ECLI:NL:PHR:2026:54

ECLI:NL:PHR:2026:54, Parket bij de Hoge Raad, 13-01-2026, 24/02523

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer 24/02523
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. 26Sartell (samenhang met 24/02511, 24/02659 en 24/02527). Medeplegen van het opzettelijk invoeren van ongeveer 3776 kg cocaïne (art. 2 onder A Opw). Het eerste middel, dat klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn, slaagt. Het tweede middel klaagt tevergeefs over de beslissing van het hof om de aanvulling van processtukken door het openbaar ministerie toe te staan, en de beslissing van het hof om het verzoek van de verdediging tot het horen van twee getuigen af te wijzen. Het derde middel, waarin met bewijsklachten wordt opgekomen tegen de bewezenverklaring, faalt eveneens. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02523

Zitting 13 januari 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 2 juli 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001220-22) wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

Er bestaat samenhang met de zaken 24/02511, 24/02754, 24/02659 en 24/02527. In de zaak 24/02754 is het cassatieberoep ingetrokken; in de overige zaken zal ik vandaag ook concluderen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. van Stratum, advocaat in Den Haag, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie. Het tweede middel richt zich tegen de (motivering van de) toewijzing door het hof van het verzoek van het openbaar ministerie tot aanvulling van de processtukken, en de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen. Het derde middel houdt in dat de bewezenverklaring onvoldoende steun vindt in de bewijsvoering, omdat daaruit niet blijkt dat de verdachte opzet had op het invoeren van de tenlastegelegde partij cocaïne, en uit die bewijsvoering evenmin volgt dat tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n) sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

Het eerste middel

Het eerste middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Namens de verdachte is op 4 juli 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 april 2025 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de in dit geval geldende inzendtermijn van acht maanden met bijna twee maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld.

Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren is niet meer mogelijk. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Het tweede middel

Het tweede middel klaagt over de beslissing van het hof om de aanvulling van processtukken door het openbaar ministerie toe te staan, en de beslissing van het hof om het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] af te wijzen.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2024 heeft het openbaar ministerie per e-mails van 6 maart, 12 maart en 2 april 2024 de voeging verzocht van:

- het arrest tegen de [medeverdachte 2] in de zaak 26Douglasville;

- het arrest tegen [medeverdachte 6] in de zaak 26Douglasville;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van de inhoudelijke behandeling in de zaak 26Douglasville;

- de schriftelijke verklaring van de [medeverdachte 2] , overgelegd ter terechtzitting van 1 november 2023 in de zaak Douglasville.

De verdediging heeft zich verzet tegen de voeging van deze stukken en een (voorwaardelijk) verzoek gedaan tot het horen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] . Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsman in dat kader het volgende naar voren gebracht:

“De verdediging verzet zich tegen de voeging van deze stukken. Naar mening van de verdediging is de voeging van deze stukken, in dit stadium van het proces waarbij de getuigen al zijn gehoord, in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Wij als verdediging beschikken niet over het complete dossier in 26Sartell. De zaak 26Douglasville ken ik helemaal niet, behalve door wat ik toegestuurd heb gekregen. Ik kan de context en hetgeen op zitting heeft plaatsgevonden dan ook niet duiden.

Voor zover uw hof wel zou beslissen tot voeging van de stukken in het dossier, doe ik het subsidiaire verzoek om alle betrokkenen, met name ten aanzien van [medeverdachte 2] , te horen als getuigen. Dan kunnen wij als verdediging ook tegenspraak leveren.”

De advocaat-generaal mr. [naam 11] heeft daarop, blijkens voormeld proces-verbaal, gereageerd:

“De arresten van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] in 26Douglasville zijn openbare, gepubliceerde stukken. Wij hebben na overleg met het gerechtshof Amsterdam verzocht om de niet-geanonimiseerde arresten hiervan te voegen in het onderzoek 26Sartell, omdat dat makkelijker leest.

In de bewijsmiddelenbijlage behorend bij het arrest van [medeverdachte 2] in 26Douglasville is de schriftelijke verklaring die [medeverdachte 2] ter terechtzitting van 1 november 2023 heeft overgelegd niet compleet opgenomen. Daarom hebben wij bij het gerechtshof Amsterdam het proces-verbaal van de terechtzitting opgevraagd en vragen wij aan uw hof dit te voegen in het onderzoek 26Sartell. Dit betreffen relevante en belangrijke verklaringen die niet een geheel ander licht werpen op de onderhavige zaak. Deze verklaringen dienen niet achtergehouden te worden.

Het verzoek tot voeging van deze stukken is niet (te) laat ingediend. De zaak 26Douglasville heeft in november 2023 gediend bij het gerechtshof Amsterdam. Het duurt even tot het proces-verbaal van de terechtzitting is opgemaakt. Zodra wij de stukken hadden ontvangen van het gerechtshof Amsterdam, hebben wij deze aan uw hof en de verdediging toegezonden. De verdediging heeft genoeg tijd gehad om de verdediging daarop in te richten.

Ik vraag het hof uitdrukkelijk om deze stukken te voegen. Ik vraag u eerst hierop te beslissen alvorens ik in zal gaan op het niet onderbouwde, subsidiaire verzoek van de raadsman.”

Door de voorzitter daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raadsman van de verdachte hierop als volgt gereageerd:

“Of de stukken relevant zijn voor de onderhavige zaak kunnen wij niet beoordelen, omdat wij niet beschikken over het complete dossier. De advocaat-generaal stelt dat de stukken pas laat zijn aangeleverd door het gerechtshof Amsterdam en dat het openbaar ministerie deze stukken vervolgens direct heeft verspreid. Echter, de verklaring van [medeverdachte 2] is ter terechtzitting overgelegd en het openbaar ministerie beschikte daarover. Het zijn inderdaad niet-geanonimiseerde stukken, maar ik kan de stukken niet in context plaatsen. Ik blijf mij verzetten tegen de voeging van de stukken.”

Na onderbreking voor beraad heeft het hof het onderzoek hervat en heeft de voorzitter als beslissing van het hof medegedeeld dat: - de betreffende stukken aan het dossier worden toegevoegd, omdat deze redelijkerwijs van belang zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak; - het hof geen noodzaak ziet om [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] te horen naar aanleiding van de overgelegde stukken, zodat het subsidiaire verzoek van de raadsman wordt afgewezen.

Het middel houdt in dat de beslissing tot toewijzing van het verzoek van het openbaar ministerie onbegrijpelijk is, omdat het hof niets heeft vastgesteld omtrent de aard van de stukken, en evenmin heeft vastgesteld dat en waarom de inhoud van deze stukken redelijkerwijze van belang kunnen zijn voor enige in de zaak te nemen beslissing, en waarom de beginselen van een behoorlijke procesorde niet geschonden zouden zijn.

Bij de bespreking van het tweede middel kan het volgende worden vooropgesteld. Op grond van art. 414 lid 1, tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het ressortsparket en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van de zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid kan in voorkomende gevallen door de rechter worden getoetst aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daarover valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt. Als de rechter van oordeel is dat de beginselen van een goede procesorde zich ertegen verzetten dat nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging worden overgelegd en dat die overlegging daarom niet kan worden toegestaan, zal de rechter deze beslissing moeten motiveren. Indien de rechter het verzoek toewijst, zal hij de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging dienen te betrekken.

In onderhavige zaak heeft de advocaat-generaal een viertal nieuwe stukken overgelegd met het verzoek deze aan het dossier toe te voegen, zijnde de arresten van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] in de zaak 26Douglasville, het proces-verbaal van de terechtzitting van de inhoudelijke behandeling in 26Douglasville en de schriftelijke verklaring van de [medeverdachte 2] overgelegd ter terechtzitting van 1 november 2023 in 26Douglasville. Aan het verzoek om voornoemde arresten te voegen heeft de advocaat-generaal ten grondslag gelegd dat de arresten op zichzelf al openbare, gepubliceerde stukken betreffen, maar dat wordt verzocht om de niet-geanonimiseerde arresten in het dossier te voegen vanwege de eenvoudigere leesbaarheid daarvan. Aan het verzoek tot het voegen van het proces-verbaal van de terechtzitting in de zaak 26Douglasville ligt ten grondslag dat in de bewijsmiddelenbijlage bij het arrest van [medeverdachte 2] in 26Douglasville niet zijn gehele schriftelijke verklaring is opgenomen. De advocaat-generaal heeft verder naar voren gebracht dat dit relevante en belangrijke verklaringen betreffen, die niet een geheel ander licht op de onderhavige zaak werpen. De raadsman heeft zich met het oog op het stadium waarin het strafproces zich bevindt verzet tegen de voeging, als ook omdat hij de context niet kan duiden.

Het hof heeft beslist dat de betreffende stukken aan het dossier worden toegevoegd, omdat deze redelijkerwijs van belang zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak. Het kennelijke oordeel van het hof dat het voegen van nieuwe stukken niet strijdig is met de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde is niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen door de advocaat-generaal naar voren is gebracht over de aard van de stukken en het moment waarop het verzoek is gedaan (voorafgaand aan de eerste inhoudelijke zittingsdag van de zaak en binnen een relatief kort tijdsbestek nadat de arresten in de zaak 26Douglasville zijn gewezen).

Het hof heeft daarnaast het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] afgewezen, omdat het daartoe naar aanleiding van de overgelegde stukken de noodzaak niet ziet. Ook hierover klaagt het middel.

Vooropgesteld moet worden dat het hier gaat om een verzoek tot het horen van ‘getuigen à décharge’ en dat op dat verzoek, gelet op het tijdstip waarop het is gedaan, het noodzaakcriterium van toepassing is. Een en ander houdt in dat van de verdediging mag worden verwacht dat wordt toegelicht waarom het horen van een opgegeven getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing en dat de rechter het verzoek mag afwijzen indien hij zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Dat dit criterium van toepassing is, wordt in cassatie niet betwist.

Tegen deze achtergrond acht ik de afwijzing van het verzoek tot het horen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] eveneens niet onbegrijpelijk, nu aan dat verzoek door de verdediging niet meer ten grondslag is gelegd dan de stelling: “dan kunnen wij als verdediging ook tegenspraak leveren”.

Het tweede middel faalt.

3. Het derde middel

Het derde middel houdt in dat de bewezenverklaring onvoldoende steun vindt in de bewijsvoering, omdat daaruit niet blijkt dat de verdachte opzet had op het invoeren van de tenlastegelegde partij cocaïne, en uit die bewijsvoering evenmin volgt dat tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n) sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 14 april 2016 tot en met 1 juni 2016, te [plaats] ,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht,

3776 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”

Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen, die over de betrokkenheid van de verdachte bij het bewezenverklaarde inhouden:

“7.

Geschriften gevoegd als bijlagen bij het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-0567 van 20 juli 2020 (pagina 1343 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Scan), inhoudende:

PGP berichten van de PGP emailadressen [emailadres 1] , [emailadres 9] en [emailadres 4] zijn als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

Datum/ Van Aan Inhoud

Tijd

(…)

(…)

(…)

(…)

9.

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-0202 van 26 maart 2020 (pagina 1264 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Scan), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 29 oktober 2018 wordt, onder leiding van de Officier van justitie van het Landelijk Parket, Mr. [Officier van Justitie] , het onderzoek "26Sartell" gestart bij de Dienst Landelijke Recherche, en wordt (nader) onderzoek gedaan naar de inbeslagname op 01 juni 2016 van een partij van ongeveer 3800 kilogram cocaïne, in de lading van container […] , (mede) naar aanleiding van aangetroffen en beschikbaar gestelde berichten uit PGP emailadressen uit het onderzoek "26Sassenheim".

Uit informatie (onder andere) afkomstig uit voornoemde PGP-berichten wordt de betrokkenheid bij (de voorbereidingen tot) de handel van verdovende middelen (cocaïne) vermoed van de

gebruikers van de PGP's met de emailadressen.

[emailadres 15] ,

[emailadres 16] ,

[emailadres 25] .

De gebruiker van deze PGP emailadressen kan worden geïdentificeerd als [verdachte] .

Bijlagen: de in dit proces-verbaal aangehaalde berichten.

10.

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-0204 van 16 april 2020, met bijlage (pagina 1775 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Scan), inhoudende als relaas van de verbalisant met geschriften als bijlagen:

Uit informatie (onder andere) afkomstig uit voornoemde PGP-berichten wordt de betrokkenheid bij (de voorbereidingen tot) de handel van verdovende middelen (cocaïne) vermoed van de

gebruikers van de PGP's met de emailadressen.

[emailadres 15] ,

[emailadres 16] ,

[emailadres 25] .

De gebruiker van deze PGP emailadressen kan worden geïdentificeerd als [verdachte] .

Bijlagen:

De exell-bestanden met genoemde berichten:

Datum/ Van Aan Inhoud

tijd

(…)

15.

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-141 van 10 maart 2020, met bijlage (pagina 1865 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Scan), inhoudende als relaas van de verbalisant:

In onderstaande periode van 12 april 2016 tot en met 1 juni 2016, vonden er diverse berichten wisselingen plaats tussen [emailadres 3] en de gebruikers van PGP

emailadressen.

Hieronder een schematische weergave van de emailadressen met de bijbehorende na(a)m(en), alsmede hoe de gebruiker/-ster in het vervolg van dit proces-verbaal zal worden genoemd.

Het bestreden arrest houdt over de bewezenverklaring van feit 1 verder in:

Opzet en medeplegen

Het hof verwerpt het verweer dat opzet niet aan de orde is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen. In de chatgesprekken waaraan de verdachte deelneemt van 25 april 2016 te 21.00 en 21.09 uur, van 26 april 2016 te 13.28, 18.10 en 18.14 uur is sprake van gegevens (een bootnaam, een bill of lading) die een selecteur moet hebben, het op groen of rood/groen zetten van bakken en irritaties. Op 27 mei 2016 te 14.33 uur bericht verdachte: “vriend. Me maat heeft een vraag! Heeft die [naam 9] geconstateerd dat het groen is of heeft hij het op groen gezet.” Het hof begrijp dat hier wordt gevraagd of een ‘ [naam 9] ’, een douane-ambtenaar, geconstateerd heeft dat het selectie-systeem aangeeft dat een container niet door de scan hoeft, of dat die ambtenaar de container zelf op groen heeft gezet (heeft bepaald dat de container niet gescand hoeft te worden). Deze discussie gaat verder en om 22.48 uur die dag bericht [medeverdachte 2] aan de verdachte: “Nix gehoord pff maat. Hij MOET zeggen JA is GROEN …nix zeggen … wat als zijn pgp eruit ligt wat als er wat anders is … Ik wil geen mensen in de bajes. Zeg ze … [naam 9] moet confirmeren (…).” De verdachte antwoordt hierop: “Maat hij heeft vandaag al gezegd is groen. En wat hij nu zeg is dat alles goed staat. Maar ik stuur je bericht door en ik zoek ze morgen weer op.” [medeverdachte 2] antwoordt de verdachte om 22.54 uur: “Ok maat. Ik wil geen 7 man binnen 100% duidelijkheid.”

Deze gesprekken gaan nog even door op deze wijze en op 30 mei 2020 om 07.59 uur stuurt de verdachte een update aan [medeverdachte 2] dat alles okee is. Later die dag worden tussen [medeverdachte 2] en de verdachte berichten gewisseld dat er een blokkade op de bak zit en dat de bak gescand wordt. “Dit is echt zware hoofdpijn”. Om 17.36 uur bericht de verdachte: “Vriend die kanker bakken zijn allebei in de scan gevallen. We hebben iemand daar binnen en die zegt dat de bakken nog niet naar de scan zijn gegaan. En dat pas morgen gebeurt. We mogen die bakken nog niet ophalen. Ik maak me zorgen want als we die bakken ophalen morgen of overmorgen dan volgen ze die bak naar de loods en klappen ze naar binnen en pakken onze jongens. Ik heb stress man.”. Op 31 mei 2020 om 09.18 uur stuurt de verdachte een chatbericht naar [medeverdachte 2] waarin hij meldt dat de douane-recherche met honden bij de bakken zijn geweest en dat op dat moment de bakken ook geselecteerd zijn voor de scan.

Het hof leidt uit deze gesprekken af dat die gesprekken de invoer van een container betreffen en dat het erg belangrijk is dat deze container niet gescand wordt. Uit de reacties van [medeverdachte 2] (in de contacten met de verdachte) blijkt dat als de container gescand zou worden het gevaar bestaat dat 7 man in de bajes terecht komen. De verdachte houdt [medeverdachte 2] voortdurend op de hoogte van de status (groen of rood) van de betreffende container, het scannen van de container en de stand van het onderzoek (douane-recherche, honden). De verdachte en [medeverdachte 2] weten precies waar ze het over hebben en het hof begrijpt de gesprekken aldus dat deze de invoer van een container betreffen waarin cocaïne verborgen is. Het is voor de personen die betrokken zijn bij de invoer van een dergelijke container erg belangrijk te weten of de container zonder problemen door de douane-controle komt. Naar het oordeel van het hof is de inhoud en strekking van deze chats dusdanig duidelijk dat daaruit zonder meer opzet van de verdachte op de invoer van de container met cocaïne afgeleid kan worden, terwijl daaruit eveneens volgt dat de verdachte nauw en bewust met in ieder geval [medeverdachte 2] samenwerkt. De door de verdachte verrichte activiteiten hebben bestaan uit het (doen) volgen van de container door de douane-systemen, het (doen) inwinnen van informatie bij een douane-medewerker en het doorgeven van informatie afkomstig van de douane aan [medeverdachte 2] . Gelet op het belang van de door de verdachte verkregen en aan zijn medeverdachte doorgegeven informatie voor het ongezien (kunnen) importeren van cocaïne betreft het hier handelingen die van zo een gewicht zijn voor het succesvol importeren van drugs dat sprake is van medeplegen.”

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 april 2024 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze houdt onder meer in (zonder overneming van voetnoten):

Medeplegen en opzet?

(…)

Ik doe ten gunste van [verdachte] bij het bespreken van de bewijsmiddelen de volgende ontlastende feitelijke vaststellingen, met als conclusie dat medeplegen en opzet in zijn bijzonder geval niet aan de orde is, hetgeen alsnog vrijspraak dient mee te brengen in hoger beroep.

Er is géén debat met het OM, dat cliënt géén hoofdorganisator in deze zaak is geweest, terwijl er geen voorafgegane lijntester is geweest, zoals kennelijk gebruikelijk is.

[verdachte] heeft géén partij van bijna 3800 kilo cocaïne (fysiek) binnengebracht in [plaats] . Er is géén partij daadwerkelijk in ontvangst genomen en door cliënt als medepleger ingevoerd, ook niet in verlengde zin. Dat haal je ook niet zonder meer uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, die daarvoor niet redengevend zijn.

Uiterst subsidiair is het de stelling van de verdediging, dat hij slechts opzet had op het meelopen met ‘100 stuks’ en enkel voor een klein deel zou hebben medegepleegd.

Ook niet in voldoende materieel opzicht heeft cliënt een actieve wezenlijke betrokkenheid gehad en bewust en nauw samengewerkt met [medeverdachte 2] , die volgens de rechtbank en het OM de hoofdorganisator zou zijn geweest van het verweten transport.

(…)

Cliënt heeft ook geen BL (Bill of Lading) aan een corrupt contact verstrekt of voorhanden gehad. Subjectief denken is echter geen bewijs.

Als er berichten naar [verdachte] zouden zijn doorgestuurd, dan volgt daaruit nog niet, dat hij op dat punt een actieve wezenlijke betrokkenheid bij de invoer van deze partij van 3776 kilo coke zou hebben gehad. Het enkel beweerdelijk zien op 28 april 2016 en/of 29 mei 2016 van ‘de maat’ van een vermeende ‘ [naam 9] ', maakt echter niet, dat er iets significants met een corrupte douanier of ander contact daadwerkelijk zou zijn gebeurd ter zake déze specifiek telastegelegde partij. Dat volgt evenmin uit de gebezigde bewijsmiddelen.

Uit gerelateerde berichtgeving, voor zover al aan cliënt te linken, volgt evenmin dat hij als medepleger daadwerkelijk bij de organisatie van deze concrete telastegelegde partij zowel voorafgaand, tijdens als naderhand actief betrokken zou zijn geweest, zoals de rechtbank onbegrijpelijk heeft overwogen in het aangevallen strafvonnis.

Zelfs indien [verdachte] desgevraagd aan [medeverdachte 2] zou hebben bericht, dat de bak ‘op groen' zou staan, dan is dat nog geen redengevende activiteit. Want hij heeft de bak feitelijk niet ‘op groen’ laten zetten, zo is feitelijk vastgesteld.

Evenmin is ondubbelzinnig gebleken, dat [verdachte] een corrupte douanier binnen had zitten en evenmin een ander corrupt contact, terwijl [naam 10] (dan wel zijn broer) géén enkele rol in de zaak Scan speelde.

Indien cliënt achteraf desgevraagd navraag zou hebben gedaan, hoe en waarom een blokkade was geplaats, is dat echter géén redengevende significante medeplegende activiteit voor dit telastegelegde drugstransport, terwijl voorbereidingshandelingen of medeplichtigheid hem niet wordt verweten en thans geen bespreking behoeft.

(…)

In het tactisch onderzoek Sartell is zoals gezegd niet vastgesteld, dat [verdachte] een corrupte douanier kende en daarvan bovendien feitelijk gebruik zou hebben gemaakt om déze specifieke partij binnen te halen.

Met enkel subjectieve gissingen, interpretaties en invullingen van de politie op dat punt kunnen we dus niet veel. Het heeft géén bewijswaarde.

[medeverdachte 3] denkt er ook zo over, als ze beweerdelijk al over [verdachte] in chats zou hebben gesproken. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] denken er kennelijk ook zo over, zo volgt ondubbelzinnig uit chatverkeer.

Uit de stukken volgt ook dat [verdachte] zich echter groter voordoet dan hij werkelijk is en feitelijk handelt. Enkel praten en bluffen, zonder concreet feitelijk handelen en zonder aansturing van anderen, als hij al chatgebruiker zou zijn geweest, hetgeen de verdediging betwist, is echter niet zonder meer strafbaar. Niets alles is zoals het lijkt.

Het past ook bij hetgeen anderen over cliënt zeggen en chatten. Veel praten weinig doen. Enkel grootspraak en dus geen actief strafbaar handelen ter zake deze partij. Geen actief handelen met een wezenlijke betrokkenheid.

De verdediging ziet ook onvoldoende bewijs voor de stelling, inhoudende dat daadwerkelijk een BL aan [verdachte] zou zijn afgegeven. Enkel praten daarover is echter onvoldoende.

[verdachte] heeft juist niet door middel van een beweerdelijke ‘ [naam 9] ’ of ander zgn. corruptiecontact de in de telastelegging genoemde partij Nederland ingevoerd of helpen invoeren. Zonder feitelijk en actief handelen van [verdachte] is de partij door anderen ingevoerd, zo kan feitelijk worden vastgesteld.

Zelfs indien cliënt op papier onmisbaar zou zijn geweest voor zijn beweerdelijke contacten, feitelijk was hij in deze zaak wel misbaar, juist zonder wezenlijke significante bijdrage, zo kan feitelijk worden vastgesteld!

Weliswaar is hij volgens de politie door een of meer medeverdachten achteraf ter verantwoording geroepen, maar dat was juist omdat hij géén wezenlijke actieve betrokkenheid had gehad. Kennelijke contacten met een zekere [accountnaam 30] en [accountnaam 32] maken dat niet anders.

Het enkel beschikken over de kennelijke mogelijkheid bij het invloed uitoefenen om 'op rood of groen’ te zetten en het enkel meepraten en terug koppelen van informatie, zonder actieve betrokkenheid en zonder het leveren van een actieve wezenlijke bijdrage aan dit transport, maakt dat juist bij cliënt geen significante en bewuste nauwe samenwerking en geen opzet was bij dit telastegelegde transport. Anders had hij dat wel gedaan. Hetgeen door enkele andere spelers over cliënt wordt gezegd na het mislukken van de invoer, spreekt boekdelen.

Zijn rol was dus in dit concrete geval juist niet wezenlijk en evenmin actief, althans geeft aanleiding tot gerede twijfel, zo kan in ieder geval achteraf worden vastgesteld. Subjectief door een of meer anderen denken, dat hij onmisbaar zou zijn, is echter niet hetzelfde, als door nalaten opzettelijk juist niet doen en doelbewust en in strijd met de waarheid het zich voordoen als beweerdelijk 'fascilitator' voor dit drugsimport.

[verdachte] was bij deze stand van zaken dus géén wezenlijke onmisbare schakel, zo kan feitelijk worden vastgesteld. Dat is in zijn bijzondere geval ontlastend. Hij heeft dus in dit geval geen actieve significante bijdrage geleverd aan de instandhouding van de handel in cocaïne.

(…)

Het voorgaande dient, ook in onderling verband bezien, alsnog vrijspraak tot gevolg te hebben. De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn, zonder voldoende nadere toelichting die thans ontbreekt, niet zonder meer redengevend voor het telastegelegde.”

Bij de beoordeling van dit middel moet worden vooropgesteld dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifiek gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.

In het middel wordt het standpunt ingenomen dat uit de bewijsvoering, mede in het licht van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, onvoldoende blijkt dat de verdachte opzet had op het invoeren van de partij cocaïne, en dat daaruit evenmin volgt dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meerdere medeverdachten. Volgens de steller van het middel volgt uit de vaststelling dat de verdachte met [medeverdachte 2] berichten heeft uitgewisseld, dat die gesprekken de invoer van cocaïne betreffen en dat de verdachte [medeverdachte 2] op de hoogte houdt, niet zonder meer dat het opzet van de verdachte was gericht op deze gehele partij, en ook niet dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 2] . Voor de vaststelling van die nauwe en bewuste samenwerking zou, aldus de steller van het middel, het daadwerkelijk volgen in het douanesysteem, het inwinnen van informatie bij een douanemedewerker en het doorgeven van informatie afkomstig van de douane, van onvoldoende gewicht zijn.

Deze toelichting op het middel levert feitelijk een herhaling op van hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd. De – niet nader onderbouwde – klachten berusten op een verschil van mening over de waardering van het bewijs door het hof, en lenen zich gelet op de vrijheid die de feitenrechter toekomt bij de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal maar beperkt voor toetsing in cassatie.

Waar het in cassatie om gaat is of de bewezenverklaring, met inachtneming van voornoemde vrijheid van de feitenrechter, toereikend en begrijpelijk is gemotiveerd. Dat het hof in onderhavige zaak tot de conclusie komt dat de verdachte opzet had op het invoeren van de tenlastegelegde partij cocaïne en dat daarbij sprake was van nauwe en bewuste samenwerking met in ieder geval [medeverdachte 2] , kan ik op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen het hof hierover heeft overwogen (zie randnummer 3.4, met name de laatste alinea) goed volgen. Dat oordeel is mede gelet op hetgeen in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht (zie randnummer 3.5), ook toereikend gemotiveerd.

Het derde middel faalt.

4. Slotsom

Het eerste middel slaagt. Het tweede en het derde middel falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de uitspraak van het hof aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?