ECLI:NL:PHR:2026:55

ECLI:NL:PHR:2026:55, Parket bij de Hoge Raad, 13-01-2026, 24/02659

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer 24/02659
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. 26Sartell (samenhang met 24/02523, 24/02511 en 24/02527). O.a. medeplegen van het opzettelijk invoeren van in totaal ongeveer 6.000 kg cocaïne (art. 2 onder A Opw) en medeplegen van gewoontewitwassen (art. 420ter Sr). Het eerste middel, dat met bewijsklachten opkomt tegen de bewezenverklaring van feit 7 (het medeplegen van gewoontewitwassen) faalt. Ook het tweede middel, dat inhoudt dat het hof aan een geconstateerd vormverzuim ten onrechte geen rechtsgevolg heeft verbonden, is tevergeefs voorgesteld. Het derde en het vierde middel, waarin respectievelijk wordt opgekomen tegen de wijze waarop het hof de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep heeft beoordeeld en tegen de strafoplegging (in het licht van de op 1 juli 2021 gewijzigde VI-regeling) falen eveneens. Het vijfde middel, dat klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn, slaagt. Ook de behandeltermijn is in cassatie overschreden. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02659

Zitting 13 januari 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

1.1 De verdachte is bij arrest van 2 juli 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001175-22) wegens: 1 en 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meer malen gepleegd”;

3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod”;

4. “medeplegen om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen”; 6. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”; en

7. “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren en acht maanden, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr. Het hof heeft daarnaast beslissingen genomen over de inbeslaggenomen goederen, een en ander zoals vermeld in de bestreden uitspraak.

1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 24/02523, 24/02511, 24/02754 en 24/02527. In de zaak 24/02754 is het cassatieberoep ingetrokken; in de overige zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3 Zowel door het openbaar ministerie als namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld. Het door het openbaar ministerie ingestelde beroep is op een later moment ingetrokken. Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam , vijf middelen van cassatie voorgesteld.

1.4 Het eerste middel houdt in dat de bewezenverklaring van feit 7 (het medeplegen van gewoontewitwassen) onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen. Het tweede middel klaagt dat het hof aan een geconstateerd vormverzuim ten onrechte niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting of strafvermindering heeft verbonden. Het derde middel richt zich tegen de wijze waarop het hof de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep heeft beoordeeld. Het vierde middel komt op tegen de strafoplegging. Het vijfde middel klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

1.5 De middelen richten zich niet tegen de bewezenverklaringen van de feiten 1, 2, 3, 4 en 6, zodat in cassatie vaststaat dat de verdachte zich op verschillende momenten schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van in totaal ongeveer 6.000 kg cocaïne, het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van 25.000 kg cocaïne en het aanwezig hebben van verschillende verdovende middelen.

2. Het eerste middel

2.1 Het eerste middel houdt in dat de bewezenverklaring van feit 7 (door het hof gekwalificeerd als het medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken) onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen.

2.2 Ter terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2024 heeft de raadsman van de verdachte over het tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen het volgende naar voren gebracht (zonder overneming van voetnoten):

“Tot slot feit 7, het witwassen (zaaksdossiers Bastiaansplein, Barcelona, Periphery en Alimentatie): ik verzoek u om ten aanzien van dit feit conform vonnis te beslissen. Met betrekking tot de appartementen in Tsjechië (zaaksdossiers Periphery) -ten aanzien waarvan het openbaar-ministerie eerder al aankondigde ondanks de partiële vrijspraak wederom een veroordeling te zullen vorderen- meen ik dat de opstelling van de tenlastelegging en het feit dat het OM niet in appèl is, tot de conclusie leidt dat sprake is van een beschermde vrijspraak en dat [verdachte] in zoverre niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in zijn appèl.”

2.3 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte (onder feit 7) partieel vrijgesproken ten aanzien van het witwassen van twee geldbedragen door de aankoop van appartementen in Tsjechië. Het hof licht over deze vrijspraak toe:

“Onder feit 7 is – onder meer – ten laste gelegd dat de verdachte geldbedragen van € 165.000,- en € 199.700,- heeft witgewassen door deze bedragen aan te wenden voor de aankoop van de appartementen met nummer […] en […] in het [resort] te [plaats] te Tsjechië. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is echter naar voren gekomen dat deze bedragen niet zijn gebruikt voor de aankoop van die appartementen, maar voor de aankoop van aandelen (in een coöperatie) die recht geven op (kort gezegd) het gebruik van deze appartementen. Gelet hierop zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.”

2.4 Het hof heeft ten laste van de verdachte onder feit 7 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 23 december 2013 tot en met 8 september 2020, - te [plaats] en/of te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

hierin bestaande dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), van meerdere voorwerpen, te weten:

- geldbedragen van in totaal EUR 40.000,00, geheel of ten dele aangewend voor de betaling van kinderalimentatie; en - geldbedragen van in totaal EUR 60.000,00, geheel of ten dele aangewend voor de betaling van partneralimentatie;

heeft overgedragen en/of heeft omgezet

terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s), wisten dat de hiervoor genoemde voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – (deels) afkomstig waren uit enig misdrijf.”

2.5 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. vul geboortedatum in).

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18003-0127 van 29 november 2018 (pagina 4(vul geboortedatum in) e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Alimentatie), inhoudende als relaas van de verbalisant:

ONTVANGST

Op 26 november 2018 heeft [Officier van Justitie 1] , op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering, van de Infodesk Crimineel Onverklaarbaar Vermogen (ICOV) gegevens gevorderd.

Hierop is door het ICOV uitgeleverd:

- Een ICOV Rapportage Vermogen en Inkomsten (iRVI) van [oom verdachte]

- Een ICOV Rapportage Relaties (iRR) van [oom verdachte] .

(…)

ANALYSE

(…)

Tevens blijkt [oom verdachte] rekeninghouder te zijn (geweest) van de volgende bankrekeningen

Bank Soort Bankrekeningnummer

(…)

KNAB KNAB BETAALREKENING [rekeningnummer 1]

KNAB KNAB BETAALREKENING [rekeningnummer 2]

KNAB KNAB FLEXIBEL SPAREN [rekeningnummer 3]

KNAB KNAB KWARTAAL SPAREN [rekeningnummer 4]

KNAB KNAB VERMOGENSBEHEER [rekeningnummer 5]

(…)

[oom verdachte] is eigenaar van een woning aan de [c-straat 1] in [plaats] , op dit adres staat hij ook ingeschreven.

2. vul geboortedatum in).

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-0179 van 3 februari 2020(vul geboortedatum in) (pagina 6(vul geboortedatum in) e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Alimentatie, inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 29 oktober 2018 wordt, onder leiding van [Officier van Justitie 1] van het Landelijk Parket, het onderzoek 26Sartell gestart bij de Dienst Landelijke Recherche. Hierin wordt (nader) onderzoek gedaan naar een op 30 mei 2016 inbeslaggenomen partij van netto 3776 kilo cocaïne. Deze partij is aangetroffen in 5 pallets met ananassen in de lading van container […] welke is gelost bij de APM Terminal [plaats] vanaf het schip de [naam 6] afkomstig uit Costa Rica. Op basis van deze vondst is door het [teamnaam] van de Nationale Politie Eenheid [plaats] op woensdag 1 juni 2016 het onderzoek Romp gestart.

Uit opgevraagde PGP-berichten uit het onderzoek 26SASSENHEIM, wordt de betrokkenheid bij (de voorbereidingen tot) het transport en/of de invoer en/of de handel van verdovende middelen (cocaine) vermoed van de gebruiker van verschillende PGP adressen. Dit onder meer van de gebruiker van het [emailadres 5] .

Uit het proces-verbaal blijkt dat [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1914 te [plaats] vermoedelijk de gebruiker is van het [emailadres 5] . Tevens blijkt dat

[verdachte] contact heeft met de gebruiker van het [emailadres 26] .

IDENTIFICATIE

Uit de PGP berichten blijkt dat de gebruiker van [emailadres 26] het volgende bericht verstuurd naar [verdachte] en [emailadres 27]. In de header van het bericht staat de datum 27 januari 2016 vermeld.

[b-straat 2] appartement is een financieel blok aan het been van [betrokkene 1] . Met [betrokkene 2] heb ik een oplossing bedacht. lk koop het app. voor € 215.000. Dan heeft [betrokkene 1] geen restschutd. [betrokkene 2] huurt het

appartement van mij. Normale deal. [betrokkene 2] en ik hebben gezamenlijke belangen in de financiele en

fiscale investeringswereld. Dus niet vreemd dat hij een appartement van mij huurt. Ciao.

Uit de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) is gebleken dat [verdachte] een kind heeft genaamd [zoon verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2010. De moeder van [zoon verdachte] betreft [ex-partner verdachte]

, geboren op [geboortedatum] 1973.

Uit het onderzoek 26RAYMORE blijkt uit opgenomen en uitgewerkte telecommunicatie dat [ex-partner verdachte] , [betrokkene 1] genoemd wordt, door onder andere de vader van [verdachte] . Tevens is gebleken dat [ex-partner verdachte] van 7 mei 2010 tot 18 oktober 2018 stond ingeschreven op de [d-straat 1] te [plaats] .

Gezien vorenstaande wordt met [betrokkene 1] en het [b-straat 2] appartement vermoedelijk [ex-partner verdachte] en het appartement aan de [d-straat 1] te [plaats] bedoeld.

Uit onderzoek 26RAYMORE is tevens gebleken dat [oom verdachte] , geboren [geboortedatum] 1947 te [plaats] op 27 oktober 2016 de woning aan de [d-straat 1] koopt voor € 209.650 van [ex-partner verdachte] ( [betrokkene 1] ). Uit de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) blijkt dat [oom verdachte] de oom is van [verdachte] , zijnde de broer van de moeder van [verdachte] .

Op basis van bovenstaande ontstaat het vermoeden dat [oom verdachte] , geboren [geboortedatum] 1947 de gebruiker is van het [emailadres 26] .

BEVINDINGEN

Uit de PGP berichten van [emailadres 26] blijkt dat deze contact heeft met gebruikers van de volgende PGP adressen:

- [emailadres 5] (gebruiker vermoedelijk [verdachte] )

- [emailadres 27]

Door de gebruiker van [emailadres 26] wordt onder meer het volgende verstuurd naar [verdachte] . In de header van de berichten staat de datum 4 januari 2016 vermeld.

Hoi, regelmatig overleg. Er lopen 2 projecten. Eerste; concessie mijn - Verre Oosten. Dit heeft [betrokkene 2] met jou besproken. Moet binnenkort leiden tot creditcard. Tweede: investeringen via een bedrijf in

Zwitserland in Europese bedrijven die naar de beurs gaan. Dit moet op termijn leiden tot

waardecreatie via aandelen. Twee momenten van de waarheid: afgifte creditcard en overdracht van

jouw aandelen (staan niet op naam).

Vervolg in volgend bericht.

Vervolg

lk ga binnenkort met [betrokkene 2] naar Zwitserland om aandelen bij notaris te deponeren. Het zijn jouw aandelen. Op toonder dus geen link naar jou. Ik krijg het beheer/toegang tot de aandelen. De voorbereiding is er, ik heb nog geen gekke dingen gezien. Ik ben bij 2 bedrijven waarin wordt geinvesteerd met [betrokkene 2] op bezoek geweest. Vervolg nieuw bericht.

Vervolg deel 3

Ik heb begrepen dat er al 2 investeringen zijn gedaan. [betrokkene 2] wacht op derde. Tot nu toe geen signalen dat er dubbel spel wordt gespeeld. Het blijft natuurlijk een beetje een gok, maar het kan leiden tot een rustige manier van zaken doen.

Ciao.

De berichten zijn een reactie op een verstuurd bericht van [emailadres 5] op 22 december 2015.

Goeiedag met de overkant spreek je!

Hoe verlopen de zaken met de [betrokkene 2] ?

Alles naar wens of heb je inmiddels wat ???? Aangaande de gang van zaken.

Hiernaast worden door [emailadres 26], naast het voormelde bericht in verband met de verkoop van het appartement aan de Pegasusweg, de volgende berichten verstuurd naar [verdachte] waarbij in de header respectievelijk de data 4 januari 2016, 10 januari 2016 en 10 februari 2016 weergegeven.

Wil jij [naam 12] langs sturen bij [naam 13] .

Wil jij aan de [betrokkene 2] vragen of hij mij een PGP berichtje wil sturen. Zijn adres staat niet in mijn adressenboek. Ciao.

Hoi, gisteren met [betrokkene 2] . gesproken. Voor het verkrijgen van een creditcard moet je wel ergens staan ingeschreven. In Nederland ben je uitgeschreven. Ben je al ergens anders ingeschreven met een adres? [betrokkene 2] neemt contact met je op.

Uit onderzoek in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) blijkt dat [verdachte] ten tijde van het versturen van de berichten niet in Nederland stond ingeschreven.

(…)

3. vul geboortedatum in).

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18003-0119 van 27 november 2018(vul geboortedatum in) (pagina 38 e.v. (vul geboortedatum in) van de doorgenummerde bijlagen (vul geboortedatum in)van zaaksdossier Alimentatie(vul geboortedatum in)), inhoudende als relaas van de verbalisant:

ONTVANGST

Op 5 november 2018 heeft [Officier van Justitie 2] , op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering, bij KNAB (Aegon Bank N.V.) gegevens gevorderd. Zie hiervoor het proces-verbaal LERCB18003-0096. Hierop zijn onder meer transactiegegevens uitgeleverd van [rekeningnummer 2] ten name van [oom verdachte] . Zie hiervoor het proces-verbaal LERCB18003-0112. In dit proces-verbaal worden de transacties op de bankrekening geanalyseerd.

ANALYSE

[rekeningnummer 2] betreft een particuliere betaalrekening ten name van [oom verdachte] . De transactiegegevens zijn uitgeleverd over de periode van [geboortedatum] 2016 tot en met 23 november 2018. Het startsaldo op de bankrekening bedraagt € 0,00 en het eindsaldo € 9.429,23. De transacties op de bankrekening zijn door mij gerubriceerd waarna er een draaitabel van werd gemaakt. Deze staat hieronder weergegeven.

Inkomsten - [betrokkene 3]

Op 10 april 2016 wordt er een bedrag van € 1,00 op de bankrekening bijgeschreven vanaf [rekeningnummer 1] ten name van [oom verdachte] . Dit onder vermelding van test.

Inkomsten buitenland

In totaal komt er 4 maal een bedrag binnen op de bankrekening door middel van een overschrijving vanaf een buitenlandse bankrekening. Van de overgemaakte gelden worden de betalingen met betrekking tot alimentatie voldaan. Het gaat hierbij om de volgende betalingen.

Periodiek - Kindalimentatie

Maandelijks wordt er een bedrag van € 1000,00 overgeschreven naar [rekeningnummer 10] ten name van [ex-partner verdachte] . Uit de omschrijving blijkt dat het hierbij gaat om alimentatie voor een kind.

Periodiek - Partneralimentatie

Maandelijks wordt er een bedrag van € 1.500,00 overgeschreven naar [rekeningnummer 10] ten name van [ex-partner verdachte] . Uit de omschrijving blijkt dat het hierbij gaat om alimentatie voor een partner.

Opmerking verbalisant: Uit onderzoek blijkt dat [verdachte] een zoon heeft genaamd [zoon verdachte] , geboren [geboortedatum] -2010. De moeder van [zoon verdachte] is [ex-partner verdachte] , geboren [geboortedatum] -1973. [oom verdachte] , geboren [geboortedatum] -1947 is de oom van [verdachte] .

Uit dit proces-verbaal blijkt dat de alimentatie voor de zoon en (ex) partner van [verdachte] wordt voldaan vanaf [rekeningnummer 2] ten name van [oom verdachte] , zijnde de oom van [verdachte] . De gelden zijn afkomstig vanaf onbekende bedrijven dan wel personen vanuit het buitenland.

4. vul geboortedatum in).

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18003-0613 van 24 mei 2019(vul geboortedatum in) (pagina 40 en 41(vul geboortedatum in) van de doorgenummerde bijlagen (vul geboortedatum in)van zaaksdossier Alimentatie(vul geboortedatum in)), inhoudende als relaas van de verbalisant:

ONTVANGST

Na gedane vordering werden van de KNAB Bank N.V. de volgende gegevens ontvangen:

- Algemene gegevens rekeninghouder [oom verdachte]

- Saldo- en transactiegegevens van de bankrekeningen [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 11] , [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 3] over de periode

van 1 november 2018 tot en met 16 mei 2019.

(…)

ANALYSE

Door mij zijn de transacties per bankrekening bekeken. De bijzonderheden staan hieronder per bankrekening weergegeven.

(…)

[rekeningnummer 2]

De [rekeningnummer 2] betreft een particulier betaalrekening op naam van [oom verdachte] . Het beginsaldo op de bankrekening is € 11.929,23 en het eindsaldo € 6.405,15. Maandelijks wordt er een bedrag van € 1.000,- en € 1.500,- afgeschreven naar [rekeningnummer 10] ten name van [ex-partner verdachte] . Dit onder vermelding van respectievelijk ‘alimentatie kind’ en ‘alimentatie partner’.

(…)

5. vul geboortedatum in).

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18006-2099 van 15 april 2020(vul geboortedatum in) (pagina 42 e.v.(vul geboortedatum in) van de doorgenummerde bijlagen (vul geboortedatum in)van zaaksdossier Alimentatie(vul geboortedatum in)), inhoudende als relaas van de verbalisant:

ONTVANGST

Na gedane vordering werden gegevens van de KNAB Bank N.V. ontvangen. Het gaat hierbij om het volgende:

- Klantgegevens [oom verdachte]

(…)

- Saldo- en transactieoverzicht [rekeningnummer 2] periode 01-05-2019 t/m 11-04-2020

(…)

ANALYSE

Particulier Portfolio

Het particuliere portfolio bestaat uit de bankrekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] op naam van [oom verdachte] met de hieraan gekoppelde flexibele spaarrekening [rekeningnummer 3] en kwartaalspaarrekening [rekeningnummer 4] . Er kunnen enkel transacties met deze spaarrekening plaatsvinden vanaf de betaalrekeningen uit het portfolio.

(…)

[rekeningnummer 2]

Het beginsaldo op de bankrekening is € 430,15 en het eindsaldo € 2.897,06. Uit de transactiegegevens op [rekeningnummer 2] blijkt onder meer dat er in de periode van mei 2019 tot en met januari 2020 maandelijks een bedrag van € 1.000,- en € 1.500,- wordt overgemaakt naar [rekeningnummer 10] ten name van [ex-partner verdachte] . In de transactieomschrijving staat hierbij dat het gaat om kind- dan wel partneralimentatie. De gelden worden voldaan vanuit de volgende bijschrijvingen.

6. vul geboortedatum in).

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-1370 van 21 december 2020(vul geboortedatum in) (pagina 45 en 46(vul geboortedatum in) van de doorgenummerde bijlagen (vul geboortedatum in)van zaaksdossier Alimentatie(vul geboortedatum in)), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Na gedane vordering werden gegevens van de KNAB Bank N.V. ontvangen. Het gaat hierbij om het

volgende:

- Algemene informatie [oom verdachte] .

- De transactiegegevens van de bankrekeningen [rekeningnummer 11] ten name van [G] BV en [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] ten name van [oom verdachte] . Dit over de periode van 11 april 2020 tot en met 24 november 2020.

(…)

Analyse

(…)

[rekeningnummer 2]

Uit de transactiegegevens van [rekeningnummer 2] blijkt onder andere dat:

- De transactie zien toe op de periode van 20 mei 2020 tot 26 juni 2020.

- Er over de maanden februari, maart en april 2020 een bedrag van € 1.500,- en € 1.000,- wordt overgeschreven onder vermelding van alimentatie naar [rekeningnummer 10] ten name van [ex-partner verdachte] .

- Er op 20 mei 2020 een bedrag van € 8.500,- en € 1.000,- wordt bijgeschreven op de bankrekening afkomstig van [rekeningnummer 12] ten name van [betrokkene 4] .

(…)

7. vul geboortedatum in).

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18006-2369 van 14 december 2020(vul geboortedatum in) (pagina 47(vul geboortedatum in) e.v. van de doorgenummerde bijlagen (vul geboortedatum in)van zaaksdossier Alimentatie(vul geboortedatum in)), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Uit onderzoek blijkt dat er op [rekeningnummer 2] ten name van [oom verdachte] gelden worden ontvangen welke hierna worden overgemaakt naar een bankrekening van [ex-partner verdachte] onder vermelding van alimentatie. Uit de transactiegegevens van deze bankrekening blijkt dat de gelden hiervoor onder meer afkomstig zijn vanuit overschrijvingen van bankrekening op naam van [A] . Door mij is in open bronnen op het internet nader onderzoek gedaan naar dit bedrijf.

Uit een zoekslag via Google blijken mij twee websites waarop het bedrijf [A]

staat vermeld. Uit de gegevens op de websites blijkt onder meer dat het bedrijf gevestigd is in Hongkong, opgericht is op 4 oktober 2013 en het registratienummer […] heeft.

Hiernaast blijkt dat het bedrijf voorkomt in de databases van Worldbox Hong Kong en Worldbase (Dunn and Bradstreet). Uit de beschikbare gegevens uit deze databases blijkt onder meer dat het bedrijf geregistreerd staat als een groothandel in consumptiegoederen.

8. vul geboortedatum in).

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18006-2370 van 14 december 2020(vul geboortedatum in) (pagina 61 e.v.(vul geboortedatum in) van de doorgenummerde bijlagen (vul geboortedatum in)van zaaksdossier Alimentatie(vul geboortedatum in)), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Uit onderzoek blijkt dat er op [rekeningnummer 2] ten name van [oom verdachte] gelden worden ontvangen welke hierna worden overgemaakt naar een bankrekening van [ex-partner verdachte] onder vermelding van alimentatie. Uit de transactiegegevens van deze bankrekening blijkt dat de gelden hiervoor onder meer afkomstig zijn vanuit overschrijvingen van bankrekening op naam van [D] . Door mij is in open bronnen op het internet nader onderzoek gedaan naar dit bedrijf.

Uit een zoekslag via google blijken mij 2 websites waarop het bedrijf staat vermeld. Uit de website www.cambodiatradefair.org blijken de volgende gegevens.

[D]

Address: [f-straat 1] , Hong Kong

Tel.: [telefoonnummer]

Fax: [faxnummer]

Products: Diamond Jewellery, Diamond Watches

Booth Number: […]

Source: Hong Kong

Description: [D] was founded in 1998, […]

production and export, wholesale and all kinds of brand-name watches and clocks. Mosaic repair and renovation.

Uit de [internetsite] blijkt hiernaast het volgende:

Company Information

Nature of Business: Exporter, Wholesaler

Major Markets: Hong Kong, Japan

Main Categories: Fine Jewellery

Contact

Contact Person: [betrokkene 7]

Position: Proprietor

Office Address: [g-straat 1] , Hong Kong

Country/ Region: Hong Kong

Hiernaast blijkt dat het bedrijf geregistreerd staat in de databeses World Box Hong Kong en Worldbase. Uit deze gegevens blijkt dat onder meer dat het bedrijf actief is in de handel in horloges, juwelen en waardevolle stenen. Tevens blijkt dat [betrokkene 8] de CEO en [betrokkene 7] de directeur van het bedrijf is. Beide zijn voor 50% eigenaar van het bedrijf.

9. vul geboortedatum in).

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18006-2160 van 6 november 2020(vul geboortedatum in) (pagina 80 e.v.(vul geboortedatum in) van de doorgenummerde bijlagen (vul geboortedatum in)van zaaksdossier Alimentatie(vul geboortedatum in)), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Binnen onderzoek Lemont is gebleken dat de op 10 mei 2020 geliquideerde [betrokkene 9] gebruik maakte van de PGP server “encrochat” met onder andere de accountnamen [accountnaam 47] en [accountnaam 48] , zoals gerelateerd in proces-verbaal LERCBI 8006-2151.

Op 14 april 2020 werd door [accountnaam 48] van [accountnaam 47] een lijst ontvangen met daarop diverse (vermoedelijk) bedragen, namen, data en afkortingen. Door [betrokkene 9] is kennelijk deze lijst naar zichzelf doorgezonden om bij wisseling van telefoon de informatie te kunnen behouden. De lijst is als bijlage bij dit proces-verbaal toegevoegd. De diverse posten op de lijst zijn in dit proces-verbaal voorzien van een volgnummer en weergegeven in blauw cursief.

Bij de posten waarvan de betekenis wordt vermoed is deze eronder weergegeven.

Op de genoemde lijst staan diverse getallen. Deze getallen worden gevolgd door een woord. Het is aannemelijk dat de getallen duiden op een bedrag. Soms staan er data achter.

Op de lijst staat niet genoemd of het uitgaven of inkomsten zijn.

(…)

Résume:

De lijst lijkt een soort kasboek te zijn met daarin inkomsten en uitgaven. Deze inkomsten en uitgaven zijn gekoppeld aan een omschrijving en soms een datum.

Bijnamen:

Uit de reeds bekende informatie binnen het onderzoek Sartell/Tumwater is gebleken dat er gebruik

wordt gemaakt van bijnamen om diverse personen aan te duiden.

 [verdachte] heeft diverse bijnamen. Er wordt naar hem verwezen als “[accountnaam 22]”. Tevens

blijkt uit onder andere de telefoon van [betrokkene 9] dat er naar [verdachte] wordt

verwezen als “ [bijnaam verdachte 1] ” en “ [bijnaam verdachte 2] ”.

(…)

Huishoud- of kasboek:

Binnen het onderzoek is gebleken dat [betrokkene 9] dingen regelde voor in ieder geval [verdachte] en andere verdachten/betrokkenen zoals bijvoorbeeld de huur van voertuigen, woningen waar verbleven kon worden en overige zaken.

(…)

139 25k restaurant allumutatie

Vermoedelijk wordt hier alimentatie bedoeld. [verdachte] heeft een zoontje met zijn ex-partner [ex-partner verdachte] . Hij betaalt haar alimentatie.

(…)

10. vul geboortedatum in).

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-0457 van 25 juni 2020(vul geboortedatum in) (pagina 101 e.v.(vul geboortedatum in) van de doorgenummerde bijlagen (vul geboortedatum in)van zaaksdossier Alimentatie(vul geboortedatum in)), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 22 juni 2020 vond er een doorzoeking plaats aan de [c-straat 1] [plaats] . Hierbij werd onder meer een kartonnen doos met goednummer ZO002.03.02.004 in beslag genomen. Uit de inhoud van de doos blijken mij onder meer de volgende stukken:

- Een ondertekend document tussen [verdachte] , domicilie houdend aan [h-straat 1] , [plaats] , Panama en [oom verdachte] . Het document heeft betrekking op een verzoek van [verdachte] aan [oom verdachte] met betrekking tot de betaling van alimentatie aan [ex-partner verdachte] , zijnde € 1.500,- alimentatie voor zijn ex-partner en €1.000,- voor zijn zoon [zoon verdachte] . De gelden zullen door [verdachte] worden gestort op een geblokkeerde bankrekening van een familielid.

Inclusief de bij dit proces-verbaal gevoegde bijlagen

Bijlage (p. 102)

VERKLARING/VERZOEK

Ondergetekende:

[verdachte] , domicilie houdend aan [h-straat 1] , [plaats] , Panama,

Verklaart het volgende:

Dat hij besloten heeft een alimentatie toe te kennen aan zijn ex-partner en zijn kind in de vorm van vaste voorschotten (lumpsum), die hij op een geblokkeerde bankrekening zal storten van een familielid.

Verzoekt aan [oom verdachte] (familielid) het volgende:

Dat [oom verdachte] , maandelijks omstreeks de 20ste van de maand € 2.500,- zal overmaken van de geblokkeerde bankrekening op de bankrekening van [ex-partner verdachte] , zijnde € 1.500,- alimentatie voor zijn ex-partner en € 1.000,- voor zijn zoon [zoon verdachte] .

Opgemaakt te [plaats] op 3 oktober 2016

11.

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-1353 van 5 januari 2021(vul geboortedatum in) (pagina 116 e.v.(vul geboortedatum in) van de doorgenummerde bijlagen (vul geboortedatum in)van zaaksdossier Alimentatie (vul geboortedatum in)), inhoudende het verhoor van de [betrokkene 4] :

O: Op 22 mei 2020 maakt u 2 overschrijvingen over van een bedrag van € 8.500,- en € 1.000,- euro en op 10 december 2020 maakt u ook 2 overschrijvingen over van 3490.00 euro en 5000.00 euro met als omschrijving "Alimony" naar [oom verdachte] .

V: Kunt u ons verklaren waar deze overschrijvingen betrekking op hebben?

A: Een kennis van mij verzocht aan mij of ik deze rekeningen kon betalen voor hem.

V: Wie is deze kennis?

A: Dat is [betrokkene 10] .

V: Waar kent u hem van?

A: Wij zijn zakelijke kennissen. Hij had nog geld van mij tegoed en vroeg of ik dit wilde overmaken voor hem.

V: Waarom bent u degene die dit overmaakt?

A: Ik weet niet wie [verdachte] is, maar hij vroeg het om als alimentatie over te maken en ik zag daar geen gevaar in.

12.

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB 18004-1409 (pagina 119 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Alimentatie), inhoudende als verklaring van de verbalisant:

Op 5 januari 2021 werd ik gebeld door de [betrokkene 4] en hoorde hem zeggen dat hij tijdens het getuigenverhoor een verkeerde naam had doorgegeven.

[betrokkene 4] gaf aan dat híj de alimentatie had overgemaakt in opdracht van [betrokkene 11] en niet, zoals hij in zijn getuigenverhoor had aangegeven, van [betrokkene 10] .

De betaling aan [betrokkene 10] betrof een schuld die hij aan hem moest aflossen en hij had dit door elkaar gehaald.

13.

Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-1302 van 27 januari 2021(vul geboortedatum in) (pagina 120 e.v.(vul geboortedatum in) van de doorgenummerde bijlagen (vul geboortedatum in)van zaaksdossier Alimentatie (vul geboortedatum in)), inhoudende het verhoor als verdachte van [oom verdachte] :

V Uit onderzoek blijkt dat u in ieder geval in de periode van oktober 2016 tot april 2020 maandelijks een bedrag van € 1.500,- en € 1.000,- overmaakte vanaf uw [rekeningnummer 16] naar een bankrekening op naam van [ex-partner verdachte] . Dit in verband met alimentatie voor haar en

haar zoon. [ex-partner verdachte] is de ex-vrouw van [verdachte] en beiden hebben samen een kind. Wat kunt u hierover verklaren?

A: Mijn neef, [verdachte] , wilde graag zijn ex en kind niet zonder inkomen achter laten. Hij zou dan vanuit het buitenland het geld overmaken. Dan maakt hij een lump sum over, welke ik dan vervolgens maandelijks naar zijn ex en kind kon overmaken. Daar is ook een schriftelijke verklaring van.”

In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de door de verdachte middels een ander aan zijn voormalige partner overgemaakte geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, noch dat de verdachte of enige medepleger van deze (criminele) herkomst wist. Uit de bewijsmiddelen zou eveneens onvoldoende volgen dat het geheel van gedragingen kan worden gekwalificeerd als van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het middel bevreemdt enigszins, omdat uit de processen-verbaal van de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat door de verdediging op enig moment verweer is gevoerd ten aanzien van een van de in de toelichting op dit middel geformuleerde klachten. Integendeel: de verdediging heeft verzocht – zoals weergegeven onder 2.2 – dat het hof ten aanzien van feit 7 conform het (veroordelend) vonnis zou beslissen. De verdachte heeft op de terechtzittingen in hoger beroep ook geen verklaring afgelegd over het tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen; op de terechtzitting van 12 april 2024 heeft de verdachte een schriftelijke verklaring voorgelezen (waarin hij niet ingaat op het onder 7 tenlastegelegde), en voor het overige heeft hij geen vragen willen beantwoorden.

De stellers van het middel merken in de toelichting op het middel terecht op dat het hof niet heeft vastgesteld dat het op grond van de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, zodat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogt onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Het hof heeft eveneens niet vastgesteld dat – daarin eventueel het uitblijven van een verklaring van de verdachte betrekkend – het niet anders kan zijn dan dat de gestorte geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. De vraag die in cassatie voorligt is of de bewezenverklaring ten aanzien van feit 7 ook zonder deze nadere overwegingen van het hof voldoende steun vindt in de bewijsmiddelen.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid: (i) [oom verdachte] , de oom van de verdachte, heeft via een particuliere betaalrekening vanaf een onbekende datum in (vermoedelijk het najaar van) 2016 tot en met april 2020 maandelijks een bedrag van € 1000,00 en een bedrag van € 1500,00 overgemaakt op de bankrekening van [ex-partner verdachte] . Het saldo op zijn betaalrekening voor aanvang van deze betalingen bedroeg € 0,00.(ii) [ex-partner verdachte] is de voormalige partner van de verdachte. Samen hebben zij een zoon, [zoon verdachte] . (iii) Uit de omschrijvingen bij de maandelijks overgemaakte bedragen van € 1000,00 en € 1500,00 naar de bankrekening van [ex-partner verdachte] blijkt dat deze bedragen alimentatiebetalingen betreffen ten behoeve van een kind en een partner. (iv) In de onder (i) genoemde periode worden geldbedragen bijgeschreven op de rekening van [oom verdachte] vanaf verschillende bankrekeningen, onder meer afkomstig van (onbekende) buitenlandse rechtspersonen. Een deel van de overschrijvingen is voldaan vanaf een bankrekening op naam van [A] , dat in de databases Worldbox Hong Kong en Worldbase geregistreerd staat als een groothandel in consumptiegoederen en gevestigd is in Hong Kong. Een ander deel van de overschrijvingen is afkomstig van een bankrekening op naam van [D] , een bedrijf dat in voornoemde databases geregistreerd staat als actief in de handel in horloges, juwelen en waardevolle stenen en dat eveneens kantoor houdt in Hong Kong. (vii) Verder hebben diverse overschrijvingen plaatsgevonden naar de betaalrekening van [oom verdachte] vanaf de bankrekening van [betrokkene 4] . Deze [betrokkene 4] heeft bij de politie verklaard dat hij de vier bedragen (van in totaal € 17.990,00) als alimentatie heeft overgemaakt naar [oom verdachte] . Deze overschrijvingen deed hij op verzoek van een kennis, zijnde [betrokkene 11] , aan wie hij nog geld verschuldigd was. (viii) Door de verdachte en [oom verdachte] is een op 3 oktober 2016 opgemaakt document ondertekend, waarin wordt afgesproken dat [oom verdachte] maandelijks omstreeks de 20e van de maand vanaf een geblokkeerde bankrekening € 2500,00 euro zal overmaken op de bankrekening van [ex-partner verdachte] , bestaande uit € 1500,00 alimentatie voor de ex-partner van de verdachte en € 1000,00 alimentatie voor zijn zoon. De verdachte zal hiertoe vaste voorschotten (een lumpsum) storten op een geblokkeerde bankrekening van een familielid. Deze gang van zaken is door [oom verdachte] bevestigd in een verhoor bij de politie. In dat verhoor verklaart [oom verdachte] eveneens dat was afgesproken dat de verdachte het geld vanuit het buitenland zou overmaken. (ix) In een door [betrokkene 9] naar zichzelf doorgezonden lijst (door de verbalisant aangemerkt als een soort kasboek met inkomsten en uitgaven) is een bedrag van €25.000,00 vermeld met de tekst ‘restaurant allumutatie’, waarmee blijkens het proces-verbaal vermoedelijk alimentatie wordt bedoeld. Binnen het onderzoek van de politie is gebleken dat [betrokkene 9] “dingen regelde” voor de verdachte, waaronder de huur van voertuigen, woningen waar verbleven kon worden en overige zaken.

Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de door het openbaar ministerie voor het bewijs aangedragen feiten en omstandigheden – die zijn vervat in de bewijsmiddelen – het vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn. Dat impliciete oordeel vind ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte een overeenkomst heeft gesloten met zijn oom om via een geblokkeerde rekening alimentatie te doen overmaken naar zijn ex-partner, waartoe de verdachte – vanuit het buitenland, zo verklaart [oom verdachte] – voorschotten zal storten op de rekening van [oom verdachte] . Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de verdachte uit eigen naam bedragen heeft gestort op de betaalrekening van zijn oom. Wel hebben andere personen geld gestort, onder andere [betrokkene 4] , die een bedrag van € 17.990,00 heeft overgemaakt aan [oom verdachte] , naar eigen zeggen op verzoek van [betrokkene 11] . [betrokkene 4] verklaart in dit kader dat hij niet weet wie de verdachte is, maar dat hem werd gevraagd om het geld als alimentatie over te maken en hij daarin geen gevaar zag. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat grote, onverklaarde bedragen zijn gestort door buitenlandse rechtspersonen en dat van de betaalrekening van [oom verdachte] afschrijvingen plaatsvonden ten behoeve van de alimentatiebetalingen. De betaalrekening van [oom verdachte] , waarop voor de aanvang van de alimentatiebetalingen geen saldo stond, lijkt zodoende te hebben gefungeerd als portaal voor betalingen aan [ex-partner verdachte] .

Aan deze – in het maatschappelijk verkeer hoogst ongebruikelijke – wijze van het doen van alimentatiebetalingen heeft het hof mijns inziens gerechtvaardigd een vermoeden van witwassen kunnen ontlenen, zodat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogt onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Een dergelijke verklaring heeft de verdachte niet afgelegd. Zoals ik onder 2.7 beschreef, heeft de verdediging daarentegen aan het hof gevraagd om ten aanzien van feit 7, in ieder geval voor zover dat het dossier ‘Alimentatie’ betreft, te oordelen conform het veroordelend vonnis van de rechtbank.

De wijze waarop via een tussenpersoon ( [oom verdachte] ) vanaf diverse (buitenlandse) rekeningen grote geldbedragen werden gestort ten behoeve van alimentatiebetalingen, het uitblijven van een verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld, het feit dat de verdachte is veroordeeld voor grootschalige drugshandel, waarbij als een feit van algemene bekendheid geldt dat daarmee grote illegale (internationale) geldstromen gemoeid zijn en de verantwoording daarvan in een onder [betrokkene 9] aangetroffen kasboek, terwijl niet is gebreken van enige legale inkomstenbron van de verdachte, maken het kennelijke oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de gestorte geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn, niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte en zijn medeverdachte(n) niet van de herkomst van de geldbedragen op de hoogte waren, acht ik onaannemelijk, mede gelet op de tussen de verdachte en [oom verdachte] gesloten overeenkomst omtrent de constructie van de alimentatiebetalingen.

Ook het in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel van het hof dat de verdachte van het medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, vindt voldoende steun in de bewijsmiddelen, gelet op de uit die bewijsmiddelen blijkende duur van de periode waarover bedragen zijn gestort op de rekening van [oom verdachte] en vanaf die rekening zijn overgeschreven naar [ex-partner verdachte] , en het structurele karakter van deze af- en bijschrijvingen.

Het eerste middel faalt.

3. Het tweede middel

Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat vanwege het ontbreken van een machtiging van de rechter-commissaris (ex art. 125la Sv) voorafgaand aan het rechtshulpverzoek aan Costa Rica (voor een doorzoeking en het veiligstellen en kopiëren van een server waarop zich de data van de communicatiedienst PGPSafe bevond) sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, maar dat daaraan geen rechtsgevolg dient te worden verbonden.

Het hof heeft over de gang van zaken met betrekking tot de verkrijging van de data van de communicatiedienst PGPSafe in zijn arrest van 2 juli 2024 het volgende vastgesteld:

Inleiding

In het onderzoek 26Sassenheim heeft de officier van justitie op 4 april 2017 een rechtshulpverzoek gedaan aan de bevoegde autoriteiten in Costa Rica voor een doorzoeking en het veiligstellen en kopiëren van een server die zich bevond in een datacentrum van een aldaar gevestigd bedrijf. Op deze server bevond zich de infrastructuur voor het routeren en versleutelen van

e-mailberichten van gebruikers van PGPSafe.net (hierna: ‘PGPSafe-berichten’).

Nadat de rechter te Costa Rica daartoe een machtiging had afgegeven, werd op 9 mei 2017 binnengetreden voor een doorzoeking ter vastlegging van gegevens. Bij deze doorzoeking zijn in het datacentrum kopieën gemaakt van bestanden die zich op de server bevonden. Deze bestanden zijn later door de Costa Ricaanse autoriteiten ter beschikking gesteld aan het Nederlandse onderzoeksteam van 26Sassenheim.

Nadat in het onderzoek 26Sartell het vermoeden was ontstaan dat gebruikers van een aantal PGPSafe-accounts betrokken waren geweest bij (kort gezegd:) de gebeurtenissen in zaaksdossier Romp is toestemming gevraagd, en verleend, om de met betrekking tot deze accounts verkregen data in het onderzoek 26Sartell te gebruiken. Naar aanleiding hiervan heeft het openbaar ministerie in het onderzoek 26Sartell de beschikking gekregen over PGPSafe-data, waaronder die met betrekking tot de aan de verdachte toegeschreven accounts. Het gaat in wezen om versleutelde berichten die via deze accounts zijn ontvangen van, en gestuurd naar, andere PGPSafe-gebruikers. In het procesdossier is een weergave van die berichten opgenomen.”

Op de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2024 heeft de raadsman van de verdachte het woord ter verdediging gevoerd. In aanvulling daarop heeft de raadsman het hof desgevraagd verzocht om, indien enige consequenties worden verbonden aan de ‘PGP-verweren’ van mr. [betrokkene 12] in de zaak van [medeverdachte 7] , die beslissingen ambtshalve mee te nemen in de zaak van de verdachte.

Het hof heeft in zijn arrest van 2 juli 2024 beslist dat de verkrijging van de PGPSafe-data zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris een vormverzuim oplevert, maar dat daaraan geen rechtsgevolg dient te worden verbonden. Het oordeel van het hof houdt hierover in (met weglating van voetnoten):

“De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat die PGPSafe-berichten van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim; subsidiair dient dit volgens de verdediging te leiden tot strafvermindering. Het hof begrijpt het betoog van de verdediging in dit verband aldus (kort gezegd:) dat het rechtshulpverzoek aan de Costa Ricaanse autoriteiten een deugdelijke grondslag ontbeerde, nu daarvoor geen voorafgaande machtiging was verleend door de rechter-commissaris, terwijl dit op grond van het bepaalde in artikel 125la Sv wel had gemoeten.

De advocaten-generaal stellen zich op het standpunt dat artikel 125la Sv niet van toepassing is op het onderhavige rechtshulpverzoek. Volgens hen is PGPSafe (PGPSafe.net) niet aan te merken als een ‘openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst’ zoals in dat artikel bedoeld.

De advocaten-generaal menen dat de officier van justitie het rechtshulpverzoek dan ook terecht heeft gebaseerd op de in artikel 125i Sv opgenomen bevoegdheid, waarvoor geen voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris nodig is. Voor het geval toch sprake zou zijn van een vormverzuim stellen de advocaten-generaal subsidiair dat daaraan geen rechtsgevolg dient te worden verbonden omdat het vormverzuim niet heeft plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek naar de verdachten in de zaak 26Sartell. Meer subsidiair stellen de advocaten-generaal dat met constatering van het vormverzuim kan worden volstaan.

Rechtsgevolgen eventueel vormverzuim in 26Sassenheim?

Hoewel toepassing van artikel 359a Sv (voor zover hier relevant) is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, sluit dit niet uit dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim dat niet bij het vooronderzoek tegen de verdachte is begaan. Ook in dat laatste geval kan een rechtsgevolg op zijn plaats zijn indien het betreffende vormverzuim van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit. In een dergelijk geval is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan het vormverzuim of de onrechtmatige handeling, en zo ja: welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de maatstaven die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de verschillende rechtsgevolgen die aan een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv kunnen worden verbonden (ECLI:NL:HR:2020:1889).

Naar het oordeel van het hof moet een eventueel vormverzuim met betrekking tot het rechtshulpverzoek in 26Sassenheim worden geacht van bepalende invloed te zijn op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van hetgeen hem in het onderzoek 26Sartell ten laste is gelegd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, indien komt vast te staan dat de verdachte de verzender/ontvanger was van de aan hem toegeschreven PGP-berichten, een onrechtmatigheid met betrekking tot het rechtshulpverzoek in 26Sassenheim kan worden geacht ook jegens de verdachte onrechtmatig te zijn, nu daardoor de beschikking is gekregen over zijn PGPSafe-berichten, wat raakt aan zijn privacybelangen. Ook wordt in aanmerking genomen dat uit het procesdossier en het requisitoir van de advocaten-generaal kan worden opgemaakt dat deze PGPSafe-berichten hebben te gelden als het voornaamste bewijs van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Anders dan de advocaten-generaal is het hof derhalve van oordeel dat, indien sprake is van een vormverzuim met betrekking tot het rechtshulpverzoek in 26Sassenheim, daaraan in de zaak tegen de verdachte wel degelijk een rechtsgevolg kan worden verbonden.

Dit brengt mee dat in onderhavige zaak de vraag voorligt of het ontbreken van een machtiging van de rechter-commissaris met betrekking tot het rechtshulpverzoek in 26Sassenheim een onherstelbaar vormverzuim oplevert.

Vormverzuim?

Artikel 125la Sv beperkt de bevoegdheid van de officier van justitie tot kennisname en vastlegging van gegevens die bij een doorzoeking ter vastlegging van gegevens worden aangetroffen bij een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst en die niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn. Voor dit geval bepaalt artikel 125la Sv bovendien dat de officier van justitie een voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris behoeft.

De advocaten-generaal stellen zich op het standpunt dat artikel 125la Sv niet van toepassing is op het onderhavige rechtshulpverzoek omdat met de begrippen ‘openbaar telecommunicatienetwerk’ en/of ‘openbare telecommunicatiedienst’ slechts wordt gedoeld op aanbieders/diensten die vallen onder de Telecommunicatiewet, en derhalve niet (zo begrijpt het hof) op aanbieders van pretty good privacy-diensten, zoals PGPSafe.

Dit standpunt kan naar het oordeel van het hof niet worden aanvaard. In de wetsgeschiedenis van artikel 125la Sv is opgemerkt dat een bijzondere categorie van gegevens waarop de bevoegdheid van dit artikel van toepassing is, wordt gevormd door gegevens betreffende de inhoud van een e-mail die is opgeslagen bij een internetaanbieder. De wetgever beoogt aan deze gegevens dezelfde bescherming te bieden als aan (gesloten) poststukken (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 441, nr. 3, p. 14). Naar het oordeel van het hof geldt die bescherming dan ook voor de e-mailgegevens die zich bevonden op de door PGPSafe gebruikte server in Costa Rica. In het licht van de hierboven kort aangehaalde wetsgeschiedenis valt immers niet in te zien dat het voor de toepasselijkheid van artikel 125la Sv relevant is of dergelijke gegevens bij een ‘reguliere’ internetaanbieder worden aangetroffen, of (bijvoorbeeld) bij een aanbieder van pgp-diensten zoals PGPSafe. In beide gevallen gaat het om e-mails waarvan de inhoud blijkens de wetsgeschiedenis dezelfde bescherming verdient als die van (gesloten) poststukken.

Dit betekent dat PGPSafe naar het oordeel van het hof dient te worden aangemerkt als een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst in de zin van artikel 125la Sv, zodat voor het onderhavige rechtshulpverzoek een daaraan voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris was vereist. Nu deze machtiging ontbreekt is naar het oordeel van het hof sprake van een onherstelbaar vormverzuim.

Welk rechtsgevolg?

Bij de vraag of, en zo ja, welke rechtsgevolgen aan een vormverzuim moeten worden verbonden dient de rechter rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Bij de beoordeling van de ernst van het verzuim zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. Bij de beoordeling van het veroorzaakte nadeel is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Tot slot is van belang dat – gelet op de beoordelingsfactoren als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv – het wettelijk stelsel zo moet worden opgevat dat een vormverzuim in de zin van dat artikel niet steeds behoeft te leiden tot een van de daar omschreven rechtsgevolgen. De rechtsgevolgen die door de rechter aan een vormverzuim kunnen worden verbonden zijn – oplopend in zwaarte – de constatering van het verzuim zonder rechtsgevolg, strafvermindering, bewijsuitsluiting, en in het uiterste geval de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. In dit kader overweegt het hof het volgende.

Het belang van het in het onderhavige geval geschonden voorschrift is gelegen in de bescherming van privacygevoelige gegevens (zoals e-mails) door voorafgaand rechterlijk toezicht op de verkrijging en het gebruik daarvan. Dergelijke gegevens verdienen bescherming, gelet op het in (onder meer) artikel 8 EVRM neergelegde fundamentele recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het gaat derhalve om een belangrijk voorschrift.

Daartegenover staat (met betrekking tot de ernst van het verzuim) dat naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een (doel)bewuste schending van het onderhavige voorschrift. Daarnaast geldt dat er geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die erop wijzen dat de rechter-commissaris in 26Sassenheim geen machtiging zou hebben verleend indien deze was gevraagd. Derhalve is niet aannemelijk dat het vormverzuim tot gevolgen heeft geleid die er niet waren geweest indien het voorschrift in artikel 125la Sv in acht was genomen.

Indien komt vast te staan dat de verdachte de verzender/ontvanger was van de aan hem toegeschreven PGP-berichten kan worden gesteld dat door het vormverzuim het recht van de verdachte op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals (onder meer) gewaarborgd in artikel 8 EVRM, is geschonden. Het daardoor concreet ontstane nadeel is naar het oordeel van het hof evenwel zeer beperkt, indien al aanwezig, gelet op de zeer summiere informatie die het PGPSafe-berichtenverkeer over het privé-leven van de verdachte heeft prijsgegeven. Er is derhalve in niet meer dan geringe mate inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het hof merkt ten slotte op dat de verdachte door het vormverzuim niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad; daarbij betrekt het hof dat het belang van de verdachte dat een gepleegd strafbaar feit niet wordt ontdekt, niet als een rechtens te respecteren belang kan worden aangemerkt.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande ziet het hof geen aanleiding voor bewijsuitsluiting of voor strafvermindering. Het hof zal dan ook volstaan met constatering van het verzuim. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is dit niet strijdig met het Unierecht (ECLI:NL:HR:2023:241, zie r.o. 6.12.2 e.v.).”

Het middel houdt in dat het oordeel van het hof, inhoudende dat vanwege de zeer summiere informatie die het PGPSafe-berichtenverkeer over het privéleven van de verdachte heeft prijsgegeven niet meer dan in geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en dat (dus) kan worden volstaan met constatering van het vormverzuim onbegrijpelijk is, omdat uit de bewijsmiddelen volgt dat berichten tussen de verdachte en zijn familie, (voormalige) vrouw en kind zijn onderschept en beoordeeld. De stellers van het middel wijzen in dit kader op het volgende door het hof gebezigde bewijsmiddel:

“Bewijsmiddelen ten aanzien van de identificatie van [verdachte] (PGPSafe)

1. Het proces-verbaal van politie nummer LERCB18004-0096 van 24 januari 2020 (pagina 2616 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Broer), inhoudende als relaas van de verbalisant:

(…)

In het proces-verbaal van bevindingen uit het onderzoek “Dobricic” (LERCB18004-0005) wordt duidelijk dat [medeverdachte 8] , (vermoedelijk) gebruik makend van de PGP emailadressen [emailadres 16] en [emailadres 15], in diverse uitgewisselde PGP berichten, waaronder met de gebruiker van het emailadres [emailadres 4], aangeduid als “ [accountnaam 22] ”, vermoedelijk spreekt over een verdovende middelen transport via de Rotterdamse haven, wat uiteindelijk op 30 mei 2016 lijkt te mislukken omdat de desbetreffende container naar de douanescan moet. Tevens is in het onderzoek “Dobricic” duidelijk geworden dat diezelfde [medeverdachte 8] , verdacht van het binnenhalen van grote partijen verdovende middelen (cocaïne), daartoe contacten onderhoudt met [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1971, aangeduid als “ [accountnaam 22] ” en/of (...)

Uit onderzoek in de gemeentelijke basisadministratie is gebleken dat [verdachte] een kind heeft genaamd [zoon verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2010. De moeder van [zoon verdachte] betreft [ex-partner verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1973. Tevens is gebleken dat [ex-partner verdachte] vanaf 7 mei 2010 stond ingeschreven op de [d-straat 1] te [plaats] , waarna zij vanaf 18 oktober 2018 stond ingeschreven op de [a-straat 1] te [plaats] .

Uit een door hetzelfde onderzoeksteam gedraaid opsporingsonderzoek 26Raymore blijkt uit opgenomen en uitgeluisterde communicatie dat de ex-partner van [verdachte] , [ex-partner verdachte] , “ [betrokkene 1] ” genoemd te worden, door onder andere de vader van [verdachte] .

Gezien vorenstaande wordt vermoed dat met “ [betrokkene 1] ” [ex-partner verdachte] wordt bedoeld (...)

[verdachte] heeft een zoon genaamd [zoon verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2010 en [zoon verdachte] moeder, [ex-partner verdachte], geboren [geboortedatum] 1973, is geboren in [plaats] (Thailand).

Gezien vorenstaande wordt vermoed dat met “ [betrokkene 1] ” [ex-partner verdachte] wordt bedoeld. (...)

Resumé

Uit onderzoek naar de opgevraagde en verstrekte PGP-berichten van het [emailadres 5] is gebleken dat: (...) • het [b-straat 2] appartement een financieel blok aan het been is van iemand genaamd “ [betrokkene 1] ”; • [verdachte] een zoon, [zoon verdachte] heeft. De moeder van [zoon verdachte] betreft [ex-partner verdachte] en heeft ingeschreven gestaan op de [b-straat 1] te [plaats] , in de periode 7 mei 2010 tot en met 18 oktober 2018; • [ex-partner verdachte] heeft als roepnaam [betrokkene 1] ; (...)”

Ik kan de stellers van het middel niet volgen in hun stelling dat er berichten tussen de verdachte en zijn familie, (voormalige) vrouw en kind zijn onderschept en beoordeeld. Uit de PGPSafe-berichten waarnaar de stellers van het middel verwijzen volgt enkel dat “het [b-straat 2] appartement een financieel blok aan het been is van iemand genaamd “ [betrokkene 1] ””. Gecombineerd met andere onderzoeksgegevens (onder andere resultaten van onderzoek in de Basisregistratie Personen en resultaten uit andere opsporingsonderzoeken) leidt (onder meer) die vaststelling tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker is geweest van het [emailadres 5] .

De stellers van het middel betogen onder verwijzing naar de Post-Landeck-jurisprudentie van de Hoge Raad verder dat van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer (zoals door het hof in onderhavige zaak is vastgesteld) al geen sprake meer kan zijn als op voorhand te voorzien is dat door het onderzoek aan de smartphone of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens. Met andere woorden: het hof had gelet op de aard en de inhoud van de verkregen gegevens niet tot het oordeel kunnen komen dat met de inzage in de PGPSafe-berichten slechts in geringe mate een inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.

In zijn arrest van 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1114 is de Hoge Raad ingegaan op de betekenis van de Post-Landeck-jurisprudentie in gevallen waarin in het kader van rechtshulp een grote hoeveelheid gegevens die op servers waren opgeslagen wordt overgedragen, die verband houden met communicatie met mobiele telefoons. De Hoge Raad overweegt hierover:

“3.5.2 Het arrest in de zaak CG/Landeck heeft, kort gezegd, betrekking op gevallen waarin in het kader van een strafrechtelijk onderzoek toegang wordt verkregen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens, waarbij die toegang ertoe kan leiden dat inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, en ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die telefoon uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens). De toegang tot al die gegevens kan, in het bijzonder als deze gegevens in onderling verband met elkaar worden gebracht, leiden tot zeer nauwkeurige conclusies over het privéleven van de gebruiker. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de daaruit voortvloeiende inbreuk op de door artikel 7 en 8 Handvest gewaarborgde grondrechten moet worden aangemerkt als ernstig of bijzonder ernstig. In het licht van het evenredigheidsbeginsel moet de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot persoonsgegevens daarom afhankelijk worden gesteld van een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan als die toegang het risico van een ernstige of zelfs zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker met zich brengt.

Zoals de Hoge Raad recent heeft geoordeeld, brengt de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak CG/Landeck met zich dat bij elke vorm van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk die een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt, een voorafgaande betrokkenheid van de rechter-commissaris is vereist. Daarbij is onder meer van belang dat als de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris vordert, in deze vordering voldoende concreet wordt omschreven welk onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk zal worden verricht en hoe dit onderzoek zal worden uitgevoerd, en dat bij het verlenen van een machtiging voor het gevorderde onderzoek de rechter-commissaris zo nodig nadere eisen kan stellen aan het te verrichten onderzoek. (Vgl. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, rechtsoverwegingen 5.2.4-5.2.8.) Er is geen grond om, waar het – zoals in deze zaak – gaat om een in het kader van rechtshulp overgedragen grote hoeveelheid gegevens die op servers waren opgeslagen en die verband houden met communicatie met mobiele telefoons, andersoortige eisen te stellen aan het strafvorderlijk onderzoek aan dergelijke gegevens dan in dat arrest van de Hoge Raad zijn verwoord.”

De toepassing van de Post-Landeck-jurisprudentie door de Hoge Raad op de overdracht van een grote hoeveelheid gegevens, opgeslagen op servers en verband houdend met communicatie met mobiele telefoons, brengt in voorliggende gevallen met zich mee dat voorafgaande betrokkenheid van de rechter-commissaris vereist is. Tot de conclusie dat in deze zaak voorafgaande rechterlijke toetsing vereist was, kwam het hof (echter) reeds op grond van art. 125la Sv. Nu deze toetsing ontbreekt is naar het oordeel van het hof sprake van een onherstelbaar vormverzuim. De toepassing van de Post-Landeck-jurisprudentie leidt op dit punt niet tot een andersoortig vormverzuim. Tegen de vaststelling van het hof dat het ontbreken van voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris een onherstelbaar vormverzuim oplevert, wordt in cassatie niet opgekomen.

De kwestie die resteert is de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, inhoudende dat vanwege de geringe mate waarin met de toegang tot de PGP-berichten inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte kan worden volstaan met de constatering van het vormverzuim. De stellers van het middel lijken te suggereren dat de Post-Landeck-jurisprudentie ook doorwerkt bij de beantwoording van de vraag welk rechtsgevolg eventueel aan het vormverzuim dient te worden verbonden. De beantwoording van die vraag dient echter plaats te vinden aan de hand van vaststellingen over de aard en de ernst van het vormverzuim en het ten gevolge van het vormverzuim door de verdachte concreet geleden nadeel. Daarbij is het door de Hoge Raad geschetste kader ter beoordeling van vormverzuimen in de zin van art. 359a Sv van belang, dat onder meer inhoudt:

“Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. Ook aan dit in de conclusie van de advocaat-generaal onder 120 benoemde uitgangspunt van subsidiariteit houdt de Hoge Raad vast.

(…)

Strafvermindering

(…)

Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Dat volgt ook uit de onder 2.1.3 weergegeven uitgangspunten dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken en dat hij de bevoegdheid, maar niet de plicht heeft om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek.

(…)

Bewijsuitsluiting

(…)

Dit gemeenschappelijke beoordelingskader ziet op gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In die gevallen geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren en met inachtneming van het onder 2.1.3 genoemde uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan.”

Het hof heeft met inachtneming van voornoemd kader overwogen dat het belang van het in het onderhavige geval geschonden voorschrift (de bescherming van privacygevoelige gegevens door voorafgaand rechterlijk toezicht op de verkrijging en het gebruik daarvan) groot is. Daartegenover stelt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een (doel)bewuste schending van dit voorschrift, en dat er geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die erop wijzen dat de rechter-commissaris in het onderzoek 26Sassenheim geen machtiging zou hebben verleend indien daarom was gevraagd. Over het voor de verdachte concreet ontstane nadeel oordeelt het hof dat dit zeer beperkt is, indien al aanwezig, gelet op de zeer summiere informatie die het PGPSafe-berichtenverkeer over het privéleven van de verdachte heeft prijsgegeven. Het hof merkt daarbij op dat het belang van de verdachte dat een gepleegd strafbaar feit niet wordt ontdekt, niet als een rechtens te respecteren belang kan worden aangemerkt.

In cassatie is niet aangevoerd dat in hoger beroep door of namens de verdachte is gesteld dat zijn persoonlijke levenssfeer is geschonden en dat de verdachte als gevolg van die schending daadwerkelijk nadeel heeft geleden, laat staan dat is geconcretiseerd in welke mate zijn persoonlijke levenssfeer is geschaad en hij nadeel heeft geleden. Dat een dergelijk verweer wel zou zijn gevoerd, lees ik in de stukken van het geding ook niet terug. Tegen de overwegingen van het hof is in cassatie niet meer ingebracht dan dat uit de bewijsmiddelen volgt dat wel sprake is van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, omdat berichten tussen de verdachte en zijn familie, (voormalige) vrouw en kind zijn onderschept. In randnummer 3.6 concludeerde ik al dat ik de stellers van het middel in deze klacht niet kan volgen. Het oordeel van het hof dat vanwege de beperkte inbreuk die de inzage in de PGP-berichten heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte kan worden volstaan met een constatering van het vormverzuim, is tegen die achtergrond niet onbegrijpelijk.

Het tweede middel faalt.

4. Het derde middel

Het derde middel klaagt dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM heeft plaatsgevonden, het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep niet afzonderlijk heeft beoordeeld.

Op de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2024 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Overschrijding redelijke termijn

Daarnaast verzoek ik u om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en ter zake te compenseren via strafmatiging.

Het appèl is ingesteld op 22 april 2022. Aangezien volgens het OM voorlopige hechtenis vóór de executie van een onherroepelijke straf gaat, zit [verdachte] nu in voorlopige hechtenis. Dan dient u binnen 16 maanden arrest te wijzen. U wijst echter geen arrest op 22 augustus 2023 maar op datum xx. Dat is een overschrijding van xx maanden. Die is in mijn optiek niet in doorslaggevende mate aan de verdediging te wijten.

Zo heeft het alleen al een jaar geduurd voordat de zaak op regie werd gepland. De regiezittingen vonden immers in april 2023 plaats terwijl het vonnis van april 2022 is. In het licht van de zogenoemde 16-maandentermijn is alleen daardoor al een zeer groot deel van de redelijke termijn overschreden. De RHC-verhoren hebben vervolgens pas vanaf januari 2024 plaatsgehad. Het tijdsverloop tussen de regiezitting en het horen van de getuigen kan evenmin voor rekening van de verdediging komen. Ik begrijp dat het om een groot dossier gaat met meerdere verdachten maar dat rechtvaardigt niet zonder meer de tijdsintervallen zoals zojuist beschreven.”

Het hof heeft in zijn arrest van 2 juli 2024 over de overschrijding van de redelijke termijn overwogen:

“Het hof acht gezien al het voorgaande in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar passend en geboden, met aftrek van voorarrest.

Overschrijding redelijke termijn

De verdachte is op het moment dat het hof arrest wijst nog voorlopig gehecht en het hof gaat derhalve uit van een redelijke termijn van 16 maanden in onderscheidenlijk eerste aanleg en hoger beroep. De rechtbank heeft op 11 april 2022, dus iets meer dan 19 maanden later, vonnis gewezen. Daarmee is in eerste aanleg de redelijke termijn met iets meer dan 5 maanden overschreden. De verdachte is op 22 april 2022 tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Dit arrest wordt gewezen op 2 juli 2024. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met bijna 11 maanden overschreden.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, de verwevenheid met de zaken van de medeverdachten, de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel het tijdsverloop mede is ingegeven doordat deze strafzaak deel uitmaakt van het onderzoek 26Sartell, een omvangrijk politie onderzoek waarbij in eerste aanleg en hoger beroep meerdere verdachten gelijktijdig terecht hebben gestaan, en er zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen zijn verzocht en ook toegewezen, is het hof van oordeel dat deze omstandigheden niet het gehele tijdsverloop kunnen verklaren. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Gelet op deze geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de hiervoor overwogen op te leggen gevangenisstraf met 4 maanden matigen, en de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar en 8 maanden opleggen.”

Bij de beantwoording van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM heeft plaatsgevonden, moet de duur van het proces in eerste aanleg en in hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt in het geval dat de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting in eerste aanleg moet zijn afgerond met een einduitspraak binnen zestien maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en in hoger beroep binnen zestien maanden nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het rechtsgevolg dat de feitenrechter verbindt aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

Uit de eerste alinea van de onder 4.3 weergegeven overwegingen van het hof volgt dat het hof de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep afzonderlijk heeft vastgesteld: in eerste aanleg komt het hof tot een overschrijding (het hof gaat uit van een termijn van zestien maanden) met iets meer dan vijf maanden, en in hoger beroep met bijna elf maanden. Ik begrijp de overwegingen van het hof in de tweede alinea zo dat het hof heeft onderzocht of sprake is geweest van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven een langere termijn dan die van zestien maanden per instantie te hanteren (ten gevolge waarvan de redelijke termijn in mindere mate of niet zou zijn overschreden). Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof een aantal omstandigheden in aanmerking genomen die zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op het tijdsverloop van invloed zijn geweest.

Het hof concludeert vervolgens dat deze omstandigheden niet het gehele tijdsverloop kunnen verklaren. Hieruit leid ik af dat het hof blijft bij de primaire vaststelling dat in beide instanties sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, die een korting van in totaal vier maanden gevangenisstraf rechtvaardigt. Dat het hof in de beoordeling van de oorzaken van het tijdsverloop omstandigheden betrekt die zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voordeden, doet er dus niet aan af dat het hof ter beantwoording van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, de duur van het proces in eerste aanleg en in hoger beroep afzonderlijk heeft beoordeeld.

Het derde middel faalt.

5. Het vierde middel

Het vierde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de wijziging van de regeling omtrent de voorwaardelijke invrijheidsstelling (hierna: VI) geen wijziging van de straf als bedoeld in art. 7 EVRM en/of art. 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) behelst, zodat hiermee bij de oplegging van de straf geen rekening hoeft te worden gehouden, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.

De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2024 het woord gevoerd overeenkomstig zijn pleitnotitie. In deze pleitnotitie heeft hij het hof verzocht om bij het bepalen van de strafmaat ten gunste van de verdachte rekening te houden met het gewijzigde VI-regime. Het zou, aldus de raadsman, onrechtvaardig zijn om de wijziging in het VI-regime die voortvloeit uit de Wet straffen en beschermen niet in de hoogte van de op te leggen straf te betrekken, omdat de verdachte door die wijziging een beduidend langer deel van zijn straf daadwerkelijk gedetineerd zou zijn, terwijl de tenlastegelegde periode geheel vóór de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen gelegen is (en de verdachte de wijziging van de regeling dus niet heeft kunnen voorzien).

Het hof heeft in reactie op dit verweer overwogen:

“Voor zover de verdediging in het kader van de strafoplegging heeft willen betogen dat rekening moet worden gehouden met de Wet Straffen en beschermen, nu de feiten van vóór de inwerkingtreding van die wet dateren, overweegt het hof als volgt. De wetgever heeft niet voorzien in overgangsrecht en daaruit leidt het hof af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat in gevallen waarin de feiten van vóór de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen dateren, rekening wordt gehouden met die wet, in die zin dat een lagere straf wordt opgelegd zodat de verdachte eenzelfde aantal jaren van zijn straf zou moeten uitzitten als wanneer hij niet in appel zou zijn gegaan. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om in afwijking daarvan wél rekening te houden met de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen.

Het hof acht gezien al het voorgaande in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar passend en geboden, met aftrek van voorarrest.”

Het middel houdt in dat het oordeel van het hof in strijd is met art. 7 EVRM en/of art. 15 IVBPR en/of art. 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), waarin als uitwerking van het legaliteitsbeginsel is opgenomen dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) en het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU), wordt in de toelichting gesteld dat het hof een straf heeft opgelegd die ertoe leidt dat de verdachte feitelijk langer van zijn vrijheid wordt beroofd dan voorzienbaar was ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten, zodat sprake is van strijdigheid met voornoemde artikelen. Ik merk op dat een nadere toepassing van deze jurisprudentie op de onderhavige casus ontbreekt.

De regeling van art. 6:2:10 Sv voorziet in de mogelijkheid om een tot vrijheidsstraf veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Vóór de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen gold op grond van art. 15 lid 2 Sr en per 1 januari 2020 op grond van art. 6:2:10 lid 2 Sv dat een verdachte die twee derde deel van een tijdelijke gevangenisstraf van twee jaren of meer had uitgezeten, in beginsel voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld. Op grond van art. 15d leden 1 tot en met 4 en 7 Sr bestond de mogelijkheid om de VI uit te stellen of achterwege te laten. Met de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 werd een wijziging aangebracht in deze VI-regeling. Het huidige art. 6:2:10 lid 1 sub b Sv schrijft voor dat bij een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren VI wordt verleend nadat de veroordeelde twee derde deel van de gevangenisstraf heeft ondergaan, met dien verstande dat de periode van VI niet langer kan zijn dan twee jaren. Deze wijziging leidde ertoe dat voor gevangenisstraffen van meer dan zes jaren een (substantieel) groter deel van de straf dient te worden uitgezeten dan voor de inwerkingtreding van voornoemde wet. Op grond van art. 6:2:12 Sv beslist het openbaar ministerie om de VI al dan niet te verlenen. Zowel voor als na de wetswijziging bestond en bestaat dus de mogelijkheid om geen VI te verlenen. Bij de wetswijziging is voorzien in overgangsrecht, op grond waarvan de nieuwe regeling enkel van toepassing is op vrijheidsstraffen die na de inwerkingtreding van de wet zijn uitgesproken. Daardoor is de rechter ermee bekend, op het moment dat hij een vrijheidsstraf oplegt, welke regeling over de voorwaardelijke invrijheidstelling bij de tenuitvoerlegging van die straf zal gelden.

Over de toepassing van art. 6:2:10 Sv op gevallen waarin na 1 juli 2021 een veroordeling is uitgesproken wegens een strafbaar feit dat is begaan voor 1 juli 2021, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902 het volgende overwogen:

“De in artikel 6:2:10 Sv vervatte regeling voorziet in de mogelijkheid aan de veroordeelde tot vrijheidsstraf voorwaardelijke invrijheidsstelling te verlenen. Deze regeling heeft betrekking op de executie van een opgelegde straf. De wijziging van deze regeling kan dus niet worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de toepassing van deze bepaling op gevallen waarin na 1 juli 2021 een veroordeling is uitgesproken voor een strafbaar feit begaan voor 1 juli 2021 in strijd is met artikel 7 EVRM. Voor zover het cassatiemiddel, dat uitgaat van een andere opvatting, hierover klaagt, faalt het.”

Na voornoemd arrest is in cassatie nog diverse malen tevergeefs opgekomen tegen de toepassing van de gewijzigde VI-regeling in strafzaken waarin het strafbare feit is begaan voor 1 juli 2021. In de meeste zaken werd het middel door de Hoge Raad afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering. In zijn arrest van 30 januari 2024 verwijst de Hoge Raad naar de onder 5.6 weergegeven overwegingen uit zijn arrest van 20 december 2022 en citeert de Hoge Raad – daaraan voorafgaand – een gedeelte uit een uitspraak van het EHRM van 10 november 2022 (Kupinskyy v. Oekraïne). In die uitspraak oordeelde het EHRM over de vraag onder welke omstandigheden sprake is van een situatie waarin ‘een zwaardere straf wordt opgelegd’ (“a heavier penalty [be] imposed”) in de zin van art. 7 lid 1, tweede volzin, EVRM:

“47. The Court reiterates that in its established case-law a distinction is drawn between a measure that constitutes in substance a “penalty” and a measure that concerns the “execution” or “enforcement” of a “penalty”; Article 7 applies only to the former (see Kafkaris v. Cyprus [GC], no. 21906/04, § 142, ECHR 2008, and Del Río Prada v. Spain [GC], no. 42750/09, § 83, ECHR 2013, and the references contained therein). Whether the case concerned a change in a regime for release on parole within the country or such a change in a regime took place as a result of transfer of prisoners, the Court has constantly held that such a regime relates to the execution of a sentence and thus excludes the application of Article 7 (see Kafkaris, cited above, § 142; Grava v. Italy, no. 43522/98, § 51, 10 July 2003; and Ciok, cited above, § 34).

(...)

49. However, the Court has also acknowledged that in practice the distinction between a measure that constitutes a “penalty” and a measure that concerns the “execution” or “enforcement” of the “penalty” may not always be clear cut (see Kafkaris, § 142, and Del Río Prada, § 85, both cited above). The concept of “penalty” in Article 7 is, like the notions of “civil right and obligations” and “criminal charge” in Article 6 § 1 of the Convention, autonomous in scope. The wording of the second sentence of Article 7 § 1 indicates that the starting point in any assessment of the existence of a penalty is whether the measure in question is imposed following conviction for a “criminal offence”. Other factors that may be taken into account as relevant in this connection are the nature and purpose of the measure; its characterisation under national law; the procedures involved in the making and implementation of the measure; and its severity (see Welch v. the United Kingdom, 9 February 1995, §§ 27-28, Series A no. 307-A, and Del Río Prada, cited above, §§ 81-82).

50. As stated in Del Río Prada (cited above, §§ 89-90):

“89. ... the Court does not rule out the possibility that measures taken by the legislature, the administrative authorities or the courts after the final sentence has been imposed or while the sentence is being served may result in the redefinition or modification of the scope of the ‘penalty’ imposed by the trial court. When that happens, the Court considers that the measures concerned should fall within the scope of the prohibition of the retroactive application of penalties enshrined in Article 7 § 1 in fine of the Convention. Otherwise, States would be free – by amending the law or reinterpreting the established regulations, for example – to adopt measures which retroactively redefined the scope of the penalty imposed, to the convicted person’s detriment, when the latter could not have imagined such a development at the time when the offence was committed or the sentence was imposed. In such conditions Article 7 § 1 would be deprived of any useful effect for convicted persons, the scope of whose sentences was changed ex post facto to their disadvantage. The Court points out that such changes must be distinguished from changes made to the manner of execution of the sentence, which do not fall within the scope of Article 7 § 1 in fine.

90. In order to determine whether a measure taken during the execution of a sentence concerns only the manner of execution of the sentence or, on the contrary, affects its scope, the Court must examine in each case what the ‘penalty’ imposed actually entailed under the domestic law in force at the material time or, in other words, what its intrinsic nature was. In doing so it must have regard to the domestic law as a whole and the way it was applied at the material time ...””

De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 30 januari 2024 dat mede tegen de achtergrond van deze rechtspraak niet kan worden gezegd dat de toepassing van art. 6:2:10 lid 1 Sv op gevallen waarin na 1 juli 2021 een veroordeling is uitgesproken wegens een strafbaar feit begaan voor 1 juli 2021, in strijd is met art. 7 EVRM of art. 15 IVBPR. Voor zover de in het middel vervatte stelling dat toepassing van de gewijzigde VI-regeling in strijd is met art. 7 EVRM en/of art. 15 IVBPR is gebaseerd op voornoemde rechtspraak van het EHRM, treft het dus geen doel.

In de toelichting op het middel wordt verder verwezen naar een uitspraak van het HvJ EU van 29 juli 2024, waarin het HVJ EU onder meer overweegt:

“94 Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat er voor de toepassing van artikel 7 EVRM een onderscheid moet worden gemaakt tussen een maatregel die in wezen een „straf” vormt en een maatregel die betrekking heeft op de „tenuitvoerlegging” of „uitvoering” van de straf. Wanneer de aard en het doel van een maatregel betrekking hebben op de kwijtschelding van een straf of een wijziging van de regeling inzake vervroegde invrijheidstelling, maakt die maatregel dus geen deel uit van de „straf” in de zin van artikel 7 EVRM (EHRM, 21 oktober 2013, Del Río Prada tegen Spanje, CE:ECHR:2013:1021JUD004275009, § 83).

95 Aangezien het onderscheid tussen een „straf” en een maatregel met betrekking tot de „tenuitvoerlegging” van een straf in de praktijk niet altijd duidelijk is, moet om te bepalen of een tijdens de tenuitvoerlegging van een straf genomen maatregel alleen betrekking heeft op de wijze van tenuitvoerlegging van de straf of integendeel de omvang ervan beïnvloedt, in elk afzonderlijk geval worden onderzocht wat de opgelegde „straf” volgens het op het betrokken tijdstip geldende nationale recht juist inhield of, met andere woorden, wat de intrinsieke aard ervan was (EHRM, 21 oktober 2013, Del Río Prada tegen Spanje, CE:ECHR:2013:1021JUD004275009, §§ 85 en 90).

96 In dit verband heeft het EHRM recentelijk bevestigd dat de omstandigheid dat de na een veroordeling ingevoerde verhoging van de minimumdrempel om in aanmerking te komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling, kan hebben geleid tot verzwaring van de detentie, betrekking had op de tenuitvoerlegging van de straf en niet op de straf zelf, en dat uit een dergelijke omstandigheid bijgevolg niet kon worden afgeleid dat de opgelegde straf zwaarder zou zijn dan die welke was opgelegd door de bodemrechter (EHRM, 31 augustus 2021, Devriendt tegen België, CE:ECHR:2021:0831DEC003556719, § 29).

97 Derhalve is een maatregel die ziet op de tenuitvoerlegging van een straf slechts onverenigbaar met artikel 49, lid 1, van het Handvest wanneer die maatregel leidt tot retroactieve wijziging van de omvang van de straf die gold toen het betreffende strafbare feit werd gepleegd en er daardoor een zwaardere straf wordt opgelegd dan de straf die aanvankelijk gold. Hoewel dit in het geheel niet het geval is als die maatregel alleen maar tot gevolg heeft dat de minimumdrempel om in aanmerking te komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verhoogd, kan dit ook anders zijn, met name wanneer de betrokken maatregel de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling in wezen afschaft of wanneer die maatregel deel uitmaakt van een reeks maatregelen die ertoe leiden dat de aanvankelijk opgelegde straf intrinsiek zwaarder wordt.”

Ook deze uitspraak werpt geen nieuw licht op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van de toepassing van de op 1 juli 2021 gewijzigde regeling van art. 6:2:10 Sv op strafbare feiten die zijn begaan voor 1 juli 2021. Ten opzichte van het onder 5.7 weergegeven arrest van het EHRM voegt het HvJ EU in onderhavig arrest (onder verwijzing naar het door het EHRM gewezen arrest Devriendt v. België, zie randnummer 96 van het arrest van het HvJ EU) toe dat van een verzwaring van de aanvankelijk opgelegde gevangenisstraf in ieder geval geen sprake is als de maatregel enkel tot gevolg heeft dat de minimumdrempel om in aanmerking te komen voor VI wordt verhoogd. Van een verzwaring van de straf kan wel sprake zijn wanneer de maatregel de mogelijkheid van VI in wezen afschaft, of als deze onderdeel uitmaakt van een reeks maatregelen die ertoe leiden dat de aanvankelijk opgelegde straf intrinsiek zwaarder wordt. Van laatstgenoemde situaties is met de toepassing van art. 6:2:10 Sv geen sprake. Eerder kan de sinds 1 juli 2021 in art. 6:2:10 Sv vervatte regeling worden beschouwd als een verhoging van de minimumdrempel om in aanmerking te komen voor VI, en over een dergelijke maatregel oordeelde het HvJ EU juist dat deze geen verzwaring van de straf in de zin van art. 49 van het Handvest oplevert.

Het vierde middel faalt.

6. Het vijfde middel

Het vijfde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Namens de verdachte is op 16 juli 2024 cassatie ingesteld. De verdachte is preventief gedetineerd in de onderhavige zaak, zodat de inzendtermijn zes maanden bedraagt. De stukken van het geding zijn op 29 april 2025 binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren is niet meer mogelijk. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

7. Slotsom

Het eerste tot en met het vierde middel falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, op 16 november 2025 is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?