PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01569
Zitting 2 juni 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft de officier van justitie bij arrest van 23 april 2025 niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging ter zake het onder 1 ten laste gelegde en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.
Het cassatieberoep is ingesteld door J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Namens het openbaar ministerie heeft [naam 1], advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte is daarop door G.J.P.M. Mooren, advocaat in Tilburg, gereageerd.
Het middel komt op tegen de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie.
2. De zaak
De verdachte in de onderhavige zaak wordt verweten dat hij zich in 2004 schuldig heeft gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 (oud) Sr) door tijdens een danstraining – onverhoeds en onnodig – de borsten, vagina/kruis en/of billen van de aangeefster te betasten en zijn stijve penis tegen haar vagina/kruis en/of billen te duwen. De rechtbank heeft hem hiervoor op 15 maart 2024 (dus zo’n twintig jaren later) veroordeeld, tegen welk vonnis de verdachte hoger beroep heeft ingesteld. Op 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven in werking getreden. Het hof heeft in zijn uitspraak van 23 april 2025 geoordeeld dat de aan de verdachte ten laste gedragingen sindsdien onder de in art. 241 lid 1 Sr strafbaar gestelde opzetaanranding vallen. Anders dan art. 246 (oud) Sr wordt overtreding van art. 241 lid 1 Sr bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal zes jaren, hetgeen in dit geval meebrengt – aldus het hof – dat het ten laste gelegde feit is verjaard. Het hof heeft om die reden de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit.
Hieronder geef ik eerst de tenlastelegging en overwegingen van het hof weer (onder 3) en werk ik het door het openbaar ministerie voorgestelde middel van cassatie uit (onder 4). Vervolgens zal ik onder randnummer 5 ingaan op overgangsrecht in geval van verandering van wetgeving en daarbij kort de gevolgen daarvan voor de verjaringsregeling bespreken. Daarna zal de zaak verder worden toegespitst op de zedenwetgeving. In dat onderdeel bespreek ik eerst de strafbaarheid van aanranding onder art. 246 (oud) Sr, en zet ik vervolgens uiteen hoe deze vorm heeft gekregen onder de Wet seksuele misdrijven. Daarbij sta ik in het bijzonder stil bij onverhoeds handelen. Tot slot zal ik onder randnummer 6 overgaan tot de bespreking van het middel.
3. De tenlastelegging en de overwegingen van het hof
De verdachte is in hoger beroep ten laste gelegd dat hij:
“1. in of omstreeks de periode van 1 maart 2004 tot en met 30 juni 2004 te [plaats] , gemeente [...] , althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit
- het betasten van de borsten en/of de vagina/het kruis en/of de billen van die [slachtoffer]
en/of
- het duwen van zijn (in erectie zijnde) geslachtsdeel tegen de billen en/of de vagina/het kruis van die [slachtoffer]
en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) hierin
- dat verdachte tijdens een danstraining die [slachtoffer] onverhoeds en onnodig aanraakte en betastte aan haar billen en/of vagina/kruis en/of zijn in erectie zijnde geslachtsdeel tegen de vagina/kruis en/of billen van die [slachtoffer] duwde.”
De volgende overwegingen van het hof zijn relevant:
“Het hof stelt vast dat het tenlastegelegde is toegespitst op artikel 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dat artikel hield tot 1 juli 2024 in:
"Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie."
Na de datum van het vonnis waarvan beroep is op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven (Stb. 2024, 59) in werking getreden. Sindsdien zijn handelingen die voorheen strafbaar waren gesteld in artikel 246 (oud) Sr, strafbaar gesteld in artikel 241 (nieuw) Sr.
Artikel 241 Sr houdt thans in:
“1. Als schuldig aan opzetaanranding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie, degene die met een persoon seksuele handelingen verricht terwijl diegene weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt.
2. Als schuldig aan gekwalificeerde opzetaanranding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaar of geldboete van de vijfde categorie, degene die zich schuldig maakt aan het misdrijf omschreven in het eerste lid, voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld, of bedreiging.”
Het hof heeft voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep aan de procespartijen gevraagd een standpunt in te nemen over de vraag of deze wetswijziging consequenties heeft voor de op de zaak toepasselijke verjaringsregels.
De advocaat-generaal heeft zich voorafgaand aan de terechtzitting per e-mail en vervolgens ook ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging is toegespitst op gekwalificeerde opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, tweede lid, (nieuw) Sr. Die strafbare gedraging wordt – net als artikel 246 (oud) Sr – bedreigd met ten hoogste acht jaren gevangenisstraf. Ingevolge artikel 70 Sr is de toepasselijke verjaringstermijn (ook nu nog) twintig jaren. De inleidende dagvaarding van de verdachte is in januari 2024 uitgegaan. Nu de vervolging tussentijds door deze daad van vervolging is gestuit, is volgens de advocaat-generaal het recht tot strafvordering in de zaak nog niet verjaard.
De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar een beslissing van de rechtbank Rotterdam en de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel – op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging ziet op opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, eerste lid, (nieuw) Sr. Nu dit misdrijf met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt bedreigd, is volgens de raadsman ingevolge artikel 70 Sr een verjaringstermijn van twaalf jaren van toepassing. In de twaalf jaren die op de tenlastegelegde pleegdatum volgden is er geen daad van vervolging geweest. Volgens de verdediging is daardoor het recht tot strafvordering verjaard.
Het hof overweegt hierover het volgende.
De verjaringstermijn is in artikel 70 Sr gekoppeld aan het toepasselijke strafmaximum. Een verandering van wetgeving ten aanzien van het strafmaximum ten gunste van de verdachte na het tijdstip waarop het feit is begaan, wordt op grond van artikel 1, tweede lid, Sr onmiddellijk toegepast (HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878). Als uitgangspunt geldt verder dat verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring direct toepasbaar is met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BKI998).
Ten tijde van de pleegdatum van het tenlastegelegde luidde artikel 70 Sr, voor zover hier van belang, als volgt:
"Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
(...)
3°. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;
4°. in vijftien jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld;”
Op 1 januari 2006 is de verjaringstermijn in het hiervoor genoemde onderdeel 4° verhoogd naar twintig jaren (Stb. 2005, 595).
Sinds 1 april 2013 luiden de hier van belang zijnde onderdelen van artikel 70 Sr als volgt (Stb. 2012, 572):
"Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
(...)
3°. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;
4°. in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.”
Bij het bepalen van de toepasselijke strafbedreiging en daarmee de toepasselijke verjaringstermijn is de tekst van de tenlastelegging bepalend. De vraag die het hof in de kern dient te beantwoorden is of in deze zaak – gelet op de gewijzigde wettelijke regeling per 1 juli 2024 – een opzetaanranding dan wel een gekwalificeerde opzetaanranding is tenlastegelegd. In het eerste geval zou het recht tot strafvordering naar het oordeel van het hof (met terugwerkende kracht) zijn verjaard. In het tweede geval niet.
Hoewel in deze zaak is tenlastegelegd het dwingen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen ‘door geweld of een andere feitelijkheid’ en/of ‘door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid’, volgt uit de overige tekst van de tenlastelegging duidelijk dat de steller ervan bedoeld heeft deze te beperken tot het dwingen tot dulden van een of meer ontuchtige handelingen door ‘een (andere) feitelijkheid’. Die feitelijkheid bestaat volgens de tenlastelegging hierin dat de verdachte het slachtoffer onverhoeds en onnodig zou hebben aangeraakt en betast aan haar billen en/of vagina/kruis en/of zijn in erectie zijnde geslachtsdeel tegen de vagina/het kruis en/of de billen van het slachtoffer zou hebben geduwd.
Opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, eerste lid, (nieuw) Sr is aan de orde wanneer iemand met een persoon seksuele handelingen verricht terwijl diegene weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt. Daarvan zal naar het oordeel van het hof in ieder geval sprake kunnen zijn bij onaangekondigde, onverhoedse seksuele handelingen, zoals in deze zaak tenlastegelegd.
Van gekwalificeerde opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, tweede lid, (nieuw) Sr is sprake als de hiervoor bedoelde opzetaanranding wordt ‘voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang’. Bij een grammaticale uitleg van dit artikellid is naar het oordeel van het hof voor een gekwalificeerde opzetaanranding in beginsel méér nodig dan een onverhoedse aanraking met een seksuele strekking die op zichzelf de opzetaanranding als bedoeld in het eerste lid van artikel 241 (nieuw) Sr oplevert.
Dat de wetgever dit onderscheid ook heeft willen maken in artikel 241 (nieuw) Sr vindt naar het oordeel van het hof steun in de wetsgeschiedenis van de Wet seksuele misdrijven.
In de memorie van toelichting bij de Wet seksuele misdrijven wordt overwogen (Kamerstukken II 2022-2023, 36222, nr. 3):
Pagina 16
"De opzetvariant doet zich voor indien de verdachte daadwerkelijk weet dat de wil tot seksueel contact bij de ander ontbreekt («vol» opzet) of zich bewust is van de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij de ander en die mogelijkheid eenvoudigweg voor lief heeft genomen (voorwaardelijk opzet). Die laatste wezenlijk onverschillige mentale houding kenmerkt de ondergrens van het vereiste opzet. Kort gezegd heeft de «opzetdader» geen boodschap aan de wil van de ander."
Pagina 18
"De opzetvariant van aanranding en verkrachting omvat ook de gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen; de dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven om daarover zijn of haar wil te uiten. De opzetvariant doet zich eveneens voor in situaties waarin de initiator de wilsonvrijheid bij de ander zelf heeft veroorzaakt met gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging. Onder dergelijke omstandigheden kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de dader bewust handelt en de wilsonvrijheid bij de ander heeft gewild. Bij gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging is sprake van een gekwalificeerde delictsvorm (gekwalificeerde opzetaanranding of gekwalificeerde opzetverkrachting). Met deze gekwalificeerde delictsvormen wordt het ernstiger verwijt dat de schuldige wordt gemaakt vanwege deze extra strafwaardige begeleidende omstandigheden tot uitdrukking gebracht."
Pagina 84
"Als van dwingen bij ongewild seksueel contact sprake is geweest, is dat als gezegd - een extra strafwaardige begeleidende omstandigheid. Tot de toepassing van dwang zal doorgaans aanleiding bestaan indien men weet dat de ander het gewenste niet wil. Dit betekent dat deze strafverzwaringsgrond pas in beeld komt wanneer iemand weet, in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de wil van de ander met betrekking tot het seksuele contact ontbreekt en dit contact toch wordt doorgezet. Niet is vereist dat de dwang zodanig is dat de wil van de ander wordt doorbroken. Daarmee is niet van toepassing het (hoge) bewijsvereiste uit de huidige jurisprudentie met betrekking tot het dwangbestanddeel van artikel 246 Sr, inhoudende dat de seksuele handelingen voor het slachtoffer niet of nauwelijks te vermijden zijn geweest en dat hiervoor enige vorm van verzet nodig is of ten minste een bij het slachtoffer bestaande handelingsonvrijheid die de afwezigheid van verzet verklaart. Voor de strafverzwarende omstandigheid dwang komt een wat lager bewijsvereiste te gelden: het volstaat dat zodanige pressie op een ander is uitgeoefend dat die ander daardoor niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft gehad een vrije keuze te maken. Die pressie kan een veelheid aan gedaanten aannemen en kan worden uitgeoefend met gebruik van verschillende middelen. Bij het een ander onmogelijk maken anders te handelen kan worden gedacht aan het veroorzaken van een fysiek beletsel, zoals vastbinden, opsluiten, in het nauw drijven, overrompelen of iemand meevoeren naar een verlaten plek. Bij het verminderen van de keuzemogelijkheden kan het bijvoorbeeld gaan om het creëren van een afhankelijkheidsrelatie. Hierbij valt te denken aan de situatie dat de dader het slachtoffer in sterke mate manipuleert, bijvoorbeeld door de uitoefening van emotionele chantage, of de situatie dat de dader een uitbuitingssituatie creëert. Of het gebruik van een dwangmiddel in een specifiek geval resulteert in dwang, hangt dus af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval."
In de Nota naar aanleiding van het verslag bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer wordt onder meer overwogen (Kamerstukken II 2022-2023, 36222, nr. 7):
Pagina 17
"Het wetsvoorstel strekt ertoe de huidige delicten aanranding en verkrachting te vervangen door een samenstel van nieuwe delicten (schuldaanranding, opzetaanranding, gekwalificeerde opzetaanranding, schuldverkrachting, opzetverkrachting en gekwalificeerde opzetverkrachting). Aldus wordt de drempel voor strafbaarheid wegens aanranding en verkrachting verlaagd, waarmee het strafrechtelijk beschermingsbereik wordt verruimd. De gekwalificeerde delictsvormen zijn inderdaad alleen van toepassing wanneer dwang, geweld of bedreiging kan worden bewezen, zo wordt in reactie op de vraag van de leden van de SGP-fractie opgemerkt. (...) De nieuwe delicten van aanranding en verkrachting geven het openbaar ministerie de mogelijkheid om verschillende varianten in een primair-subsidiair tenlastelegging te verwerken - bijvoorbeeld: gekwalificeerde opzetverkrachting (primair), opzetverkrachting (subsidiair) en schuldverkrachting (meer subsidiair) - zodat in gevallen waarin de rechter vrijspreekt van de gekwalificeerde delictsvorm omdat dwang, geweld of bedreiging niet is bewezen, een veroordeling ter zake van opzetverkrachting of schuldverkrachting mogelijk is. "
Pagina 25
"Hoewel het laatste woord dus aan de rechter is, zal ik in algemene zin proberen meer duidelijkheid te verschaffen over gevalstypen waarin het in de regel niet anders kan zijn dan dat de verdachte de mogelijkheid van een ontbrekende wil voor lief heeft genomen. Ik noem vijf gevalstypen. Het eerste betreft situaties waarin de initiator de wilsonvrijheid bij de ander zelf heeft veroorzaakt met gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging. Dan is sprake van een gekwalificeerde delictsvorm (gekwalificeerde opzetaanranding of gekwalificeerde opzetverkrachting). Het tweede gevalstype betreft gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen; de dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven om daarover zijn of haar wil te uiten. (...)”
Min of meer dezelfde overwegingen staan in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2023-2024, 36222, nr. C):
Pagina 10
"In aanvulling daarop heb ik in de nota naar aanleiding van het verslag in algemene zin meer duidelijkheid willen verschaffen over gevalstypen waarin het in de regel niet anders kan zijn dan dat de verdachte de mogelijkheid van een ontbrekende wil voor lief heeft genomen (Kamerstukken II 2022/23, 36 222, 7, p. 25-26). In dit verband heb ik vijf gevalstypen uitgelicht. Het eerste betreft situaties waarin de dader de wilsonvrijheid bij de ander zelf heeft veroorzaakt met gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging. Dan is sprake van een gekwalificeerde delictsvorm (gekwalificeerde opzetaanranding of gekwalificeerde opzetverkrachting). Het tweede gevalstype betreft gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen; de dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven om daarover zijn of haar wil te uiten."
Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de minister van Justitie en Veiligheid overwogen (Handelingen I 2023-2024, 19 maart 2024, nr. 24, item 8):
Pagina 18
“Minister Yeşilgöz-Zegerius: (...) Van gekwalificeerde aanranding of gekwalificeerde verkrachting is sprake bij gebruik van dwang, geweld of bedreiging rondom de aanranding of verkrachting."
Het hof komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat aan de verdachte in feite een opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, eerste lid, (nieuw) Sr is tenlastegelegd, namelijk het (enkele) onverhoeds seksueel aanraken van het lichaam van aangeefster, zonder dat deze is voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door de in artikel 241, tweede lid, (nieuw) Sr bedoelde dwang. Het misdrijf als bedoeld in artikel 241, eerste lid, (nieuw) Sr wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. De wijziging van strafbedreiging van ten hoogste acht jaren naar zes jaren gevangenisstraf is naar het oordeel van het hof aan te merken als een wijziging als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Sr ten gunste van de verdachte die onmiddellijk moet worden toegepast. Op grond van artikel 70 Sr is dan een verjaringstermijn van toepassing van twaalf jaren. Nu in de twaalf jaren na de pleegdatum van het tenlastegelegde de verjaring niet door een daad van vervolging is gestuit, is het recht tot strafvordering verjaard. De officier van justitie is daarom (alsnog) niet-ontvankelijk in de strafvervolging ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in overweging gegeven in de zaak prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen als bedoeld in artikel 553 Sv. Nu het hof reeds op grond van wat hiervoor is overwogen tot een beslissing komt, is het stellen van prejudiciële vragen niet noodzakelijk. Voor zover de advocaat-generaal daartoe een verzoek heeft gedaan, wordt dit afgewezen.”
4. Het middel
Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de aan de verdachte ten laste gelegde gedragingen na de invoering van de Wet seksuele misdrijven per 1 juli 2024 onder opzetaanranding als bedoeld in art. 241 lid 1 Sr vallen. Dat oordeel, en de daaraan verbonden conclusie dat het feit waarvoor wordt vervolgd is verjaard en de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, geeft volgens de steller van het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In de toelichting op het middel wordt daartoe in de kern aangevoerd dat in de wetsgeschiedenis van de Wet seksuele misdrijven en meer in het bijzonder ten aanzien van art. 241 lid 2 Sr geen aanwijzingen te vinden zijn voor de opvatting dat ‘onverhoeds handelen’ niet onder het bestanddeel ‘dwang’ uit art. 241 lid 2 Sr valt.
In de onderhavige zaak wordt aldus de vraag aan de orde gesteld of ‘onverhoeds handelen’ onder de Wet seksuele misdrijven nog dwang kan opleveren en zo niet, of dat gevolgen heeft voor feiten die zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze wet. Daarmee raakt het middel zoals gezegd aan verandering van wetgeving en in het verlengde daarvan aan vragen rondom verjaring.
5. Het beoordelingskader
Wijziging van wetgeving
De Wet seksuele misdrijven is zoals gezegd in werking getreden op 1 juli 2024. De memorie van toelichting bij de wet houdt in dat de wet van toepassing is op strafbare feiten die na de inwerkingtreding hiervan worden begaan. Daarnaast wordt onderkend dat ingevolge art. 1 lid 2 Sr bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen moeten worden toegepast. Bijzondere bepalingen van overgangsrecht ontbreken, wat meebrengt dat algemene bepalingen en uitgangspunten van overgangsrecht van toepassing zijn.
Die algemene bepalingen en uitgangspunten zijn de volgende. Strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt in beginsel bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Dit vloeit voort uit het in art. 1 lid 1 Sr neergelegde legaliteitsbeginsel. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling, zo bepaalt immers art. 1 lid 1 Sr. Strafbaarstellingen en daarop gestelde straffen mogen dus niet worden toegepast ten aanzien van gedragingen die zijn begaan vóórdat die strafbaarstellingen en straffen in werking zijn getreden.
Dat kan anders zijn in geval van verandering van wetgeving. Art. 1 lid 2 Sr luidt immers:
“Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.”
Dit wordt ook wel het lex mitior-beginsel of het mildheidsgebod genoemd. Als de wet verandert en de onder de oude wet gepleegde strafbare feiten niet meer, of niet meer in dezelfde mate, strafbaar worden geacht als op het moment van het plegen het geval was, dan wordt de nieuwe, voor de verdachte gunstigere regeling toegepast. Art. 1 lid 2 Sr heeft volgens de memorie van toelichting daarbij betrekking op alle veranderingen in de strafwetgeving ‘die op de waardering van het strafbare feit van invloed zijn’. In een arrest van 12 juli 2011 vatte de Hoge Raad zijn rechtspraak over art. 1 lid 2 Sr als volgt samen:
“Deze bepaling, waarin over “de verdachte” wordt gesproken, beperkt zich tot lopende vervolgingen.
Ingeval na het begaan van het feit de delictsomschrijving is gewijzigd in voor de verdachte gunstige zin, is art. 1, tweede lid, Sr toepasselijk indien die wetswijziging voortvloeit uit een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit (vgl. de hiervoor onder 3.2.3 weergegeven overweging alsmede de in de vordering van de Advocaat-Generaal onder 2.10-2.14 weergegeven rechtspraak).
Deze maatstaf is ook wel aangelegd in gevallen waarin na het begaan van het feit de toepasselijke regels van het sanctierecht zijn gewijzigd in voor de verdachte – mogelijk – gunstige zin (vgl. HR 1 april 1997, LJN ZD0676, NJ 1997/442).”
De Hoge Raad oordeelde in voornoemd arrest dat bij een wijziging van sanctierecht een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering voortaan met onmiddellijke ingang moet worden toegepast, als en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt. Van een wijziging van sanctierecht is sprake als het gaat om een verandering van regels die het specifieke maximum van de op te leggen sanctie bepalen of bij verandering van meer algemene regels voor de sanctieoplegging. De Hoge Raad bleef bij zijn bestendige rechtspraak met betrekking tot veranderingen die verband houden met delictsomschrijvingen. De Hoge Raad nam daarbij in aanmerking dat art. 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en de interpretatie daarvan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM of Hof), alsmede art. 15 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en art. 49 lid 1 van het Handvest van de Europese Unie (hierna ook: Handvest) in het bijzonder betrekking hebben op veranderingen in regels van sanctierecht en aldus geen aanleiding geven voor een verandering van zijn rechtspraak. Daarbij merkte de Hoge Raad op dat die bestendige rechtspraak goede grond heeft omdat de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Een uitzondering daarop wordt echter gerechtvaardigd ingeval sprake is van een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten.
Voor wijzigingen in de delictsomschrijving geldt dus dat art. 1 lid 2 Sr alleen van toepassing is voor zover de wetswijziging voortvloeit uit een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit. Hieronder worden ook begrepen veranderingen in bestanddelen of het vervallen van strafbaarstellingen. Pas als van een gewijzigd inzicht van de wetgever ten aanzien van de eerder gepleegde strafbare feiten is gebleken, wordt de voor de verdachte gunstigste bepaling toegepast.
Een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit wordt zelden, maar niet nooit, aangenomen. In zijn vordering tot cassatie in het belang der wet wees A-G Knigge op HR 20 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2491, NJ 1996, 503, m.nt. G. Knigge (over het nitraatgehalte in krulsla); HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1214, NJ 1999, 88, m.nt. J.M. Reijntjes (over het voorhanden hebben van bajonetten) en HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1427, NJ 2009, 463 (over het houden van pitbullterriërs). Daaraan kunnen inmiddels worden toegevoegd HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6435 en ECLI:NL:HR:2011:BT6433 (over het rookverbod in de horeca) en HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5374 (over voorbereidingshandelingen ten aanzien van gedroogde paddenstoelen in de Opiumwet).
Ter illustratie licht ik – enigszins gesimplificeerd – het arrest over het voorhanden hebben van bajonetten eruit. In die zaak was onder meer bewezen verklaard dat de verdachte op 3 augustus 1994 bajonetten voorhanden had gehad. Op de pleegdatum was dat voor een ieder verboden. Op 1 januari 1997, dus na het plegen van het bewezen verklaarde feit, trad een wet in werking als gevolg waarvan het voorhanden hebben van bajonetten uitsluitend strafbaar was voor minderjarigen of als dit het dragen op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaats betrof. Deze wetswijziging gaf volgens de Hoge Raad blijk van een gewijzigd inzicht omtrent de strafwaardigheid van het voorhanden hebben van bajonetten en leverde dus een verandering in de wetgeving op als bedoeld in art. 1 lid 2 Sr. Derhalve moesten met betrekking tot de ten laste gelegde gedraging de nieuwe bepalingen worden toegepast voor zover deze voor de verdachte gunstiger zijn. De Hoge Raad stelde vast dat de verdachte op de pleegdatum de leeftijd van achttien jaren reeds had bereikt en dat uit de bewijsmiddelen niet kon volgen dat de bajonetten op de openbare weg of een openbare plaats werden gedragen. Daarom kon het bewezen verklaarde niet langer worden gekwalificeerd als een strafbaar feit en werd de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Deze zaak en de overige in randnummer 5.1.7 genoemde zaken hebben gemeen dat de op de pleegdatum verrichte gedragingen van de verdachte op enig moment daarna niet (zonder) meer strafbaar waren.
Van een ‘verandering’ in de zin van art. 1 lid 2 Sr is op zichzelf nog geen sprake wanneer de gedraging óók onder een daarna ingevoerde lichtere strafbepaling valt (tenzij dit een geprivilegieerde specialis is) of wanneer een latere wetswijziging een andere kwalificatie oplevert. Bij wijze van voorbeeld licht ik het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2022 uit. De verdachte in die zaak, een politieagent, werd verweten dat hij in 2017 bij een aanhouding aan het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel had toegebracht (art. 302 Sr). Op 1 juli 2022 trad een wet in werking die een strafbaarstelling introduceerde voor overtreding van de geweldsinstructie bij gebruik van geweld door opsporingsambtenaren, met een lager strafmaximum (art. 372 Sr). Omdat de invoering van deze bepaling blijkens de wetgeschiedenis beoogt naast de al bestaande geweldsdelicten een vervolgingsalternatief te bieden en geen verandering heeft gebracht in de mogelijkheid om in voorkomende gevallen bij politiegeweld art. 302 Sr toe te passen, is art. 1 lid 2 Sr volgens de Hoge Raad niet van toepassing. Ook een wetgevingsoperatie strekkende tot ‘stroomlijning en modernisering, en waar mogelijk vereenvoudiging’ in het kader van het strafrechtelijk faillissementsrecht leverde volgens de Hoge Raad geen verandering van inzicht van de wetgever op. Evenmin was sprake van een gewijzigd inzicht in een geval waarin nieuwe bepalingen zijn ingevoerd om ‘enige knelpunten in de praktijk’ op te lossen.
Internationale ontwikkelingen
Het legaliteitsbeginsel komt ook voor in internationale regelgeving, waaronder het EVRM en het Handvest:
- Art. 7 lid 1 EVRM:
“No one shall be held guilty of any criminal offence on account of any act or omission which did not constitute a criminal offence under national or international law at the time when it was committed. Nor shall a heavier penalty be imposed than the one that was applicable at the time the criminal offence was committed.”
- Art. 49 lid 1 Handvest:
"No one shall be held guilty of any criminal offence on account of any act or omission which did not constitute a criminal offence under national law or international law at the time when it was committed. Nor shall a heavier penalty be imposed than that which was applicable at the time the criminal offence was committed. If, subsequent to the commission of a criminal offence, the law provides for a lighter penalty, that penalty shall be applicable."
Anders dan het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie kent het EVRM niet met zoveel woorden een lex mitior-beginsel. In de zaak Scoppola tegen Italië uit 2009 oordeelde het EHRM dat art. 7 EVRM niet alleen een verbod op terugwerkende kracht (non-retroactiviteit) van strengere strafwetten (the harsher criminal law) waarborgt, maar dat daarin ook, impliciet, het beginsel van terugwerkende kracht (retroactiviteit) van mildere strafwetten (the more lenient criminal law) besloten ligt. Hoewel in meer algemene bewoordingen geformuleerd, werd het lex mitior-beginsel door het EHRM aanvankelijk slechts toegepast bij wijzigingen in toepasselijke straffen of het sanctieregime. Recente uitspraken en een recente advisory opinion laten zien dat het EHRM inmiddels een ruimere uitleg geeft aan het beginsel. In het navolgende ga ik hierop nader in en sta ik stil bij de vraag of die uitleg gevolgen moet hebben voor de interpretatie van art. 1 lid 2 Sr.
In een Advisory Opinion van 29 mei 2020 vat het EHRM samen hoe art. 7 EVRM moet worden geïnterpreteerd. Art. 7 EVRM verbiedt de toepassing met terugwerkende kracht van strafrecht als dit in het nadeel van de verdachte is. Dit ziet zowel op bepalingen die de delictsomschrijving (provisions defining the offence) betreffen als op bepalingen waarin de op te leggen straffen worden bepaald. Daarnaast geldt het lex mitior-beginsel: de terugwerkende kracht van een mildere strafwet. Dat betekent dat wanneer er verschillen bestaan tussen het strafrecht dat van kracht was op het moment van het plegen van het strafbare feit en latere strafwetten die zijn aangenomen voordat een definitieve uitspraak is gedaan, de rechter de wet moet toepassen waarvan de bepalingen het gunstigst zijn voor de verdachte. Ten aanzien van wijzigingen die betrekking hadden op straffen, had het EHRM dat zoals gezegd in 2009 al geoordeeld in de zaak Scoppola tegen Italië. In 2019 oordeelde het EHRM in de zaak Parmak en Bakir tegen Turkije voor het eerst dat het beginsel van de terugwerkende kracht van het mildere strafrecht ook van toepassing is in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot delictsomschrijvingen (definition of the offence). Ik merk op dat de uitleg die het EHRM geeft aan art. 7 EVRM niet naadloos aansluit bij art. 1 Sr. Naar Nederlands recht is immers het uitgangspunt dat strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Een latere wet wordt alleen (verplicht) met terugwerkende kracht toegepast in het geval van art. 1 lid 2 Sr. Het EHRM schrijft niet voor welke regelgeving moet worden toegepast, maar schetst wanneer latere regelgeving niet mag, of juist moet worden toegepast.
De Advisory Opinion gaat verder over de toepassing van het verbod van terugwerkende kracht, niet over het lex mitior-beginsel. Desalniettemin is het nuttig stil te staan bij deze overwegingen van het Hof, omdat het Hof ingaat op de vraag welke regels moeten worden toegepast bij opeenvolging van strafwetten in de loop der tijd in het geval dat de door de verdachte verrichte handeling – zij het onder andere benamingen – zowel op het moment van het plegen van het strafbare feit als op het moment van de veroordeling strafbaar was. In dergelijke gevallen probeert het Hof primair vast te stellen of sprake is van continuïteit van het strafbare feit. Het Hof onderkent dat criteria om het oude en het nieuwe recht te vergelijken ontbreken, maar oordeelt dat om vast te stellen of een wet die is aangenomen nadat een strafbaar feit zou zijn gepleegd gunstiger of ongunstiger is voor de verdachte dan de wet die van kracht was op het tijdstip waarop het strafbare feit zou zijn gepleegd, rekening moet worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval (het beginsel van concretisering). Gelet op de algemene formulering, die niet alleen spreekt van ongunstiger maar ook van gunstiger, lijkt dat laatste mij ook van belang voor de toepassing van het lex mitior-beginsel. Het Hof merkt overigens ook op wat niet van belang is: formele indelingen of benamingen die in het nationale recht aan strafbare feiten worden gegeven. Het is bijvoorbeeld niet relevant dat de handelingen van de verdachte op de pleegdatum niet als een afzonderlijk strafbaar feit, maar als een verzwarende omstandigheid strafbaar waren. Ook is niet relevant dat de handelingen van de verdachte eerst als verschillende strafbare feiten strafbaar waren.
Het Hof paste het voorgaande toe in de zaak Sinan Çetinkaya en Ağyar Çetinkaya tegen Turkije. In die zaak was sprake van een na de pleegdatum in werking getreden wet die de strafrechtelijke aansprakelijkheid van verzoekers als hoofd- of mededaders teniet deed. Op basis van de nieuwe wet zouden de verzoekers alleen nog als uitlokkers of medeplichtigen kunnen worden veroordeeld. Omdat de nationale rechters niet hadden aangegeven in welke hoedanigheid zij de verzoekers aansprakelijk hadden gesteld en het dus niet meer mogelijk was hen als hoofd- of mededader te veroordelen, oordeelde het Hof dat er geen actuele rechtsgrondslag kon worden vastgesteld voor de veroordeling van de verzoekers. Ik begrijp dit oordeel zo dat met een nadere onderbouwing een veroordeling voor uitlokking of medeplichtigheid nog wel mogelijk was geweest. Uit deze zaak kan worden afgeleid dat bij de beoordeling van de vraag of een nieuwe wet al dan niet gunstiger is in ieder geval van belang is of de ten laste gelegde gedraging nog steeds (op een of ander manier) strafbaar is gesteld. Zo niet, dan moet op grond van het lex mitior-beginsel de nieuwe wet worden toegepast. Welk recht moet worden toegepast als het ten laste gelegde nog steeds strafbaar is, leert het arrest van het EHRM niet.
In de zaak Mørck Jensen tegen Denemarken was de situatie anders. De verzoeker in die zaak werd vervolgd wegens overtreding van het verbod op het betreden van en verblijven in een specifiek conflictgebied in Syrië, gepleegd in 2017. Dit gebied was aangewezen in een uitvoeringsbesluit (2016) (district al-Raqqa). In een uitvoeringsbesluit van latere datum (2019) gold dat verbod niet meer, omdat het gebied toen niet meer door IS werd gecontroleerd. Het Deense Hooggerechtshof (Højesteret) had vastgesteld dat het uitvoeringsbesluit van 2019 geen wijziging bracht in het Wetboek van Strafrecht zelf en bovendien geen nieuwe definitie gaf van de strafbaarheid van personen die zonder toestemming het verbod op het betreden van en verblijven in de in het uitvoeringsbesluit van 2016 genoemde zones hadden overtreden. De intrekking van het besluit was uitsluitend toe te schrijven aan externe omstandigheden die het gevolg waren van specifieke veranderingen in de situatie in Syrië die zich na het tijdstip van het strafbare feit hadden voorgedaan en die derhalve niet relevant waren voor de vraag of er sprake was van schuld. Het Deense Hooggerechtshof oordeelde daarom dat de handelingen van de verzoeker moesten worden beoordeeld op basis van het strafrecht zoals dat gold op het moment van het plegen van het strafbare feit. Het EHRM merkt in deze zaak op dat de situatie hier aanzienlijk verschilt van andere zaken waarin het lex mitior-beginsel een rol speelt. In deze zaak bleven het Wetboek van Strafrecht en de procedure ongewijzigd. De wijziging van het uitvoeringsbesluit had alleen betrekking op gewijzigde feitelijke omstandigheden die zich na het tijdstip van het strafbare feit hadden voorgedaan als gevolg van specifieke veranderingen in de situatie in Syrië. Zij waren ‘unrelated to the assessment of the criminal act committed’. Daarom ziet het Hof geen reden de vaststelling van het Deense Hooggerechtshof dat de handelingen van de verzoeker moeten worden beoordeeld op basis van de strafrechtwetgeving die van toepassing was op het moment van het strafbare feit ter discussie te stellen.
Daarnaast wijs ik op een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU die mogelijk nog wat meer licht op de zaak werpt. Ingevolge art. 52 lid 3 van het Handvest is de inhoud en reikwijdte van art. 49 lid 1, laatste volzin, Handvest dezelfde als die aan art. 7 EVRM wordt toegekend, waarbij niet wordt verhinderd dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. In een arrest van 1 augustus 2025 (BAJI Trans) overweegt het Hof van Justitie dat de toepassing van art. 49 lid 1, laatste volzin, Handvest (waarin is bepaald dat een wet die dateert van na het begaan van het strafbare feit enkel hoeft te worden toegepast indien die wet ‘provides for a lighter penalty’) een opeenvolging van juridische regelingen in de tijd veronderstelt en berust op de constatering dat deze opeenvolging de uitdrukking vormt van het feit dat binnen de betreffende rechtsorde de opvatting is gewijzigd over ofwel de strafrechtelijke kwalificatie van de feiten die een strafbaar feit kunnen vormen, ofwel de op dat feit toe te passen straf, op een wijze die gunstig is voor de pleger ervan. Het Hof merkt bovendien onder verwijzing naar de hiervoor genoemde zaak Mørck Jensen tegen Denemarken op dat het EHRM heeft geoordeeld dat artikel 7 EVRM niet waarborgt dat een wijziging van de regeling die voor de pleger van het strafbare feit gunstiger is, met terugwerkende kracht wordt toegepast wanneer die wijziging uitsluitend wordt verklaard door een wijziging van de feitelijke omstandigheden sinds het begaan van dat strafbare feit en dus irrelevant is voor het onderzoek van het strafbare feit als zodanig. Ik leid hieruit af dat het Hof van Justitie in de door het EHRM gegeven uitleg van art. 7 EVRM ruimte ziet om een gewijzigde opvatting als criterium te hanteren, waarbij overigens onduidelijk blijft wat daaronder dan moet worden verstaan.
Uit deze Europese jurisprudentie, gelezen in samenhang met de genoemde Advisory Opinion, volgt mijns inziens dat ook ten aanzien van de inhoud van delictsomschrijvingen geldt dat de verdachte moet profiteren van voor hem gunstige wetswijzigingen. Of daarvan sprake is moet worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval. Van een voor de verdachte gunstige wetswijziging is in ieder geval sprake als in de nieuwe wet het de verdachte verweten gedrag niet meer (zonder meer) strafbaar wordt gesteld. Helemaal absoluut is dat niet, want dat de wijziging ‘unrelated (is) to the assessment of the criminal act committed’ kan daarbij een rol kan spelen. Een dwingende aanleiding voor bijstelling van de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot verandering van wetgeving lees ik hierin niet terug. Of het EHRM zal oordelen dat de Nederlandse praktijk voldoet aan de eisen van art. 7 EVRM zal mogelijk afhangen van de uitleg die wordt gegeven aan het criterium van het gewijzigd inzicht.
Verjaring (art. 70 Sr) en het ten laste gelegde delict
Ten tijde van de pleegdatum van het ten laste gelegde feit in de onderhavige zaak luidde art. 70 lid 1 (oud) Sr, voor zover van belang, als volgt:
“1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
(…)
3° in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;
4° in vijftien jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld.”
Op 1 januari 2006 is de verjaringstermijn onder 4° verhoogd naar twintig jaren. Per 1 april 2013 luidt art. 70 lid 1 Sr als volgt:,
“1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
(…)
3° in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;
4° in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.”
Als er wijzigingen plaatsvinden in de wetgeving met betrekking tot de verjaring, is uitgangspunt dat die wijziging direct van toepassing is. Dat geldt ook ten aanzien van strafbare feiten die voor de betreffende wijziging zijn gepleegd en waarvan de verjaringstermijn nog loopt. Een voltooide verjaring wordt echter altijd geëerbiedigd. Een eenmaal verjaard vervolgingsrecht herleeft dus ook niet meer in het geval het strafmaximum op het betreffende strafbare feit wordt verhoogd. Als tijdens een lopende verjaringstermijn een strafmaximum wordt verhoogd, en daardoor een andere verjaringstermijn van toepassing is, wordt wél de nieuwe termijn toegepast.
Feitelijke aanranding van de eerbaarheid ex art. 246 (oud) Sr werd bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal acht jaren. Voor een, zoals ten laste gelegd, in 2004 gepleegde aanranding gold dus aanvankelijk een verjaringstermijn van vijftien jaren, die met ingang van 1 januari 2006 is verhoogd tot twintig jaren. Opzetaanranding zoals bedoeld in art. 241 lid 1 Sr wordt bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal zes jaren, wat meebrengt dat de verjaringstermijn twaalf jaren bedraagt. Op gekwalificeerde opzetaanranding zoals bedoeld in art. 241 lid 2 Sr staat een gevangenisstraf van maximaal acht jaren. Dat betekent dat de verjaringstermijn voor dat feit twintig jaren is.
De zedenwetgeving
a. Art. 246 (oud) Sr – feitelijke aanranding van de eerbaarheid
De tenlastelegging in de onderhavige zaak, die is uitgebracht vóór de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven, is toegesneden op art. 246 (oud) Sr, dat luidde:
“Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Voor een veroordeling op grond van art. 246 (oud) Sr is aldus vereist dat het slachtoffer is gedwongen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. Van dwingen in de zin van art. 246 (oud) Sr is volgens de Hoge Raad slechts sprake “indien de verdachte heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de in art. 246 Sr bedoelde handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.”
Uit de tekst van art. 246 (oud) Sr volgt dat er verschillende vormen van dwang bestaan: dwang door geweld, door een feitelijkheid of door bedreiging met geweld of met een feitelijkheid. Gelet op de vaststellingen van het hof in de onderhavige zaak beperk ik mij in het navolgende tot ‘dwang door een (andere) feitelijkheid’. De dwangmiddelen ‘andere feitelijkheid’ en ‘bedreiging met een andere feitelijkheid’ zijn in 1991 aan art. 242 (oud) Sr en art. 246 (oud) Sr toegevoegd. De voorzet hiertoe was gegeven door de Adviescommissie Zedelijkheidswetgeving (Commissie Melai, hierna ook: de Commissie). Volgens de Commissie liet de aard van het te beschermen rechtsgoed – het recht op seksuele zelfbeschikking – niet toe dat het bestanddeel ‘dwang’ een te beperkte omschrijving zou krijgen. De strafbaarstelling van verkrachting en aanranding heeft volgens de Commissie immers niet alleen tot doel “zeer ernstige, mede door de aard van het gebruikte geweld bepaalde, normoverschrijdingen te treffen”, maar “ook en vooral (…) de veiligheid of het gevoel van veiligheid van de rechtsgenoten in het sociale verkeer te verzekeren”. Onder ‘andere feitelijkheden’ moeten worden verstaan “gedragingen (…) die in de gegeven omstandigheden iemand kunnen dwingen haars of zijns ondanks sexuele handelingen te dulden of te plegen”, aldus de Commissie. Minister van Justitie Korthals Altes onderschreef de uitleg van de Commissie en verdedigde de uitbreiding met ‘dwingen door een andere feitelijkheid’ door te verwijzen naar “recent criminologisch onderzoek (waaruit) valt af te leiden dat sexueel contact, afgedwongen met andere onaanvaardbare dwangmiddelen dan geweld of bedreiging daarmee, tamelijk frequent voorkomt”. Uit de memorie van antwoord bij het voorstel tot wijziging van de artikelen 242 (oud) en art. 246 (oud) Sr blijkt dat deze vorm van dwang aan de artikelen werd toegevoegd omdat daardoor “een aantal situaties onder de werking van dit artikel worden gebracht die inderdaad even bedreigend kunnen zijn als geweld of bedreiging met geweld”. Deze uitbreiding zou eraan kunnen bijdragen dat bijvoorbeeld ook ongewenste intimiteiten op de werkvloer onder de bepaling zouden kunnen vallen, maar de feitelijkheid moest wel zo bedreigend zijn “dat het slachtoffer er ook echt door gedwongen wordt, dus geen weerstand kan bieden” en dat “wanneer zij niet wordt gebezigd, het slachtoffer niet zou hebben gehandeld of nagelaten, althans niet op het ogenblik waarop en in de omstandigheden waarin hij (zij) thans gehandeld heeft of niet gehandeld heeft.” Uit deze wetsgeschiedenis kan opgemaakt worden dat het bestanddeel ‘feitelijkheid’ voornamelijk bedoeld was als uitbreiding naar vormen van dwang die geen geweld betreffen, maar wel net zo bedreigend en dwingend kunnen zijn.
Een van de vormen waaruit dwang in de zin van art. 242 (oud) Sr en art. 246 (oud) Sr kon bestaan, betreft onverhoeds handelen. De term ‘onverhoeds handelen’ is in de wetsgeschiedenis van de bepalingen niet terug te vinden, maar wel in de rechtspraak daarover. Al in 1947 oordeelde de Hoge Raad dat sprake is van (voltooide) feitelijke aanranding van de eerbaarheid “zoodra de dader door den uitgeoefenden dwang de overhand heeft gekregen, of indien hij door onverhoeds gewelddadig handelen verzet heeft weten te voorkomen”. Deze zaak betrof een verdachte die een 23-jarige vrouw op de openbare weg plotseling van achteren had aangevallen, zijn armen om haar hals had geslagen en krachtig had vastgehouden, door welk geweld zij – omdat zij zich niet voldoende kon verzetten – werd gedwongen ontuchtige aanrakingen “aan en nabij haar vrouwelijkheid en aan haar borsten van hem te dulden”. In zijn conclusie voor HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5381 wijst A-G Jörg erop dat de Hoge Raad in dit arrest “onverwachtheid van de aanranding (in) de dwang heeft gesitueerd”. In de zaak die leidde tot HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3040 was de verdachte onverhoeds met zijn penis binnengedrongen bij een slachtoffer van ruim tachtig jaren oud. Het slachtoffer verklaarde dat zij zich wilde verzetten en gilde en schreeuwde dat de verdachte op moest houden en weg moest gaan, maar dat de verdachte te sterk was. Het hof had bewezen verklaard dat de verdachte het slachtoffer door geweld had gedwongen, waarbij dat geweld bestond uit het onverhoeds brengen van de penis in de vagina van het slachtoffer. De Hoge Raad verwees voor zijn oordeel naar de conclusie van A-G Machielse, die van mening was dat het hof onder de hiervoor genoemde omstandigheden had kunnen aannemen dat het bewezen verklaarde handelen als geweld was te kenmerken. De conclusie hield verder onder meer in (met overneming en doornummering van voetnoten):
“3.2 (…) Van dwingen kan sprake zijn niet alleen als verzet gebroken wordt, maar ook als het onverhoedse karakter van het handelen van verdachte het slachtoffer overvalt en verzet voorkómt. De delictshandeling en het aanwenden van dwang door middel van geweld of een feitelijkheid zullen dan kunnen samenvallen. Denk aan het geval waarin iemand een vrouw onverhoeds bij haar borsten grijpt. Het overvalkarakter van het ontuchtig handelen levert dan meteen de in art. 246 Sr geëiste dwang op. De omstandigheden van het geval zullen doorslaggevend kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of er in grensgevallen van 'geweld' gesproken kan worden. Ik wijs er daarbij op dat de scheidslijn met de 'feitelijkheden' niet haarscherp is uit te tekenen. Een gedraging gepleegd jegens een jong meisje kan geweld zijn terwijl zo een gedraging bij lange na niet geëigend lijkt het verzet van een volwassen man te breken. Ook eerdere voorvallen kunnen een rol spelen. Ik citeer de Hoge Raad:
"Vooropgesteld moet worden dat de grens tussen "geweld" en "een andere feitelijkheid", in de zin van art. 242 Sr, niet steeds scherp zal kunnen worden getrokken, zodat die afgrenzing in voorkomende gevallen mede zal afhangen van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval."”
In voornoemde zaken was sprake van onverhoeds handelen dat dwang door geweld opleverde. Doorgaans wordt onverhoeds (seksueel) handelen echter niet als geweld aangemerkt, maar als dwang door een feitelijkheid. In de zaak die leidde tot HR 22 mei 2007, ECLI:HR:NL:2007:BA0862 had het hof (kennelijk) geoordeeld dat het slachtoffer als gevolg van “het onverhoeds binnenlopen van de woning van het slachtoffer” en “het doorgaan met de ontuchtige handelingen ondanks dat het slachtoffer (meermalen) zei dat hij daarmee niet moest doorgaan” geen weerstand kon bieden aan de verdachte en aldus werd gedwongen tot het dulden van diens ontuchtige handelingen (op de mond zoenen, borststreek en (bedekte) schaamstreek betasten, haar hand op zijn kruis leggen). De Hoge Raad oordeelde dat dat mede gelet op de leeftijden van de verdachte (27 jaren) en het slachtoffer (77 jaren), de overige bewijsmiddelen en in aanmerking genomen de (ook hiervoor onder 5.4.3 genoemde) wetsgeschiedenis niet getuigde van een onjuiste uitleg van de term ‘feitelijkheid’ als bedoeld in art. 246 (oud) Sr. Andere voorbeelden van onverhoeds handelen zijn het plotseling aanraken van de borsten, het geleidelijk en onverwachts verplaatsen van vingers van de liezen naar de vagina, het opzettelijk botsen met het onderlichaam tegen de billen van iemand (die toen voorover gebogen stond) en het onverhoeds steken van een hand in een onderbroek en het betasten van geslachtsdelen. In dergelijke gevallen is de feitelijkheid waarmee wordt gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling dezelfde handeling als de ontuchtige handeling zelf. Het is het ‘dwingende en onverhoedse karakter’ dat maakt dat het slachtoffer in een dergelijk geval wordt gedwongen de ontuchtige handelingen te dulden.
Van dwang kan aldus ook sprake zijn als een slachtoffer zich door het onverhoedse karakter van het handelen van de verdachte daartegen niet heeft kunnen verzetten. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat onverhoeds handelen gezien moet worden als verzamelterm voor gedragingen met een ‘overvalkarakter’, dat wil zeggen handelingen die opeens, plotseling, uit het niets plaatsvinden. Het slachtoffer wordt erdoor overrompeld, als gevolg waarvan het geen kans heeft zich een mening te vormen over het gedrag of in staat is zich daaraan te onttrekken.
b. Art. 241 Sr – opzetaanranding en gekwalificeerde opzetaanranding
Art. 241 Sr luidt naar geldend recht als volgt:
“1. Als schuldig aan opzetaanranding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie, degene die met een persoon seksuele handelingen verricht terwijl diegene weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt.
2. Als schuldig aan gekwalificeerde opzetaanranding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie, degene die zich schuldig maakt aan het misdrijf omschreven in het eerste lid, voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld, of bedreiging.”
In de memorie van toelichting bij de Wet seksuele misdrijven is onder meer het volgende opgenomen:
- Pagina 2-3
“De strafwetgeving weerspiegelt in belangrijke mate de heersende seksuele moraal en normeert gedrag dat vanuit maatschappelijk oogpunt bezien bestraffing verdient. Als gevolg van verschillende maatschappelijke, technologische en juridische ontwikkelingen is de huidige zedenwetgeving verouderd geraakt. Mede onder invloed van internationale ontwikkelingen zijn de afgelopen jaren de opvattingen binnen onze samenleving over seksuele grensoverschrijding strikter geworden en zijn de grenzen over welk gedrag strafwaardig is verschoven. Daarnaast is de maatschappelijke aandacht voor en het bewustzijn van het leed dat slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag wordt aangedaan toegenomen. Ook zijn als gevolg van technologische ontwikkelingen, andere en nieuwe (geheel of deels) online verschijningsvormen van seksuele grensoverschrijding ontstaan, waarvan in het bijzonder kinderen het risico lopen slachtoffer te worden. De huidige strafwet schiet als gevolg van voornoemde ontwikkelingen tekort in de strafrechtelijke bescherming tegen (online) seksueel geweld, seksueel kindermisbruik en seksueel getint overlastgevend gedrag, onder meer met betrekking tot de strafbaarstelling van aanranding, verkrachting, seksuele benadering van kinderen en van seksuele intimidatie.
Een actueel en effectief strafrechtelijk instrumentarium is van wezenlijk belang voor een veilige samenleving. Voor een adequate strafrechtelijke vertaling van de sociale normen met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag en gericht strafrechtelijk optreden tegen dit gedrag is het nodig en wenselijk de strafwetgeving bij de tijd te brengen. Hiermee wordt de strafrechtelijke normstelling ook meer in lijn gebracht met de toepasselijke internationale verplichtingen. Wetswijziging is hiervoor het passende instrument. Dit vloeit voort uit het in artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht vastgelegde legaliteitsbeginsel: de wet bepaalt welke gedragingen strafbaar zijn. Oplossingen binnen het bestaande strafrechtelijke kader, zoals intensivering van de
handhaving, zijn onvoldoende effectief en volstaan niet, omdat uitsluitend via wetswijziging in uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid kan worden voorzien. Aanscherping en verduidelijking van de normstelling inzake seksuele misdrijven kunnen niet aan de rechtspraktijk
worden overgelaten. Het is de taak van de wetgever om te voorzien in actuele, bij de maatschappelijke realiteit aansluitende, heldere en toegankelijke strafwetgeving, waardoor voorzienbaar is welk handelen of nalaten waarmee een norm wordt overschreden kan leiden tot het opleggen van een straf.
Dit wetsvoorstel vervangt in Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht de huidige Titel XIV Misdrijven tegen de zeden door een nieuwe Titel XIV Seksuele misdrijven. Hierin wordt de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor verschillende vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag opnieuw vastgesteld en begrensd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld (aanranding en verkrachting) wordt uitgebreid en gemoderniseerd. (…) Hiermee wordt tevens gevolg gegeven aan de aanbeveling uit het WODC-onderzoek «Herziening van de zedendelicten?» om de huidige zedenwetgeving technisch-juridisch te herzien en de wettelijke systematiek te vereenvoudigen en
verduidelijken.”
- Pagina 5-8 (met weglating van voetnoten)
“2.1 Veranderde opvattingen over de strafwaardigheid van seksueel grensoverschrijdend gedrag
Seksueel grensoverschrijdend gedrag is een wijdverbreid en hardnekkig probleem, waarvan veel mensen in Nederland slachtoffer worden. Uit de prevalentiemonitor Huiselijk en Seksueel Geweld 2020 blijkt dat circa 470.000 hebben personen aangegeven in de twaalf maanden voorafgaand
aan het onderzoek slachtoffer te zijn geweest van fysiek seksueel geweld, variërend van ongewenste aanrakingen tot expliciete seksuele handelingen als seksuele penetratie. (…)
Ook lichtere vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, zoals seksuele intimidatie, komen dikwijls voor in Nederland en de maatschappelijke bewustwording hierover neemt toe. (…)
Ook online worden mensen slachtoffer van seksuele intimidatie. (…)
Veel ons omringende landen hebben recent, mede onder invloed van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) hun strafwetgeving met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag herzien of hebben nieuwe wetgeving in voorbereiding. (…)
Seksuele autonomie en seksuele gelijkwaardigheid zijn belangrijke thema’s in onze samenleving. Mede onder invloed van voornoemde internationale ontwikkelingen en ook in het kader van de totstandkoming van dit wetsvoorstel is de afgelopen periode in Nederland een maatschappelijke discussie op gang gekomen over de strafbaarheid van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het maatschappelijk gesprek maakt duidelijk dat de grenzen zijn opgeschoven van wat binnen onze samenleving als acceptabel en toelaatbaar seksueel gedrag wordt beschouwd. Ook is er meer aandacht gekomen voor de positie van slachtoffers. Sneller komen de grenzen van wat als strafwaardig gedrag wordt gezien in beeld en grensoverschrijdend gedrag wordt sterker afgekeurd. Dit geldt zowel voor ernstiger vormen van seksuele grensoverschrijding, zoals seksueel geweld, dat strafbaar is gesteld als aanranding en verkrachting. Maar ook voor lichtere vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag dat bestaat uit seksuele intimidatie, dat op dit moment nog niet als zodanig strafbaar is gesteld.”
- Pagina 8-10
“2.2 Tekortschietende strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld
Uit de maatschappelijke discussie over seksueel geweld komt heel duidelijk naar voren dat de sociale norm is dat seksueel contact vrijwillig en gelijkwaardig behoort te zijn en dient te berusten op wederzijds goedvinden. Onvrijwillige en ongelijkwaardige seksuele interactie is altijd strafwaardig, ongeacht of sprake is van gebruik van dwang, geweld of bedreiging door de pleger dan wel of het slachtoffer zich heeft verzet. Er is brede consensus dat niet het doorbreken van de wil bij de ander, maar een ontbrekende wil met betrekking tot het seksuele contact bij de ander uitgangspunt voor strafrechtelijke aansprakelijkheid dient te zijn. (…)
De huidige strafwetgeving weerspiegelt onvoldoende de actuele maatschappelijke opvattingen over de strafbaarheid van seksueel geweld. In de delicten aanranding (afgedwongen ontuchtige handelingen) en verkrachting (afgedwongen handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam) (de artikelen 242 en 246 Sr) staat niet de wederkerigheid van seksueel contact centraal, maar het dwingen van de ander. Het beeld dat uit de jurisprudentie over aanranding en verkrachting naar voren komt is dat de juridische drempel voor strafbaarheid nu soms niet wordt gehaald, terwijl wel sprake is van onvrijwilligheid aan de zijde van het slachtoffer. (…). De huidige strafwet biedt aldus onvoldoende bescherming aan slachtoffers die in een situatie verkeren waarin ze geen seksueel contact willen, maar waarmee geen of onvoldoende rekening wordt gehouden door de ander. De mogelijkheden voor strafrechtelijk optreden tegen seksueel geweld schieten tekort. Omdat de juridische lat voor strafbaarheid bij aanranding en verkrachting te hoog ligt gaan plegers vrijuit in plaats dat grensoverschrijdend gedrag wordt vervolgd, bestraft en gecorrigeerd. Slachtoffers krijgen onvoldoende genoegdoening van het leed dat hun wordt aangedaan.
Daarnaast geeft de huidige strafwet een onvoldoende helder signaal af dat alle vormen van seksueel geweld onacceptabel zijn en het strafbare feit aanranding of verkrachting opleveren. (…)
In het licht van voornoemde ontwikkelingen is er aanleiding de strafrechtelijke bescherming bij de tijd te brengen en te verbeteren, zodat beter opgetreden kan worden tegen seksueel geweld. Hiervoor is het nodig en wenselijk de huidige delicten aanranding en verkrachting te vervangen
door nieuwe delicten en de drempel voor strafbaarheid wegens aanranding en verkrachting te verlagen.”
- Pagina 15
“3.2 Schuldaanranding, opzetaanranding, gekwalificeerde opzetaanranding, schuldverkrachting, opzetverkrachting en gekwalificeerde opzetverkrachting
In de nieuwe Titel Seksuele misdrijven wordt de strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld verruimd. Deze verruiming is ingegeven door verschillende in hoofdstuk 2 van deze memorie beschreven maatschappelijke, juridische en technologische ontwikkelingen die noodzaken tot verlaging van de drempel voor strafbaarheid wegens aanranding en verkrachting. De huidige delicten aanranding en verkrachting worden vervangen door nieuwe delicten. Het betreft vier delicten met zes verschillende kwalificaties: schuldaanranding, opzetaanranding, gekwalificeerde opzetaanranding, schuldverkrachting, opzetverkrachting en gekwalificeerde opzetverkrachting. De strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt aangescherpt. Bij de schulddelicten ontstaat strafbaarheid als seksuele handelingen worden verricht terwijl iemand ernstige reden heeft om te vermoeden dat bij de ander de wil hiertoe ontbreekt. Bij de opzetdelicten is iemand strafbaar als diegene seksuele handelingen verricht in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Het gebruik van dwang, geweld of bedreiging is geen voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, maar een strafverzwarende delictsvorm van de opzetdelicten.”
- Pagina 16
“De opzetvariant doet zich voor indien de verdachte daadwerkelijk weet dat de wil tot seksueel contact bij de ander ontbreekt («vol» opzet) of zich bewust is van de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij de ander en die mogelijkheid eenvoudigweg voor lief heeft genomen (voorwaardelijk opzet). Die laatste wezenlijk onverschillige mentale houding kenmerkt de ondergrens van het vereiste opzet. Kort gezegd heeft de «opzetdader» geen boodschap aan de wil van de ander.”
- Pagina 17
“Bij opzetaanranding en opzetverkrachting is het strafrechtelijk verwijt jegens degene die deze delicten begaat dat diegene het seksuele contact initieert terwijl diegene ten tijde van dat contact wetenschap heeft van een ontbrekende wil bij de ander. Daarvan is sprake indien diegene daadwerkelijk weet dat de wil hiertoe bij de ander ontbreekt («vol» opzet), maar ook indien diegene zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of, in andere woorden, voor lief of op de koop toe neemt (voorwaardelijk opzet). Die laatste wezenlijk onverschillige mentale houding kenmerkt de ondergrens van het hier vereiste opzet.”
- Pagina 18
“De opzetvariant van aanranding en verkrachting omvat ook de gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen; de dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven om daarover zijn of haar wil te uiten. De opzetvariant doet zich eveneens voor in situaties waarin de initiator de wilsonvrijheid bij de ander zelf heeft veroorzaakt met gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging. Onder dergelijke omstandigheden kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de dader bewust handelt en de wilsonvrijheid bij de ander heeft gewild. Bij gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging is sprake van een gekwalificeerde delictsvorm (gekwalificeerde opzetaanranding of gekwalificeerde opzetverkrachting). Met deze gekwalificeerde delictsvormen wordt het ernstiger verwijt dat de schuldige wordt gemaakt vanwege deze extra strafwaardige begeleidende omstandigheden tot uitdrukking gebracht.”
- Pagina 77
“In de delictsvormen gekwalificeerde opzetaanranding (artikel 241, tweede lid) en gekwalificeerde opzetverkrachting (artikel 243, tweede lid) wordt het gebruik van dwang, geweld of bedreiging als strafverzwarend aangemerkt. De aanwezigheid van een dwangsituatie is hiermee niet langer een voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, maar geldt als bijkomende omstandigheid die een ernstiger strafrechtelijk verwijt indiceert.”
- Pagina 81
“Artikel 241
In artikel 241 worden opzetaanranding (eerste lid) en gekwalificeerde opzetaanranding (tweede lid) strafbaar gesteld. Het eerste lid is deels nieuw en deels de rechtsopvolger van de artikelen 247 Sr (ontucht met een geestelijk of lichamelijk onmachtige persoon) en 249, tweede lid, Sr (ontucht met een functioneel afhankelijke persoon). (…) Het tweede lid stelt opzetaanranding voorafgegaan door, vergezeld van, of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging strafbaar onder de kwalificatie gekwalificeerde opzetaanranding. Dit is de rechtsopvolger van het huidige artikel 246 Sr (aanranding).
Eerste lid
Het enige verschil met de delictsomschrijving van schuldaanranding is dat voor strafbaarheid wetenschap van de ontbrekende wil van de ander is vereist. Daarvan is sprake indien diegene daadwerkelijk weet dat de wil hiertoe bij de ander ontbreekt («vol» opzet), maar ook indien diegene zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of, in andere woorden, voor lief of op de koop toe neemt (voorwaardelijk opzet).”
- Pagina 82
“Voor het bewijs van wetenschap van een ontbrekende wil in de hiervoor bedoelde zin zijn de omstandigheden waaronder het seksuele contact plaatsvindt van belang. (…). Wanneer kan worden vastgesteld dat degene die het seksuele contact aangaat wezenlijk onverschillig tegenover deze negatieve of passieve opstelling van de ander staat, zal sprake zijn van opzetaanranding. (…) Wezenlijke onverschilligheid wat betreft de aanwezigheid van een positieve wilsuiting bij de ander doet zich voor bij onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen; de dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven om daarover zijn of haar wil te uiten. Datzelfde geldt als iemand de wilsvrijheid van de ander zelf heeft beperkt, bijvoorbeeld met gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging.”
- Pagina 84
“Tweede lid
In het tweede lid wordt opzetaanranding die wordt voorafgegaan door, vergezeld van of wordt gevolgd door dwang, geweld of bedreiging strafbaar gesteld. Met deze gekwalificeerde vorm wordt het in het eerste lid strafbaar gestelde feit vanwege deze extra strafwaardige begeleidende omstandigheden als ernstiger aangemerkt. (…). Er dient sprake te zijn van een zekere samenhang tussen de verrichte seksuele handelingen en deze begeleidende omstandigheden. De beoordeling hiervan vindt plaats aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. (…) Tot de toepassing van dwang zal doorgaans aanleiding bestaan indien men weet dat de ander het gewenste niet wil. Dit betekent dat deze strafverzwaringsgrond pas in beeld komt wanneer iemand weet, in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de wil van de ander met betrekking tot het seksuele contact ontbreekt en dit contact toch wordt doorgezet. Niet is vereist dat de dwang zodanig is dat de wil van de ander wordt doorbroken. Daarmee is niet van toepassing het (hoge) bewijsvereiste uit de huidige jurisprudentie met betrekking tot het dwangbestanddeel van artikel 246 Sr, inhoudende dat de seksuele handelingen voor het slachtoffer niet of nauwelijks te vermijden zijn geweest en dat hiervoor enige vorm van verzet nodig is of ten minste een bij het slachtoffer bestaande handelingsonvrijheid die de afwezigheid van verzet verklaart. Voor de strafverzwarende omstandigheid dwang komt een wat lager bewijsvereiste te gelden: het volstaat dat zodanige pressie op een ander is uitgeoefend dat die ander daardoor niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft gehad een vrije keuze te maken. Die pressie kan een veelheid aan gedaanten aannemen en kan worden uitgeoefend met gebruik van verschillende middelen. Bij het een ander onmogelijk maken anders te handelen kan worden gedacht aan het veroorzaken van een fysiek beletsel, zoals vastbinden, opsluiten, in het nauw drijven, overrompelen of iemand meevoeren naar een verlaten plek. (…) Of het gebruik van een dwangmiddel in een specifiek geval resulteert in dwang, hangt dus af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.”
- Pagina 85
“Gekwalificeerde opzetaanranding is bewijstechnisch eenvoudiger van opzet dan het huidige delict aanranding. Uit de bewijsmiddelen hoeft niet te blijken dat het slachtoffer naar redelijke verwachting niets anders kon doen dan mee te werken. (…) Op de gekwalificeerde variant van opzetaanranding komt een strafmaximum van acht jaren gevangenisstraf te staan (of geldboete van de vijfde categorie). Hiermee wordt aangesloten bij het strafmaximum voor het huidige delict aanranding.”
De nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer) houdt verder in:
- Pagina 24-25
“Kort gezegd veronderstellen zowel de opzet- als de schuldvariant dat de dader het seksueel contact aanvangt of voortzet, terwijl diegene zich bewust is van duidelijke signalen dat bij de ander de wil tot seksueel contact ontbreekt. Het voor de opzetvariant vereiste opzet is aanwezig wanneer de dader zich ten minste bewust is van deze mogelijkheid en die reële kans eenvoudigweg accepteert, voor lief neemt (voorwaardelijk opzet). De wezenlijke onverschilligheid die hierin tot uitdrukking komt, kenmerkt de ondergrens van de opzetvariant. (…)
Het voorgaande laat onverlet dat bepaalde gedragingen van de verdachte zo zeer wezenlijke onverschilligheid ten aanzien van de wil tot seksueel contact bij de ander uitdrukken, dat het – behoudens contra-indicaties (vgl. Hoge Raad 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396) – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de mogelijkheid van een ontbrekende wil voor lief heeft genomen. Hoewel het laatste woord dus aan de rechter is, zal ik in algemene zin proberen meer duidelijkheid te verschaffen over gevalstypen waarin het in de regel niet anders kan zijn dan dat de verdachte de mogelijkheid van een ontbrekende wil voor lief heeft genomen. Ik noem vijf gevalstypen. Het eerste betreft situaties waarin de initiator de wilsonvrijheid bij de ander zelf heeft veroorzaakt met gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging. Dan is sprake van een gekwalificeerde delictsvorm (gekwalificeerde opzetaanranding of gekwalificeerde opzetverkrachting). Het tweede gevalstype betreft gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen; de dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven om daarover zijn of haar wil te uiten. (…)”
De nota naar aanleiding van het verslag (Eerste Kamer) houdt in:
- Pagina 10
“De wetgever kan slechts bij benadering en in algemene zin antwoord geven op de vraag bij welke gedragingen en onder welke omstandigheden sprake is van de opzet- of schuldvariant. (…). Tegen die achtergrond strekken de vele voorbeelden die in de memorie van toelichting zijn opgenomen er mede toe licht te werpen op omstandigheden waarbinnen de opzet- en schuldvariant zich kunnen voordoen. In aanvulling daarop heb ik in de nota naar aanleiding van het verslag in algemene zin meer duidelijkheid willen verschaffen over gevalstypen waarin het in de regel niet anders kan zijn dan dat de verdachte de mogelijkheid van een ontbrekende wil voor lief heeft genomen (Kamerstukken II 2022/23, 36 222, 7, p. 25-26). In dit verband heb ik vijf gevalstypen uitgelicht. Het eerste betreft situaties waarin de dader de wilsonvrijheid bij de ander zelf heeft veroorzaakt met gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging. Dan is sprake van een gekwalificeerde delictsvorm (gekwalificeerde opzetaanranding of gekwalificeerde opzetverkrachting). Het tweede gevalstype betreft gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen; de dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven om daarover zijn of haar wil te uiten.”
Tijdens de parlementaire behandeling door de Eerste Kamer heeft de Minister van Justitie en Veiligheid het volgende naar voren gebracht:
“Met dit wetsvoorstel wordt de ondergrens van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor aanranding en verkrachting verlaagd. Onvrijwilligheid aan de zijde van het slachtoffer is daarmee voldoende. Dat is echt een hele fundamentele verandering. Het is heel terecht dat hier zeer wordt doorgevraagd op wat dat dan precies betekent, want dat moet in de praktijk voor iedereen helder zijn. Het is een hele fundamentele verandering die vandaag ingaat, als de wet wordt aangenomen, wat ik hoop. Voor dwang is onder de huidige wet vereist dat er sprake is van enige vorm van verzet of van een vaststelling die de afwezigheid van verzet verklaart, zoals onvrijheid veroorzaakt door geweld of een bedreigende sfeer. Bij de nieuwe delicten volstaat voor strafbaarheid dat iemand seksueel contact heeft met een persoon terwijl diegene weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat bij die persoon de wil daartoe ontbreekt. Concreet betekent dit dus dat de volgende twee gevallen op grond van de huidige delicten niet altijd strafbaar zijn, maar op grond van de nieuwe delicten in de regel wel: seksueel contact na een enkel nee van het slachtoffer en seksueel contact in de situatie waarin het slachtoffer bijvoorbeeld bevriest door angst, en zich daardoor dus niet kan uiten of verzetten. Van gekwalificeerde aanranding of gekwalificeerde verkrachting is sprake bij gebruik van dwang, geweld of bedreiging rondom de aanranding of verkrachting.”
Toepassing van de huidige zedenwetgeving
Sinds de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven wordt er door het openbaar ministerie in voorkomende gevallen voor gekozen onverhoeds handelen dat is gepleegd na 1 juli 2024 ten laste te leggen als opzetaanranding. Dit staat het openbaar ministerie uiteraard vrij en is in lijn met de strafvorderingsrichtlijn voor aanranding van het openbaar ministerie, waarin het (onverhoeds) knijpen/betasten/aanraken van borsten en billen (boven de kleding) en het (onverhoeds) betasten van de blote vagina/penis in de categorie “opzetaanranding” valt. Het betasten van blote billen en/of borsten is daarin een strafmaatbeïnvloedende factor. Voor gekwalificeerde opzetaanranding is – volgens de strafvorderingsrichtlijn – naast het knijpen/betasten/aanraken verba(a)l(e) of licht fysiek(e) dwang/geweld/bedreiging vereist.
Als wel gekwalificeerde opzetaanranding ten laste wordt gelegd, wordt door sommige feitenrechters onder de nieuwe wet aangenomen dat (enkel) onverhoeds handelen niet langer voldoende is voor een bewezenverklaring van dwang, althans dat de wetsgeschiedenis hierover niet eenduidig is, richtinggevende jurisprudentie hierover ontbreekt en het bestanddeel ‘dwang’ in art. 241 lid 2 Sr (en art. 243 lid 2 Sr) om die reden beperkt moet worden uitgelegd. Die zaken liggen niet ter beoordeling voor.
En dan zijn er nog zaken, zoals de onderhavige, waarin de ten laste gelegde feiten dateren van vóór 1 juli 2024, maar volgens de feitenrechter – om verschillende redenen – toch op enig moment het nieuwe art. 241 lid 1 Sr moet worden toegepast. Dat heeft dan, zoals ook blijkt in de onderhavige zaak, consequenties voor de hoogte van de maximaal op te leggen straf en daarmee voor de toepasselijke verjaringstermijn op grond van art. 70 lid 1 Sr.
In een uitspraak van 26 september 2025 oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden dat een fysiotherapeut zich in de periode van 2016 tot en met 2021 tijdens massages had schuldig gemaakt aan aanrandingen en verkrachtingen waarbij de dwang door een feitelijkheid onder meer bestond uit het onverhoedse karakter van de ontuchtige handelingen. Het hof oordeelde vervolgens dat “de inwerkingtreding van de Wet Seksuele Misdrijven er niet toe heeft geleid dat er sprake is van een gewijzigd inzicht in de strafbaarheid van de gedragingen zoals die bewezen zijn verklaard”. Het hof vervolgt dat de bewezenverklaarde gedragingen onder de nieuwe wetgeving moeten worden gekwalificeerd als opzetaanranding en opzetverkrachting. Waarom de gekwalificeerde vorm niet in aanmerking komt, wordt mij niet duidelijk. Het hof bepaalt dan dat gekwalificeerd moet worden op grond van de oude bepalingen (art. 246 (oud) Sr en art. 242 (oud) Sr). Bij de strafoplegging stelt het hof voorop dat de aan art. 246 (oud) Sr en art. 242 (oud) Sr verbonden strafmaxima respectievelijk acht jaren en twaalf jaren betroffen, maar dat de in art. 241 lid 1 Sr strafbaar gestelde opzetaanranding een (lager) strafmaximum van zes jaren gevangenisstraf en de in art. 243 lid 1 Sr strafbaar gestelde opzetverkrachting een (lager) strafmaximum van negen jaren. Het hof gaat vervolgens bij de straftoemeting uit van het lagere strafmaximum van de nieuwe bepaling, “omdat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte gunstigste bepalingen dient te worden toegepast”. Het Hof ’s-Hertogenbosch redeneerde in een uitspraak van 15 augustus 2025 op soortgelijke wijze.
6. De bespreking van het middel
De vraag die ter beantwoording voorligt is, of ten aanzien van de aan de verdachte verweten gedragingen sprake is van verandering van wetgeving zoals bedoeld in art. 1 lid 2 Sr, die met zich brengt dat daarop niet de toen (in 2004) geldende wet moet worden toegepast, maar de bepalingen van de in 2024 in werking getreden Wet seksuele misdrijven. De beantwoording daarvan komt in de kern aan op de vraag: wordt het strafbare feit zoals ten laste gelegd thans niet meer of in mindere mate strafbaar geacht dan in de ten laste gelegde periode? Voor de duidelijkheid merk ik op dat dat een wezenlijk andere vraag is dan die speelt in de zaken zoals besproken in de randnummers 5.5.2-5.5.4. Daar is de vraag op grond van welk lid van art. 241 Sr vervolging dan wel veroordeling voor de hand ligt of mogelijk is.
In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat het dwingen van een ander tot het dulden van ontuchtige handelingen (feitelijke aanranding van de eerbaarheid) in de ten laste gelegde periode strafbaar was gesteld in art. 246 (oud) Sr. Nu, na de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven, is het verrichten van seksuele handelingen met een ander terwijl de verdachte weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt en dit wordt voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang nog steeds strafbaar gesteld, namelijk als gekwalificeerde opzetaanranding in art. 241 lid 2 Sr. Overtreding van zowel art. 246 (oud) als art. 241 lid 2 Sr wordt bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal acht jaren. Behalve de aanduiding van het delict en het wetsartikel is er zo bezien dus weinig tot niets veranderd. Dat past ook bij het beeld dat naar voren komt uit de wetgeschiedenis: daarin staat expliciet dat art. 241 lid 2 Sr de rechtsopvolger is van art. 246 (oud) Sr.
In de onderhavige zaak oordeelde het Hof ’s-Hertogenbosch dat ten laste is gelegd het (in 2004) dwingen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen door ‘een (andere) feitelijkheid’, waarbij die feitelijkheid erin zou hebben bestaan ‘dat de verdachte het slachtoffer onverhoeds en onnodig zou hebben aangeraakt en betast aan haar billen en/of vagina/kruis en/of zijn in erectie zijnde geslachtsdeel tegen de vagina/het kruis en/of de billen van het slachtoffer zou hebben geduwd’. Het hof heeft zich – zoals ook wordt vereist door het EHRM – bij de vergelijking tussen de oude en nieuwe wet gericht op de specifieke omstandigheden van het geval en daarin betrokken dat de verdachte wordt verweten dat de dwang die hij heeft uitgeoefend bestond uit het onverhoeds seksueel aanraken van het lichaam van het slachtoffer. Volgens het hof kunnen onaangekondigde, onverhoedse seksuele handelingen zoals de onderhavige in ieder geval onder art. 241 lid 1 Sr (opzetaanranding) worden gebracht. Het hof vervolgt dat op basis van een grammaticale uitleg voor gekwalificeerde opzetaanranding zoals bedoeld in art. 241 lid 2 Sr meer nodig is dan een onverhoedse aanraking met een seksuele strekking. Het hof vindt daarvoor steun in de wetsgeschiedenis, ter ondersteuning waarvan het hof een aantal passages uit die wetsgeschiedenis citeert (zie randnummer 3.2). Volgens het hof is aldus in feite opzetaanranding ex art. 241 lid 1 Sr ten laste gelegd, zonder dwang ex art. 241 lid 2 Sr.
Daarin kan ik het hof niet goed volgen. Ter onderbouwing daarvan zal ik uiteenzetten wat de wetsgeschiedenis ons mijns inziens leert. Eerst in zijn algemeenheid het volgende. Grensoverschrijdend seksueel gedrag wordt in de memorie van toelichting bij de Wet seksuele misdrijven gekarakteriseerd als een wijdverbreid en hardnekkig probleem waarvan vele mensen aangeven slachtoffer te zijn. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever van mening was dat de zedenwetgeving verouderd was geraakt. Daarbij speelde een rol dat opvattingen in de samenleving over seksuele grensoverschrijding strikter zijn geworden en grenzen over welk gedrag strafwaardig is, zijn verschoven. De grenzen van wat in de samenleving als acceptabel en toelaatbaar seksueel gedrag wordt geacht, komen sneller in beeld en grensoverschrijdend gedrag wordt sterker afgekeurd. Mede als gevolg hiervan schoot de oude zedenwetgeving tekort in de strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld en was het nodig en wenselijk de strafwetgeving te moderniseren. Met de Wet seksuele misdrijven wordt de aansprakelijkheid voor verschillende vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag opnieuw vastgesteld en begrensd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld (aanranding en verkrachting) wordt uitgebreid en gemoderniseerd. Daartoe worden nieuwe delicten ingevoerd en wordt de drempel voor strafbaarheid wegens aanranding en verkrachting verlaagd. Tegen deze achtergrond is het – in ieder geval op het eerste gezicht – moeilijk voorstelbaar dat gedrag dat onder de oude zedenwetgeving al strafbaar was nu als minder strafwaardig zou moeten worden beschouwd.
Ik zoom verder in op delictsniveau. In de Wet seksuele delicten zijn de oude delicten (feitelijke) aanranding (van de eerbaarheid) en verkrachting vervangen door vier nieuwe delicten met zes verschillende kwalificaties: schuldaanranding, opzetaanranding, gekwalificeerde opzetaanranding, schuldverkrachting, opzetverkrachting en gekwalificeerde opzetverkrachting. Bij de schulddelicten ontstaat strafbaarheid als seksuele handelingen worden verricht terwijl iemand ernstige reden heeft om te vermoeden dat bij de ander hiertoe de wil ontbreekt. Bij de opzetdelicten is dat het geval als diegene seksuele handelingen verricht in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Het gebruik van dwang, geweld of bedreiging is niet meer een voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, maar een strafverzwarende vorm van de opzetdelicten. Voor de opzetdelicten voldoet – vanzelfsprekend – vol opzet, maar ook voorwaardelijk opzet. Daarvan is volgens de memorie van toelichting sprake als de verdachte “zich bewust is van de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij de ander en die mogelijkheid eenvoudigweg voor lief heeft genomen”. Dit wordt ook een “wezenlijk onverschillige mentale houding” genoemd, waarin de verdachte “geen boodschap (heeft) aan de wil van de ander” en vormt de ondergrens van opzet.
Onverhoeds handelen, in de zin van het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten, valt volgens de wetgever onder de opzetvariant. De dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven daarover zijn of haar wil te uiten. Hiermee maakt de wetgever slechts duidelijk dat onverhoeds handelen voldoende is om opzet aan te nemen, niet meer en niet minder. Wel moet worden toegegeven dat de wetgever bij de opzetvariant tot op zekere hoogte onderscheid maakt tussen in de eerste plaats onverhoeds handelen en in de tweede plaats dwang, geweld of bedreiging waarmee de wilsvrijheid van de ander wordt beperkt. De Minister duidt dit later als twee voorbeelden van ‘gevalstypen’ die onder de opzetvariant vallen. Daarmee is mijns inziens echter niet gezegd dat onverhoeds handelen geen (strafverzwarende) dwang kan opleveren.
Dwang is onder de nieuwe wet geen voorwaarde voor strafbaarheid, maar een ‘extra strafwaardige begeleidende’ omstandigheid die maakt dat de opzetvariant als ernstiger wordt aangemerkt. Volgens de wetgever komt deze strafverzwaringsgrond in beeld “wanneer iemand weet, in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de wil van de ander met betrekking tot het seksuele contact ontbreekt en dit contact toch wordt doorgezet”. Het is niet vereist dat de dwang zodanig is dat de wil van de ander wordt doorbroken. De wetgever heeft expliciet afstand willen nemen van het (hoge) bewijsvereiste met betrekking tot het dwangbestanddeel van art. 246 (oud) Sr. Voor dwang in art. 241 lid 2 Sr volstaat volgens de wetgever “dat zodanige pressie op een ander is uitgeoefend dat die ander daardoor niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft gehad een vrije keuze te maken”. Die pressie kan zich op veel verschillende manieren voordoen, maar een van de voorbeelden die uitdrukkelijk wordt genoemd is het veroorzaken van een fysiek beletsel door het overrompelen van een ander. Of in een specifiek geval sprake is van dwang, hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
Hoewel onverhoedse handelingen zich in verschillende vormen kunnen voordoen en de door de wetgever onderscheiden ‘gevalstypen’ mogelijk enige verwarring hebben geschapen, kan op basis van deze wetsgeschiedenis toch bezwaarlijk worden betoogd dat de wetgever het onverhoeds handelen als minder strafwaardig is gaan beschouwen, en buiten het bereik van de gekwalificeerde opzetaanranding heeft willen brengen. Uit de in de randnummers 5.4.4 en 5.4.5 weergegeven jurisprudentie volgt dat een onverhoedse aanraking met een seksuele strekking voldoende was voor dwang zoals bedoeld in art. 246 (oud) Sr. Art. 241 lid 2 Sr is de rechtsopvolger van art. 246 (oud) Sr, terwijl bovendien voor dwang in art. 241 lid 2 Sr volgens de wetgever een lager bewijsvereiste is gaan gelden. Voldoende is zoals gezegd dat de verdachte zodanige pressie uitoefent dat de ander niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken. Het is zeker niet uitgesloten dat dat het geval kan zijn bij onverhoeds handelen. Daarvan zegt de wetgever immers dat het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen, omdat de dader de ander niet de ruimte wil geven om daarover zijn of haar wil te uiten. Dat past in beginsel binnen het lagere bewijsvereiste.
Dat de Wet seksuele misdrijven geen (wezenlijke) verandering heeft gebracht ten aanzien van gedrag dat ook onder de oude zedenwetgeving al strafbaar was, wordt mijns inziens bovendien geïllustreerd door de mededeling van de Minister tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer (zie randnummer 5.4.11) dat de ondergrens voor strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt verlaagd en gevallen van onvrijwillige seks die eerder niet strafbaar waren dat nu doorgaans wel zullen zijn. Zoals ik in mijn conclusie van 13 januari 2026 al schreef kan worden gezegd dat de Wet seksuele misdrijven blijk geeft van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van seksuele misdrijven, maar niet ten gunste van verdachten.
Voor de onderhavige zaak betekent dat mijns inziens dat de zaak moet worden beoordeeld op basis van de regelgeving die gold ten tijde van het plegen van het strafbare feit, dat wil zeggen art. 246 (oud) Sr. De Wet seksuele misdrijven is immers niet gunstiger voor de verdachte. Van een voor de verdachte gunstige wijziging van de strafbedreiging is evenmin sprake. Het dwingen van een ander tot het plegen of dulden van seksuele handelingen werd (art. 246 (oud) Sr) en wordt (art. 241 lid 2 Sr) immers bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal acht jaren. Dat de gedraging óók onder art. 241 lid 1 Sr valt, dat een lager strafmaximum kent, is daarbij niet relevant. Uitgaande van het (hogere) strafmaximum van acht jaren, is de verjaringstermijn in dit geval (niet twaalf maar) twintig jaren. Uit de omstandigheid dat de zitting van de rechtbank op basis waarvan het vonnis in eerste aanleg is gewezen plaatsvond op 1 maart 2024, precies twintig jaren na het begin van de tenlastegelegde periode, leid ik af dat daarvoor sprake is geweest van een stuitingshandeling. Er kan worden vastgesteld dat de zaak inmiddels oud is, maar van voltooiing van de verjaringstermijn is dus geen sprake.
Het middel is aldus terecht voorgesteld. Aan het oordeel van het hof dat de aan de verdachte ten laste gelegde gedragingen – bestaande uit het tijdens een danstraining onverhoeds en onnodig betasten van de borsten, vagina/kruis en/of billen van een ander en het duwen van zijn stijve geslachtsdeel tegen de vagina/kruis en/of billen van die ander – na de invoering van de Wet seksuele misdrijven onder art. 241 lid 1 Sr vallen, ligt de opvatting ten grondslag dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat (enkel) onverhoeds seksueel handelen niet langer dwang kan opleveren, waarbij het hof er kennelijk van uitgaat dat sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van onverhoeds handelen. Die opvatting vindt geen steun in de wetsgeschiedenis. Het oordeel van het hof getuigt in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting. Dat betekent dat het daarop gebaseerde oordeel van het hof, inhoudende dat gelet op de strafdreiging van art. 241 lid 1 Sr het feit waarvoor vervolgd op grond van art. 70 Sr is verjaard, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, niet in stand kan blijven.
7. Slotsom
Het middel slaagt.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G