een aanzienlijk deel van de beweerdelijke leningen zijn bron heeft in contante stortingen, wat – zo begrijp ik – verder onderzoek bemoeilijkt en maakt dat de herkomst niet te controleren is. Van een onjuiste toepassing van het beoordelingskader geeft de overweging geen blijk en onbegrijpelijk is het evenmin.

De eerste deelklacht faalt.

De tweede deelklacht

Het middel richt zich in de tweede deelklacht met motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.

De steller van het middel komt in de tweede deelklacht allereerst op tegen de overweging van het hof dat “de verdachte niet veel meer (heeft) ingebracht dan dat een groot deel van de financiering gedekt is met leningen en de financiering “dus” legaal was”. Volgens de steller van het middel is deze karakterisering van de verklaring van de verdachte feitelijk onjuist en miskent deze de uitleg die de verdachte onder meer ter zitting van het hof heeft gegeven. Daaraan voegt de steller van het middel toe dat de verklaring van de verdachte wordt ondersteund door de verklaringen van diverse getuigen (onder andere van [betrokkene 3] en van [betrokkene 4] ), waarmee inzicht is gegeven in de herkomst van de gelden die gebruikt zijn voor de financiering van de aankoop van de panden en de auto. Door het hof is niet gemotiveerd waarom het deze verklaringen kennelijk passeert.

Het hof heeft de verklaring die de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 december 2021 heeft afgelegd als bewijsmiddel (nr. 1) ten grondslag gelegd aan de bewezenverklaring. Deze verklaring houdt in:

Ten aanzien van zaaksdossier [e-straat]

Ik ben toen op zoek gegaan naar een manier om een eigen huis te financieren en ik ben bij [betrokkene 3] terecht gekomen. (…) Ik heb [betrokkene 3] benaderd en gevraagd of hij iemand kent die de middelen heeft om voor mij een woning te financieren. [betrokkene 3] zelf heeft vervolgens de financiering geregeld. Het geld kwam via de Britse Maagdeneilanden.

(…)

Waar [betrokkene 3] het geld vandaan heeft gehaald is aan hem. Daar kan ik weinig over zeggen. (…) Het klopt dat ik [betrokkene 3] nog niet heb terugbetaald.

(…)

Na de hulp van [betrokkene 3] bij de aankoop van de [e-straat] heb ik hem ook gevraagd mij te helpen bij de aankoop van het appartement aan het [f-straat] voor mijn schoonouders.

(…) [betrokkene 3] wilde alleen met mij zaken doen en niet rechtstreeks de financiering van mijn schoonouders op zich nemen.

(…)

Ten aanzien van het excelbestand dat is aangetroffen op een USB-stick in mijn chalet kan ik zeggen dat ik voor mezelf heb geprobeerd bij te houden hoe [betrokkene 3] de financiering had geregeld. Het was voor mijn eigen administratie.

[betrokkene 4] heb ik ontmoet via [betrokkene 3] . Hij was een vriend of zakenrelatie van [betrokkene 3] .

(…)

Hoe [betrokkene 3] het geld bij de notaris krijgt, is niet mijn zaak. Ik heb een terugbetalingsverplichting aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Ik vind het niet raar dat ik niet weet hoe zij hun financiën regelen.

(…)

Het kan zijn dat wat is opgenomen in de leenovereenkomst van [J] over een te vestigen hypotheek ter zekerheid van de verstrekte lening niet is gebeurd. (…)

Het klopt dat ik een groot bedrag leen, zonder zekerheid en waarop al jaren niet wordt afgelost.

(…)

Ten aanzien van zaaksdossier [f-straat]

[betrokkene 3] heeft bemiddeld en heeft mij in contact gebracht met de directeur van [G] . Ik heb geen vraagtekens geplaatst bij het feit dat dit bedrijf niet te boek staat als geldverstrekker.

(…)

De jongste rechter houdt voor het volgende WhatsApp gesprek tussen [betrokkene 3] en de verdachte: “Hey vriendje, wanneer word de lening gedaan? Kan ik alles weer opnemen om het bij de notaris te krijgen. Het zou fijn zijn als je van mijn eigen anders wat terug geeft”. De politie stelt dat het lijkt alsof er sprake is van een loanbackconstructie, waarbij u geen lening heeft maar eigen gelden terug ontvangt. Wat is hierop uw reactie?

(…)

Het is lang geleden. Ik weet niet meer wat ik exact bedoelde met dit bericht. Ik weet wel dat ik met [betrokkene 3] aan het kibbelen was over de tien procent die mijn schoonouders moesten betalen. Dat moest terugkomen, maar kwam niet los. Dat kan ik erover zeggen.

(…)

De USB stick die is gevonden was inderdaad van mij. Het excelbestand dat daarop is aangetroffen is door mij gemaakt. Het is mijn eigen administratie. Ik heb het geprobeerd de verstrekte gelden in kaart te brengen.

(…)

Het geld is gestort op mijn rekening en vanuit mijn naam is het bij de notaris terecht gekomen. Ik weet niet waarom dit op deze manier is verlopen, terwijl bij de betaling van de [e-straat] rechtstreeks

€ 250.000,- bij de notaris is gestort. Daar is destijds wel een melding over gedaan. Ik weet niet of dit de reden is geweest om het bij [f-straat] anders te doen. Ze hebben gezegd dat ik het moest storten bij de notaris vanuit mijn naam. Ik heb hierover geen vragen gesteld. Dit was misschien naïef

(…)

[betrokkene 3] is voor mij een privé persoon. Hij is geen bank. Als hij vervolgens het geld uit een bedrijf haalt, is dat zijn zaak.

(…)

Het klopt dat [betrokkene 3] in Oostenrijk woonde.

Ten aanzien van zaaksdossier Austria

Ik heb een Toyota RAV ingeruild voor een BMW. [betrokkene 3] heeft twee keer € 9.000,- afgelost voor mij zodat ik geen BKR registratie meer had. (…)

Ik heb alleen met [betrokkene 3] nog contact over de financieringen. (…) Ik heb met hem gesprekken gevoerd over het terugbetalen van de lening. (…) Ik praat nu al vijf jaar met hem. Hij heeft wel gevraagd aan mij wanneer ik begin met afbetalen.

(…)”

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 april 2024 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze houdt onder meer in (zonder overneming van voetnoten):

“51. Over de herkomst van het geld is [verdachte] altijd duidelijk geweest. Omdat hij (en zijn schoonouders) geen financiering konden krijgen bij een reguliere bank heeft hij [betrokkene 3] benaderd om hem te helpen. [betrokkene 3] heeft uiteindelijk een deel gefinancierd. Daarnaast hebben twee contacten van [betrokkene 3] , namelijk [betrokkene 4] en het Oostenrijkse bedrijf [G] het resterende deel van de financiering op zich genomen. Dat hij op die leningen nog niet heeft afgelost komt doordat het financieel slecht ging. Het was oorspronkelijk juist de bedoeling om snel af te lossen, na verkoop van zijn bedrijf. Dat is helaas niet goed gegaan. Omdat op korte termijn zou worden afgelost werd het destijds ook niet nodig gevonden om zekerheden te stellen. De aflossing van de lening bij Interbank is door [betrokkene 3] gedaan om de BKR-registratie van zijn naam af te krijgen. De in totaal € 18.000,- werd meegenomen in het totaal van de lening afgesloten met [betrokkene 3] . De BMW is door [betrokkene 3] betaald, maar is inmiddels door cliënt verkocht en het bedrag dat [betrokkene 3] voor de BMW heeft betaald is aan hem terugbetaald.

52. Wat opvalt is dat de financieringen via diverse personen en bedrijven bij de notaris of bij cliënt is gekomen. Dit is echter een punt wat meer speelt bij de vraag of er een witwasvermoeden is dan dat het iets zegt over de herkomst van de gelden. Op zich is het ook niet vreemd dat het geld uiteindelijk van verschillende rekeningen en bedrijven komt. Er kunnen voor de financiers fiscale of boekhoudkundige redenen zijn dit zo te doen, zonder dat daar criminele intenties aan ten grondslag liggen. Niet vergeten moet worden dat het hier niet gaat om professionele partijen zoals een bank, maar om private investeerders. Dat er (rechts)personen bij betrokken zijn die niet als hoofdtaak financiering hebben is niet vreemd. Dat is juist het karakter van private financiering als tegenhanger van professionele financiering. Dat betekent echter niet dat daarom getwijfeld moet worden aan de legitimiteit van de verstrekte gelden. Private financiering is een steeds gangbaarder fenomeen, blijkt alleen al uit de populariteit van allerhande crowdfunding-platforms.

53. Wat zeggen de diverse getuigen nu over deze leningen en de verklaring van cliënt?

54. [betrokkene 3] bevestigt de verklaring die [verdachte] geeft. Met geld afkomstig uit zijn trust [J] heeft hij aan [verdachte] – die hij al dertig jaar kent – een lening verstrekt voor een bedrag van € 363.125. Dit is ook vastgelegd in een leningsovereenkomst. [betrokkene 3] bevestigt verder dat hij [verdachte] in contact heeft gebracht met [betrokkene 4] en [G] voor het resterende deel van de financiering. [betrokkene 3] bevestigt ook dat het de bedoeling was dat de lening binnen een jaar terugbetaald zou worden met de opbrengst van de verkoop van zijn bedrijf. Omdat dit niet door is gegaan, is van aflossen ook nog niet gekomen. Verder verklaart – en bevestigt – [betrokkene 3] dat hij cliënt geholpen heeft met het aflossen van een lening bij de Interbank, om te zorgen dat cliënt later wel een hypotheek zou kunnen krijgen. Ook zegt [betrokkene 3] dat hij cliënt geholpen heeft met het kopen van een BMW. Die is uiteindelijk weer verkocht en het geld heeft [betrokkene 3] van cliënt terug gekregen.

55. Door het openbaar ministerie wordt gesteld dat [betrokkene 3] een grotere rol heeft gehad dan hij in zijn verhoren doet voorkomen. Dat zou dan een aanwijzing zijn dat wat cliënt verklaart over de herkomst van het geld niet klopt. [verdachte] zegt echter nu juist zelf ook dat [betrokkene 3] een grotere rol had dan hij zelf verklaart. Daarin vinden cliënt en het openbaar ministerie elkaar. Uit het dossier, de appberichten en de verklaringen van de andere getuigen blijkt dat [betrokkene 3] op de achtergrond wel degelijk aan de touwtjes trok. Maar dat zegt op zichzelf toch nog niets over de herkomst van het geld? Dat het initiatief om [betrokkene 4] en [G] een lening te laten verstrekken bij [betrokkene 3] ligt, betekent niet dat de herkomst van de door hun geleende gelden ook [betrokkene 3] (en volgens het openbaar ministerie dan daarachter cliënt) moet zijn. Dat is echt een te snelle conclusie. Waarom [betrokkene 3] niet het achterste van zijn tong laat zien? Wij weten het niet, maar ik kan mij wel voorstellen dat het feit dat hij als verdachte is aangemerkt daar aan bijgedragen heeft.

56. [betrokkene 4] verklaart dat hij met tussenkomst van [betrokkene 3] aan [verdachte] een lening heeft verstrekt voor een totaalbedrag van € 284.000, bestemd voor de aankoop van een woning. Ook hiervan zijn leningsovereenkomsten. Dit geld was afkomstig van de verkoop van appartementen in Roemenië, wat door de getuige met stukken is onderbouwd. [betrokkene 4] verklaart dat hij dit geld in vertrouwen heeft geleend en deels ook omdat hij zich schuldig voelde dat de koop van de woning aan de [g-straat] niet doorging. Dat hij nog niet achter terugbetaling of aflossing is aangegaan komt omdat hij eerst de strafzaak wil afwachten. Hij wil hier geen problemen mee.

57. Dat het geld is overgeboekt vanaf een Tsjechische bankrekening zegt natuurlijk helemaal niets over de initiële herkomst van dat geld. Het geld kan na verkoop van de panden in Roemenië daarop gestort zijn of in de maanden daarna doorgestort zijn. Daar lijkt mij niets vreemds aan.

58. De getuigen [betrokkene 13 & 15] , vertegenwoordigers van [G] , bevestigen eveneens dat zij aan [verdachte] – met tussenkomst van en vertrouwen in [betrokkene 3] – een lening hebben verstrekt voor een bedrag van € 280.000. Dit geld is deels afkomstig uit de bedrijfsactiviteiten van [G] , deels is het privégeld. Ook deze lening is in een leningsovereenkomst vastgelegd. De bedoeling was dat de lening binnen enkele maanden zou worden afgelost. Omdat niet werd afgelost hebben zij diverse malen [betrokkene 3] aangesproken en ook een advocaat ingeschakeld.

59. Door het openbaar ministerie is een rechtshulpverzoek aan Oostenrijk gedaan, met het verzoek de kasboeken en jaarrekening over 2016 van [G] te verstrekken. Uit de verstrekte stukken zou volgens de politie blijken dat de contante stortingen (ten behoeve van de lening) niet te verantwoorden zijn vanuit de kasomzet en dat op de balans de aan cliënt verstrekte lening ook niet terug te zien is.

60. Betekent dit nu dat daarmee de verklaring van cliënt en de getuigen Dirr over de herkomst van het geld is weerlegd? Nee. Dat de contante omzet niet als zodanig in de boeken is terug te zien is verklaarbaar. [betrokkene 13] lijkt bij de raadsheer-commissaris te zeggen dat ‘contante betalingen vaak niet als kas worden geboekt, maar direct op de rekening worden afgestort’. [betrokkene 15] verklaart dat hij niet goed weet of contante betalingen ook als zodanig in de administratie worden opgenomen, omdat ze meteen op rekening worden gestort. Dat zou dan ook verklaren dat deze bedragen niet als kas in de boekhouding terecht komen. Over het opnemen van de lening in de boeken zegt [betrokkene 13] bij de raadsheer-commissaris dat de lening niet op de balans is gekomen. Ook zou een deel daarvan met privégeld zijn betaald. Dat de lening mogelijk inderdaad niet terug te zien is in de boeken is, is dus ook verklaarbaar.

61. Door het openbaar ministerie wordt in het requisitoir gesteld dat niemand iets heeft kunnen verklaren over de op 10 december 2015 overmaakte € 40.000 door [G] aan [verdachte] . Dat is onjuist. In het Oostenrijkse politieverhoor van 7 juni 2021 verklaart [betrokkene 13] namelijk dat dit een van de deelbetalingen van de lening was.

62. Terecht worden er nog vraagtekens geplaatst bij het feit dat er niet of nauwelijks zekerheden zijn gesteld voor terugbetaling van de leningen. Vergeten wordt daarbij echter dat de financiering – zoals ook door alle getuigen bevestigt – slechts voor korte tijd nodig zou zijn. Enkele maanden tot een jaar, velen malen korter dan de in de leningsovereenkomst afgesproken looptijd. Het was dus meer een overbruggingskrediet, dan een langdurige financiering, met alle risico’s van dien. Zo bezien was er ook minder noodzaak om aan de voorkant voor die paar maanden alles goed te regelen qua zekerheden en hypotheekrechten te vestigen en in te schrijven.

63. Ook moet niet vergeten worden dat het hier om private investeerders gaat, niet om professionele banken die dat soort zaken altijd goed op orde hebben. Bij professionele investeerders zijn de cijfers en de te stellen zekerheiden leidend, bij private investeerders – zeker als er bekenden in het spel zijn – vooral het onderlinge vertrouwen. Dat vertrouwen in elkaar de basis was, lezen we ook terug in de verschillende getuigenverklaringen.

Conclusie

64. Concluderend: alle getuigen die in dit onderzoek zijn gehoord bevestigen, zowel bij de politie als later bij de raadsheer-commissaris, de verklaring van cliënt over de herkomst van het geld en de reden en wijze van financiering. Naar de stellige overtuiging van de verdediging heeft cliënt met zijn verklaring en de daarvoor gegeven onderbouwing voldaan aan het vereiste dat deze verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk moet zijn. Zoals eerder al gezegd: niet mag van cliënt worden verlangd dat hij zijn onschuld bewijst. Hij hoeft niet alles sluitend te verklaren en alle twijfel weg te hemen. Zou die eis wel worden gesteld dan zou dat in feite neerkomen dat van hem wel het bewijs van onschuld wordt gevraagd”

Bij de beoordeling van deze deelklacht moet worden vooropgesteld dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifiek gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. In cassatie wordt niet de stelling ingenomen dat hetgeen in randnummer 3.15 is weergegeven in het kader van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan het hof is gepresenteerd.

Het hof heeft over de door de verdachte afgelegde verklaring ten aanzien van de herkomst van het geld geoordeeld dat deze niet duidt op een legale herkomst. Aan dat oordeel heeft het hof als motivering ten grondslag gelegd dat de gesloten leningsovereenkomsten afwijken van hetgeen bij dit soort overeenkomsten gebruikelijk is, nu (i) de leningen voor vijf jaren worden aangegaan, maar deze volgens de verdachte al snel (binnen een half jaar tot een jaar) worden terugbetaald, (ii) er geen zekerheid gesteld wordt, terwijl via de leningen substantiële bedragen zijn verstrekt, en (iii) uit niets blijkt dat de verdachte tot op heden enige rente of aflossing heeft betaald, waarvan de leningverstrekkers geen enkel punt hebben gemaakt. Daarmee heeft het hof de verklaring van de verdachte niet miskend, maar deze simpelweg niet beschouwd als een (concrete, verifieerbare en) niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat het geld niet van misdrijf afkomstig is (zie hierover ook randnummer 3.7). Dat oordeel is, mede in het licht van hetgeen onder 3.16 is vooropgesteld en hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor verdere toetsing in cassatie.

De steller van het middel klaagt tot slot nog over de begrijpelijkheid van de onderstaande twee passages uit de bewijsoverweging van het hof:

“Het hof wijst ten slotte nog op pgp-chatgesprekken tussen [verdachte] en onder meer [medeverdachte 2] over ene [betrokkene 1] . Ontdekt is dat [verdachte] ook op documenten ten behoeve van [betrokkene 1] als inklaarder/transporteur van containers wordt vermeld. [verdachte] wordt eraan herinnerd dat die [betrokkene 1] “ons” voor die 300 te pakken heeft genomen en hij wordt erop gewezen (hij krijgt op z’n Hollands gezegd op z’n donder) dat hij daarmee de lijn en container van [medeverdachte 2] (waaronder de import van de container uit het Romp en Scan onderzoek) op het spel zet. Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] een vertrouwensrelatie heeft met [medeverdachte 2] . Dit wordt ook bevestigd door het gegeven dat [verdachte] zich kennelijk vrij voelt om aan [medeverdachte 2] , die duidelijk de lijnen uitzet en de leider van de drugstransporten is, zonder veel omhaal te vragen of deze hem 300.000 wil lenen om het mogelijk te maken dat zijn schoonouders het pand [f-straat 1] kunnen kopen. Opvallend is voorts dat [medeverdachte 2] dit niet weigert, maar zegt dat hij zijn mensen zal laten kijken of dit voor elkaar gemaakt kan worden en uit verschillende chats blijkt dat [medeverdachte 2] hier daadwerkelijk enige moeite in steekt. De vrijheid die [verdachte] voelde om het verzoek aan [medeverdachte 2] te doen en het gegeven dat [medeverdachte 2] niet zonder meer weigerde maken het aannemelijk dat zij op dat moment reeds wisten wat zij aan elkaar hadden.”

En:

“Verschillende bedragen uit de kolom “Betaald” komen overeen met bovengenoemde transacties. Zo kan € 700.000 met als omschrijving “Oostenrijk” wijzen op het ‘betalen’ van 7 pakjes van elk € 100.000.”

Over de eerste passage merkt de steller van het middel op dat onduidelijk is op welke wijze de vaststelling dat tussen de verdachte en [medeverdachte 2] een vertrouwensrelatie bestond relevant is voor de beoordeling van (de verklaring van de verdachte over) de herkomst van de bij de financiering gebruikte geldstromen.

Over de tweede passage voert de steller van het middel aan dat het hof met deze overweging lijkt te refereren aan een chatgesprek tussen de verdachte en [betrokkene 3] van 16 juni 2025, waarin wordt gesproken over het brengen van “7 pakjes”. Nu dit gesprek geen onderdeel uitmaakt van de bewijsmiddelen en hiernaar door het hof desondanks lijkt te worden verwezen, raakt dat de begrijpelijkheid van de bewijsbeslissing, aldus de steller van het middel.

De beide passages vormen onderdeel van de overwegingen waarin het hof bespreekt waarom de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de voor de financiering van de panden en de auto aangewende geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Aan dat vermoeden kan bijdragen dat de verdachte nauwe contacten onderhoudt met [medeverdachte 2] , die – zo stelt het hof vast – lijnen uitzet en de leider van de drugstransporten is (waarin, zo is een feit van algemene bekendheid, grote geldbedragen omgaan), en bij wie de verdachte zich kennelijk vertrouwd voelt om het verzoek te doen een groot geldbedrag te lenen voor de aankoop van een pand, waarmee hij zich – zo begrijp ik – niet lijkt te bekommeren om de mogelijk criminele herkomst van dat geld. Het hof heeft in zijn overwegingen aangaande het witwasvermoeden eveneens niet onbegrijpelijk meegewogen dat uit de administratie van de verdachte lijkt te volgen dat hij grote contante betalingen doet, die hij via banktransacties weer terugontvangt. De steller van het middel heeft in zoverre een punt dat uit de bewijsoverweging en de bewijsmiddelenbijlage niet blijkt waaraan het hof refereert met zijn overweging dat de “€ 700.000” kan wijzen op het “‘betalen’ van 7 pakjes van € 100.000”. Het hof wijst in dezelfde overweging echter op diverse andere geldbedragen die blijkens de administratie van de verdachte door hem aan anderen betaald zijn, en die te koppelen zijn aan bedragen die vervolgens op de bankrekeningen van de verdachte zijn gestort. Dat deze omstandigheid heeft bijgedragen aan een vermoeden van witwassen, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

De tweede deelklacht faalt eveneens.

Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.

4. Het derde middel

Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Namens de verdachte is op 2 juli 2024 cassatie ingesteld. De verdachte is preventief gedetineerd in de onderhavige zaak, zodat de inzendtermijn zes maanden bedraagt. De stukken van het geding zijn op 29 april 2025 binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren is niet meer mogelijk. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

5. Slotsom

Het eerste en tweede middel falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, op 2 november 2025 is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?